Deze betrekking bekleedde hij tot de maand October van hetzelfde jaar,

toen het bevel over de schepen _Sutphen_, _Schiedam_ en een jacht aan

hem werd opgedragen, ten einde bij _Manilha_ de Spanjaarden alle

mogelijke afbreuk te doen. In de resolutie, waarbij hij tot Bevelhebber

over deze schepen was aangesteld, bezigden Gouverneur-Generaal en Raden

van _Indië_ deze voor hem vereerende woorden: »Gebruyckende tot desen

tocht als Hooft, den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, jongst

over _Molucco_ tot ontdecken der Noorder landen geemployeert, van waer

ons wegen synen gedaenen yver en naersticheyt goet contentement heeft

gegeven.”[A22]

De Vries, die tot dus verre slechts den rang had bekleed van

Schipper-Commandeur, werd bij resolutie van 5 Maart 1646 benoemd tot

Commandeur; terwijl hem tevens reeds eene maand te voren andermaal het

bevel over zeven schepen, op eene expeditie tegen de Spanjaarden in

_Manilha_ was opgedragen[A23].

Naauwelijks van deze togt terug, of er werd besloten, om eene

hoogstaanzienlijke magt wederom derwaarts te zenden. Deze bestond uit

negen schepen en jachten. Ook nu werd het beleid van dien togt aan de

Vries toevertrouwd. »Tot noch in bedencken gebleven synde, wien het

commando over de geordonneerde vloote van offencie, by onsen Raede van

24 December 1646, naer de custe van _Manilha_, tot afbreuck van den

vyant gedestineert, sullen bevelen, ende hoewel het wel meriteerde een

persoon van eene aensienelycke qualiteyt ende ontsach uyt onsen Raede,

is echter, dat niet willende contrarieren, d’ordre van onse Heeren

Meesters, te meer den Raet tegenwoordich syn compleet getal van Raeden

noch niet en heeft, daerin niet en durven treden. Soo is nae rype

deliberatie ende overlegh van personen, die haer (hier) present by der

hant hebben, geresolveert, voorschreven Commando weder te defereren, aen

den Commandeur Maerten Gerritsz. de Vries, dewelcke wegens de situatie

van de _Manilhasche_ custe, door lange ervaerentheyt, grondige kennisse

becomen, ende ons tot noch toe, wegens de voorleden jarige expeditie

ende andere gedaene togten altyt goet contentement gedaen heeft.”[A24]

Deze togt werd echter met geen gunstig gevolg bekroond. De aanslag op

_Manilha_ mislukte. Wel werd er een klooster ingenomen, maar daarentegen

gingen er vier schepen verloren. De vloot verloor ruim 600 man aan

zieken, waaronder ook de Bevelhebber Maerten Gerritsz. de Vries, zoodat

men genoodzaakt was terug te trekken.

Men was te _Batavia_ over den ongelukkigen afloop dezer expeditie zeer

ontevreden, die men toeschreef aan de onachtzaamheid van den Commandeur.

Men nam echter genoegen met het verdeelen van den buit, door genoemden

Commandeur in het klooster _St. Domingo_ bekomen. »Van gelycken, dat by

den over dese vloote gewesen Commandeur Maerten Gerritsz. de Vries, voor

syn overlyden, in ’t manhaftig bestormen ende veroveren van ’t

Castiliaensch clooster _St. Domingo_, in ’t selve becomen syn, veertien

duysent realen van achten, ende daervan de Comp. geattribueert 5000,

onder ’t volck verdeelt 6600, ende hem selven toegeeygent hadde 2400

gelycke realen. By welgemelte Haer Ed. om verscheyden consideratien,

oock dat den buyt, als meermaelen verhaelt, by landtochten

principalycken vercregen, geheel vrygegeven sy, geapprobeert ende voor

welgedaen genomen wordt.”[A25]

