JAN: Zooals geen welingerichte staat kan bestaan zonder wetten en zonder

hoofd, zoo mag ook dit gastmaal niet zonder president en zonder

reglement zijn.--HENDRIK: Uitstekend! Uit naam van ons allen durf ik wel

verzekeren dat wij 't allen daarmee eens zijn.--JAN: Heidaar, bediende,

breng de dobbelsteenen eens hier! Die moeten beslissen, wien Jupiter zóó

heeft begunstigd dat hij hem tot tafelpresident maakt. Mooi zoo! De

hemel is gunstig geweest aan Willem. 't Lot _is_ toch niet blind.

Onmogelijk kon een geschikter persoon gekozen worden, ook al had er

hoofdelijke stemming plaats gehad. Doorgaans schermt men met een

spreekwoord dat wel waarheid bevat, maar eigenlijk geen Latijn is:

"novus rex nova lex;" nieuwe heeren nieuwe wetten: zeg ons dus, o vorst!

uwe wetten.--WILLEM: Allen bij dezen maaltijd aangezeten: heil!

Vooreerst doe ik bij dezen als mijn wil kennen, dat niemand hier iets

anders vertelle dan lachwekkende verhalen. Wie geen vertelseltje kent,

wordt met een halven gulden beboet. Dat geld worde voor wijn gebruikt.

Onder de wettig erkende verhalen zullen wij ook die rekenen welke voor

de vuist weg verteld worden, mits slechts de maat van 't waarschijnlijke

en betamelijke niet overschreden worde. Als er niemand is die met een

vertelsel in gebreke is gebleven, dan zullen twee 't gelag van den wijn

betalen, nl. de een die 't aardigste, de ander die 't flauwste verhaal

heeft ten beste gegeven. De gastheer moet vrijgesteld blijven van een

bijdrage in de kosten van den wijn. Hij heeft alleen te zorgen voor de

spijzen. Mocht hierover soms eenig geschil ontstaan, dan moet Hendrik

als scheidsrechter optreden. Indien ieder dit gehoord heeft en niemand

er tegen is, dan heeft dit kracht van wet. Wie aan die wet niet wil

gehoorzamen, ga heen, maar met dien verstande dat hij morgen bij ons

drinkgelag mag terugkomen.--HENDRIK: We willen dat de wet door onzen

voorzitter gegeven bij acclamatie van kracht worde verklaard. Maar bij

wien begint de kring van onze vertellingen?--WILLEM: Bij wien anders dan

bij den gastheer?--KAREL: Voorzitter, een paar woordjes als ik

mag.--WILLEM: Denk je soms dat we hier stommetje moeten spelen?--KAREL:

De rechtsgeleerden zeggen dat een onbillijke wet geen wet is.--WILLEM:

Dat geef ik toe.--KAREL: Maar toch stelt uw verordening 't beste

verhaaltje gelijk met het slechtste.--WILLEM: Waar het te doen is om ons

te vermaken, daar heeft hij die 't leelijkst gesproken heeft niet minder

lof verdiend dan hij die heel goed sprak, en wel om deze reden: dat de

een niet minder tot 't genoegen bijdroeg dan de ander. Zoo is het onder

zangers bijvoorbeeld ook: niemand schenkt genot, dan wie bij uitstek

goed zingt of bijzonder leelijk. Wordt er niet meer gelachen, wanneer

men den koekoek hoort dan bij 't hooren van de nachtegaal?

