buiten twijfel het eiland _Kinkwasan_ verstaan, hetwelk ongeveer 1 mijl
van het voorgebergte afligt, dat het oostelijk uiteinde van de baai van
_Sendaï_ vormt. »_~Dezen uitsteeckende hoeck van Toy is heel kenbaer;
als men uyt de Suyt komt, vertoont hem als een hooch eylant, ende een
weynich daer bewesten met een rey van gehackelt geberchte, met een corte
spaetsy laech lant.~_” Dit eiland is ~Vries~ den 1 Junij op een’ afstand
van eene mijl genaderd, en tusschen dit en een ander, dat hij
_Tafeleiland_ (op onze kaart _Nagafama_) noemde, ingezeild; »_~waeren
omtrent 1 myl van de wal, wenden ’t doen, t’see gewent synde~_.” Volgens
zijne waarneming op den middag van den 1 Junij waar hij, den spitsberg
van _Toy_ N.W. ½ W. op 2 à 3 mijlen afstands peilende, zich op 38° 24′
gegiste breedte bevond, ligt dit eiland op 38° 32′ N.Br., hetwelk
slechts een verschil van +7′ met de bepaling van den Japanschen
Hof-astronomist ~Sakusajemon~ oplevert. Deze waarneming werd op den 2
Julij bevestigd, waar het zuideinde van _Toy_ op 38° 29′ bevonden werd,
overeenleggende met het zuideinde van het _Tafeleiland_. »_~Recht
Noorden van het Suyteynt van Toy 1 à 2 mylen liggen eenige gebroocken
eylanden ende clippen onder de wal; wat landelycker leyt noch een
eylantie, wat langer ende hooger~ (Dezima); ~dicht onder de cust een
half myl daer benoorden leyt noch een ront eylantie gelyck een
Toppershoetien~ (Jesima), ~daer aen beyde eynden al scherpe clippen,
die boven water leggen, afstrecken ende vertonen haer als naelden.
Tusschen het vorige eylant ende het Toppershoetien geleek een rivier in
’t lant te loopen~_”. Dit is echter eene diepe bogt _Sjugo fama_
genoemd. »_~De cust streckte hun hier al noortwaarts, maar met veel
inbochten ende was al hooch lant.~_” Deze eilandjes zijn op de originele
kaart van ~Vries~ »_~Schildpads eylantjes~_” genoemd. Overigens is de
beschrijving daarvan en van dit voor de vaart langs de Oostkust van
_Nippon_ gewigtig punt van verkenning ~voortreffelijk~; wij willen
echter nog aanmerken, dat tusschen het zoogenoemde eiland _Toy_
(_Kinkwasan_) en den vasten wal een voor Japansche groote schepen
bevaarbaar kanaal bestaat, dat _Jama tori no seto_, d. i. het fazanten
kanaal, genoemd wordt, en dat aan de Noordzijde van de bogt van _Sjugo
fama_ zich een tak van de groote rivier _Figami gawa_ in zee stort, die
tevens bevaarbaar is voor groote schepen en door een kanaal bij _Miato_,
eene haven in de baai van _Sendai_ uitwatert. Door deze 9 Ri lange
vaart, die voor gewone niet al te groote schepen geschikt is, wordt de
omzeiling van kaap _Kinkwasan_ vermeden, die anders 22 Ri bedraagt.
