OGYGIUS: Overal staan dan ook "gidsen door de heilige plaatsen" den

bezoeker ten dienste.--MENEDEMUS: Van de Kanunniken?--OGYGIUS: Neen! Die

neemt men daarvoor niet. En wel hierom: men wil niet dat zij ten gevolge

van den godsdienst van hun godsdienst vervreemden en terwijl ze de

Heilige Maagd dienen, hun eigen maagdelijkheid te grabbelen gooien.

Alleen bevindt zich in de kapel, waarin ik zei dat de Heilige Maagd

vertoeft, bij het altaar een kanunnik.--MENEDEMUS: Waartoe?--OGYGIUS: Om

de gaven in ontvangst te nemen en te bewaren.--MENEDEMUS: Is men

verplicht te geven of men wil of niet?--OGYGIUS: Neen, volstrekt niet.

Maar sommige bezoekers brengt een soort van vrome schaamte er toe om te

geven, wanneer er iemand bij staat, terwijl ze niets zouden geven als er

niemand bij was. Of ook wel: ze geven heel wat meer dan ze anders zouden

geven.--MENEDEMUS: Je noemt daar een echt menschelijk zwak dat ik bij

ondervinding ken.--OGYGIUS: Er zijn er die zóó verknocht zijn aan de

Heilige Maagd dat ze onder den schijn van een gave op 't altaar te

leggen met een bewonderenswaardige handigheid wegstelen wat een

voorganger er had neergelegd.--MENEDEMUS: En als er nu eens niemand

stond, zou dan de Heilige Maagd zulke schurken niet onmiddellijk met

haar bliksem treffen?--OGYGIUS: Waarom zou de Heilige Maagd dit eerder

doen dan God in den Hemel, voor wien sommige menschen zóó weinig eerbied

hebben dat ze hem van zijn kerksieraden durven berooven, zelfs zóó, dat

ze door de muren van de kerk heen breken?--MENEDEMUS: Ik ben 't nog niet

met mij zelven eens waarover ik meer verwonderd moet zijn: over de

verregaande onbeschaamdheid van die heiligschenners of over Gods

lankmoedigheid.--OGYGIUS: Nu dan. Aan de noordzijde is een poortje, niet

van de kerk (je mocht je soms eens vergissen) maar van de omheining

waarmee 't geheele terrein bij de kerk behoorend wordt omsloten. Die

poort heeft weer een klein deurtje zooals wij die in de groote dubbele

deuren van de adellijke kasteelen zien. Ieder die wil binnentreden,

loopt eerst gevaar zijn scheenbeen te schaven en ziet zich daarna

gedwongen flink te bukken om zijn hoofd niet te stooten.--MENEDEMUS: 't

Is maar veiliger om door zoo'n deurtje 't huis van je vijand niet binnen

te gaan.--OGYGIUS: Dat is een goede opmerking. De "gids door 't

Heiligdom" vertelde dat indertijd een Ridder te paard door dat deurtje

aan een hem vervolgenden vijand ontsnapt was, die hem op de hielen zat.

De ongelukkige die reeds wanhoopte aan redding had door een plotselinge

ingeving zijn leven aanbevolen aan de Heilige Maagd die in de buurt was.

Want hij was van plan om tot Haar altaar te vluchten als de groote poort

openstond. En hoor nu eens het ongehoorde wonder! Eensklaps stond de

ruiter met paard en al binnen de omheining van het kerkhof, terwijl zijn

vervolger tevergeefs buiten voor de poort stond te razen en te

tieren.--MENEDEMUS: En wist de gids je dit verhaal aannemelijk te

maken?--OGYGIUS: Ja zeker.--MENEDEMUS: Dat ging bij zoo'n wijsgeer als

jij bent, toch zeker zoo héél gemakkelijk niet.--OGYGIUS: Hij wees mij

op de deur een koperen plaat met spijkers er op vastgehecht, waarop een

afbeelding van den geredden ridder stond in de kleedij die het Engelsche

volk toen placht te dragen, zooals wij die ook op schilderijen van ouden

datum zien weergegeven. Als die niet liegen, dan hadden de barbiers van

die dagen weinig te doen, evenals de lakenververs en

lakenwevers.--MENEDEMUS: Hoe dat zoo?--OGYGIUS: Omdat de man een baard

had als een geit en omdat er geen enkele plooi zat in zijn

kleedingstukken, die zóó weinig ruimer waren dan zijn lichaam, dat dit

er nauw door was ingesnoerd. Daar was ook nog een andere plaat die de

afbeelding en de grootte van de kapel voorstelde.--MENEDEMUS: Ja, dan

màg men niet meer twijfelen.--OGYGIUS: Onder aan het deurtje was een

ijzeren vlechtwerk, om alleen voetgangers door te laten. Het paste toch

niet dat een ander paard weer de plaats zou betreden, vroeger door dien

Ridder aan de Heilige Maagd gewijd.--MENEDEMUS: En te recht!--OGYGIUS:

Als men nu van hier oostwaarts gaat, komt men aan een kapel vol van

allerlei heilige overblijfselen. Daar ga ik heen. Een andere tempelgids

neemt er de leiding over. Wij prevelen eerst eenige gebeden. Nu wordt

ons een lid van een menschenvinger getoond, en wel van een middelvinger.

Ik kuste dien en vroeg van wien die relikwieën waren. Hij zei: van Sint

Pieter. Toch niet van den Apostel? Hij beweerde van ja. Terwijl ik

daarop de lengte van 't vingerlid aandachtig bekeek, dat wel een aan

reus kon hebben toebehoord, zei ik: "St. Pieter moet wel een man van

buitengewoon groote lichaamsgestalte geweest zijn." Bij die woorden

schoot één van de omstanders in een luiden schaterlach. Dat kon ik niet

uitstaan. Als hij zich stilgehouden had zou de kerkbewaarder ons al de

andere relikwieën getoond hebben. Wij brachten hem zoo goed en zoo kwaad

als het ging weer in zijn humeur door hem eenige geldstukjes te geven.