Middelmatigheid vindt hierbij geen lof.--KAREL: Maar waarom worden zij

gestraft die een prijs verdienen?--WILLEM: Om te maken dat niet hun al

te groot geluk een wraakgodin oproepe, wanneer ze èn den prijs èn

straffeloosheid verwierven.--KAREL: Bij Bacchus! Minos, de

rechtvaardigste wetgever[1] die er ooit is geweest, heeft nooit een

billijker wetsbepaling gemaakt.--PIETER: En zult gij geen voorschriften

geven welke regels bij 't drinken in acht moeten worden

genomen?--WILLEM: Na rijp beraad zal ik het voorbeeld volgen van den

Spartaanschen koning Agesilaos.--PIETER: Wat deed die?--WILLEM: Toen hij

eens bij keuze van 't lot tot tafelpresident was gekozen en de

hofmeester hem vroeg hoeveel wijn hij bij elken gast moest plaatsen,

antwoordde hij dezen: "Als gij tamelijk veel wijn in voorraad hebt, geef

dan aan ieder zooveel hij vraagt; als de voorraad wat minder rijk is,

verdeel dien dan gelijkelijk onder allen."--PIETER: Wat bedoelde de

Spartaan met die woorden?--WILLEM: Hij had er dit mee op het oog: om het

maal niet tot een dronkemanspartij te maken, maar ook niet tot een

aanleiding om te mopperen.--PIETER: Hoe dat zoo?--WILLEM: Omdat er zijn

die graag veel drinken, maar ook anderen die 't liever wat kalm-aan

doen. Er worden ook menschen gevonden die geheel-onthouders zijn, zooals

men zegt dat koning Romulus is geweest. Als er dus aan niemand wijn

gegeven wordt of hij moet er om vragen, dan wordt vooreerst niemand

gedwongen om te drinken en toch behoeven zij die van een flink glas wijn

houden, er niet minder om te drinken. Zoo komt 't, dat dan iedereen

vroolijk is aan tafel. En omgekeerd, wanneer met schriele hand de wijn

in gelijke porties wordt rondgedeeld aan iederen gast afzonderlijk, dan

krijgen zij die wat matig drinken genoeg; terwijl ook niemand bij een

gelijke uitdeeling murmureeren kan, wanneer hij ziet dat iemand, die van

plan was het er eens goed van te nemen, zich kalm moet schikken naar

matigheid. Als u dus het voorbeeld van den Spartaanschen koning bevalt

dat ik daar aanhaalde, dan zullen wij dat volgen. Immers wij willen dat

het maal gezellig worde door de vertellingen, niet door den invloed van

veel wijn.--PIETER: Wat dronk Romulus dan?--WILLEM: Wat de hondjes ook

drinken.--PIETER: Is dat een koning niet onwaardig?--WILLEM: Volstrekt

niet meer onwaardig, dan wanneer koningen lucht inademen die ze ook met

de honden deelen. Alleen met dit onderscheid: de koning drinkt niet

hetzelfde water dat de hond drinkt, maar de lucht die de koning heeft

uitgeademd, die ademt de hond in en op zijn beurt ademt de koning ook

weer de lucht in, die de hond heeft uitgeademd. Alexander de Groote zou

vrij wat beroemder zijn als hij zich met den hondendrank had tevreden

gesteld. Niets toch is voor een koning die voor zooveel drinkende

menschen moet zorgen, gevaarlijker dan dronkenschap. Maar dat Romulus

geheel-onthouder is geweest, blijkt uit een niet onaardige uiting van

hem. Toen eens iemand die zag dat hij geen wijn dronk, gezegd had: "wat

zal de wijn goedkoop worden, wanneer allen dien drinken zooals hij,"

toen antwoordde hij: "Neen juist niet; ik denk dat hij heel duur zou

worden, wanneer allen dien dronken zooals ik. Want ik drink juist

zooveel als ik wil."--HENDRIK: Ik woû wel dat onze vriend de kanunnik

Johannis Botzemus uit Constanz hier was, om ons een levend voorbeeld van

dien Romulus voor oogen te stellen. Want hij _is_ werkelijk een even

groot wijnvijand, als men _zegt_ dat hij 't is en toch is hij een

gezellig kameraad en een vroolijk dischgenoot.--JAN: Kom-aan, wanneer

gij niet tegelijk kunt slurpen en blazen (wat Plautus zegt dat zoo

moeilijk is) maar eten en hooren, wat heel gemakkelijk is, dan wil ik

onder goede voorteekenen wel een begin maken met vertellen. Al ge soms

't verhaaltje niet heel geestig vindt, weet dan dat 't een Hollandsche

mop is. Verscheidene onder u zullen den naam van een zekeren Maccus wel

eens gehoord hebben.--HENDRIK: Niet lang geleden is hij gestorven.--JAN:

Toen de man te Leiden aankwam en zich daar als vreemdeling door een grap

bekend wilde maken (want dat was zijn "fort") ging hij een

schoenenwinkel binnen en groette beleefd. De schoenmaker die graag wat

van zijn waar kwijt wilde wezen, vroeg hem wat er van zijn dienst was.

