de lengte van 158° 28′ (volgens onze verbetering 139° 7′ 36″ O. v. Gr.),
eene bepaling, die met de waarnemingen van den Hof-astronomist en met
~Broughton~’s kaart tamelijk goed overeenkomt. Van hier vervolgde
~Vries~, zoo als ik later zal aantoonen, zijnen koers de N.O. en O. kust
van Japan, waarvan wij de eerste hydrographische kennis hem te danken
hebben.
Op de terugreis werden door ~Vries~ de _Tasmans_-eilanden wederom
opgezocht en hunne geographische ligging nog naauwkeuriger bepaald. Den
28 October bevond hij zich op 33° 58′ N.Br. en 160° 25′ O. v. Ten. (138°
34′ 36″ O. v. Gr.), waar het _Prince_-eiland W. 6 mijlen en het
_Barnevelts_-eiland W.N.W. 6 mijlen gepeild werd. Volgens deze
waarnemingen zoude het eerste op 33° 58′ en het tweede op 33° 6′ N.Br.
liggen, hetwelk slechts een verschil van eenige minuten tusschen de
waarnemingen van den Hof-astronomist en ~Broughton~ oplevert, terwijl
zich de lengte van _Mikura_ (het _Prince_-eiland), volgens de op de
reede van _Fatsi sjô_ op den 29 October bevondene lengte (159° 56′ O. v.
Ten. of 138° 34′ 36″ O. v. Gr.), die 55′ 54″ minder dan die van den
Hof-astronomist bedraagt, met eene verbetering van +55′ 54″ zich op 139°
36′ 30″ O. v. Gr. laat bepalen, die zoomede met de aardrijkskundige
ligging, welke het op het kaartje van Commodore ~Perry~’s zeetogt heeft,
nagenoeg overeenkomt[46].
[46] _Map of the Japan Islands copied from_ ~von Siebold~’s _with
slight additions and corrections by the U. S. Japan expedition
and other authorities compiled by order of Commodore_ ~M. C.
Perry~, _by Lieuts._ ~W. L. Maury~ _and_ ~Silas~. Bent. 1855.
Op den namiddag van den 28 October nam ~Vries~ zijnen koers naar het
_Barnevelts_-eiland en zeilde tusschen dit eiland en het _Prince_-eiland
door, en bevestigde door herhaalde peilingen de onderlinge ligging
van de _Tasmans_-eilanden. Op mijne verbeterde kaart van Japan
(Atlas N^{o}. 1) heb ik dezen weg, het eerst door een Europisch schip
genomen, de »_Straat Castricum_”, en de in ’t W. ½ N. 1 mijl (van
_Barnevelts_-eiland) »_veel hooge scherpe clippen boven water, die haer
opdoen als toorens_,” naar den verdienstelijken stuurman van het schip,
_Coen’s_ klippen genoemd. Deze klippen heeft ook ~Broughton~, die in
1796 denzelfden weg als ~Vries~ genomen had, gezien en beschreven: »_Off
the West point of Volcano Isle are some detached black rocks at two or
three miles distance_”[47], en op zijne kaart aangeteekend. Op de kaart
van Japan N^{o}. 2347, door de Admiraliteit te Londen in 1855/56
uitgegeven, zijn deze klippen »_Black Rocks_” genoemd. Deze zeevaarder
heeft insgelijks eene andere, meer zuidelijk en iets westelijker dan de
_Coen’s_ klippen gelegen, groep van rotsen ontdekt, die door de
Japanners _Inaniwa_ en door ~von Krusenstern~ _Broughton’s_ klippen
genoemd zijn. Ik houd de _Coen’s_ klippen voor dezelfde als de
_Redfield-Rocks_, die op het kaartje van Commodore ~Perry~ en op de
kaart der Admiraliteit op ongeveer 33° 55′ N.Br. en 138° 50′ O. L., als
eene nieuwe ontdekking vermeld zijn. Wanneer, behalve de _Coen’s_
klippen (_Broughton’s Black Rocks_), op deze hoogte nog andere klippen
voorhanden waren, zouden die door ~Broughton~, die daar kruistte, gezien
zijn. Mogten evenwel de _Redfield’s Rocks_ bestaan, dan liggen zij meer
noordelijk en zijn dan ook dezelfde, die op ~Jansson~’s kaart op 34° 35′
N.Br. en op den meridiaan van kaap _Idsu_ opgegeven en dus ook door
~Vries~ gezien zijn. Ook zijn nog op dezen togt van ~Vries~ de, in ’t
N.W.t.W. 5 mijlen en in ’t N.N.W. 6 mijlen van het _Barnevelts_-eiland,
liggende eilanden waargenomen en onder den naam van _Gebroken Eilanden_
in kaart gebragt. Aan deze eilanden en niet aan de geheele keten komt de
naam _Gebroken Eilanden_ toe. Aan de geheele keten--eene reeks van nog
werkzame en uitgedoofde vuurbergen van _Ohosima_ tot _Fatsi sjô
sima_--hebben wij den naam van _Tasman’s_ eilanden gegeven. Ik meende in
deze geschiedkundige hydrogeographische bijzonderheden te moeten
treden, om niet alleen de voor meer dan twee eeuwen gedane ontdekking
van deze geheele keten van eilanden door ~Quast~, ~Tasman~ en ~Vries~
onbetwistbaar te bevestigen, maar ook om de juistheid hunner
waarnemingen door vergelijking met die van vermaarde zeevaarders van
onze eeuw aan te toonen en te doen waarderen.