* * * * *

Aldus eindigde de Vries zijn werkzaam leven. Als matroos in _Indië_

gekomen, klom hij van rang tot rang tot dien van Bevelhebber. Vele en

belangrijke diensten heeft hij in zijne verschillende betrekkingen der

Comp. bewezen; maar door zijne ontdekkingen in het Noord-Oosterdeel van

_Azia_, waardoor de kennis der Aardrijkskunde van dat gedeelte des

Aardbols grootelijks vermeerderd werd, heeft hij zich als een der

uitstekendste zeelieden van zijnen tijd doen kennen, en daardoor zijnen

naam voor de vergetelheid bewaard.

N^{o}. 10.

CORNELIS JANSZ. COEN.

»Cornelis Jansz. Coen van _Hoorn_, in ’t lant gecomen, den 18 Maert

A^{o}. 1639, met ’t schip _Breda_, voor Opperstierman à 56 guldens ter

maent; wordt op syn versoeck ende bequaemheyt, mits ruyme tyts

expiratie, voor twee jaeren in gemelte qualité gecontinueert, onder eene

belooning van 66 guldens ter maent; daermede alle desselfs pretentien op

de Comp. comen te cesseren; verbant ende gagie primo December passato

ingaende.”[A26]

Ziedaar alles wat wij tot dus verre weten van hem, aan wien wij het te

danken hebben, dat de reis van de _Castricum_ is opgeteekend geworden.

Wij sullen in hem den getrouwen opmerker wel niet miskennen, en er

bijvoegen, dat de goede resultaten, die de reis van de Vries heeft

opgeleverd, ook wel mogen toegeschreven worden aan hem, wiens journaal

de onderscheiding te beurt viel, met dat van de Vries, naar het

vaderland werd opgezonden te worden.[A27]

Zoo het ons geoorloofd zij gissingen te maken, dan zoude het ons niet

vreemd voorkomen te veronderstellen, dat onze Coen vermaagschapt was aan

den Gouverneur-Generaal Jan Pietersz. Coen, die mede te _Hoorn_ geboren

was, en den 20 September 1629 te _Batavia_ overleed.

AANTEEKENINGEN.

[A1] Deze reis was echter geenszins onvruchtbaar, voor de kennis der

Aardrijkskunde. Onder anderen werden eenige eilanden ontdekt, die door

den Heer von Siebold voor dezelfde erkend zijn, die later door de

Engelschen de _Bonin_ eilanden werden genoemd. Deze eilanden liggen op

26 gr. 38 min. en 27 gr. 4 min. N.Br., en 142 gr. 28 min. en 142 gr. 20

min. O.L. van _Greenwich_. Zie zijne _Geschichte der Entdeckungen im

See-gebiete von Japan, nebst Erklärung des Atlas von Land- und

See-karten vom Japanischen Reiche und dessen Neben- und Schutz-Ländern_.

_Leyden_, 1852. bl. 7.

[A2] Verklaring der cijfers en letters in dezen brief

voorkomende:

T. a. r. t. a. r. i. e. n. Goud en Zilver E. y. l. a. n. d. e. n.

Oo. s. t. e. n. J. a. p. a. n. J. a. p. a. n.

n. o. o. r. t. T. a. r. t. a. r. i. e. n.

[A3] Deel II, bl. 52.

[A4] Considérations sur les nouvelles découvertes au Nord de la grande

mer du Sud. Paris. 1753. pag. 90.

[A5] Journael van de reyse gedaen beoosten straet _Le Maire_ naer de

custen van _Chily_, door den Admirael Hendrick Brouwer, in 1643.

_Amsterdam._ 1646.

[A6] Voyage de La Perouse autour du Monde. _Paris._ 1785-1787. Tom. III,

pag. 117-157.

[A7] Verhandeling over eenige vroegere zeetogten der Nederlanders.

_Amsterdam._ 1825. bl. 202-214.

[A8] 1848-1849. Tom. III. pag. 400.

