kapelletje 't geheele gelaat van den Heiligen Thomas, verguld en met

veel steenen versierd, getoond. Maar een onverwacht toeval vergalde

bijkans al ons genoegen.--MENEDEMUS: Ik ben nieuwsgierig te hooren wat

voor een ongeluk je ons vertellen zult.--OGYGIUS: Mijn reismakker

Gratianus werd er niet heel vriendelijk om aangezien en aangesproken. Na

een kort gebed vroeg hij den kerkedienaar die er bij zat: "Och,

eerwaarde vader, is 't waar wat ik hoor, dat de Heilige Thomas bij zijn

leven zoo hoogst weldadig was jegens de armen?" "Ja zeker is dat waar,"

antwoordde de man en hij begon veel van die weldaden te vertellen jegens

de menschen die 't niet ruim hadden. Toen zei Gratianus: "Ik denk niet

dat die gezindheid bij hem veranderd is, of 't moest zijn, nog meer ten

goede." De kerkedienaar stemde dat gaarne toe. Mijn vriend zei daarop:

"Wanneer dan de heilige man zoo vrijgevig was tegenover behoeftigen toen

hij nog arm was en zelf ondersteuning in geld noodig had voor de

nooddruft van zijn lichaam, denkt ge dan niet dat het zijn goedkeuring

zeker zou wegdragen, wanneer, nu hij zoo rijk is en niets meer noodig

heeft, een arm vrouwtje met een troep hongerige kinderen thuis, of

meisjes die uit armoede gevaar loopen haar kuischheid te verliezen, of

een man die ziek neerligt van alle hulp verstoken; wanneer, zeg ik, zoo

iemand, na den Heilige om vergiffenis gevraagd te hebben, van dien

grooten rijkdom een enkel stukje wegnam om haar gezin te helpen en dit

beschouwde als iets wat ze van iemand kreeg, die 't haar ten geschenke

of te leen aanbood?" Toen de bewaker van 't gouden hoofd daar niets op

antwoordde, zei Gratianus, die een beetje heftig en driftig is

uitgevallen: "Ik ben er in mijn ziel van overtuigd dat de Heilige man

zich zelfs zou verheugen dat hij ook na zijn dood nog de bezwaren der

armen kon verlichten." Toen fronste de bewaker 't voorhoofd, stak zijn

lippen minachtend vooruit en keek ons met flikkerende en boosaardige

oogen aan. Ik twijfel er geen oogenblik aan of hij zou ons in 't gezicht

hebben gespogen en onder een vloed van scheldwoorden uit de kerk gejaagd

hebben, als hij niet geweten had dat we een aanbeveling van den

aartsbisschop hadden. Ik trachtte zoo goed ik kon met vriendelijke

woorden den toorn van den man tot bedaren te brengen. Ik zei dat mijn

vriend Gratianus het niet zoo meende, maar dat hij zoo'n beetje

gekscherenderwijze gesproken had, zooals hij dat wel meer deed. Tegelijk

legde ik een paar schellingen neer, als een pleister op de

wonde.--MENEDEMUS: Ik kan geen woorden genoeg vinden om je godsvrucht te

prijzen. Maar als ik er zoo nu en dan eens ernstig over nadenk, dan

vraag ik mij wel eens af, hoe de menschen 't met hun geweten kunnen

overeenbrengen, wanneer ze zooveel schatten zoekbrengen met 't bouwen

van kerken, met 't bovenmatig versieren en verrijken er van. Ik wil

graag toegeven dat de kerk in haar plechtgewaden en haar vaatwerk bij

den heiligen dienst een passende waardigheid moet ten toon spreiden. Ook

moet het kerkgebouw een passende statigheid bezitten. Maar waarvoor zijn

zooveel doopvonten, zooveel luchters, zooveel gouden beelden noodig?