[47] _A voyage of discovery to the North Pacific Ocean performed in H.
M. Sloop Providence and her tender in the years 1795-98, by_ ~W.
R. Broughton~. London. 1804. p. 140.
III. DE ONTDEKKING VAN DE OOSTKUST VAN JAPAN VAN DE KAAP _SIROFAMA_ VAN
_NIPPON_ (HOEK _BOSHO_) TOT DEN _NOORDHOEK_.
De Oosthoek van het eiland _Nippon_ was, met uitzondering van twee
punten, die ~Quast~ en ~Tasman~ in 1639 gezien en in kaart gebragt
hadden, toenmaals onbekend. Deze zeevaarders verkenden op den 24
Augustus de kust van _Japan_ op 37° 30′ N.Br., en den 1 en 2 November op
34° 54′ N.Br. Het eerste was een gedeelte der kust tusschen de kaap de
_Kennis_ en de _Rookhoeck_ (van ~Vries~); het andere de _Capo de Bosho_
(der Portugezen), de Zuidhoek van het landschap _Awa_, aan welks
Westzijde zich de ingang tot de baai van _Jedo_ bevindt.
Aan ~Vries~ heeft men de ontdekking en de opneming der geheele kust van
den hoek _Bosho_ tot aan den Noordhoek van _Japan_ (van 34° 58′ tot 41°
25′ N.Br.) te danken; eene kuststreek, die tot de opening der havens van
_Simoda_ en van _Hakotade_ (op _Jezo_) door geen’ zeevaarder, dan in
1739 door Kapt. ~Spangberg~ en ~Walton~[48], in 1779 door Kapt.
~King~[49], en in 1796 en 1797 door Kapt. ~Broughton~[50], is bezocht
geworden. De beide laatstgenoemde hydrographen konden echter alleen met
behulp van het gebrekkige kaartje van den zeetogt van ~Vries~, dat
omstreeks het jaar 1650 door ~Johannes Janssonius~ is uitgegeven[51],
den koers van onzen zeevaarder opsporen en zijne ontdekkingen
bevestigen.
[48] _Voyages et découvertes faites par les Russes le long des côtes
de la Mer glaciale et sur l’Océan Oriental, tant vers le Japon
que vers l’Amérique, par Mr._ ~G. P. Muller~. Amsterdam 1766.
Vol. I. p. 210.
[49] _Troisième voyage de_ ~Cook~. Tom. IV. p. 372.
[50] _A voyage of discovery to the North Pacific Ocean performed in H.
M. sloop Providence and her tender in the years 1796-98 by_ ~W.
R. Broughton~.
[51] _Nova et accurata Jopaniae, terrae esonis ac insularum
adjucentium ex novissima detectione descriptio apud_ ~Joannem
Janssonium~.
Ook voor den schrijver dezes waren bij de zamenstelling van dit gedeelte
der kust van _Nippon_, behalve oorspronkelijke Japansche, geene andere
kaarten beschikbaar dan ~Broughton~’s kaart[52].
[52] _A general Chart of the Japanne Islands, and N. E. Coast of
Asia_, in ~Broughton~’s _Voyage_.