[A9] Idem, pag. 401.

[A10] Von Siebold, bl. 12.

[A11] Zie Bijlage N^{o}. 10, bl. 259.

[A12] La Perouse, Tom. III. pag. 153.

[A13] Resolutie Gouverneur-Generaal en Raden van _Indië_, van 31

December 1642.

[A14] t. a. pl. bl. 205.

[A15] Zie Bijlage N^{o}. 6, bl. 247.

[A16] Missive Gouverneur-Generaal en Raden van _Indië_, aan den

Gouverneur Paulus Traudenius op _Formosa_, van 13 Junij 1640.

[A17] Idem, van laatstgenoemde, aan den Gouvern.Generaal enz., van 10

Januarij 1641.

[A18] Den 7 September 1642.

[A19] Verhandelingen en Berigten betrekkelijk het Zeewezen enz., 1854,

N^{o}. 2, bl. 96.

[A20] Hier voren, bl. 32 en 33.

[A21] Resolutie Gouverneur-Generaal en Raden van _Indië_, van 21

December 1643.

[A22] Idem, van 17 October 1644.

[A23] Idem, van 17 Februarij 1646.

[A24] Idem, van 21 Januarij 1647.

[A25] Idem, van 20 idem 1648.

[A26] Idem, van 23 idem 1643.

[A27] Zie Bijlage N^{o}. 6. bl. 243.

AARDRIJKS- EN VOLKENKUNDIGE TOELICHTINGEN

TOT DE ONTDEKKINGEN VAN

MAERTEN GERRITSZ. VRIES,

MET HET FLUITSCHIP _CASTRICUM_ A^{o}. 1643,

IN ’T OOSTEN EN ’T NOORDEN VAN ~JAPAN~, DIENENDE

TOT ZEEMANSGIDS LANGS DE OOSTKUST VAN ~JAPAN~

NAAR DE EILANDEN ~JEZO~, ~KRAFTO~ EN DE

~KURILEN~.

DOOR

Jhr. Ph. F. von SIEBOLD.

Door het Bestuur van het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en

Volkenkunde van Nederlandsch-Indië werd aan mij de even vereerende als

aangename taak opgedragen, het »_Journael_”, gehouden op de

ontdekkingsreize van ~Maerten Gerritsz. Vries~, in het Oosten en het

Noorden van Japan, dat door de wetenschappelijke pogingen van Leden van

het Instituut opgespoord en door hunne letterkundige medewerking door

den druk bekend gemaakt is, met ter zake dienstige aardrijks- en

volkenkundige aanmerkingen toe te lichten. Is het mij reeds gelukt, de

onduidelijke voetstappen van onzen vermaarden Nederlandschen zeevaarder

in het ver uitgebreide gebied van den Grooten Oceaan op te sporen en in

mijne »_Geschiedenis der ontdekkingen in het zeegebied van Japan_” aan

te wijzen, thans, waar zijn »_Journael_” voor mij open ligt, hoop ik die

met meer zekerheid te kunnen vervolgen, en, na verloop van twee volle

eeuwen, zijne ontdekkingen te bevestigen en in de geschiedenis van den

ouden Nederlandschen zeeroem te boeken.

In de Inleiding en uit de Instructie, die het Journael vooruitgaan, is

deze zeetogt, een van de meest belangrijke in de 17^{de} eeuw,

genoegzaam geschiedkundig toegelicht; mijne aanteekeningen zullen zich

dus bepalen tot eene naauwkeurige aanwijzing van den koers door ~Vries~

van het eiland _Breskens_ af aan, in de Japansche wateren, langs de

Oostkust van _Nippon_ en naar en langs het door hem ontdekte land van

_Jezo_ genomen; tot eene vergelijkende beoordeeling en bevestiging der

waarnemingen en ontdekkingen van dezen zeevaarder, beschouwd uit het

oogpunt der hedendaagsche kennis van dat zeegebied, en tot een overzigt

der uitkomsten, die deze zeetogt voor de hydrographie, voor de

natuurkunde der zee en voor de volkenkunde opgeleverd heeft.