Waartoe die buitensporige kosten aan die zoogenaamde orgels? En dan zijn

we daarmee nog niet eens tevreden. Waarom al dat muziek-getjingel dat

met groote kosten moet betaald worden, terwijl intusschen onze broeders

en zusters, die allen de levende kerk van Christus uitmaken, van honger

en dorst verkwijnen?--OGYGIUS: Ieder vroom en verstandig mensch zal

daaraan gaarne paal en perk gesteld zien. Maar omdat dit euvel

voortvloeit uit een soort van vroomheid die geen maat kent, zou 't

eenige aanmoediging verdienen, vooral wanneer men bedenkt dat er

tegenwoordig sommige menschen zijn, die geheel tegenovergesteld van zin,

de kerken van al haar schatten willen berooven. Die kostbaarheden worden

doorgaans gegeven door machtige heeren en vorsten en dat is toch beter

dan dat ze in spel of oorlog worden verkwist. En als men iets daarvan

vervreemdt, dan wordt dit in de eerste plaats als heiligschennis

beschouwd; verder openen zij die gewoon waren te geven, niet zoo licht

meer de milde hand en worden bovendien gelokt om zelf ook te gaan

rooven. Ten slotte zie ik liever een kerk die weelderig versierd is met

rijke benoodigdheden voor den heiligen dienst, dan, zooals er sommige

zijn, naakt en slordig, die meer hebben van paardenstallen dan van

kerken.--MENEDEMUS: Ja, maar we hebben toch wel eens gelezen dat

oudtijds bisschoppen hoog geprezen werden, die heilig vaatwerk overal

heen verkochten, om met 't geld daarvoor verkregen de armen tegemoet te

komen.--OGYGIUS: Men prijst die menschen tegenwoordig nòg. Maar

navolgen: dat mag men niet en mij dunkt, dat _wil_ men ook

niet.--MENEDEMUS: Maar kom aan: ik houd u maar op in uw verhaal. Ik zie

verlangend uit naar 't slotbedrijf van uw avontuur.--OGYGIUS: Luister

maar: ik zal 't in enkele woorden afmaken. Terwijl onze woordenwisseling

daar plaats greep kwam het hoofd van die kerkegidsen bij

ons.--MENEDEMUS: Wie is dat? De abt van het gesticht?--OGYGIUS: Hij

draagt een mijter en heeft de inkomsten van een abt. Alleen draagt hij

niet den naam: hij wordt Prior genoemd, omdat de Aartsbisschop zelf als

Abt fungeert. Vroeger was iedere Aartsbisschop van die streek tevens ook

monnik.--MENEDEMUS: Voor mijn part mogen ze mij "kameel" noemen, als ik

een inkomen krijg als dat van een abt.--OGYGIUS: 't Leek mij een vroom

en tevens schrander man te zijn en vrij goed op de hoogte van de

theologie van Scotus.[6] Hij maakte voor ons een doos open waarin men

zegt dat de rest van 't gebeente van den Heiligen Thomas wordt

bewaard.--MENEDEMUS: Kon je 't zien?--OGYGIUS: Neen, dat mag niet en 't

zou ook alleen maar kunnen met behulp van ladders. Maar de houten doos

bevat weer een gouden kistje en toen dit met touwen naar boven was

getrokken liet hij ons onschatbare dingen zien.--MENEDEMUS: Wat

zeg-je?--OGYGIUS: 't Minste van alles was nog maar 't goud. Alles

flonkerde van zeldzame en bijzonder groote steenen; alles schitterde en

glinsterde. Sommige steenen waren grooter dan ganzeneieren. In diepen

eerbied stonden daar eenige monniken omheen; toen het deksel er

afgenomen werd stonden wij allen in biddende houding. Met een witten

staf wees de Prior ons de edelgesteenten elk afzonderlijk aan, terwijl

hij er den naam in 't Fransch bijvoegde en tevens hoeveel de steen waard

was en wie hem geschonken had. Want de voornaamste steenen waren door

vorsten ten geschenke gegeven.--MENEDEMUS: Die Prior moet wel goed van

memorie wezen.--OGYGIUS: Dat moet hij. Maar, oefening doet er ook veel

toe! Hij heeft dat zoo vaak bij de hand gehad. Van hier brengt hij ons

weer in een ander gewelf. Daar heeft de Heilige Moeder Gods haar

verblijf. Maar 't is er een beetje donker en ze is door een paar

traliehekken afgesloten.--MENEDEMUS: Waarvoor is ze bang?--OGYGIUS: Ik

denk alleen maar voor dieven. Nooit zag ik ergens meer rijkdom

opeengestapeld.--MENEDEMUS: Wat je me daar vertelt is met recht een

blinde rijkdom.--OGYGIUS: Er werden lantaarns bijgehouden en toen zagen

we een meer dan koninklijk schouwspel.--MENEDEMUS: Is de Heilige Maagd

hier dan nòg rijker dan Die aan de zee?--OGYGIUS: Voor zoo ver het

uiterlijk aangaat overtreft deze de andere verre: 't verborgene kent Zij

zelf 't best. Dit wordt alleen maar aan groote heeren getoond en aan

bevoorrechte vrienden. Eindelijk komen we weer in de sacristij terug.