Mogelijk is die ook voor kleine stoomschepen bevaarbaar. Langs het
grootste gedeelte van de Oostkust van _Nippon_ droogt het water langzaam
tot op 10 vademen en minder op; rondom de kaap _Kinkwasan_ echter vindt
men reeds op korten afstand eene diepte van 80 vademen, en eenige mijlen
verder in zee geen grond meer. In het Z.O. van _Kinkwasan_, 2 en 3
mijlen vandaar, nam ~Vries~ eene om de Zuid loopende strooming waar. Ook
~Broughton~ heeft (7 en 8 September 1797) langs de Oostkust van _Nippon_
op 39° 55′ tot 40° 44′ N.Br. eene sterke Z. en Z.Westelijke strooming
waargenomen. Deze heeft ~Vries~ reeds zuidelijker op 37° 39′ op een’
afstand van 4 mijlen van de kust ontmoet, en als oorzaak van de korte
vreeselijk holle zee verklaard, »_~omdat de strooming tegen de wind
(uit S.S.O.) liep~_.” De Japansche stroom, de reeds vroeger genoemde
_Kuro siwo_ of zwarte zeestroom, schijnt aan den grooten oosthoek van
_Nippon_, kaap _Daihô saki_, zijne kracht te breken, en vervolgens langs
de kaap _de Kennis_ meer N.Oostelijk te worden afgeleid. Behalve zijne
snelheid en zijne rigting, die aan den zeeman niet ontgaan kunnen,
kenmerkt zich de loop van dezen stroom gedurende de koudere jaargetijden
en in hoogere breedte door den digten mist, die ’s morgens en ’s avonds
zijn stroomgebied bedekt. ~Vries~ klaagt dikwijls tot op de hoogte van
bijna 38° N.Br. over »_~vreeselycke donckere mist~_”, terwijl hij
noordelijk door heel mooi begunstigd werd. Men kan dus als eene wet van
dezen warmen stroom aannemen, dat zijn gebied zich langs de Oostkust van
_Nippon_ niet verder dan op 38° N.Br. uitstrekt, en dat zich tusschen
hem en langs de kust een _koude stroom_ indringt, die van de Zuidkust
van _Jezo_ en mogelijk van de straat van _Tsungar_, waar, door dit tot
op 12 Eng. mijlen verengd kanaal, de doorstrooming van al dat water
belet wordt, afzakt en naar het Zuiden loopt. Dat deze aan den invloed
der afwisselende winden min of meer blootgesteld is, is natuurlijk, en
zijne kracht schijnt zich als het ware aan die van den warmen stroom
allengskens te breken, alhoewel beide stroomen duidelijk onderscheidbaar
voorbij stroomen. Want nog op de hoogte van de _Tasmans_ eilanden wordt
door de Japanners sedert eeuwen de grenslijn van den _Kuro siwo_
waargenomen en bepaald. Ook is de warmte van het zeewater in het Noorden
van de Oostkust van _Nippon_ aanmerkelijk lager als van dat van den
_Kurosiwo_, zijnde het maximum der temperatuur van dien stroom op 86°
Fahr. en die der zee bij kaap _Kurosaki_ (39° 56′) slechts op 55° Fahr.
=De Tafelberg.= »_~’s Avonts lach de Oosthoeck van Toy S.W.t.S. 5 à 6
mylen van ons, saegen in ’t N.t.O. een heel hoogen vlacken berch, dien
wy den naem gaven van den Tafelberch.~_” Deze is, volgens deze
peilingen op den 2 Junij gedaan, waarschijnlijk kaap _Wosaki_ op de
Japansche kaarten; hetwelk ook met de kaart van ~Jansson~ en met de
waarnemingen van ~King~ en ~Broughton~ overeenkomt. Daarna zou de hoek
van den Tafelberg op ongeveer 39° tot 39° 15′ N.Br. moeten liggen. De
beslissing daarvan laten wij aan het onderzoek van Nederlandsche
zeevaarders--zoo hopen wij--over; betreuren echter zeer, dat Commodore
~Perry~ de Oostkust van _Nippon_, van de Witte hoek af aan tot kaap
_Sirijasaki_ een afstand van vier en een vierde graad van breedte, of
255 Eng. mijlen voorbijgestoomd is, zonder de aardrijkskundige ligging
van deze zoo weinig bekende kuststreek nader onderzocht te hebben.