Om echter aan dat aanhangsel bij het Journael eene meer algemeen nuttige

en aanwendbare strekking te geven, althans, daar ook in het Noorden van

het Rijk _Nippon_, te _Hakotade_, eene haven voor de zeevaart geopend

is, aan eene dringende behoefte voor de scheepvaart te voorzien, zoo heb

ik mijne toelichtingen zoodanig gewijzigd, dat zij ook tot eenen

~Zeemansgids~ voor de vaart langs de Oostkust van _Japan_, en naar

_Jezo_, _Krafto_ en de _Kurilen_ dienen kunnen.

Aan den staatkundigen invloed van Nederland in Japan heeft men veelal

eene meer algemeene vrijheid van scheepvaart naar dat land op den weg

des vredes te danken; zoo moge dan ook door de waarnemingen en

ontdekkingen van onze oude Nederlandsche zeevaarders de grondslag tot

eenen wegwijzer langs zijne nog weinig bekende kusten gelegd worden.

VON SIEBOLD.

I. DE ONTDEKKING VAN HET EILAND BRESKENS EN VAN DE QUAST’S EILANDEN.

De Commandeur ~Vries~ had den 29 April, op 16° 50′ N.Br. en 149° 38½′ O.

v. Teneriffe (128° 18′ 6″ O. v. Gr.) den raad van ’t fluitschip

_Castricum_ en van ’t jagt _Breskens_ beroepen, en besloten den koers

N.O. te vervolgen, zoo weder en wind het zouden toelaten, tot op de

breedte van 24° N. en op de lengte van de Oostkust van Japan (toenmaals

volgens de waarnemingen van ~Mathijs Quast~ en ~Abel Tasman~, op den 24

Aug. 1630, op 31° 40′ O. van _Pulo Timoan_ (135° 55′ O. v. Gr.)

bepaald). Den 7 Mei bevond men zich op 24° 4′ N.Br. en 150° 56′ 30″ O.

v. Ten. Kleine klipmeeuwen, schuim, drijvend zeekroos en een stuk hout

lieten zich als teeken van land herkennen, hetwelk men echter niet zien

kon. Den volgenden morgen (8 Mei), na zonsopgang, zag men in ’t W.t.N. ⅓

N. binnen een’ afstand van 4 Duitsche mijlen, een klein, omtrent 1½ mijl

lang, niet hoog eiland. Dit eilandje lag, volgens de op den middag

gedane waarneming, op 24° 43′ N.Br. en 151° 31½′ O. v. Ten. (130° 11′ 6″

v. Gr.). Daar zich op de Compagnie’s-kaarten[38] op deze breedte,

behalve het eiland _Malabrigo_, geen ander bevond, en dat eiland,

volgens gissing, 21 mijlen in ’t W. lag, zoo hield men het geziene voor

onbekend, en omdat het van het jagt _Breskens_ het eerst gezien was, gaf

men het den naam van _Breskens_-eiland.

[38] _Twee Caerten van gedaene Coursen des Comm. Quast, tot

ontdeckingh van ’t Goudrijcke eiland_, verg. p. 33.

Op de zeekaarten van den toenmaligen tijd bevinden zich tusschen 25° en

27° N.Br. en binnen een’ lengteafstand van omtrent 70 Duitsche mijlen,

slechts ~drie eilanden~, waarvan het zuidelijkste en westelijkste den

naam van _Amsterdam_, het noordelijkste en oostelijkste (eigentlijk eene

groep van vijf kleine eilanden) dien van _Ihlas dos Hermanos_, en het

derde, op 26° N.Br. 17 mijlen in ’t Z.W. van _Ihlas dos Hermanos_, dien

van _Malabrigo_ draagt.