Vóór de kapel bevond zich een afdakje waarvan hij verzekerde dat het op

een winterdag, toen de sneeuw alles bedekt had, plotseling daarheen van

een verre plaats was aangebracht. Onder dat afdak heeft men twee putten

tot den rand toe vol. De bronwel daarvan is naar men zegt aan de Heilige

Maagd gewijd. Het water is bijzonder koud en werkt heilzaam naar men

zegt voor hoofd- en maagpijn.--MENEDEMUS: Als koud water hoofd- en

maagpijn geneest, dan zal later ook nog wel eens olie dienen om een

brand te blusschen.--OGYGIUS: Maar mijn waarde: 't is immers juist een

wonder dat ik vertel. Wat zou 't anders voor een wonder wezen als koud

water dorst leschte?--MENEDEMUS: Dit is nu zeker 't ééne deel van 't

historietje.--OGYGIUS: Ze verzekerden dat die bron plotseling was

ontsprongen op bevel van de Heilige Maagd. Ik bekeek alles in het rond

nauwkeurig en vroeg: hoeveel eeuwen er verloopen waren sedert die luifel

daar was aangebracht. Hij zei: "Al verscheidene." "De muren van de kapel

zien er anders niet erg oud uit," zei ik. Hij ontkende dat niet. "Zelfs

niet die houten kolommen." Hij ontkende dan ook niet dat ze daar onlangs

neergezet waren en trouwens men kon dat ook duidelijk zien. "En verder,"

zei ik, "lijken dat dak en stroo nog al van nieuwe bouwstof te wezen."

Hij moest dat toegeven. "En zelfs die dwarsbalken en de schuine balken

waarop 't riet en 't stroo steunen, schijnen me nog niet zoo héél lang

daar te liggen." Hij knikte van ja. En toen ik dus merkte dat er geen

stuk meer van de hut uit den ouden tijd overbleef, zei ik: "maar hoe kan

men dan met zooveel zekerheid zeggen dat dit afdak van verre is

aangebracht?"--MENEDEMUS: Hoe heeft zich die tempel-rot daaruit weten

los te praten?--OGYGIUS: Nu, eerst toonde hij ons een zeer oude

beerenhuid die van den balk afhing en hij lachte bijkans om onze

onverschilligheid, dat wij voor zulk een bewijsgrond geen oogen hadden.

Zóó werden we dan overtuigd en terwijl we vergiffenis vroegen voor onze

traagheid van begrip, gingen wij over tot 't bezichtigen van de

hemelsche melk der Heilige Maagd.--MENEDEMUS: Wat lijkt die Moeder op

Haar Zoon! Hij heeft ons zooveel van Zijn bloed op aarde gelaten,

terwijl Zij ons zooveel van Haar melk schonk, dat het nauwelijks te

gelooven is dat één vrouw met één kind zooveel voedsel zou hebben gehad,

ook al had het kindeke er niets van gedronken.--OGYGIUS: Met diezelfde

bezwaren komen ze ook aandragen tegen 't Kruis van onzen Heiland,

waarvan 't hout op zooveel plaatsen, particuliere en publieke, wordt

getoond, dat als de brokstukken ervan bij elkander werden gebracht, men

een scheepslading bijeen zou hebben. Intusschen heeft onze Heer en

Heiland dat kruis toch alléén gedragen.--MENEDEMUS: Nu, komen u al die

stukken van het kruis ook niet verwonderlijk voor?--OGYGIUS: Vreemd mag

't misschien genoemd worden, maar ongeloofelijk volstrekt niet, daar

immers de Heer, die dit naar Zijn welbehagen kan vermeerderen, almachtig

is.--MENEDEMUS: Gij legt dit nu wel op een vrome wijze uit, maar ik zou

bang zijn dat veel van dergelijke verhalen worden verzonnen om er een

zoet winstje mee te behalen.--OGYGIUS: Ik geloof niet dat God het zal

gedoogen, wanneer men hem op die manier wil bedotten.--MENEDEMUS: Ja

maar, wanneer door kerkeschenners roof gepleegd wordt, dan verroert noch

de Heilige Moeder Gods, noch Haar Zoon, noch de Vader of de Heilige

Geest zich ook maar in 't minst, of verschrikt 't zij door een knik, 't

zij door een geluid den schuldige. Zóó groot is Hunne

lankmoedigheid.--OGYGIUS: Ja, het _is_ zoo. Maar hoor nu verder. De melk

waarvan ik sprak, wordt op het hoogaltaar bewaard. Midden daarop staat

een Christusbeeld met de Moeder Gods eershalve aan Zijn rechterzijde. De

melk toch stelt de Moeder voor.--MENEDEMUS: Kan men dan de melk

zien?--OGYGIUS: Natuurlijk, in een kristallen omhulsel.--MENEDEMUS: Dus

vloeibaar.--OGYGIUS: Wat wou je nu praten van _vloeibaar_, terwijl de

melk meer dan vijftienhonderd jaren geleden uit de borst gekomen is.