Het is dus van een wezenlijk belang om thans uit het teruggevonden
Journaal van ~Vries~ zijne ontdekkingen toe te lichten. Daar echter
de kennis der configuratie van het oostelijke gedeelte der kust
van het groot eiland _Nippon_ tot nu toe op oorspronkelijk Japansche
kaarten berust, volgens welke de meest beduidende uithoeken, bogten
en baaijen, door ~Vries~, ~King~ en ~Broughton~ ontdekt, aardrijkskundig
bepaald, benoemd en in kaart gebragt zijn, zoo dienen wij ook bij onze
herziening der ontdekkingen van ~Vries~ eene Japansche kaart tot
grondslag te nemen, en zullen daartoe onze kaart van het Japansche rijk
bezigen, die wij naar oorspronkelijke kaarten en de waarnemingen der
Hof-astronomisten te _Jedo_ zamengesteld hebben[53]. En om ook uit de
waarnemingen van onzen vermaarden zeevaarder zoo veel mogelijk nut te
trekken, zullen wij die in vergelijking met anderen tot eenen
~Zeemansgids~ langs deze weinig bekende kuststreek trachten te
bewerken. Op deze wijze zullen wij aan de scheepvaart langs de Oostkust
van _Japan_ eene dienst bewijzen[54].
[53] _Karte vom Japanischen Reiche nach Originalkarten und
Beobachtungen der Japaner_, in ~v. Siebold~’s _Atlas von Land-
und Seekarten vom Japanischen Reiche_, n^{o}. 1.
[54] In het overzigt der reis van den Kapitein-Luitenant ter zee
~Fabius~ tot het bezoeken van de havens van _Hakotade_ en
_Simoda_ met de Nederlandsche schroefkorvet _Medusa_, in
September en October 1856, wordt gezegd: »Den 17 Sept. werd
_Hakodate_ verlaten en de reis langs _Nippon’s_ Oostkust
voortgezet, doch deze togt was hoogst moeijelijk. _Eene nagenoeg
onbekende kust, sterke stroomen, hevige stormen, twee orkanen,
~slechte~ kaarten_, waarvan de landkaart van ~v. Siebold~ nog
verreweg de beste is, maakten dien togt lang en zorgvol.” Sic!
=De hoek Bosho.= De Z.Oosthoek van Japan, door een voorgebergte van het
landschap _Awa_ op het eiland _Nippon_ gevormd, is door de Portugezen
_Cabo de Bosho_, naar de niet ver daarvan afgelegene haven van de stad
_Fôsjo_ genoemd. Op de oorspronkelijk Japansche kaarten draagt het
oostelijke uiteinde van deze kaap den naam van _Firatatsi_, en het
westelijke dien van _Susaki_, en het tusschen beide liggende strand
_Siro fama_, d. i. witte strand. Kaap _Susaki_ ligt, volgens de
waarnemingen van den Hof-astronomist ~Sakusajemon~ op 34° 58′ 30″ N.Br.
en 139° 38′ O.L. v. Gr., en kaap _Firatatsi_ (door ~von Krusenstern~
_Cap King_ genoemd) op 34° 55′ N.Br. en 139° 57′ O.L. Het zuidelijkste
uiteinde van _Siro fama_ op 34° 54′ N.Br. en 139° 44′ O.L. Op de
originele kaart van ~Broughton~[55] ligt de Z.Oosthoek van _Nippon_ op
34° 55′ N.Br. en 140° 12′ O.L. ~Vries~ bepaalde de breedte van kaap
_Bosho_ op 35° 14′ 30″ N. en nam daar 7° oostelijke miswijzing van het
kompas waar. Door de Amerikaansche expeditie onder Commodore ~Perry~
werd de aardrijkskundige ligging van kaap _Firatatsi_ op 34° 53′ 15″
N.Br. en 140° 18′ 15″ O.L. v. Gr. bepaald, hetgeen nagenoeg met de door
~von Krusenstern~ volgens ~Broughton~’s waarnemingen berekende breedte
en lengte (34° 54′ N. en 140° 19′ O.) overeenkomt[56]. »_~Het lant is
hier op veel plaetsen 2, 3 dubbelt~_ (de bergen _Kjozumi_,
_Takasukajama_, _Tenin_, laatste de berg _King_ en _Katsijama_) _~maer
steyl op ’t water neer, met veel witte plecken~_ (_Siro fama_); _~het
lant om de Suyt, van de hoeck Bosho, is hooger als om de Noort; men kan
de wal bequaemelyck aenlooden van 36 tot 10 vadem, somtyds craelgront,
somtyds singel, somtyds sant.~_” De stroom loopt hier om de N.O. en
N.N.O. Kapt. ~King~ berekent de snelheid van den stroom, die 45 Eng.
mijlen O. van dezen uithoek N.O. ½ N. liep, op 3 Eng. mijlen per uur.