De beide laatstgenoemde eilanden, welke zich reeds op de in 1570 in ’t

licht verschenen kaart van ~Abraham Ortelius’~ »_Theatrum orbis

terrarum_”, bevinden, en waarvan _Malabrigo_ in 1543 door ~Bernardo de

Torres~ is gezien geworden, zijn onbetwistbaar het _Hooge Meeuwen_

eiland, het _Engels_ en _Grachts_ eiland, door ~Quast~ en ~Tasman~ in

1639 ontdekt[39], en op de voornoemde »_Caerten van gedaene Coursen_” de

_Quast’s_ eilanden genoemd[40]. Het eerstgenoemde, onmiskenbaar ook

door Nederlanders ontdekt, en allengskens wederom op de kaarten

verdwenen, is in ’t jaar 1820 door een’ Russischen zeeofficier L^{t}.

~Ponafidin~ op 25° 50′ N.Br. en 131° 12′ O.L. teruggevonden, en naar

zijn schip en omdat het twee eilanden zijn, _Porodino’s_ eilanden

genoemd. Zonder twijfel zijn het dezelfde die Kapt. ~Forbes~ aan boord

van de brik _Nile_ in Aug. 1825 voorbijgezeild, en het zuidelijkste op

25° 42′ N.Br., 131° 13′ O.L., en het noordelijkste op 25° 53′ N.Br.,

131° 17′ O.L. gevonden heeft. Onlangs werden deze eilanden door

Commodore ~Perry~ opgezocht en de ligging van het grootste en

noordelijkste op 25° 47′ N.Br. en 131° 19′ O.L. bepaald.

[39] _Journael ofte dachregister van den Ed. Commandeur ~Mathijs

Quast~._ M.S. 1639. ~Von Siebold~’s _Geschichte der Entdeckungen

im Seegebiete von Japan_. Leyden 1853.

[40] Deze keten van eilanden, die zich van 26° 38′ tot 27° 45′ N.Br.