Neen, de melk is samengeronnen: men zou haast zeggen fijn gewreven krijt

met wit van een ei vermengd.--MENEDEMUS: Waarom toont men ze dan niet

onbedekt?--OGYGIUS: Wel natuurlijk dat de melk van de Maagd niet

bezoedeld zal worden door de kussen van mannen.--MENEDEMUS: Dat laat

zich hooren. Want er zijn, dunkt me, mannen, die er een niet reinen en

niet maagdelijken mond zouden aanzetten.--OGYGIUS: Zoodra de kerkegids

ons in 't oog kreeg liep hij op ons toe, schoot een linnen gewaad aan,

voegde er een priesterlijke stool over zijn schouders aan toe, knielde

eerbiedig neer en lag in aanbidding. Daarna reikte hij ons de Heilige

Melk toe om die te kussen. Toen knielden ook wij op de onderste trap van

het altaar eerbiedig neer. Na eerst Christus gegroet te hebben, sprak ik

tot de Heilige Maagd het volgend gebed uit dat ik juist hiervoor had

opgesteld: "Moedermaagd, Gij die waardig gekeurd zijt met Uwe

maagdelijke borsten den Heer van Hemel en aarde, Uwen Zoon Jezus te

laven, wij spreken de bede uit dat wij, door Zijn bloed gereinigd, mogen

toenemen in braafheid en dat wij mogen bereiken die gelukkige jeugd van

duivenonschuld welke, onbekend met slechtheid, bedrog en list, bij

voortduring dorst naar de melk van de wetenschap van het Evangelie,

totdat die kindsche staat opgegroeid zij tot volmaakten mannelijken

leeftijd, naar de mate van de volheid van Christus, wiens zalige

gemeenschap gij ten eeuwigen dage moogt genieten met den Vader en den

Heiligen Geest. Amen!"--MENEDEMUS: Nu, dat is een vroom gebed. En wat

deed de Heilige Maagd?--OGYGIUS: Wel 't scheen me toe dat Zij beiden,

Zij en Haar Zoon, mij toeknikten, als ik me ten minste niet heelemaal

vergis. Ik verbeeldde mij dat die Heilige Melk een weinig opsprong en 't

scheen mij toe alsof de avondmaalskelk wat glanzender blonk dan te

voren. Intusschen kwam de tempelgids weer op ons af, wel zonder een

woord te zeggen, maar terwijl hij ons een bordje voorhield, zooals bij

ons de menschen dat hebben, die bruggetolgeld innen.--MENEDEMUS: Ja 'k

heb wat dikwijls die bedelbordjes verwenscht, toen ik in Duitschland

reisde.--OGYGIUS: We gaven eenige muntstukken, die hij de Heilige Maagd

aanbood. Hierop liet ik hem door bemiddeling van een jongen man, die de

taal goed verstond en die heel aardig praten kon (ik geloof dat hij

Robert Aldrisius heette) zoo beleefd mogelijk vragen, welke bewijzen hij

er voor had, dat dit werkelijk melk van de Heilige Maagd was. Ik was uit

echt vrome belangstelling nieuwsgierig dit te weten, om enkele

ongeloovigen, die gewoonlijk met al dergelijke dingen den spot drijven,

den mond te kunnen snoeren. Eerst fronsde de kerkegids zijn voorhoofd en

zweeg stil. Ik liet mijn tolk nader aandringen, en hij deed dit dan ook

heel vriendelijk: en wel zóó, dat als hij de Heilige, pas bevallen van

Haar kindje, zóó had aangesproken, Zij hem dit niet kwalijk zou hebben

genomen. Maar de kerkegids, als door een hoogere macht bezield, keek ons

met verschrikte oogen aan, alsof hij met een gevoel van afschuw onze

godslasterlijke taal vervloekte. "Wat behoeft ge daarnaar te vragen,"

zei hij, "daar er toch een authentiek stuk van aanwezig is?" En 't had

er heel veel van dat hij ons als ketters wilde wegjagen, iets wat zeker

gebeurd zou zijn, als we hem niet door 't geven van wat geld een beetje

zachter hadden gestemd.--MENEDEMUS: En wat deedt jelui

intusschen?--OGYGIUS: Wij? Ja, dat kun je denken! Wij dropen af alsof we

een pak slaag gekregen hadden of door den bliksem getroffen waren,

terwijl we onderdanig om vergiffenis vroegen voor onze drieste vraag.

Zoo behoort 't in zaken die 't heilige raken. Van daar gingen we nu naar

't kapelletje, de eigenlijke verblijfplaats van de Heilige Maagd. Toen

we daarheen stapten, vertoonde zich een monnik van de orde der

Minderbroeders. Vorschend keek hij mij aan. Even daarna een tweede, die

mij óók weer van hoofd tot voeten opnam. Daarna nog een

derde.--MENEDEMUS: Ze wilden misschien je portret maken.--OGYGIUS: Nu,

ik had een heel ander vermoeden.--MENEDEMUS: Wat dan?--OGYGIUS: Dat de

een of andere tempelroover iets uit 't kostbare kapelletje van de

Heilige Maagd gestolen had en dat 't vermoeden op mij gevallen was. Toen

ik dus de kapel was binnengetreden stortte ik het volgend gebed uit voor

de Heilige Moeder Gods: "O Gij, de Eénige onder alle vrouwen die moeder

zijt en maagd, zaligste Moeder, reinste Maagd: wij, onrein en bezoedeld

komen tot U, Reine, met onzen groet, om U, hoe we dan ook mogen zijn,

met onze geschenken te eeren. Moge Uw Zoon ons de genade verleenen dat

wij, Uwen vlekkeloozen wandel navolgende, ons waardig maken, dat ook

wij, door de gunst van den Heiligen Geest op een geestelijke wijze,

Jezus ontvangen in ons binnenste binnenste en wanneer wij hem éénmaal

hebben opgenomen, hem nimmer weer verliezen. Amen!" Terwijl ik het

altaar kuste, legde ik wat geld neer en verwijderde mij.--MENEDEMUS: En

wat deed daarop de Heilige Maagd? Gaf ze door geen enkelen wenk te

kennen dat ze uw gebed verhoord had?--OGYGIUS: Het was er, zooals ik je

al zei, slechts twijfelachtig licht en Zij stond daar in 't duister aan

de rechterzijde van het altaar. Ook hadden mij de woorden van den

vorigen kerkegids zóó uit 't veld geslagen dat ik mijn oogen eigenlijk

niet vrij durfde opslaan.--MENEDEMUS: De afloop van dien tocht was dus

niet zoo héél vroolijk?--OGYGIUS: Integendeel,

allerprettigst.--MENEDEMUS: Je geeft mij weer moed. Want mijn moed was

me in de schoenen gezonken, zooals uw dichter Homerus dat zegt.[1] Na

iets genuttigd te hebben gaan we weer naar de kerk.--MENEDEMUS: Durfde

je dat, jij die van tempelroof verdacht waart?--OGYGIUS: Misschien

dachten anderen dat van mij; maar ik wist mij zelf onschuldig. Iemand

die zich van geen kwaad bewust is, kent geen vrees. Ik voelde me sterk

aangetrokken tot de oorkonde, waarnaar de bewaarder ons verwezen had. Na

lang zoeken vonden we die eindelijk: maar zij was ergens in de hoogte

opgehangen, zoodat ze maar niet door een ieders oogen kon worden

gelezen. Mijn oogen zijn zóó dat 't wel geen oogen zijn als van een

lynx, maar dat ik toch ook niet kippig ben. Toen dus Aldrisius ons het

stuk voorlas, volgde ik de woorden met mijn oogen, daar ik hem in zoo'n

gewichtige zaak niet in allen deele vertrouwde.--MENEDEMUS: En is alle

twijfel bij je weggenomen?--OGYGIUS: Ja, ik schaamde me over mijzelven,

dat ik ook maar één oogenblik had kunnen twijfelen, zóó duidelijk werd

hier alles voor oogen gesteld: de naam, de plaats, de gebeurtenis,

precies zooals 't geschied was, in korte woorden en toch zonder iets

over te slaan. Er wordt n.l. verteld dat er een man was, met name

Willem, te Parijs geboren, een man vroom ook in andere opzichten, als

wel voornamelijk vol godsdienstijver in 't opsporen van heilige

relikwieën over de heele wereld. Na veel streken doorreisd te hebben, na

overal kloosters en kerken te hebben doorsnuffeld, kwam hij ook

eindelijk te Constantinopel aan. Een broer van gezegden Willem was daar

Bisschop. Toen hij zich al gereed maakte voor zijn vertrek, wees zijn

broer er hem op dat daar een non was die melk van de Moedermaagd bezat;