Het is hier de N.Westelijke grens van den Japanschen stroom (_Kurosiwo_,
d. i. zwarte zeestroom), die een graad zuidelijker, volgens de
waarnemingen der Amerikaansche expeditie, nog met eene snelheid van 72′
tot 80′ per dag loopt. ~Vries~ zag hier steenkroos drijven, hetwelk ook
in ongewone menigte op de hoogte van _Iso mura_ door de Amerik.
expeditie waargenomen werd, en met den _fucus natans_ van den
Atlantischen Golfstroom te vergelijken is.
[55] Deze kaart, welke de schrijver dezes van den Admiraal Sir
~Francis Beaufort~, Chef van het hydrographisch bureau der
Admiraliteit te Londen, ter leen gekregen heeft, is daar onder
Lit. B.e.l. 480 geboekt. Aan het einde van dit Hoofdstuk zullen
wij een vergelijkend overzigt van de namen en de aardrijkskundige
ligging der meest belangrijke punten op de Oostkust van _Nippon_,
zoo als die door ~Vries~, ~King~, ~Broughton~ en ~von
Krusenstern~ benoemd en bepaald zijn, mededeelen.
[56] _Recueil de mémoires hydrographiques pour servir d’analyse et
d’explication à l’Atlas de l’Océan pacifique par le Contre-
Amiral_ ~de Krusenstern~. St. Petersbourg 1827, pag. 178.
In de bogt van _Iso mura_ merkte men ook eene verkleuring van het water
op, die waarschijnlijk aan de drijvende banken van zeewier toe te
schrijven is. Hier werd 74 tot 80 vadem fijne zwarte zandgrond
gelood[57].
[57] _Troisième voyage de_ ~Cook~. Tom. IV. pag. 384.
_Narrative of the expedition of an American squadron to the China
seas a. Japan, performed in the year 1852-54, under the command
of Commodore_ ~M. C. Perry~, _by_ ~Francis L. Hawks~. New-York
1856. pag. 497.
=De witte Hoek.= »_~Van de S.O. hoeck van Japan, genaemt Bosho, streckt
de cust N.N.O. tot de witte gepleckte hoeck, dan heeft men een
laechlandige inbocht, streckende om de Noort, omtrent 4 mylen, ende de
hooge santduyn.~_” De _witte Hoeck_, op de Japansche kaarten _Dai do
saki_ of _Oho figasi saki_, d. i. de groote Oosthoek genaamd, ligt,
volgens ~Vries~ (_Janssons kaart_) op 35° 25′ N.Br. Iets zuidelijker van
dien hoek steekt nog een ander voorgebergte in zee uit, hetwelk van eene
digtbij gelegene kleine stad den naam van _Katsura saki_ heeft. De baai
in het Zuiden van dien hoek, die ~Vries~ voor »_~het leege voorlant
alwaer eene rivier scheen in te loopen~_,” hield, is de bogt van _Utsi
ura_ met de haven van _Kominato_ (d. i. kleine haven), waarbij
verscheidene rivieren, waarvan de _Itsumigawa_ en de _Amanogawa_ de
grootste zijn, uitwateren. Deze haven is 32 Ri[58] van kaap _Sagami_
(ook _Nagatzuru_ en _Monomi saki_ genoemd), waar zich de ingang van de
baai van _Jedo_ bevindt, verwijderd, en de eerste, die men, van daar
komende, op de Z.O. kust ontmoet. Digt bij den _witten Hoek_ liggen
verscheidene rotsen en kleine eilanden, waarvan het grootste _Uwarasima_
heet; deze schijnen zich onder water in zee voort te zetten en in een
rif uit te loopen. De Amerik. expeditie nam hier eene gebroken en anders
gekleurde zee in eene diepte van 30 vadem koraalgrond waar, die nog iets
oostelijker op 21 vadem verminderde. ~King~ en ~Broughton~ zagen op deze
hoogte vele visschers en bewonderden de vlijt, waarmede het land bebouwd
was.