Daar ontdoen ze een kistje, met zwart leer bedekt van 't omhulsel en

zetten 't op tafel neer. 't Gaat open en we buigen ons neer op onze

knieën.--MENEDEMUS: Wat was er in?--OGYGIUS: Gescheurde linnen lappen,

waarvan de meesten nog sporen van snot en slijm droegen. Met die doeken

wischte zich, naar men zeide, de vrome man 't zweet van zijn gezicht en

zijn hals; daarin snoot hij zijn neus of dergelijke vuiligheden meer,

waarvan 't menschelijk lichaam niet vrij is. Mijn goede vriend Gratianus

oogstte daar ook al weer niet den allerbesten dank in. Hem bood de

Prior, als Engelschman, als bekende en als man van veel invloed,

welwillend een der doeken ten geschenke aan, denkend dat hij hem een

hoogst welkom cadeau aanbood. Maar Gratianus toonde zich hiervoor alles

behalve dankbaar, vatte den doek met zijn vingers aan met een tamelijk

minachtend gebaar, en legde hem weinig eerbiedig weer neer, terwijl hij

de lippen vooruit stak als wilde hij gaan fluiten. Dat was zoo zijn

gewoonte, als hem iets overkwam, waarover hij zijn minachting meende te

moeten uiten. Ik schaamde mij dood en hield mijn hart vast hoe dit zou

afloopen. De Prior deed alsof hij niets merkte van 't geen gebeurd was,

nam beleefd afscheid en liet ons vertrekken, na ons eerst een glas wijn

te hebben geschonken. Toen we naar Londen terugkeerden....--MENEDEMUS:

Waartoe was dat noodig, daar je nu niet ver van je vaderlandsche kust af

waart?--OGYGIUS: 't Is zoo. Maar ik wilde liefst die slecht ter naam en

faam bekend staande kust vermijden, slecht befaamd om de rooverijen en

knevelarijen, erger dan die bij kaap Malea in de Oudheid tegenover

schipbreukelingen werden gepleegd. Ik zal je eens vertellen wat ik bij

mijn laatsten overtocht van Frankrijk naar Engeland heb gezien. We

voeren, verscheidene reizigers in getal, van de kust bij Calais in een

sloep naar ons schip, dat op de ree lag. Onder de medereizigers bevond

zich ook een jong Franschman, arm en berooid in zijn plunje. Ze vroegen

hem een halven frank veergeld. Zóóveel zetten ze iemand af voor dat

kleine eindje overvaren. Hij verontschuldigde zich dat hij arm was. Als

in scherts gingen ze hem onderzoeken en toen ze zelfs tot zijn schoenen

toe hadden uitgetrokken, vonden ze tusschen een paar dubbele zolen tien

of twaalf franken. Die ontnamen ze hem zonder complimenten, lachend,

terwijl ze hem nog met schimpwoorden een schavuit van een Franschman

noemden.--MENEDEMUS: En hoe hield zich de jonge man?--OGYGIUS: Hoe zou

hij zich houden? De tranen stonden hem in de oogen.--MENEDEMUS: Maar

hadden zij het recht om zoo te handelen?--OGYGIUS: 't Zelfde recht

waarmee die bandieten de bagage van reizigers rooven, waarmee ze aan

dezen de beurs afnemen als zij hun kans schoon zien.--MENEDEMUS: 't Is

toch verwonderlijk dat zij zulk een boevenstreek durven uitrichten in

tegenwoordigheid van zooveel getuigen.--OGYGIUS: Ze zijn er zóó aan

gewend dat ze werkelijk meenen dat 't hun recht is. Een aantal

passagiers uit 't groote schip zag 't aan, in onze sloep bevonden zich

eenige Engelsche kooplieden die vruchteloos tegenpruttelden. Alsof 't

een grapje gold beroemden de schurken er zich op, dien schavuit van een

Franschman zoo lekker gesnapt te hebben.--MENEDEMUS: Ik zou zulke

zeeschuimers wel eens voor de grap aan de galg willen zien

bungelen.--OGYGIUS: En toch krioelt 't aan de kusten aan weerskanten van

dat volk. Ga nu maar eens na of de versregel van Vergilius hier niet van

toepassing moet wezen: "Wat moeten wel de groote heeren kunnen doen,

wanneer de gemeene dieven zoo iets durven wagen!"[7] Zoo komt 't dan ook

dat ik later liever den grootsten omweg maak, dan ooit dien korteren weg

weer te nemen. Daarbij komt nog dat, evenals de gang náár de onderwereld

door denzelfde dichter Vergilius heel gemakkelijk werd genoemd, de

terugkeer evenwel zeer moeilijk[8], zoo ook langs deze kust de toegang

heel licht, het weggaan daarentegen heel bezwaarlijk is. Te Londen

vertoefden juist eenige Antwerpsche kooplieden: ik besloot mij met hen

aan de zee toe te vertrouwen.--MENEDEMUS: Heeft dan die streek zulke

heilige varenslieden?--OGYGIUS: Nu, ik moet bekennen: evenals een aap

altijd een aap blijft, zoo blijft een schipper altijd een schipper.[9]

Maar wanneer je ze gaat vergelijken met dat andere geboefte, dat geleerd

heeft van roof te leven, dan zijn het engelen.--MENEDEMUS: Nu, ik zal er

aan denken wanneer ik soms eens lust mocht krijgen dat eiland te gaan

bezoeken. Maar keer weer terug op den weg waarvan ik je heb

afgebracht.--OGYGIUS: Toen wij nu naar Londen terugkeerden kwamen wij

niet ver van 't door ons verlaten Canterburry in een weg die hol en

tevens eng was. Bovendien liep de weg sterk af en aan weerskanten was de

wal zóó steil dat men er niet uit kon. Een anderen weg nemen, kan men

niet. Links van den weg stond een bedelhuisje waarin zich eenige arme

oude sukkels ophielden. Een van dezen gaat naar buiten, zoodra ze merken

dat er een ruiter aankomt: hij besprenkelt hem met wijwater en toont dan

't bovenstuk van een schoen waarom een metalen band zit. Hierop zit een

stuk glas dat een edelsteen moet voorstellen. Dat kust men en de

bedelaar krijgt een geldstuk.--MENEDEMUS: In zoo'n hollen weg zou ik

liever een oude bedelaarskolonie zien, dan een troep flinke

struikroovers.--OGYGIUS: Gratianus reed te paard naast mij links, 't

dichtst bij den bedelaar. Hij wordt besprenkeld, hetgeen hij zoo goed en

zoo kwaad als 't ging verdroeg. Toen hem nu de schoen voorgehouden werd,

vroeg hij wat dat moest beteekenen. De bedelaar zei dat 't de schoen was

van den Heiligen Thomas. Gratianus werd wit van boosheid en terwijl hij

zich tot mij wendde zei hij: "Wat verbeeldt zich dat vee wel, dat we de

oude schoenen van alle goede menschen zullen kussen? Waarom houden ze

ons niet wat speeksel of eenig ander uitwerpsel van een heilig lichaam

voor?" Ik had medelijden met den ouden stakkerd en ik troostte hem met

een fooitje.--MENEDEMUS: Ik moet zeggen dat ik de boosheid van Gratianus

wel eenigszins kan begrijpen. Als schoenen en sandalen bewaard werden

als een aandenken aan de vroegere levenswijze, dan zou ik daar niets

tegen hebben. Maar onbeschaamd lijkt 't mij den menschen sandalen en

schoenen en ondergoed onder den neus te duwen, om dat alles te laten

kussen. Als iemand dat uit eigen beweging, uit een soort van

vroomheids-aandrift wil doen, nu, laat hij het doen.--OGYGIUS: 'k Wil

niet ontkennen dat 't beter was het niet te doen: maar aan al wat zich

niet zoo onmiddellijk laat veranderen pleeg ik de goede zijde op te

merken, als die er ten minste is. Zoo maakte ik nu bij mij zelven de

opmerking, dat een goed mensch veel heeft van een schaap, een slecht

mensch van een schadelijk dier. Als een adder bijv. dood is, kan hij wel

niet meer bijten, maar hij kan door den stank en den zwadder den omtrek

nog wel verpesten. Zoolang een schaap leeft, geeft het ons voedsel door

zijn melk, kleeding door zijn wol en verrijkt het ons met de lammetjes.