=Caap de Goeree= of _Goede ree_. »_~Een steylen hoogen gehackelde hoeck,
dien wy Caep de Goeree noemden, omdat tusschen beyden schenen veel
havens ende eylanden te liggen, daer~_ (eene) _~Goede ree soo het leeck
after waere; de cust streckt hier N.t.O. ende S.t.W.~_” Volgens zijn
bestek van ’s middags den 3 Junij, waar ~Vries~ op 39° 28′ N.Br. _caep
de Goeree_ N.t.W. 4 mijlen van zich had, zoude deze kaap op 39° 45′
N.Br. liggen. Op ~Janssons~ kaart is dezelve op 39° 40′ geplaatst. Het
is de oostelijkste uithoek van _Nippon_, _Kuro saki_, d. i. de zwarte
kaap genoemd, die volgens ~Sakusajemon~ op 39° 56′ N.Br. en 142° 10′
O.L., volgens ~Broughton~’s originele kaart 20′ oostelijker, en volgens
~v. Krusenstern~’s berekening 10′ oostelijker ligt. Wij zijn van meening
aan de breedtebepaling van ~Vries~ thans, waar wij zijn Journael kennen,
de voorkeur te moeten geven, en vooronderstellen, dat de kaap _Kurosaki_
op de Japansche kaarten te ver van _Tako fama_, waar zich de zoogenoemde
haven van _Nabo_ of _Nambu_ bevindt, geplaatst is. De haven van _Nabo_,
waarheen de Japansche visschers aanboden ~Vries~ te zullen brengen, is
die van _Mijako_; en die van _Schay_ is die van _Kuzi_ (ook _Kuziwoka_
genoemd). De eerste is 38 Ri van de haven van _Dezima_ bij kaap
_Kinkwasan_ gelegen, en de laatste ligt 20 Ri noordelijk van die van
_Mijako_ af. Deze beide havens en nog eene 20 Ri noordelijker bij den
Noordoosthoek gelegen, zijn de drie voornaamste havens van het
noordelijkste gedeelte der Oostkust van _Nippon_, dat onder het district
van _Nambu_ behoort: daarvan _Nabo_ of _Nambu_[61]. »_~Een groote voert,
streckende S.S.W. heel diep in ’t land, souden naer wy sien conden daer
heel uyt der see seylen connen~_,” werd de _Voert van Goeree_ genoemd.
Het is de ruime ingang van de haven van _Mijako_, door ~Broughton~ en
~King~ op hunne (al te kleine) kaarten met den naam van _Port_ en _Cape
Nambu_ beteekend. De beschrijving, die ~King~ van den ingang maakt, komt
met de Japansche kaart daarvan overeen; dezelve wordt door twee
landpunten gevormd, waarvan de noordelijke lage (_une pointe basse de
terre_) _Tako fama_, d. i. Inktvisch strand, heet, de zuidelijke hooger
is, en met een’ kegelberg eindigt (_une colline en forme de cone_) en
deswege den naam van _Taka fama_, d. i. hooge strand, heeft[62]. De
diepte der zee is hier, 2 tot 4 mijlen afstands van den wal, meer dan
100 vademen wasigen grond. De kaap _Kurosaki_ kenmerkt zich door eenige
hooge naar binnen liggende kegelbergen (de _Kairaki_ en _Kabutojama_),
die tot het einde van Mei nog met sneeuw bedekt zijn.
[61] Wij hebben reeds in onze „_Geschichte der Entdeckungen_”
aangetoond, dat digt bij deze haven, en waarschijnlijk in de bogt
van _Komoto_, het jacht _Breskens_ vervallen en Kapt. ~Schaep~
gevangen genomen is. Verg. pag. 100, aanmerking 20.
[62] Vergelijk: _Troisième voyage de_ ~Cook~, Tom. IV. p, 372. pl. 79.
_Geschichte der Entdeckungen im Gebiete von Japan, von_ ~v.
Siebold~, pag. 10 en 92. Anmerk. 20.