en van 142° tot 142° 14′ O.L. v. Gr. uitbreiden, is later

meermalen teruggevonden geworden, en vindt zich onder de namen

van _Islas del Arzobispo_ (1734), _Margarets_ eilanden (1773),

_Mendizaval_, _Desconosida_, _Guadelupe_, e.z.v., en onder zeer

verre uiteenloopende lengtebepalingen op de kaarten van de 18de

eeuw aangeteekend, maar nergens aardrijkskundig beschreven. Ook

zijn zij door de Japanners reeds in 1675 bij toeval ontdekt en

_Munin-sima_, d. i. eilanden zonder menschen, en later naar den

ontdekker _Ogasawa-sima_ genoemd, en in 1785 door eenen

Japanschen aardrijkskundige ~Fajasi Sivei~ in zijn boekwerk

»_San-kok-tsu-ran-dsu-ki_”, d. i. Beschrijving van drie rijken,

beschreven en in kaart gebragt geworden. Dat boekwerk en eene

Nederduitsche vertaling daarvan werd door den geleerden

~Isaak Titsingh~, in de jaren 1780-1785 Opperhoofd van den

Nederlandschen handel in Japan, naar ’t vaderland overgebragt, is

echter na zijn’ dood (te Parijs in 1812) in handen van ~Abel

Remusat~, en later in die van ~Julius Klaproth~ gekomen. Door

deze onwettige erfgenamen van ~Titsingh~’s letterkundige

nalatenschap is dan ook de beschrijving van de zoogenoemde »_Iles

Bonin ou inhabitées_,” in 1818 uitgegeven geworden, die op nieuw

de aandacht van zeevaarders tot zich getrokken en de aanleiding

tot de opzoeking, als het ware tot de wederontdekking, door den

Engelschen Kapt. ~Beechey~ (in de maand Junij 1827) en door den

Russischen Kapt. ~Lutke~ (in Mei 1828) gegeven heeft. Thans,

sedert den 22 Aug. 1853, bestaat op het grootste der _Bonin_

eilanden, het »_Peel Island_”, waarvan ~Beechey~ in der tijd voor

Engeland bezit genomen had, eene gemeente van meestal Amerikanen,

die zich »_the Colony of Peel Island_” noemt. De zuidelijke groep

dezer eilanden, door ~Beechey~ »_Baily Group_” genoemd, werd in

October 1853 door den Amerik. Kapt. ~Kelly~ onderzocht voor de

Vereenigde Staten van Noord-Amerika in bezit genomen, en naar den

gezagvoerder van eenen Amerikaanschen walvischvanger »_Transit_”,

die in 1823 bij toeval daar ten anker gekomen is, »_Coffins

Islands_” genoemd. Commodore ~Perry~, die de _Bonin_ eilanden in

1853 bezocht heeft, begreep zeer goed, dat, zoowel voor

walvischvangers als voor de mailstoomvaart van _Californië_ naar

_China_ en later naar _Japan_, deze eilanden weldra een van de

meest belangrijke stations in het noordelijk gedeelte van den

Grooten Oceaan zullen worden. In ’t bezit der »_Quast_ eilanden”

heeft dus Engeland met Amerika gedeeld, terwijl de eer der

ontdekking aan onze oude zeevaarders en de verdienste van de

eerste aardrijkskundige kennis daarvan aan de letterkundige

nasporingen van onze Nederlandsche geleerden toekomt. De

schrijver dezes heeft reeds in 1824 de aandacht van de

Nederlandsch-Indische regering op deze belangrijke groep van

eilanden gevestigd, waar toch de Japansche regering, want ze

worden tot het Japansche rijk geteld, liever de Nederlandsche als

eene andere vlag zag waaijen!

Met regt mogt het _Breskens_ eiland als eene nieuwe ontdekking beschouwd

worden. Daar echter het »_Journael_” van ~Vries~ verloren geraakt was,

vindt men het nergens geboekt. Evenwel werd in ’t begin dezer eeuw zijn

bestaan bij herhaling bevestigd. Door het Fransche fregat »_la

Canonnière_,” werd in 1807 een eiland op 24° 30′ N.Br. en 130° 18′ 30″

O.L., en in 1815 door het Spaansche fregat »_Magelan_” insgelijks een

klein laag eiland met struiken bewassen op 24° 26′ 40″ en 131° 03′ 46″

ontdekt en »_Isla Rasa_” genoemd. Deze beide eilanden zijn buiten

twijfel een en hetzelfde[41], waarvan de gemiddelde breedte 24° 28′ 20″

N. en de gemiddelde lengte 130° 41′ 8″ O. zijn zouden. Neemt men daarbij

in aanmerking de sterke oostelijke strooming der zee in dat zeegebied,

die in 24 uren 35′ tot 40′ en meer bedragen kan, de onvolkomene middelen

ter vinding en berekening van lengte in de 17 eeuw, en de opmerking, dat

de door ~Vries~ bevondene breedte doorgaans eenige minuten te hoog is;

zoo mogen wij gerust het _Breskens_ eiland als ~eene Nederlandsche

ontdekking~ op de kaart van den Grooten Oceaan aanteekenen en zulks met

te meer regt, daar men op de nieuwste zeekaarten het eiland _Rasa_, nog

maar als twijfelachtig (pointe dubieuse) en het _Kendrick’s_ eiland

geheel niet meer geplaatst vindt.

[41] Ook houdt ~von Krusenstern~ een ongeveer 4 engel. mijlen lang

eiland, door den Engelschen kapitein ~Kendrik~ op 24° 35′ N.Br.

en 134° gezien en onder de naam van _Kendrik Island_ in de kaart

van ~Arrowsmith~ opgenomen, voor _Rasa_.