dat hij overgelukkig zou zijn wanneer hij voor geld of goede woorden of

zelfs op slinksche manier een deel van die melk machtig kon worden. Want

dat alle andere relikwieën die hij tot nog toe verzameld had, niets

beteekenden in vergelijking met die heilige melk. Willem rustte toen

niet vóór hij door bidden en smeeken de helft van die melk had gekregen.

In het bezit van dien kostbaren schat rekende hij zich rijker dan

Croesus.--MENEDEMUS: Nou, dat wil ik gelooven en dat nog wel boven

verwachting.--OGYGIUS: Regelrecht reist hij naar huis. Onderweg wordt

hij ziek.--MENEDEMUS: Hoe kortstondig is toch 't geluk van de menschen

en hoe weinig is men in alle opzichten voorspoedig!--OGYGIUS: Toen hij

begreep dat hij in levensgevaar verkeerde liet hij heimelijk den

Franschman bij zich komen, die hem trouw op zijn reis had vergezeld.

Onder eede liet hij zich geheimhouding beloven. Hij vertrouwt hem de

melk toe op voorwaarde dat hij den schat, als hij ongedeerd naar huis

terug keert, op 't altaar van de Heilige Maagd zal neerleggen, die te

Parijs in de heerlijke kerk wordt aangebeden, waar de Seine aan twee

kanten omheen stroomt. Het is alsof de rivier uit eerbied voor de

Heilige Maagd uit den weg gaat. Om de zaak nu in 't kort samen te

vatten: Willem sterft en wordt begraven, de ander reist verder en wordt

óók ziek. Toen ook hij geen hoop meer had op beterschap vertrouwt hij

aan een Engelschen graaf de melk toe, terwijl ook _hij_ hèm onder

heilige eeden laat beloven, dat deze zal doen wat _hij_ anders zou

gedaan hebben. De Franschman komt te overlijden. De Engelsche graaf

neemt de melk mee en deponeert die op 't altaar in de Notre Dame in

tegenwoordigheid van de Kanunniken dáár, die toen nog Regulieren

heetten, zooals ze dit nòg zijn van de kerk der Heilige Genoveva.[2] Van

die Kanunniken kreeg hij de helft der melk ten geschenke. Hij bracht ze

naar Engeland over en wijdde ze aan de kerk van de Maagd aan Zee

waarheen hij door een goddelijke bestiering werd gedreven.--MENEDEMUS:

Dat verhaal staat zeker goed op pooten.--OGYGIUS: En opdat er geen

twijfel zou kunnen overblijven waren de namen van de stemgerechtigde

Bisschoppen er bij geschreven, die aan de bezoekers van de melk, welke

met een niet al te klein geschenk komen, zóóveel aflaat van zonden

schenken, als ze naar het hun[3] verleende vermogen kunnen

geven.--MENEDEMUS: En hoeveel bedraagt die?--OGYGIUS: Die aflaat duurt

veertig dagen.--MENEDEMUS: Telt men dan in de onderwereld ook bij dagen?

OGYGIUS: Daar is ten minste ook een tijdrekening. Maar als die

bisschoppen nu eenmaal 't hun geschonken aflaat-vermogen hebben

weggegeven, hebben ze dan niets meer over om weg te schenken?--OGYGIUS:

Ja, zeker wel! Daar borrelt nog wel weer wat zoo wat van onderen op om

weg te schenken en hier gebeurt zoo precies 't tegenovergestelde van 't

geen er met 't vat der Danaïden geschiedde. Terwijl dat telkens gevuld

werd, liep 't altijd maar leeg; uit dit vat daarentegen kan men

voortdurend putten, zonder dat er daarom iets minder in

overblijft.--MENEDEMUS: Als nu eens bijv. aan honderdduizend menschen

veertig dagen aflaat wordt gegeven, heeft dan ieder afzonderlijk veertig

dagen voor zich?--OGYGIUS: Ja.--MENEDEMUS: En zoo nu enkelen vóór het

middageten om veertig dagen gevraagd hebben en ze komen tegen het

avondeten nog eens weer om veertig, zijn er dan altijd maar weer

voorhanden om ze hun te geven?--OGYGIUS: Ja zeker, ook al vroegen ze

tienmaal in hetzelfde uur.--MENEDEMUS: Och, had ik thuis zóó'n

geldkistje; ik zou er maar enkele schellingen in wenschen, mits ze

steeds maar zoo op nieuw weer opborrelden.--OGYGIUS: Waarom wensch je

niet om héélemaal van goud te worden, want ten gevolge van je wensch

krijg je dat toch gedaan. Maar ik keer tot mijn verhaal terug. Men

voerde voor de heiligheid van de melk ook nog dit bewijs van echt vromen

zin aan, dat de melk der Moedermaagd elders vertoond, wel de vereering

waardig was, maar dat deze dáárom meer eer verdiende, omdat die andere

melk van de rotsen was afgeschrapt, deze daarentegen zoo uit de borsten

der Heilige Maagd was gevloeid.--MENEDEMUS: Hoe wist men dat zoo vast en

zeker?--OGYGIUS: Wel, dat nonnetje te Constantinopel had dat gezegd, die

de melk had gegeven.--MENEDEMUS: En haar had de Heilige Bernard 't zeker

bericht?--OGYGIUS: Ja, dat denk ik wel.--MENEDEMUS: Toen deze al

volwassen was viel hem de eer te beurt melk te mogen proeven uit

dezelfde borst waaraan 't Kindeke Jezus gezoogd was. Daarom verwondert

't mij dat men Hem niet liever "zoo zoetvloeiend als melk" dan met zijn

gewonen bijnaam "zoet als honig" noemt. Maar hoe kan men bij die andere

melk spreken van melk van de Heilige Maagd, als ze niet uit Haar borsten

gevloeid is?--OGYGIUS: Die melk is óók wel uit Haar borst gekomen, maar

op een rots, waarop zij toevallig zat toen ze 't Kindje de borst gaf,

gevallen en gestold. Verder is die melk door een goddelijke bestiering

zoo vermeerderd.--MENEDEMUS: Zoo zal 't wezen. Ga door!--OGYGIUS:

Terwijl wij ons hierna tot de reis gereed maken en nog zoowat heen en

weer drentelen en rondkijken of er ook nog iets is, de moeite waard om

bezien te worden, staan daar de kerkegidsen weer vóór ons, zien ons van

ter zijde aan, wijzen met de vingers naar ons, komen aanloopen, gaan

weer heen, komen weer terug, wenken en 't scheen wel of ze ons wilden

aanspreken als ze maar durf genoeg hadden.--MENEDEMUS: En was je toen

niet bang?--OGYGIUS: Wel neen, ik draaide mijn gelaat juist naar hen

toe, hen toelachend en hen aankijkend alsof ik hen wilde uitlokken om

mij aan te spreken. Eén van hen slechts komt naar mij toe en vraagt hoe

ik heet. Ik zeg mijn naam. "Of ik het was die een paar jaar geleden dat

votief-tafeltje had opgehangen met een Hebreeuwsch opschrift." Ik zei

van ja.--MENEDEMUS: Kun-je dan Hebreeuwsch schrijven?--OGYGIUS: Wel

neen, maar wat zij niet begrijpen, dat noemen die kerels Hebreeuwsch.

Door den een of ander gehaald (zoo vermoed ik) komt de Eerst-laatste van

't klooster aanloopen.[4]--MENEDEMUS: Wat is dàt voor een waardigheid?

Hebben ze daar dan geen abt?--OGYGIUS: Neen.--MENEDEMUS: Hoe dat

zoo?--OGYGIUS: Omdat ze geen Hebreeuwsch verstaan, waaruit abt is

afgeleid.--MENEDEMUS: En geen bisschop ook?--OGYGIUS: Ook al

niet.--MENEDEMUS: Waarom dat?--OGYGIUS: Omdat de Heilige Maagd daar te

arm is om een bisschopsstaf en een mijter te koopen, die veel te duur

zijn.--MENEDEMUS: Ook misschien geen Hoofd?--OGYGIUS: Ook dàt

niet.--MENEDEMUS: Welk beletsel is daartegen?--OGYGIUS: Omdat Hoofd een

titel is voor een waardigheid, niet een titel van vroomheid. Om die

reden verwerpen ook de kapittels der Kanunniken den titel van abt, maar

nemen ze dien van Eerst-laatste graag aan.--MENEDEMUS: Maar ik had toch

dien naam van Prior (in _dien_ zin) nooit te voren gehoord.--OGYGIUS:

Ja, maar je bent op 't gebied van de grammatica ook tamelijk slecht

thuis.--MENEDEMUS: Nu ja in 't taalgebruik ken ik wel een figuur

"eerst-laatst" geheeten.[5]--OGYGIUS: Precies. Hij die hier 't naast is

na den Prior van 't klooster, is de Prior die volgt.--MENEDEMUS: Ge

bedoelt dus eigenlijk den Onder-prior?--OGYGIUS: Deze groette mij nog al

beleefd. Hij vertelt mij hoeveel moeite 't den monniken gekost had, die

regels van mij te lezen: hoeveel brillen er vergeefs op waren afgeveegd.