=De Noordhoek.= »_~Het verste lant dat wy sien conden, lach N.t.W. 8
mylen van ons~_ (_~ende Caep de Goeree S.S.W. 2 mylen~_) _~ende was een
vlacke hooge berch~_ (de _Croonberch?_); _~ende een laege vlacke
afgaende hoeck lach N.N.W. 4 à 5 mylen van ons.~_” De veronderstelde
Noordhoek van Japan is, zoo als uit de Japansche kaarten te zien is en
uit de opneming van ~Broughton~ blijkt, slechts een gedeelte van de
kust, die zich van het oostelijkste uiteinde van _Nippon_ (kaap _de
Goeree_ of _Kurosaki_) in eene noordwestelijke rigting uitstrekt tot op
41° 34′ N.Br. Deze door ~Vries~ geziene Noordhoek is de kaap _Tane itsi_
en de »_~laege vlacke afgaende hoeck~_,” de kaap _Misaki_ op de
Japansche kaarten, de eerste volgens ~Janssons~ kaart op 40° 10′, echter
door ~Sakusajemon~, ~King~ en ~Broughton~ 15′ tot 16′ meer noordelijk
geplaatst. Daar wij, alvorens wij van ~Vries~ Journael kennis namen,
vooronderstelden, dat de door hem benoemde _Noordhoek_ kaap _Misaki_
was, omdat de op ~Janssons~ kaart daarvoor opgegevene breedte juist mede
overeenkwam, zoo hebben wij op onze kaart aan kaap ~Misaki~ den naam van
kaap _de Vries_ gegeven, terwijl wij aan kaap _Tane itsi_ den van ~von
Krusenstern~ gegeven naam _Pointe Nord_, ~King~, bijbehielden. Langs
deze kust tot op ongeveer 40° 23′ N.Br. heeft men op een afstand van 4 à
5 mijlen 72 à 100 vadem graauwe zandgrond.
=Kaap Sirijasaki=, of de Noord-Oosthoek (_P. Nord-Est_, ~Krusenstern~.)
Aan onzen Nederlandschen zeevaarder ~Vries~ en aan den Engelschen ~King~
bleef deze kaap onbekend. Op de, volgens oorspronkelijk Japansche,
ontworpen kaarten van de 17^{e} eeuw vindt men het noordelijk gedeelte
van _Nippon_ door omtrekken begrensd, die deze kaap duidelijk laten
herkennen. Zijne aardrijkskundige ligging echter hebben wij aan
~Broughton~ te danken, die dit voorgebergte den 9 Augustus 1797
omzeilde, en hetzelve den 25 d. m. nader bepaalde en _Cape Nambu_
noemde. Op deszelfs originele kaart is kaap _Nambu_ op 41° 15′ N.Br. en
141° 30′ O.L. geplaatst. ~Von Krusenstern~ berekende de ligging van deze
kaap op 41° 22′ 45″ N.Br. en 141° 30′ O.L., en ~Sakusajemon~ op 41° 25′
N.Br. en 141° 46′ O.L. Op de kaart van »_the Kuril Islands from_ ~v.
Krusenstern~, ~v. Siebold~ _and_ ~Broughton~” uitgegeven in 1856, door
het hydrographisch bureau van de Admiraliteit te London, is ~von
Krusenstern~’s berekening bijbehouden. Digtbij liggen rotsen en een
eilandje _Rakosima_, d. i. Robben eiland genoemd. Op den 5 Junij was
~Vries~ op deze hoogte en zag »_~veel seerobben ende veel drift~_.” Het
diepte hier langzaam van 70 tot 100 vadem graauwe zandgrond.
=De Kaap Toriwisaki= (_The North Point of Nipon_, ~Brought.~). Ook van
deze kaap hebben wij de aardrijkskundige ligging aan ~Broughton~ te
danken: »_a low flat point situated in the latitude 41° 31′ N. and 140°
50′ E. of Greenw._” Volgens ~Sakusajemon~ ligt deze echter 3′
noordelijker en 20′ oostelijker, en op de kaart der Admiraliteit op de
breedte volgens ~Broughton~, maar 8′ oostelijker. Ook deze kaap eindigt
met een eilandje, _Benten_ genoemd, dat aan de Godin ~Ben zai ten~, eene
beschermster tegen zeemonsters, toegewijd is en met eene groep rotsen,
die zich gelijk naalden boven water vertoonen.