Toen Maccus zijn oogen liet vallen op een paar kappen van laarzen die

daar hingen, vroeg hij of zijn nieuwe klant soms kappen verlangde,

Maccus zei van ja en de baas ging een paar uitzoeken dat voor de beenen

van zijn cliënt geschikt was. Toen hij ze gevonden had, haalde hij ze

voor den dag en (zooals schoenmakers dat gewoonlijk doen) gespt ze hem

aan. Toen nu Maccus keurig netjes met zijn kuiten in de kappen zat, zei

hij: "Wat zou daar een paar schoenen met dubbele zolen netjes bij

staan." Op de vraag van den koopman of hij ook schoenen wilde, knikte

hij van ja. Die worden opgezocht en aan de voeten getrokken. Maccus

prees de kappen, hij roemde de schoenen. De schoenmaker, inwendig blij,

zong 't lofliedje met hem mee, hopend op een hoogeren prijs wanneer den

klant de koop zóó goed beviel. Zoo waren ze reeds met elkander op een

vrij gemeenzamen voet geraakt. Daarop zei Maccus: "Zeg ereis eerlijk: is

't je nooit gebeurd dat, wanneer je iemand zóó met kappen en laarzen

voor een tocht hadt uitgerust, zooals gij 't mij nu gedaan hebt, dat hij

er dan van door ging, zonder je te betalen?" "Nooit," was 't antwoord.

"Maar als 't nu soms eens gebeurde, wat zou je dan doen?" "'k Zou hem

hard achterna loopen," zei de schoenmaker. Toen zei Maccus: "Zeg je dat

in ernst of in scherts?" "In vollen ernst," zei de ander, "en ik zou 't

ook werkelijk doen." "Ik wil 't eens probeeren," zei Maccus. "Kijk ik

loop weg: 't gaat om de schoenen! Zet mij nu na!" En tegelijk zette hij

't op een loopen. De schoenmaker hem achterna zoo hard hij kon, al

roepend: "houdt den dief, houdt den dief!" Toen op dat geroep de burgers

overal uit hun woningen voor den dag kwamen, wist Maccus hen door 't

volgend leugentje te beletten hem tegen te houden. Hij riep hun namelijk

toe: "Niemand mag ons in onzen loop tegenhouden: we loopen om 't hardst

om een ton bier." En zoo keken de burgers bij den wedloop toe, zonder

dien te storen. Ze vermoedden echter dat de schoenmaker zijn roep

aanhief uit list, om daardoor een kansje te krijgen 't van den ander te

winnen. Eindelijk moest onze schoenmaker het opgeven; bezweet en buiten

adem keerde hij naar huis terug. Maccus had den prijs

gewonnen.--HENDRIK: Die Maccus is wel den schoenmaker ontloopen, maar

niet den dief.--JAN: Hoe zoo?--HENDRIK: Omdat hij den dief in zijn eigen

persoon bij zich hield.--JAN: Misschien had hij op dat oogenblik geen

contanten en heeft hij 't geld later wel betaald.--HENDRIK: Maar daar

was toch grond om een gerechtelijken eisch tegen hem in te

stellen.--JAN: Die _is_ ook later ingesteld. Maar toen had Maccus al

eenige kennissen onder de overheden.--HENDRIK: En waarmee kwam Maccus

voor den dag?--JAN: Waarmee? Vraag je dat nog? in een zaak zoo licht te

winnen? De eischer liep grooter gevaar dan de beschuldigde.--HENDRIK:

Hoe dat zoo?--JAN: Omdat hij hem van laster beschuldigde en de wet op

hem wilde toepassen die voorschrijft, dat iemand die een ander iets

aanwrijft wat hij niet bewijzen kan, dezelfde straf moet lijden die de

beschuldigde zou gekregen hebben wanneer het van hem bewezen was. Maccus

verklaarde dat hij geen stuk had aangeraakt tegen den wil van den

eigenaar. Dat deze daarentegen met alles uit eigen beweging was komen

aandragen, dat er van een prijs niet gesproken was. Dat hij den

schoenmaker tot den wedloop had uitgedaagd en dat de man die uitdaging

had aangenomen. Reden tot klagen had hij niet; hij had 't in den wedloop

eerlijk verloren.--HENDRIK: Dit geding heeft wel wat van dat bekende

proces om de schaduw van den ezel. En hoe liep 't af?--JAN: Toen er

genoeg gelachen was, noodigde één der rechters Maccus bij zich te eten

en aan den schoenmaker werd 't geld uitbetaald. Iets dergelijks is in

mijn jongensjaren ook te Deventer gebeurd. 't Was in den vastentijd,

waarin (naar het spreekwoord zegt) de visschers 't heft in handen hebben

en de slagers ledig rondloopen. Er stond iemand bij de uitstalling van

een fruitvrouw, een verbazend dik wijf; met gespannen blikken keek hij

naar alles wat te koop lag uitgestald. Als gewoonlijk vroeg ze of

mijnheer iets noodig had. En toen zij zag hoe hij zijn oogen op de

vijgen gevestigd hield vroeg ze: "Wilt u vijgen? Ze zijn overheerlijk."

Toen hij geknikt had van ja, vroeg ze hoeveel pond hij verlangde. "Wil u

vijf pond?" Op zijn toestemmenden knik schudde ze hem dat gewicht in een

slip van zijn kleed. Terwijl zij haar weegschaal opbergt, gaat de kooper

heen, niet hard wegloopend, maar kalm en bedaard. Toen de koopvrouw weer

terugkwam om 't geld in ontvangst te nemen zag ze den kooper rustig

wegwandelen. Zij zette hem na, meer met haar stem dan met haar beenen.

Hij deed net als of hij 't niet merkte en ging door. Eindelijk bleef hij

staan, toen veel menschen op 't geschreeuw van de koopvrouw kwamen

aanloopen. Nu wordt te midden van 't volk de zaak behandeld. Algemeen

gelach! De kooper zegt dat hij niet gekocht heeft, maar alleen dankbaar

aangenomen wat hem beleefd werd aangeboden. Als ze hem voor 't gerecht

wilde dagen, dat hij dan zou verschijnen.--HENDRIK: Kom aan. Ik zal ook

een verhaaltje ten beste geven dat misschien wel eenigszins gelijk is

aan 't uwe, maar toch niet minder aardig is. Alleen is de hoofdpersoon

niet zoo beroemd als uw Maccus. De wijsgeer Pythagoras verdeelde de

geheele markt in drie klassen van menschen: de eene groep komt om te

verkoopen, de andere om te koopen en deze beide soorten van menschen,

zei hij, hebben 't hoofd vol zorgen en zijn dus niet gelukkig. Anderen

komen alleen maar op de markt om te zien wat er te koop geboden wordt of

wat er omgaat: dat zijn alleen de gelukkigen, omdat ze vrij zijn van

zorg en pret hebben die hun niets kost. "En zóó," zei de wijsgeer, "gaat

't ook in de wereld toe; dáár in 't groot, zooals bij den handel op de

markt in 't klein." Op de plaatsen waar bij ons handel gedreven wordt,

op de markt en de beurs, loopt gewoonlijk nog een vierde soort van

menschen rond die niet koopen, niet verkoopen en ook geen toekijkers

zijn, maar die overal op den loer liggen of ze soms iets kunnen stelen.