Zoo dikwijls de een of andere oude doctor in de godgeleerdheid of in de

rechten bij hen was gekomen, was hij vóór de votieftafel gebracht: de

een zei dat 't arabische letters waren, de ander verklaarde: "'t zijn

maar verzonnen letters." Eindelijk was er een gevonden die het opschrift

had kunnen lezen. Dit was geschreven met latijnsche woorden en

latijnsche letters; maar ... met hoofdletters. De Grieksche verzen waren

met Grieksche hoofdletters geschreven die op het eerste gezicht op

latijnsche hoofdletters gelijken. Op zijn verzoek schreef ik den zin van

de versregels in 't Latijn er onder, ze woord voor woord vertalend. Ik

weigerde nadrukkelijk voor deze geringe moeite een cadeautje aan te

nemen dat men mij aanbood, terwijl ik verzekerde dat mij nooit iets te

bezwaarlijk zou zijn, dat ik niet ter wille van de allerheiligste Moeder

Gods met bereidwilligheid zou doen, ja al gaf Ze mij ook een brief van

hier naar Jeruzalem te brengen.--MENEDEMUS: Och kom! waarvoor zou Zij u

als brievenbesteller noodig hebben, daar Zij immers zooveel engelen als

lijfbedienden tot Haar dienst heeft?--OGYGIUS: Hij haalde uit zijn tasch

een stukje hout voor den dag, afgezaagd van een balk waarop men de

Heilige Maagd had zien staan. Een verwonderlijk sterke lucht duidde

onmiddellijk aan dat 't iets bijzonder heiligs was. Ik boog mij diep

neer en kuste met den grootsten eerbied met ontbloot hoofd het kostelijk

geschenk dat ik in mijn tasch stak.--MENEDEMUS: Mag ik het eens

zien?--OGYGIUS: Wat mij betreft, graag. Maar als je niet nuchter bent,

of als je in den afgeloopen nacht intiem met je vrouw geweest bent, dan

zou ik je niet raden om 't te bekijken.--MENEDEMUS: Laat maar zien, er

is geen gevaar.--OGYGIUS: Nu, daar dan.--MENEDEMUS: Wat ben jij een

geluksvogel met zóó'n geschenk!--OGYGIUS: Ja, Menedemus, ik wil 't je

wel bekennen: ik zou dat kleine stukje hout niet willen ruilen voor al

het goud van den Taag. Ik zal het in goud laten vatten, maar zóó, dat

men 't door een glazen deksel heen, kan zien. Toen de Onder-prior nu zag

dat ik zoo van godsdienstigen eerbied voor dit geschenk vervuld was,

dacht hij zeker dat ik iemand was die wel verdiende in nog gewichtiger

dingen ingewijd te worden. Hij vroeg mij dus of ik soms 't meer

verborgene der Heilige Maagd al gezien had. Die woorden maakten diepen

indruk op mij. Ik durfde evenwel niet vragen welke verborgenheden hij

bedoelde. Immers in zulke heilige zaken kan zelfs de minste verspreking

al kwaad stichten. Ik zei dus van neen, maar dat ik bijzonder verlangend

was het te zien. Nu werd ik als een door God bezielde, binnengeleid. Een

paar waskaarsen worden aangestoken. Ze toonen me een beeldje, dat noch

door grootte, noch door de stof waarvan 't gemaakt was, noch door

kunstschoon iets merkwaardigs had, maar dat groote kracht scheen te

bezitten door zijn heerlijke eigenschappen.--MENEDEMUS: De grootte doet

er weinig toe, waar het geldt de kracht om wonderen te doen. Te Parijs

heb ik den Heiligen Christoffel gezien: groot en reusachtig was hij als

een bakbeest, neen als een echte berg, maar voor zoo ver ik heb kunnen

vernemen heelemaal niet beroemd door wonderen die hij deed.--OGYGIUS:

Aan de voeten van de Heilige Maagd ligt een edelsteen waarvoor bij

Grieken en Romeinen nog geen naam bestaat. De Franschen hebben hem een

naam gegeven naar 't woord "padde" omdat hij zóó precies op een pad

lijkt, dat men hem met alle kunstvaardigheid niet zoo zou kunnen

namaken. Om het wonder nog grooter te maken is de steen maar heel klein.

De figuur van de padde steekt er niet boven uit, maar ligt als 't ware

doorschijnend in den steen opgesloten.--MENEDEMUS: Misschien verbeeldt

men zich wel de figuur van een padde te zien, zooals men zich wel

voorstelt in een doorgeslagen keisteen den vorm van een arend te zien en

zooals kinderen God weet wat voor voorstellingen in de wolken uitvinden:

vuurspuwende draken, gloeiende vulkanen, strijdende legers.--OGYGIUS:

Neen, neen, ik stel er prijs op dat je 't weet: geen levende pad lijkt

meer op een pad dan deze die hierin is afgedrukt.--MENEDEMUS: Zeg eens,

tot nog toe heb ik je verhaaltjes geduldig aangehoord, maar zoek nu in

't vervolg een ander om hem wat wijs te maken van je padden.--OGYGIUS:

't Is volstrekt geen wonder, Menedemus, dat je ongeduldig wordt. Ook

_ik_ zou 't me niet hebben laten wijsmaken, al was de heele theologische

faculteit 't mij komen aanpraten, maar ik heb 't met mijn eigen oogen,

_mijn eigen oogen_, zeg ik, gezien, bekeken, aanschouwd, als waarheid

bevonden. Maar intusschen dunkt me dat je niet erg veel hart hebt voor

de natuurlijke historie.--MENEDEMUS: Hoe dat zoo? Omdat ik niet wil

gelooven dat ezels kunnen vliegen?--OGYGIUS: Maar zie je dan niet, hoe

kunstig de natuur haar spel speelt met kleuren en allerlei gestalten en

vormen, zoowel in andere substanties als voornamelijk in de edele

steenen? Verder, welk een bewonderenswaardige krachten zij heeft gelegd

in die steenen, haast ongeloofelijk, wanneer niet de ondervinding ze ons

van nabij bevestigde? Zeg eens: zou je 't gelooven, dat 't ijzer door de

magneet wordt aangetrokken, ook al wordt het nog niet eens aangeraakt en

dat het ook door 't ijzer, zonder aanraking wordt afgestooten, als je 't

niet met je eigen oogen hadt gezien?--MENEDEMUS: Neen nooit, al hadden

ook tien Aristotelessen 't mij bezworen.--OGYGIUS: Dan moet je ook niet

dadelijk voor een verzinsel uitschelden, wat je hoort en wat je nog niet

bij ondervinding kent. In den dondersteen zien wij den weerschijn van

den bliksem; in de Boheemsche granaat flikkeren vurige vlammen; in den

zoogenaamden hagelsteen de gedaante en de hardheid van den hagelkorrel

ook al werp je hem midden in het vuur. In den smaragd ziet men het diepe

en doorschijnende zeewater. De kreeftsteen lijkt in kleur veel op de

zeekreeft, het katteoog is precies 't oog van een poes, en zoo zijn er

weer andere steenen die veel hebben van varkensoogen, van menschenoogen,

van wolfsoogen in vier kleuren; sommige gelijken op hout, andere op

boombladen, andere geven een erwt te zien. En zoo op onnoemlijk veel

manieren. Waartoe zou ik doorgaan met de opsomming? Er is geen voorwerp

in de natuur, 't zij in de elementen, 't zij onder de bezielde wezens,

't zij in de planten, dat de natuur niet spelenderwijze in de

edelgesteenten heeft nagebootst. En zul-je er nu nog verwonderd over

wezen dat zich in dien steen de afbeelding van een padde

vertoont?--MENEDEMUS: Het komt mij alleen maar vreemd voor, dat de

natuur zóóveel vrijen tijd heeft om uit de grap allerlei voorwerpen na

te bootsen.--OGYGIUS: Wel, ze wilde de weetgierigheid van de menschen

opwekken en ons zóó van niets-doen afhouden. En toch, alsof er niets

ware waarmee wij onzen tijd konden dooden, zijn we dol verzot op

hansworsten, dobbelsteenen en goochelaars.--MENEDEMUS: Je hebt groot

gelijk.--OGYGIUS: Sommige goed betrouwbare menschen willen beweren dat

als je op dit soort van steenen azijn giet, ze daarin gaan zwemmen en

zelfs de pooten bewegen.--MENEDEMUS: En waarom brengen ze nu juist een

padde bij de Heilige Maagd te pas?--OGYGIUS: Omdat Zij alle vuilheid en

giftigheid, alle laatdunkendheid en hebzucht, al wat er verder aan

begeerlijkheden des vleezes te vinden is, heeft overwonnen, onder den

voet heeft getreden, heeft uitgedoofd.--MENEDEMUS: Wee ons! dat wij

zooveel padden in ons binnenste dragen.--OGYGIUS: Rein zullen we worden,

wanneer wij volijverig de Heilige Maagd eeren.--MENEDEMUS: Hoe wordt zij

het liefst geëerd?--OGYGIUS: Ge zult Haar de schoonste hulde brengen,

wanneer gij Haar in 't goede nastreeft.--MENEDEMUS: Ge zegt dat zoo kort

en krachtig, maar het is hoogst moeilijk.--OGYGIUS: Zeker _is_ het dat.