Tusschen kaap _Sirijasaki_ en _Toriwisaki_ vormt de kust eene diepe
bogt, waar zich de haven van _Ohobata_ bevindt, die 20 Ri van de aan de
Oostkust gelegen haven van _Kuzi_ afligt. Verder westelijk van daar bij
_Ohoai_ is nog eene kleine havenplaats voor schepen, die naar de baai en
haven van _Awomori_ varen, waarheen 23 Ri gerekend wordt. Bij kaap
_Toriwisaki_ neemt de kust eene Z. Westelijke en vervolgens nog meer
zuidelijke rigting aan, en loopt alsdan bij kaap _Kusô domari_ naar
O.N.O. om; en dit noordelijkste uiteinde van _Nippon_ krijgt als het
ware de gedaante van een klein schiereiland, waar zich de _Jakejama_,
een uitgedoofde vuurberg in het midden van kleinere kegelbergen, 3200
voet hoog verheft. Met het tegenoverliggend N. Westelijk uiteinde,
waarvan de noordelijkste hoeken _Tatsupisaki_ en _Takonosaki_ genoemd
worden, vormt dit schiereiland den ongeveer 2 mijlen wijden ingang der
baai van _Awomori_, die eene ruimte van 5 tot 6 □ mijlen beslaat, en met
den tijd voor de zeevaart belangrijk worden kan. Kaap _Tatsupisaki_ of
kaap _Tsugar_, die volgens ~von Krusenstern~ op 41° 16′ 20″ N.Br. en
140° 30′ O.L. ligt, vormt met de tegenoverliggende kaap _Tadeisi_ of _K.
Matsmai_ op _Jezo_, die op 41° 30′ N.Br. en 139° 57′ O.L. ligt den
westelijken ingang in de straat _Tsugar_, terwijl kaap _Sirijasaki_ en
de tegenover op _Jezo_ liggende kaap _Jesan_ volgens ~Broughton~ op 41°
49′ 20″ N.Br. en 141° 20′ O.L. den oostelijken ingang tot deze straat,
die op Japan _Kukinoseto_ genoemd wordt, beheerscht.
Wij hebben deze aardrijkskundige uitweiding gemaakt, om den door ~Vries~
langs de Oostkust tot naar den _Noordhoek_ van _Nippon_ het eerst
gebaanden weg verder nog aan te wijzen, en wel tot de haven van
_Hakotade_ op _Jezo_, die sedert den 31 Maart 1854 aan alle de
zeemogendheden, die met _Japan_ een tractaat van scheepvaart gesloten
hebben, geopend is. En zoo vinden wij het ook doelmatig, dezen
Zeemansgids met eene zeildirectie voor het inloopen in de straat van
_Tsugar_ en de baai van _Hakotade_ te sluiten.
De Baai van _Hakotade_ ligt N.W. ½ W. op eenen afstand van omtrent 45
Eng. mijlen van kaap _Sirijasaki_ op _Nippon_ verwijderd. Op deze hoogte
gekomen en de rotsen, die aan de Oost- en Noordzijde van deze kaap
uitsteken, vooruitgeloopen, bekomt men de kapen _Jezan_ en _Siwokubi_
met het hooge land van _Jezo_ en de Noordkaap van _Nippon_
(_Toriwisaki_) in het gezigt. Men houde aanvankelijk op kaap _Jezan_, en
vervolgens, kaap _Toriwi_ West peilende, op kaap _Siwokubi_ aan. Deze
ligt op 41° 49′ 22″ N.Br. en 140° 47′ 45″ O.L. De stroom, die de straat
in ’t Westen met eene snelheid van 5′ in het uur inzet, is in het midden
der straat het sterkst, namelijk tusschen kaap _Siwokubi_ en
_Toriwisaki_, waar de straat het naauwst, 10 tot 12 Eng. mijlen breed
is. Japansche vaartuigen, die naar de haven van _Ohobata_ zeilen, gaan
derhalve digt bij kaap _Sirijasaki_ voorbij en houden zich langs de
kust, waar de stroom minder bespeurd wordt; ook loopt hij, volgens de
mededeelingen van Japanners, bij _Toriwisaki_ digt bij de kust van
_Nippon_ W.t.Z. om en Z.W., hetwelk zich als eene terugstrooming van de
watermassa beschouwen laat, die de naauwte tusschen _Siwokuwi_ en
_Toriwisaki_ niet doorstroomen kan. De Noordkust van _Nippon_ is echter
klippig, en in het N.N.W. van het _Benten_ eilandje zijn gevaarlijke
ravelingen. Bij mistig weder en bij nacht is het niet raadzaam de straat
in te loopen. Stoomschepen kunnen zich met het hoofd in zee gemakkelijk
aan den ingang houden, totdat zij gelegenheid hebben binnen te loopen.