[58] Volgens de berekening van den Hof-astronomist ~Sakusajemon~ komen
28⅕ Ri op eenen breedtegraad van 15 Duitsche mijlen. Overal waar
wij van _mijlen_ spreken, zijn Duitsche of geographische bedoeld;
zijn het Engelsche, dan is zulks telkens bijgevoegd.
=De lage Inbogt.= Van den _witten Hoek_ tot den _Zandduinigen Hoek_
trekt zich de kust in eene ongeveer negen mijlen wijde bogt terug, die
den naam van _Siro sato fama_, d. i. witte dorp strand, heeft. Het is
eene lage landstreek, door verscheidene rivieren en meeren bewaterd. De
grootste rivier is de _Kuri jama gawa_, die aan de grens tusschen de
landschappen _Kadsusa_ en _Simosa_ in zee loopt. Langs deze bogt,
»_~waer ze veel seekroos dryven en lammen of duikers swemmen sagen~_,”
zeilde ~Vries~ met een’ N.O.t.N. koers tot op eenen afstand van 4 of 5
mijlen van den _Zandduinigen Hoek_, peilende 10 tot 20 vademen zwarten
zandgrond, en verder tot op 4 mijlen O. van dien hoek 22 tot 42 vademen.
De stroom loopt langs den lagen wal N.O. en N.N.O.
=De Zandduinige Hoek=, _Dai do saki_ genaamd, ligt van den _witten Hoek_
N.O.t.N. omtrent 9 mijlen af, volgens ~Vries~ op 36° N.Br. en volgens de
originele kaart van den Hof-astronomist ~Takahasi Saku Sajemon~ op 35°
43′ N.Br. en 140° 46′ O.L. »_~Van de santduynige hoeck leyt een cleyn
eylandeken Oost daer af, omtrent een myl, gelyck het Menscheterseiland
in de straet Sunda. Omtrent een myl benoorden d^{o}. eylant, leyt nog
een cleyn eylant, maer wat vlacker gelyck het eylant Haerlem, maer leyt
dicht onder de wal. Van de Santduynige hoeck ontfalt hem het lant om de
N.N.W., ende maeckt weder een diepe bocht, synde al eenparich laech
lant.~_” Deze is de _Walvischbogt_. Aan den Zandduinigen hoek stort zich
eene groote rivier, de _Nasaka_, in zee, die diep in het land bevaarbaar
is; aan den mond van deze rivier is ook eene goede haven, _Tosi minato_,
vanwaar men 38 Ri naar de voornoemde haven _Kominato_ rekent. Binnen
eenen afstand van omtrent 5 Eng. mijlen van dezen uithoek nam ~King~
een’ zeer sterken stroom van 5 Eng. mijlen per uur waar[59].
[59] _Troisième voyage de_ ~Cook~, l. c.
=De Walvischbogt=, door ~Vries~ zoo genoemd, omdat men daar eene menigte
bruinvisschen, dolfijnen en vele walvisschen zag; ook nam men daar veel
wier waar, hetwelk, zoo als bekend is, de walvisschen gewoonlijk
opzoeken. Op de Japansche kaarten is deze bogt _Fitatsi hara no_
genoemd, d. i. vlak veld van het landschap _Fitatsi_. Met eenen N.W.
koers naar den wal loopende, vindt men 40 tot 26 vademen wasigen grond.