En onder dat slag van volk treft men er die weergaasch handig zijn: men

zou zeggen dat ze ter wereld waren gekomen onder bescherming van den

dievengod Mercurius. Onze gastheer heeft een verhaaltje ten beste

gegeven met een aanhangsel; ik zal er nu een geven waarvan ik de

voorafspraak reeds gehouden heb. Hoort dan verder wat onlangs in

Antwerpen is gebeurd. Een priester had er een aardig sommetje geld

gebeurd, en wel in zilvergeld. Een bedrieger had dit bemerkt. Hij klampt

den priester aan, die in zijn gordel de beurs droeg, gespannen van de

geldstukken. Hij groet hem beleefd. Hij vertelt hem dat hem door zijn

mede-parochianen is opgedragen, voor hun kapelaan een nieuw

priesterkleed te koopen, zooals de geestelijken dat dragen wanneer zij

de mis bedienen. Hij vraagt dus beleefd of hij hem met zijn raad wel zou

willen bijstaan, of hij met hem wilde meegaan naar een winkel waar zulke

kleedingstukken te koop zijn. "Ik zou dan naar de maat van uw lichaam

een kleed kunnen nemen wat grooter of wat kleiner; want mij dunkt dat

uwe gestalte vrijwel overeenkomt met die van onzen kapelaan." Nu, dezen

dienst, die van zoo weinig beteekenis scheen, wilde de geestelijke hem

graag bewijzen. Ze gaan een winkel binnen. Een priesterkleed wordt voor

den dag gehaald: de geestelijke trekt 't aan; de koopman zegt dat 't

prachtig past. Nadat de gauwdief den priester nu eens van voren, dan van

achteren had aangezien, vindt hij het kleedingstuk niet kwaad, maar hij

maakt toch de opmerking, dat 't kleed van voren korter is dan eigenlijk

wel mag. Toen zei de verkooper, daar hij bang was dat de koop niet zou

doorgaan, dat dit niet de schuld was van het gewaad, maar dat de

goedgevulde beurs de oorzaak was dat 't opschortte en dat het daardoor

te kort scheen. Om kort te gaan: de priester legt zijn beurs af, opnieuw

bekijken zij 't kleedingstuk. Toen de priester zich even omdraait,

grijpt de gauwdief de beurs en maakt er zich mee uit de voeten. De

priester zet hem achterna, zóóals hij daar stond, met zijn priesterkleed

aan, en achter den priester de kleerenkoop. De priester roept: "houdt

den dief;" de koopman gilt: "pakt dien priester;" de gauwdief roept:

"Houdt dien priester vast, hij is dol!" en men wilde dat graag gelooven,

toen ze hem zoo opgesierd op straat zagen hollen. En terwijl dus de een

den ander tegenhield kon de gauwdief ontsnappen.--WILLEM: 't Is er een

die verdient dubbel gehangen te worden, zoo'n slimmerd!--HENDRIK: Als

hij al niet lang hangt!--WILLEM: 'k Hoop dat hij niet alleen hangt, maar

met hem de lieden, die dergelijke schurken tot nadeel van 't groote

publiek begunstigen.--HENDRIK: Ze begunstigen hen niet voor niets. Het

is, volgens Homerus' dichtregel, een keten die neerhangt op aarde, maar

van boven met Jupiter in aanraking is.--WILLEM: Laten we tot onze

anecdotes terugkeeren.--KAREL: De beurt is aan u, zoo 't ten minste geen

heiligschennis is den koning zelven tot de orde te roepen.--WILLEM: Ik

behoef niet geroepen te worden. Integendeel, ik keer gaarne uit me

zelven tot de orde terug. Anders zou ik een tyran zijn, geen koning,

wanneer ik bezwaren maakte mij te onderwerpen aan de wetten die ik aan

anderen voorschrijf.--KAREL: En toch zeggen ze dat een vorst boven de

wet staat.--WILLEM: Heelemaal verkeerd is dat niet gezegd, wanneer men

althans onder vorst wil verstaan den vorst, dien ze toen Keizer noemden.

En verder, wanneer jij 't zóó uitlegt: dat hij uit eigen beweging veel

royaler datgene doet, wat anderen, hoe dan ook, gedwongen doen. Immers,

wat de ziel is voor het lichaam, dat is een goed vorst voor den staat.

Waartoe behoeven wij er evenwel bij te voegen "goed;" daar toch een

slecht vorst geen vorst is, evenmin als een onreine ziel, die zich in

een menschenlichaam genesteld heeft, een ziel van dat lichaam is. Maar

kom aan! Het verhaal zou komen. Mij dunkt 't is goed van pas, wanneer ik

als koning van dit maal, ook een verhaal met een koning er in, vertel.