II. DE ONTDEKKING VAN DE TASMAN’S EILANDEN.

Op de terugreis van den in 1639 door ~Mathijs Quast~ en ~Abel Tasman~

ondernomen zeetogt tot het opzoeken van de »_Gout- en Silverrycke

eylanden_” gelegen ten Oosten van Japan, werd op den 2 December de kust

van Japan op 34° 54′ N. Br. ontdekt. Dit land, hetwelk zij voor de

eilanden hielden, die op de oude Portugeesche kaarten in ’t W. van den

Z.O. hoek van _Nippon_ geplaatst zijn, is wel degelijk de Z.O. hoek van

dat groote eiland van Japan, Kaap _Sirofama_ en op de oude Portugeesche

kaarten _Capo de Bosho_ genoemd. Van hier namen zij een’ Z.Z.W. koers,

langs welken weg zij verscheidene kleine eilanden ontdekten, hunne

ligging, zoo goed zij konden, bepaalden en voortreffelijke afteekeningen

ten behoeve van ’t land vervaardigden. Aan deze keten van eilanden heb

ik den naam van de _Tasman’s eilanden_ gegeven[42].

[42] ~Von Siebold~’s _Geschichte der Entdeckungen_, pag. 8.

Een van deze eilanden, dat zich als »_heel hooch lant_” vertoonde, werd

den 19 Mei 1643 van boord van het fluitschip _Castricum_ op korten

afstand gezien, welk schip zich kort daarna, door wind en strooming der

zee, genoopt zag aan den N.W. hoek van hetzelve ten anker te komen. Dit

eiland, waaraan ~Vries~, den naam »het _Ongeluckich_ eylant” gegeven

heeft, wordt bij de Japanners _Fatsi sjô_ genoemd en ligt volgens de

waarnemingen van den Hof-astronomist ~Sakusajemon~ te _Jedo_, op 33° 6′

30″ N. en 3° 50′ 30″ O. van _Mijako_ (139° 30′ 30″ O. v. Gr.). Kapt.

~Broughton~, die in 1796 deze eilanden bezocht heeft, bepaalde de

ligging van _Fatsi sjô_ op 33° 6′ N. en 140° O. Op de originele kaart

van zijnen togt ligt het op 33° 4′ N. en 140° 7′ O. De N.W. hoek

daarvan, waar ~Vries~ is ten anker gekomen was, is, volgens zijne

gissing, op de breedte van 33° 22′ en op de lengte van 158° 51½′ O. v.

Ten. (137° 30′ 6″ O. v. Gr.) gelegen. Wij hebben reeds opgemerkt, dat

het verschil van de lengtebepaling van de eilanden, die wij op de

kaarten van de 17 en 18 eeuwen tusschen 24°-28° N.Br. waarnemen, aan

eenen oostelijken stroom der zee in dat zeegebied te wijten is, en

getoond, dat dit verschil somtijds twaalf graden bedraagt. In

evenredigheid daarvan is dus het verschil van de lengtebepaling van

~Vries~ tusschen die van den Hof-astronomist (aan welke ik de voorkeur

geef boven die van ~Broughton~), dat 2° meer oostelijk bedraagt, klein,

wanneer men daarbij in aanmerking neemt, dat de stroom om de Oost

tusschen _Fatsi-sjô_ en de Z.O.kust van _Nippon_ gedurende drie

achtereenvolgende dagen door de Amerikaansche expeditie 72′, 74′ en 78′

binnen 24 uren is bevonden geworden.