Van den Noordhoek van _Japan_ naar de kaap _Jerimo_ op _Jezo_
overstekende, werd aan boord van _Castricum_ 72 tot 100 vademen gewone
zandgrond gelood; men was vervolgens grond af, en vond op eenen afstand
van 4 mijlen N. van dezen uithoek weder 50 vadem zandgrond. Deze
waarnemingen kunnen tot maatstaf der diepte van den Oostelijken ingang
der straat _Tsuyar_ dienen. In het midden der straat vindt men 50 tot
130 vademen. Wanneer men den hoek van _Siwokubi_, die 12′ O.Z.O. ½ O.
van de stad _Hakodate_ ligt, gepasseerd is, kan men de masten der in de
haven voor anker liggende schepen, boven eene lage landengte
uitstekende, zien. Daarnaar neemt men nu zijnen cours. Bij het inzeilen
in de haven dient, bij helder weder, de 3169 voet hooge _Komagatake_ of
_Zadelberg_ tot gids. Nadat men op eenen afstand van 1 Eng. mijl (ten
einde de stilte onder de lagen wal te mijden) het 1136 voet hooge, door
eene lage landengte met het Oostelijk gedeelte der baai verbonden
voorgebergte, aan welks N.O. zijde de stad _Hakotade_ ligt, omzeild
heeft, houde men op den scherpen piek van den _Komagataki_, die Noord
strekt, aan, totdat de Oostpiek van den _Zadel_, die N.O. bij N. strekt,
zich Westelijk van den ronden knop op de kant van het _Zadelgebergte_
bevindt[63], alsdan hale men van N. naar O. over, tot dat men het
midden van den zandheuvel op de landengte Z.O.t.O. ¾ O. van zich heeft.
Zoo doende vermijdt men eene droogte, die aan het Westeinde der stad in
eene N.N.Westelijke rigting ⅔ mijl uitstrekt. Alsdan brengt men den
zandheuvel op de bakboordzijde, en loopt door, tot dat men den Westhoek
der stad Z.W. ½ W. van zich heeft, waar men den besten ankergrond op 5½
tot 6 vadem diepte vindt. Minder groote schepen kunnen tot op ¼ mijl den
hoek van _Tsuki_ digt bij de stad naderen. In geval men bij mist of
betrokken lucht den Piek of den Zadel niet onderkennen kan, sture men,
nadat men, zoo als gezegd, het voorgebergte omzeild heeft, N.O. ½ O.,
totdat men den sandheuvel in de opgegevene rigting voor zich heeft. Bij
ongunstigen wind vindt men op de buitenree op 25-12 vadem goeden
ankergrond. De diepte aan den mond der baai is omtrent 30 vadem en
droogt allengs tot 6 en minder op. _Hakotade_ (de mond der rivier
_Kameta_) ligt op 41° 49′ 22″ N.Br. en 140° 47′ 45″ O.L. De miswijzing
van het kompas is 4° 30′ W. Hoog water bij nieuwe en volle maan 5 uur.