Na zijn dood geeft 't ons het zoo nuttige leer en dient het ons tot

spijs. Zoo zijn ook hartstochtelijke menschen, die de slaven zijn van

hun lusten, bij hun leven allen tot last. Na hun dood hinderen zij de

levenden door het klokgelui en door al de drukte die bij hun begrafenis

wordt gemaakt, dikwijls ook door de zoogenaamde inwijdingskosten, n.l.

door de uitgaven voor hunne opvolgers. Goede menschen verschaffen in elk

opzicht groot nut. Bijvoorbeeld nu deze Heilige Thomas: hij spoorde door

voorbeeld, geleerdheid, vermaningen, allen tot vroomheid aan; hij

troostte de verlatenen, hielp de behoeftigen en--na zijn dood doet hij

haast nog méér nut. Hij heeft gemaakt dat deze rijke kerk gesticht is,

hij heeft in geheel Engeland aan 't priesterdom een groot aanzien

gegeven. Dat stukje oude schoen geeft onderhoud aan een geheele

bedelaarskolonie.--MENEDEMUS: Ja, dat is nu wel een heel vrome

beschouwing van de zaak, maar ik verwonder er mij over dat jij, als je

er zóó over denkt, nooit de spelonk van den Heiligen Patrick[10] hebt

bezocht, waarover men algemeen verbazingwekkende mirakels vertelt. Mij

komen ze, onder ons gezegd, niet erg waarschijnlijk voor.--OGYGIUS:

Waarschijnlijk? Er kan niets zoo wonderbaarlijk verteld worden of 't

geen men werkelijk ziet, overtreft 't nog.--MENEDEMUS: Ben je dan ook al

tot die spelonk doorgedrongen?--OGYGIUS: Ik heb den echten stroom van

den Styx bevaren; ik ben in den muil van den Avernus afgedaald. Ik heb

gezien hoe 't in de onderwereld toegaat.--MENEDEMUS: Je zult me een

groot plezier doen als je daarvan 't verhaal niet voor je

houdt.--OGYGIUS: Mij dunkt, de inleiding van ons gesprek is al lang

genoeg. Ik ga naar huis om te zeggen dat ze mijn avondeten moeten

klaarmaken: want ik heb van middag nog niet gegeten.--MENEDEMUS: Niet

gegeten? Waarom niet? Uit godsdienstige bezwaren?--OGYGIUS: Volstrekt

niet. Ik deed het uit haat en nijd.--MENEDEMUS: Ben je dan afgunstig op

je eigen maag?--OGYGIUS: Neen, maar wèl op die inhalige herbergiers,

die, niettegenstaande ze hun gasten geen fatsoenlijk maal willen

voorzetten, er toch geen bezwaar in zien een onbillijke rekening in te

dienen. Ik sar hen op die manier. Als ik kans heb op een lekker

avondbroodje bij een goeden vriend of bij een herbergier die wat minder

karig is, dan heb ik maagpijn net tegen etenstijd. Brengt 't geluk me 's

middags echter ergens een lekker maal, dan krijg ik die maagpijn tegen

't avondeten.--MENEDEMUS: Maar ben je dan niet bang dat ze je aanzien

voor gierig en schriel?--OGYGIUS: Menedemus, hoor eens. Die zich over

zoo iets schamen, zetten hun kapitaal van schaamte op lagen interest

uit. Ik voor mij heb mijn schaamte wel voor wat beters leeren

bewaren.--MENEDEMUS: Nu ik brand van verlangen naar de rest van je

bevindingen. Daarom inviteer ik mij zelf bij u aan tafel als gast. Daar

kun je 't mij dan op je gemak vertellen.--OGYGIUS: Ik vind 't heel

aardig dat je je zelven als gast aanbiedt, omdat er velen zijn die

blijven bedanken, ook al worden ze nog zoo dringend uitgenoodigd. Maar

je zult me nog driemaal meer plezier doen, wanneer je thuis wildet

blijven soupeeren. Ik wil dezen avond in den huiselijken kring

doorbrengen. Maar ik heb een plannetje dat voor ons beiden geschikter

is. Laat morgen voor mij en mijn vrouw bij jou thuis een lekker maaltje

klaarmaken. Dan kunnen wij tot 't avondeten toe blijven doorpraten, tot

je zelf zegt dat je er genoeg van hebt en als je wilt dan zullen we ook

nog bij je blijven soupeeren. Waarom krab je je hoofd? Maak jij 't maar

klaar: wij beloven plechtig op tijd te komen.--MENEDEMUS: Ik zou liever

hooren vertellen zonder dat 't mij wat kostte. Maar komaan! Een dinertje

zal worden gegeven, doch 't zal vervelend en laf zijn als gij 't niet

met goede vertellingen weet te kruiden.--OGYGIUS: Maar zeg eens. Jeukt

't je niet en tintel je niet van lust om ook zulke pelgrimstochten te

gaan doen?--MENEDEMUS: Misschien krijg ik die tinteling als je

uitverteld hebt. Zooals ik nu gestemd ben, heb ik genoeg aan mijn

Roomsche Staties.--OGYGIUS: Hoe, Roomsche? En ge zijt nooit te Rome

geweest.--MENEDEMUS: Ik zal je zeggen wat ik bedoel. Die toeren met

pleisterplaatsen maak ik thuis. Eerst ga ik de huiskamer binnen en zorg

ik dat mijn dochters geen kwaad kunnen aan haar kuischheid en ordelijk

van gedrag zijn. Dan ga ik naar de werkplaats; ik ga na, wat de

dienstboden, meiden zoowel als knechts, verrichten. Daarna ga ik naar de

keuken, rondziende of er ook iets te ordonneeren valt. Verder trek ik

dan hierheen, dan daarheen, terwijl ik naga hoe mijn kinderen 't maken

en mijn vrouw, om te zorgen dat alles op zijn plicht past. Dat zijn mijn

Roomsche Staties of bedevaarten naar Rome.--OGYGIUS: Ja, maar daar zou

in uw plaats Sint Jacob wel voor zorgen.--MENEDEMUS: De Heilige Schrift

schrijft mij voor dat zelf te doen. Dat ik 't aan de Heiligen mag

overlaten heb ik nog nergens gelezen.

NOTEN:

[1] Ilias. XV 279. (Vosmaer).

Doch weer ziende dat Hektor de schaar zijner dapperen rondging,

Viel hun de schrik op het lijf, ontzonk hun de moed voor de voeten.

[2] De kerk gewijd aan de Heilige Genoveva, gebouwd in 499 op hare

aansporing, waarin de Heilige in het jaar 521 begraven is.

[3] Door den Paus n.l.

[4] Zoo noemt Erasmus den monnik, die in rangorde 't dichtst bij den

Prior staat.

[5] Men noemt zoo een opsomming van feiten in een volgorde, die de

omgekeerde is van hetgeen in werkelijkheid plaats vindt. Bijv. bij

Vergilius, Aeneïs I 179. "Zij maken zich gereed het graan op 't vuur te

bakken en 't op den steen stuk te stooten;" in werkelijkheid gaat het

stukstooten vooraf aan het bakken.

[6] Duns Scotus, één der invloedrijkste scholastici uit de 14e eeuw, die

de Onbevlekte Ontvangenis van Maria in tweehonderd bewijzen tegenover

Thomas van Aquino verdedigde, waardoor hij veel bijdroeg dat dit een

leerstuk der R.C. kerk werd. Zijn spitsvondige dialectiek bezorgde hem

dan naam van Doctor Subtilis.

[7] Verg. Ecloga III 16. Quid domini faciant, ausint quum talia fures?

[8] Verg. Aeneïs VI. 126.

Facilis descensus Averno

Sed revocare gradum, superasque evadere ad auras,

Hoc opus, hic labor est

[9] Toespeling op het Grieksche spreekwoord: een aap blijft een aap, ook

al draagt hij gouden sandalen. Vergelijk Vader Cats:

Al draagt de aap een gouden ring

Hij is en blijft een morsig ding.

[10] Patricius, St. Patrick, wordt de Iersche Apostel genoemd omdat hij,

in 433 door Paus Celestinus naar Ierland gezonden, daar vele

bekeerlingen maakte.

* * * * *

HET SPROOKJESMAAL

Personen: Eenige makkers aan tafel.

JAN, HENDRIK, WILLEM, KAREL, PIETER, REINT, FLIP, KOOS EN FRITS.

Onder de samenspraken van Erasmus vindt men een viertal die ten

titel voeren "Maaltijd." (Eéne heet 't _dichterlijk_ maal, een

tweede 't _godsdienstig_, een derde 't _wereldsch_ en een vierde

het _Sprookjes_maal.) De eerste drie bevatten gesprekken over

godsdienstige onderwerpen, plaatsen uit den Bijbel, over

spraakkunst en litteratuur. De laatste, het Sprookjesmaal dat

hieronder volgt, is een aaneenschakeling van anecdotes, ook

geschiedkundige, waarmee eenige gasten elkander den maaltijd

opvroolijken.

Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus · 第 14 / 18 段