Maar tevens is het zeer schoon.--MENEDEMUS: Kom ga nu weer verder met je

verhaal.--OGYGIUS: Verder liet hij mij gouden en zilveren beeldjes zien.

Van 't ééne zei hij, dat 't van massief goud was, van 't andere van

verguld zilver; hij vertelde er ook bij van elk stuk het gewicht, de

waarde, den naam van den schenker. Toen ik bij ieder stuk mijn

bewondering toonend de Heilige Maagd om haar grooten rijkdom geluk

wenschte, zei mijn geleider: "Ik zie dat gij een vroom bewonderaar zijt

en daarom reken ik het mij tot plicht niets voor u verborgen te houden.

Ik zal u het allergeheimste laten zien wat de Heilige Maagd bezit. En

tegelijk haalde hij van binnen uit 't altaar zelf een schat van

bewonderenswaardige zaken voor den dag. Als ik ze alle één voor één

wilde gaan opnoemen dan zou een dag niet genoeg zijn om ze op te tellen.

Zoo liep dus die bedevaart voor mij al heel gelukkig af. Ik heb naar

hartelust mijn oogen kunnen verzadigen aan 't zien van allerlei moois en

ik breng bovendien deze onschatbare gift mee naar huis, een pand mij

door de Heilige Maagd zelve geschonken.--MENEDEMUS: Heb je nog niet eens

geprobeerd hoe groot de wonderkracht is van je stuk hout?--OGYGIUS:

Zeker heb ik dat. Een dag of drie geleden trof ik in een herberg een

krankzinnige aan, die men reeds de boeien wilde aanleggen. Zonder dat

hij 't merkte hebben we hem dit stuk hout onder zijn hoofdkussen gelegd.

Hij viel in een diepen en langdurigen slaap: den volgenden morgen stond

hij op, geheel genezen, geheel bij zijn verstand.--MENEDEMUS: Dan zal 't

geen krankzinnigheid geweest zijn, maar een gewone roes. Voor die ziekte

is slaap 't beste geneesmiddel.--OGYGIUS: Als je wilt schertsen,

Menedemus, dan moet je dit over andere dingen doen. Den draak te steken

met de Heiligen is goddeloos en gewaagd. 'k Zal je nog meer zeggen! De

man zelf vertelde dat hem in den droom een vrouw van verwonderlijke

schoonheid was verschenen die hem een beker voorhield.--MENEDEMUS: Met

nieskruid zeker.--OGYGIUS: Dat weet ik niet. Maar wèl weet ik, dat de

man weer geheel bij zijn zinnen was.--MENEDEMUS: Heb-je Thomas, den

Aartsbisschop van Canterburry geen bezoek gebracht?--OGYGIUS: Wel zeker.

Geen bedevaart deed ik met grooter nauwgezetheid.--MENEDEMUS: Nu, dat

zou ik graag eens willen hooren, als 't je niet te lastig is.--OGYGIUS:

Zeker niet: ik vind het juist prettig als je er naar hooren wilt. Kent

is dat deel van Engeland dat tegenover Frankrijk en Vlaanderen ligt.

Canterburry is er de hoofdstad van. Daar bevinden zich twee kloosters in

de stad zoowat naast elkaar gelegen: in beide wonen Benedictijner

monniken. 't Klooster dat naar den Heiligen Augustinus heet is 't

oudste. 't Andere dat aan Sint Thomas gewijd is, schijnt de zetel van

den Aartsbisschop geweest te zijn, waar hij in gezelschap van enkele

monniken zijn leven sleet, zooals ook nu nog de Superieuren van 't

klooster een huis hebben, wel grenzend aan 't klooster, maar toch

afgescheiden van de huizen der overige Kanunniken. Oudtijds toch leidden

zoowel bisschoppen als ook Kanunniken zoowat een monnikenleven.

Duidelijke sporen zijn daarvan nog te zien. De kerk aan Sint Thomas

gewijd, verheft zich zóó majestueus ten hemel, dat ze, ook al zien we

haar maar van verre, toch al grooten indruk maakt. En ziet men ze van

dichtbij, dan worden onze oogen door haar glans en luister verblind en

ze verdonkert om zoo te zeggen alles, wat zich in die van oudsher

zoozeer vereerde plaats bevindt. De Kerk heeft twee hooge torens, die

als het ware uit de verte de vreemdelingen groeten en het prachtig

gegalm van haar bronzen klokken wijd en zijd in den omtrek doen

weerklinken. In het vóórportaal van de kerk, dat op 't Oosten ligt,

staan in steen gehouwen, drie gewapende mannen, die met misdadige hand

den allerheiligsten bisschop ombrachten. De namen van hun geslacht zijn

er bij gevoegd: Tuscus, Fuscus en Berry.--MENEDEMUS: Waarom wordt aan

die schurken zooveel eer bewezen?--OGYGIUS: Hun wordt natuurlijk

dezelfde eer bewezen als aan Judas, Pilatus, Caiaphas en aan de bende

hunner booswichten van soldaten die men overal mooi gebeeldhouwd op de

vergulde altaren kan zien. Hun namen staan er bij vermeld, om te maken

dat nooit iemand die namen voortaan eershalve zal dragen. Hun beelden

worden hier onder de oogen van het publiek gebracht, opdat geen hoveling

ooit meer de handen sla aan een bisschop of aan de bezittingen der kerk.