De grootste rijzing en daling van het water bedraagt 3 voet.
[63] „Steer for the sharp peak of Kamagataki, bearing about north,
until the east peak of the Saddle, bearing about N.E. by N. opens
to the westward of the round knob on the side of the mountain.”
Sailing directions for Hakotadi, by Lieut. ~Wm. L. Maury~, in
~Hawks~ _Narrative_, pag. 691.
IV. DE ONTDEKKING VAN HET LAND VAN JEZO.
Van den vermeenden »_Noordelijcke hoeck van Japan_” had ~Vries~ den
koers N.N.O. genomen en bevond zich ’s middags den 7 Junij op 162° 1′ O.
v. Teneriffe (volgens onze verbetering op 143° 39′ 36″ O. v. GR. en op
41° 24′ bevonden N.Br.)[64]. Van daar tot op 40° 36′ N.Br. heeft men 70
tot 100 vademen graauwen zandgrond, langzaam opdiepende totdat men grond
af is. Zij hadden ’s ochtend omtrent 10 uur hoog land gezien. Dit was de
[64] Langs de oostkust van _Nippon_ hebben wij op de lengtebepalingen
van ~Vries~ niet gelet, omdat in het Journaal gedurende dezen
togt de afstand van de Japansche kust telkens naauwkeurig
opgegeven is. Wij hebben echter opgemerkt dat de in het Journaal
opgegevene gegiste lengte van het eiland _Fatsisjo_ met ongeveer
+2° moest verbeterd worden. Die van den hoek _Bosho_ levert reeds
een verschil van +2° 22′ O. en die van Kaap _Misaki_ en Kaap
_Taneitsi_ ruim +3° O. op. Volgens deze verbetering zoude zich
~Vries~ op den middag van den 7 Junij op 143° 39′ 36″ O.L. v.
Greenw. bevonden hebben, en den »_S.O.hoeck van Eso_” Kaap
_Jerimo_, 9 à 10 mijlen uit het N. peilende, op 41° 24′ N.Br.
Beide waarnemingen zijn, voor zoo verre wij tot heden de
aardrijkskundige ligging van den Z.O.hoek van _Jezo_ kennen, zeer
goed; de lengte verschilt bijna niets met die van de kaart van
den Hof-sterrekundige en de breedte +9′ met die op ~Broughton~’s
originele kaart.
=Kaap Jerimo=, de Z.O.hoek van _Jezo_ (_Eroen_ of _Groen_, ~Vries~)
»_een hoogen steylen hoeck_,” en ligt volgens ~Broughton~’s orig. kaart
op 41° 53′ N.Br. en 142° 55′ O.L. Volgens ~Sakusajemon~’s kaart echter
op 41° 56′ N.Br. en 143° 39′ 10″ O.L. Omtrent 4 mijlen van dezen hoek
loodt men 50 vademen zandgrond en 3 mijlen daarvan 24 vad. schulpige
zandgrond. Men kan den hoogen hoek tot op ½ mijl naderen en vervolgens
langs den wal op de diepte van 20-24 vad. sturen. »_Van d^{o}. hoeck
streckt het land N. ende is hier hooch dubbelt lant ende op de toppen
bedeckt met sneeuw._”
Den Z.O.hoek Z.W. ½ Z. 5 mijlen afstand peilende, heeft men in het
N.W.t.N. »_een groote bay ofte inbocht_.” Dit is de baai van _Firoro_.