De beschrijving, die in ’t Journael van het _Ongelukkig_ eiland gegeven

is, stemt met de door ~Quast~ en ~Tasman~ gemaakte schets overeen, en is

dus de eenige beschrijving die wij tot heden van dit eiland kennen. De

woorden »_~het Ongeluckich eylant was heel hoog lant, hem vertonende met

2 hooge ronde berge, waar tusschen een groot valey was~_,” zijn door

~Quast~ en ~Tasman~’s landverkenning veraanschouwelijkt en laten tevens

de benaming van een op deze hoogte op de kaart van ~de l’Isle~

uitgeteekend eiland »_Montagne avec deux pics_” verklaren[43]. Deze

pieken vindt men ook op eene Japansche originele kaart van _Fatsi sjô_

geteekend, en de hoogste daarvan _Aka fusi jama_ d. i. de Roode Fusi

berg (tegenover de beroemde vulkaan _Fusi_, die het grootste gedeelte

van ’t jaar met sneeuw bedekt--dus wit is). Ook is de ligging en de

gedaante van het kleine »_hooch ront eylant_” 1 tot 1½ mijl W. van de

N.W. hoek van het _Ongelukkig_ eiland gelegen, door de Japanners

_Kosima_, d. i. klein eiland en op de kaart van ~Vries~ »_ronde holm_”

genoemd, zeer juist opgegeven, terwijl de opmerking, dat »_hier tusschen

de stroom met een styve corent om de N.W. zonder stille doorliep_,” eene

hoogst belangrijke is voor de kennis van den Japanschen stroom _Kuro

siwo_ of _Kuro gawa_, d. i. zwarten zeestroom. Van dezen stroom, dien ik

volgens eene Japansche originele kaart op mijne kaart van Japan[44]

overgenomen heb, wordt gezegd, dat hij tusschen _Fatsi sjô_ en _Mikura_

(_Prince-eylant_ van ~Vries~) ongeveer 3 engelsche mijlen breed en in ’t

voorjaar en den winter gevaarlijk te bevaren is. Door de Amerikaansche

expeditie is deze stroom nader onderzocht, in kaart gebragt en

beschreven worden[45]. De opmerking van ~Vries~: »_saegen veel

steencroos drijven_” bevestigt ook de waarneming, dat zich de Japansche

stroom, gelijk de golfstroom in de Atlantische Zee, door banken van eene

bijzondere soort van zeekroos onderscheid.

[43] _Carte de l’Asie_, par ~J. de l’Isle~, à Amsterdam, chez ~Covens

& Mortier~.

[44] ~Von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten von Japanischen

Reiche_. N. 1.

[45] _Narrative of the expedition of an American Squadron in the China

Seas and Japan performed in the years 1852-54 under the Command

of Commodore_ ~M. C. Perry~, by ~Francis L. Hawks~. New-York,

1856. _The Kuro siwo, or Japan stream._ pag. 601.

Het hoog eiland op den 20 Mei ’s morgens in ’t Zuiden van het

_ongelukkig_ eiland gezien en bij ~Vries~ »_Suyder eylant_” en bij de

Japanezen _Awo sima_, d. i. Groen eiland genoemd, is ook reeds door

~Quast~ en ~Tasman~ (den 3 Nov. 1639) ontdekt en zijne ligging op 6 à 7

mijlen Z.t.W. van het _Ongelukkig_ eiland, op 32° 33′ N.Br., bepaald en

eene landverkenning daarvan vervaardigd geworden.

’s Avonds van den 20 Mei voor anker gekomen op 33° 52′ gegiste breedte

en 159° 22′ lengte O. van Ten. (volgens onze verbetering met +2°, op

140° 0′ 36″ O. v. Gr.) werden van boord aan _Castricum_ W.t.W. op een’

afstand van 11 à 12 Duitsche mijlen nog twee andere eilanden gezien.

Deze zijn het eiland _Mikura_ door ~Vries~ »_Prince_ eylandt” en

_Mijake_, door hem, volgens het Journael, »_Barnevelts_” en op zijne

kaart »_Brandend_ eilandt” genoemd, omdat er een steeds rookende berg op

gezien werd.

Reize van Maarten Gerritsz. Vries in 1643 naar het Noorden en Oosten van Japan volgens het journaal gehouden door C.J. Coen, op het schip Castricum · 第 18 / 32 段