Want die drie trawanten zijn na 't volbrengen van het schelmstuk

krankzinnig geworden en ze hebben hun verstand slechts teruggekregen op

voorbede van Sint Thomas.--MENEDEMUS: Wat zijn die martelaren toch

oneindig in hun goedmoedigheid!--OGYGIUS: Bij 't binnentreden vertoont

zich de ruimte van de kerk in al haar machtige werking. Dat voorste deel

is toegankelijk voor iedereen.--MENEDEMUS: Is daar niets te

zien?--OGYGIUS: Niets dan den omvang van den bouw en enkele boeken die

aan de kolommen vastliggen met het Evangelie van Nicodemus en verder 't

graf van den een of ander.--MENEDEMUS: En wat verder?--OGYGIUS: Dan

heeft men er een ijzeren hekwerk dat wel den toegang afsluit, maar toch

den doorkijk toelaat op de ruimte, welke tusschen 't achterste gedeelte

van de kerk en 't zoogenaamde koor ligt. Daarheen klimt men langs

verscheidene treden op, onder welke een soort van koepelgewelf den

toegang geeft tot den noordelijken vleugel van de kerk. Men toont er een

houten altaar aan de Heilige Maagd gewijd, klein en om geen andere reden

bezienswaardig dan om zijn ouderdom--als een protest tegen de weelde van

dezen tijd. Dáár (zegt men) heeft de vrome man zijn afscheidsgroet aan

de Heilige Maagd gebracht, toen de dood hem zou treffen. Op 't altaar

bevindt zich de punt van het zwaard waarmee de schedel van den braven

kerkvoogd is verbrijzeld en zijn hersens zijn verpletterd, om den dood

des te meer te bespoedigen. De heilige roestplekken op dit staal hebben

we uit liefde voor den Martelaar eerbiedig gekust. Van daar betraden wij

de onderaardsche kerk of krypt. Ook dáár vindt men weer geleiders: men

ziet er in de allereerste plaats den gekloofden schedel van den

Martelaar. De geheele schedel is bedekt met zilver, uitgezonderd 't

bovenste deel van de kruin, die opengelaten is, om ze te kunnen kussen.

Tevens toont men er een looden plaatje, waarop de naam is gegraveerd van

Thomas uit Acra. In 't duister hangen daar de haren hemden, de gordels

en de onderkleeren waarmee de Bisschop zijn lichaam kwelde en kastijdde

en bij wier aanschouwen men reeds een rilling voelt opkomen, terwijl ze

ons onze tegenwoordige verwijfdheid en weelde verwijten.--MENEDEMUS:

Misschien mogen de monniken dat óók wel doen.--OGYGIUS: Dat waag ik niet

te beslissen: 't gaat mij trouwens ook niet aan.--MENEDEMUS: Je hebt

gelijk.--OGYGIUS: Van daar keerden wij terug naar 't koor. Aan den

noordkant heeft men de relikwieën opgeborgen. Hemel! Wat een gebeente

wordt dáár voor den dag gebracht! Schedels, kinnebakken, tanden, handen,

vingers, heele armen. Aan allen brachten wij onze eerbiedige hulde en

kusten ze. Er zou geen eind aan gekomen zijn, wanneer niet mijn

reisgezel die voor zoo'n pelgrimstocht een weinig geschikt personage

was, een spaak in 't wiel had gestoken bij dien overgrooten ijver om met

relikwieën te pronken.--MENEDEMUS: Wie was dat?--OGYGIUS: Een

Engelschman, Grafianus Pullus, een ontwikkeld en vroom man, maar op 't

punt van godsdienst wat minder gevoelig dan ik wel zou gewild

hebben.--MENEDEMUS: Misschien wel een aanhanger van John

Wicleff?--OGYGIUS: Neen, dat geloof ik niet. Hij had diens boeken wel

gelezen, maar waarvandaan hij die had, weet ik niet.--MENEDEMUS: En

beleedigde hij jelui geleider?--OGYGIUS: Er werd een arm voor den dag

gehaald waaraan nog een stuk bloedig vleesch zat. Hij toonde zijn

afgrijzen om dien arm te kussen en op zijn gezicht was duidelijk afkeer

te lezen. De geleider bergde dan ook zijn zaakjes spoedig op. Verder

bezagen wij 't altaarblad en de sieraden en alles wat onder het altaar

werd bewaard, alles even prachtig. Als je die macht van goud en zilver

hadt gezien, dan zou je zeggen dat Midas en Croesus daarbij vergeleken

bedelaars waren.--MENEDEMUS: Viel daar niets te kussen?--OGYGIUS: Neen,

maar een ander soort van godsdienstige verzuchting uitte ik daar: n.l.

dat ik bij mij thuis geen enkele van dergelijke relikwieën

bezat.--MENEDEMUS: Een goddelooze verzuchting.--OGYGIUS: Ik moet

bekennen dat je gelijk hebt en ik heb dan ook God om vergiffenis

gevraagd vóór ik mijn voeten uit de kerk gelicht had. Daarna kwamen we

in de sacristij. Goede God! wat een pracht van zijden kleeren, wat een

kostbare gouden luchters! Daar zagen we ook den bisschopsstaf van den

Heiligen Thomas. Het leek wel een riet met zilveren plaatjes beslagen:

hij was heel licht, er was in 't geheel geen kunst aan te zien, hij kwam

mij niet hooger dan tot aan den gordelriem.--MENEDEMUS: Was er geen

kruis bij?--OGYGIUS: Ik heb er ten minste geen kruis aan gezien. Wel

werd ons een mantel van hem getoond, geheel van zijde, maar grof van

draad, zonder eenig versiersel van goud of kostbare steenen. Ze lieten

er ook een zakdoek zien met nog duidelijk zichtbare sporen van het zweet

aan den hals afgeveegd, zelfs met bloeddruppels er bij. Die

herinneringen aan ouden eenvoud kusten wij van harte gaarne.--MENEDEMUS:

Wordt dat alles niet aan ieder die 't maar zien wil, getoond?--OGYGIUS:

Neen, waarachtig niet, waarde heer!--MENEDEMUS: Hoe kwam 't dan dat men

in u zóóveel vertrouwen stelde, dat men voor u niets geheim

hield?--OGYGIUS: Wel, ik had kennis aan den eerwaarden vader, den

Aartsbisschop Willem Warham. Deze had mij met een enkel woord

aanbevolen.--MENEDEMUS: Van verscheidene personen heb ik gehoord dat hij

een man is van buitengemeene wellevendheid.--OGYGIUS: Zeg liever dat hij

de beleefdheid in eigen persoon is, als je hem goed kent. Hij is zóó

geleerd, zóó eenvoudig van karakter, zóó echt vroom van levenswandel,

dat hij al de eigenschappen bezit van een waar kerkvorst. Door hem nu

werden we naar 't hooger gelegen deel van de kerk gebracht. Want achter

het altaar klimt men weer als tot een tweede kerk op. Daar wordt in een

Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus · 第 13 / 18 段