~Vries~ nam een’ N.O. koers langs den wal; het was mistig weer, de zee
liep om de N., hem naar den wal zettende, waar hij op 26 vademen grove
zandgrond ankerde; zij konden de landzee hooren ruischen. De hoek van
deze ankerplaats wordt
=Cabbeljaus hoeck= genaamd en is waarschijnlijk de lage uithoek digt bij
_Tobui_ in de rivier _Monbets_, waar het hooge land afvalt. _Tobui_ ligt
35′ noordelijker en 18′ oostelijker als de plaats _Saruru_, wiens
breedte door de Hof-astronomisten op 42° 7′ N. en de lengte op 143° 56′
O. bepaald is. Dit laatstgenoemde oord is eene Japansche wachtplaats, en
mogelijk zou men aan den mond van de rivier kunnen ankeren. Van
Japansche schepen wordt die plaats sedert eene eeuw bezocht. Ik merk
zulks op, omdat in het Journaal gezegd is: »_Voorts heeft de cust veel
bochten, maer can niet geanckert worden daer men voor de see beschut
licht_.” Den 9 Junij op 15 vadem singelgrond ten anker gekomen, wordt ’s
middags de breedte van 42° 44′ N. berekend en de Z.O.hoek van _Jezo_ 12
mijlen Z.W.t.Z. en een lagen hoek (_Cabbeljaus hoeck_) 6 mijlen Z.W.t.W.
gepeild, »_hadden noch een hoeck, in ’t N.O. ½ O. 6 of 7 mijlen van ons
(Goutsioer), alwaer wel een revier geleeck bij in te strecken soo wy
sien conden; saegen noch lant in ’t O.t.N._”
~Vries~ bevondt zich zoo mede in een afstand van ½ mijl van het
aanzienlijke dorp _Tokatsi_, (_Tocaptie_, ~Vries~), waar de rivier
_Usibets_, eene van de grootste op de Oostkust van _Jezo_ uitwatert, en
de kust zich in eene lage bogt terugtrekt.
Op de originele kaart van ~Vries~[65] staan de woorden: »_Alhier
(Tocaptie) komt haar ’t eerste vaartuyg van dit Land aan boort, daarin
syn twee mannen en een jongen, veel silver om haar hebbende en wijsen na
’t gebergte, dat daer silver in overvloet is_.” Deze eerste ontmoeting
met de inboorlingen van _Jezo_ wordt in het Journaal meer breedvoerig
verhaald. Met uitzondering van eenige vroegere mededeelingen omtrent
dezen merkwaardigen landaard, die wij in de brieven van de Christelijke
zendelingen in de 16 en 17 eeuw vinden[66] en eenige bijzonderheden
daaromtrent door de reisgenoten van ~Vries~ in de 17 eeuw bekend
gemaakt[67], behoort de beschrijving van dit volk, zoo als ook van zijne
zeden en gebruiken aan verscheidene plaatsen van het Journaal
ingelascht, tot de belangrijkste bijdragen, welke wij door Europische
zeevaarders van dezen volksstam, thans bekend onder den naam van
_Aino’s_ of de _ruige Kurilen_, verkregen hebben. Om echter onze
geo-hydrographische toelichtingen niet telkens af te breken, zullen wij
aan den volkstam der _Aino’s_ een bijzonder hoofdstuk aan het slot dezer
verhandelingen toewijden.
[65] ~Von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_, n^{o}. 11. E.
[66] _Rerum a Societate Jesu in Oriente gestarum Volumen._ Coloniae.
1574. in 8^{o}. pag. 426. ~Nicolaes Witsen~, _Noord-Oost
Tartarye_, Deel II, pag 57. „_Bericht wegens het rijk Jesso,
volgens zekeren brief van den vader_ ~Hieronymus de Angelis~,
_geschreven in ’t jare 1622._”
[67] _Beschrijvinge van het Eylandt Eso soo alst eerst in ’t selvige
jaer door het Schip Castricum bezeylt is._ Tot Amsterdam. 1646.
Vergelijk daarmede ook ~N. Witsen~, Deel II, pag. 50.
De =Bogt van Tokatsi= heeft haren naam van het dorp dat aan den
noordelijken mond van de deltavormige uitwatering der rivier _Usibets_
op 42° 39′ N.B. en 144° 22′ O.L. ligt. De kust is laag en in het zuiden
van _Tokatsi_ moerassig; daar bevinden zich verscheidene meeren, waarvan
die van _Jeutô_ het grootste is.