Het land is laag, vlak en moerassig door de wateren, die van het hooge
binnenland afzakken, en zich in poelen en meeren verzamelen (zoo als de
meeren van _Takeda_ en _Finuma_). In ’t N.W. »_~op het laege lant in het
diepste van de bocht~_,” steekt »_~een hooge gehackelde berch~_” uit (de
bergketting door den _Asifo_, _Majumi_, _Ohonô_ en andere bergtoppen
gekenmerkt). De N. hoek van deze bogt is een lage vlakke hoek, de
=Lage Hoek= door ~Vries~ genoemd en op de Japanse kaarten _Minato saki_,
d. i. havenhoek, omdat zich daar aan den mond van de rivier _Nakagawa_
eene aanzienlijke haven bevindt, die 3 _Ri_ van de stad _Mito_ en 20
_Ri_ van den haven van _Tôsi_ ligt. Deze afstand komt met de
waarnemingen van ~Vries~ goed overeen »_~de N.hoek~ (Minato saki) ~lach
doen S.t.W. 3 mijlen van ons, ende de Santduynige hoek~ (Tôsi minato)
~lach doen S.t.W. wel 6 mijlen van ons; de N.hoek is een laege vlacke
hoek.~_” Men heeft hier en meer noordelijk 40 tot 50 vademen zandgrond,
die naarmate men den wal nadert, opdroogt. Hier begint het land hooger
te worden tot den
=Boompjeshoek.= »~_Een steylen hoek gelyckende een eylant, alwaer wy_
(Vries) _uyt de Noort after van daen saegen comen, verscheyden
visschersbercken, quaemen te see om te visschen; wat dichter bij d^{o}.
hoek comende tot op 24 vadem, wit santgront, de gront te vooren swart
santgront geweest hebbende. Waeren een myl van de hoeck, saegen doen dat
daer een rivier after in streckte Noort op; hier is heel hooch
binnenlant op sommige plaetsen 2, 3, 4 dubbelt, ende op veel plaetsen
compt het hooge lant steyl op ’t water neer. Sy noemden_~ (de visschers)
_~die rivier dien after de genoemde steylen hoeck om de Noort
opstreckte~, Gissima, ~ende presenteerden ons daerin te brengen; wesen
dat daer in ’t incomen 9 à 10 vadem waters was, ende dat het om de Noort
niet en docht. Op de steylen hoeck van~ Gissima ~staet wat in ’t lant
een dramel boomen gelyck of ’t een fort was, waervan een boom boven de
andere uytsteekt in hoochte, hebbende een ronde cron.~_” De boompjeshoek
is het voorgebergte, _Siwoja saki_ genoemd, de rivier de _Same gawa_ of
Salm rivier. Eene plaats _Gissima_ bestaat hier niet, mogelijk was
daarmede de stad _Idsumi_, die eene mijl van den mond van de rivier
ligt, of wel de hooge berg van _Irusima_ bedoeld; digt bij den mond der
rivier is eene haven, waarvan de afstand van _Minato saki_ op 24 _Ri_
aangegeven wordt. Het hooge land wordt door eene bergketen gevormd,
waarvan zich de _Jonowoko_, _Akainowoka_ en _Irusima_ kenmerken, achter
welke de toppen van den _Jakojama_ en van andere hoogere gebergten
uitsteken. Den _Boompjeshoek_ W. ½ S. 3 mijlen en eenen hoek, »_~daer
benoorden liggende, die seer cartelich van cleyne berchies was N. ½ W. 3
mijlen pijlende~_”, bevond zich ~Vries~ op 37° 5′ N.Br., »_~hadden doen
de diepte van 40, 36 vadem swarte santgront~_.” Volgens deze waarneming
zoude de _boompjeshoek_ op 37° 1′ N.Br. liggen. Op onze kaart ligt die
op 36° 52′ dus 9′ zuidelijker. »_~Omtrent 6 mijlen van d^{o}. hoeck
begint het hooch land te streeken om de Noort.~_” Daar is
=De Gecartelde Hoek=, ook _Caep de Kennis_ genoemd, omdat ~Vries~ op
deze hoogte zes dagen kruistte, ten einde het jagt _Breskens_ in te
wachten. Deze kaap op den 25 Mei binnen eenen afstand van 4 mijlen van
’t land Z.W.t.Z. en het noordelijkste land dat men zien kon (_Karasu
saki_ op de Japansche kaarten) N.W.t.N. peilende, bevond zich ~Vries~ op
de gegiste breedte van 37° 39′ N. Volgens onze kaart zoude zij zich op
37° 32′ N.Br. bevonden hebben, hetwelk slechts een verschil van 7′ voor
de breedtebepaling van deze kaap oplevert. Volgens ~Vries~ ligt dus de
_Kaap de Kennis_ op 37° 11′ en volgens onze kaart op 37° 4′, op de kaart
van ~Jansson~ echter op 37° 22′ N.Br. Op den middag van den 26 Mei, de
_Kaap de Kennis_ in eenen afstand van omtrent 7 mijlen W. ½ Z. van zich,
bevond zich ~Vries~ op de bevonden breedte van 37° 20′ N. Volgens deze
waarneming zoude echter de meergenoemde kaap op 37° 16′ N.Br. komen te
liggen, hetwelk merkwaardig overeenkomt met de later door Kapt. ~King~
waargenomene breedte van 37° 15′ N. De door ~Broughton~ op zijne
originele kaart opgegevene breedte komt met die op onze kaart juist
overeen. De gedurende de kruistogt op de hoogte van _Kaap de Kennis_
waargenomene diepten leveren de volgende uitkomst op: op eenen afstand
van 2 tot 3 mijlen, 25 tot 40 vademen wasige zwarte zandgrond, op 4 tot
5 mijlen afstand van 45 tot 95 vadem wasige grond, konden echter geen
grond opkrijgen.
Op de kaart van ~Jansson~ en op de kaart van »_gedaene ontdeckinghe
onder den Commandeur_ ~Marten Gerritsen Vries~, A^{o}. 1643”[60], vindt
men eenen hoeck »_Roock hoeck_” genaamd, die echter in ’t Journael niet
vermeld wordt.
[60] ~Von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_, N^{o}. 11.
=De Rookhoek= is buiten twijfel het noordelijkste land op den 25 Mei in
’t N.W.t.W. gezien en op de Japansche kaarten _Karas’no saki_, d. i.:
Ravenkaap genoemd. »_~Een hoeck benoorden ons dat hooch lant was, maer
laech op ’t water neerliep.~_” De kust strekt zich Z. en N. uit. Den 27
Mei ’s namiddags dezen hoek Z.W. en het noordelijkste land N.N.W.
peilende, bevond zich ~Vries~ op de bevonden breedte van 37° 50′ N.,
zoodat de breedte van den _Rookhoek_ 37° 42′ zoude zijn, hetwelk ook met
de kaart van ~Jansson~ juist overeenkomt en met onze kaart slechts een
verschil van -3′ oplevert. »_~Waeren hier bij wit gepleckt lant met
eenige santboschies, omtrent 2 mijlen van lant hadden de diepte van 19,
20 vadem, singel ende grove santgront, hier was de gront ongelycke
diepte cort op ende af. Het voorkant is duynich lant, maar anders hooch
lant, op sommige plaetsen dubbelt; het lant om de Noort scheen een bocht
beginnen te maecken. Wij vernaemen dat de stroom hier heen ende weer
langs de wal liep.~_” De verandering van den grond, die vroeger wasig en
zwart zand was, en hier singel en grof zandgrond, bevestigt, dat zich
~Vries~ op den 27 Mei ’s middags op omtrent 3 mijlen afstand van den
_Rookhoek_ bevondt, waar zich eene groote rivier, de _Tamano gawa_, in
zee stort en zwaren kegelzand met zich sleept. Ook wordt in ’t Journaal
maar eens van den _lagen Santhoek_ gewaagd, te weten op den 31 Mei, ’s
middags, waar zich ~Vries~ op 38° N.Br. binnen een afstand van 7 à 8
mijlen, W. daarvan op 70-75 vademen bevond. Op de kaart van ~Vries~ en
~Jansson~ is die uithoek op ongeveer 38° 10′ N.Br. aangeteekend. De
plaats echter, waar ~Vries~ op den 29 Mei het werpanker op 29 vademen
singelgrond vallen liet, en waar hij zich op den middag naar gissing op
38° en 4 mijlen van den wal bevond, is door een _ankertje_ aangemerkt;
deze bevindt zich in ’t Z.O. van
=Den Lagen Zandhoek=, die op de Japansche kaarten _Ara fama_, d. i.:
woeste strand, genoemd is. Daar loopt eene van de grootste rivieren van
de oostkust van _Nippon_ in zee, de _Ara Kuma gawa_, aan welke ook de
ongelijke diepte, de banken en de singelgrond te wijten is. De groote
bogt, die zich van hier allengs tot de Kaap _Kinkwasan_, in ’t Journaal
_Eylant Toy_ genaamd, is de baai van _Sendai_, waar zich de haven van
_Siho kama_ bevindt, waarvan men 42 Ri naar de kaap de Kennis rekent. Op
onze kaart ligt de mond van den _Ara kuma gawa_ op 38° 5′ en de haven
van _Siho kama_ op 38° 22′ N.Br.