Toen Koning Lodewijk de Elfde, omdat in zijn rijk de boel in 't honderd

liep, rondzwierf bij de Bourgondiërs, maakte hij bij gelegenheid van een

jacht kennis met een zekeren Conon, een eenvoudigen boer, maar een man

met een trouwhartig en eerlijk gemoed. Vorsten hebben dikwijls veel op

met zulk slag van menschen. Na de jacht kwam de koning dikwijls in de

hofstee van dien man eenige oogenblikken binnen en zooals groote heeren

vaak schik hebben in plebeïsche genoegens, zoo smulde hij dikwijls bij

hem aan rapen. Toen Lodewijk korten tijd daarna op zijn troon hersteld,

de heerschappij over Frankrijk weer in handen had, werd Conon door zijn

vrouw aangespoord om den koning toch eens te herinneren aan de vroeger

bij hen genotene gastvrijheid. Conon maakte zwarigheden: 't zou toch

maar verloren moeite wezen, vorsten toch denken niet aan zulke diensten.

Maar de vrouw zette door en kreeg haar zin. Conon zoekt eenige bijzonder

mooie rapen uit en maakt zich voor de reis gereed. Maar onderweg laat

hij zich door 't aanlokkelijke van de spijs verleiden en peuzelt ze

achtereenvolgens allen op, behalve één: een bijzonder grooten knol. Toen

Conon tot 't binnenplein had weten door te sluipen, waarlangs de koning

moest komen, herkende deze hem terstond en liet hem bij zich komen.

Conon haast zich den koning de raap aan te bieden: de koning neemt die

met nog grootere bereidwilligheid aan, terwijl hij aan iemand uit zijn

omgeving opdraagt, het voorwerp zorgvuldig neer te leggen bij de dingen

die hem het liefst zijn. Hij noodigt Conon bij zich aan tafel en toen

deze weer naar zijn boerderij terug wilde gaan liet hij hem voor zijn

knol duizend gouden kronen uitbetalen. Toen 't gerucht hiervan, zooals

dat gaat, spoedig onder 's konings hofstoet verbreid was, gaf één der

hovelingen den koning een mooi paard ten geschenke. De koning begreep

heel goed, dat zijn hoveling zich had laten verlokken door de

vrijgevigheid die jegens Conon was betoond, en dat de man hoopte op een

rijke belooning. Maar hij nam met een bijzonder opgewekt gelaat 't

geschenk aan; riep zijn rijksgrooten bijeen en legde hun de vraag voor,

met welk een geschenk hij dat prachtige en kostbare paard wel zou kunnen

vergelden. Intusschen koesterde hij, die 't paard geschonken had, de

grootste verwachtingen. Hij redeneerde zóó bij zichzelven: "Als hij een

raap door een boer gegeven zóó royaal beloont, hoeveel rijkelijker zal

hij dan zoo'n prachtpaard, door een hoveling aangeboden, wel vergelden?"

Toen de koning bij zijn rondvraag over deze zaak van den één dit, van

den ander dàt antwoord kreeg en de inhalige winstjager lang door ijdele

hoop in spanning was gehouden, sprak ten slotte de koning: "Daar schiet

mij iets te binnen wat ik hem kan geven." Hij riep één der hovelingen

tot zich, fluisterde hem in 't oor dat hij naar zijn slaapkamer moest

gaan en van daar van een plaats die hij hem aanduidde, moest halen wat

hij daar, zorgvuldig in een zijden doek gewikkeld, zou vinden. Wat

brengt hij, goed ingepakt mee terug? De raap van den boer! De koning

reikte eigenhandig den hoveling het pak over, terwijl hij er bijvoegde:

dat naar zijn meening met een kleinood, betaald met duizend goudstukken,

't paard rijkelijk beloond was. De hoveling gaat ter zijde, knoopt den

doek los en vindt in plaats van een verwachten schat wel geen

"houtskool" zooals 't spreekwoord zegt, maar een half verdroogde

koolraap.[2] De gefopte winstjager werd algemeen uitgelachen.--KAREL:

Als gij 't toestaat, o koning, dat ik, als man uit het volk over

koninklijke dingen spreek, zal ik over dienzelfden Lodewijk een

verhaaltje doen dat mij nu te binnen schiet. Zoo lokt 't ééne verhaaltje

't andere uit. Een bediende zag eens op 's konings rok een luis kruipen:

hij boog zich voor den koning op de knieën en gaf door zijn hand op te

heffen te kennen dat hij den vorst den een of anderen dienst wilde

bewijzen. Lodewijk zei dat hij zijn gang kon gaan, de man nam de luis op

en wierp die heimelijk weg. Toen de koning vroeg wat 't was, schaamde

hij zich 't te zeggen. Op 't aandringen van den koning, kwam 't hooge

woord er uit: dat 't een luis was geweest. "Dat is een goed teeken," zei

de koning, "'t Bewijst dat ik een mensch ben, daar dat soort van

ongedierte speciaal bij den mensch huist, voornamelijk bij jonge

menschen." En hij liet den man voor zijn dienstbetoon veertig goudkronen

uitbetalen. Na eenige dagen kwam een ander die had gezien, hoe aan den

eerste dat bewijzen van een nederigen dienst geen windeieren had gelegd

en die niet begreep dat 't er heel wat toe doet, of men zoo iets van

harte dan wel met bijbedoelingen verricht, na eenige dagen dan, kwam een

ander met een dergelijk gebaar tot den koning. Deze liet hem ook weer

begaan en hij deed alsof hij iets van 's konings mantel af nam dat hij

onmiddellijk wegwierp. Toen de koning hem zag aarzelen en er op aandrong

te weten, wat 't geweest was, antwoordde hij eindelijk met geveinsde

schaamte dat 't een vloo was. "Wat?" zei de koning, die 't bedrog

doorzag, "zie je mij voor een hond aan?" Hij liet den man beetpakken en

in plaats van veertig goudstukken, veertig slagen toedienen.--REINIER:

Mij dunkt 't is niet geraden met koningen grapjes uit te halen. Leeuwen

laten zich wel eens kalm streelen, maar als ze willen, zijn 't ook weer

eensklaps leeuwen en ... hij die met hen speelde ligt op den grond. Zoo

is 't ook met koningen in hun goeden luim. Maar ik zal nu een verhaaltje

vertellen dat met het daareven vertelde groote overeenkomst heeft. We

stappen intusschen nog niet af van Lodewijk, die er steeds een groot

vermaak in vond happige en inhalige hovelingen teleur te stellen. Hij

had van den een of ander tienduizend goudstukken ten geschenke

ontvangen. Zoo dikwijls vorsten een voorraad geld krijgen azen alle

ambtenaren daarop en hopen een stukje van den buit deelachtig te worden.

Ook Lodewijk wist dit heel goed. Toen dus dit geld op de tafel lag

uitgeteld, om allen nog meer in hun groote verwachtingen te prikkelen,

sprak hij tot de omstanders: "Wat zeg-jelui er van? Vind-je niet dat ik

een rijk koning ben? Hoe zullen we zoo'n groote som beleggen? Maar, 't

is gegeven geld, 't moet ook weer weggegeven worden. Waar zijn nu de

vrienden aan wie ik verplichtingen heb voor mij bewezen diensten? Ze

moeten zich melden voordat de geldstroom is opgedroogd." Op die roepstem

komen velen aanloopen. Ieder meent voor zich zelven op iets te mogen

rekenen. Toen de koning er één zag, die met bijzonder begeerige oogen

naar 't geld stond te kijken, wendde hij zich tot hem en zei: "Nou

vriendje, wat heb jij te vertellen?" De man deelde nu mee dat hij

geruimen tijd 's konings valken had gevoederd, met nauwgezette zorg en

met groote kosten: en zoo bracht de één dit, de ander dat te berde.

Ieder vijzelde, zooveel hij kon, 't geen hij verricht had op, en daar

liep menige leugen onder. De koning hoorde hen allen welwillend aan en

gaf na ieders mededeelingen zijn goedkeuring te kennen. De beraadslaging

werd opzettelijk door hem gerekt om ze allen des te langer in de

pijnlijke onzekerheid te laten. Onder de aanwezigen bevond zich ook de

Rijkskanselier, dien de koning mede had laten ontbieden. Deze was

voorzichtiger dan de anderen, prees zijn verdienstelijke daden niet aan

en gedroeg zich als lijdelijk toeschouwer. De koning wendde zich tot hem

met de vraag: "En wat zegt mijn Kanselier? Hij is de eenige die niets

vraagt en zijn daden niet ophemelt?" De Kanselier antwoordde: "Ik heb

meer bewijzen van uw koninklijke welwillendheid ontvangen dan ik wel

verdiend had en mijn grootste zorg is hoe ik die weldadigheid jegens mij

zal kunnen vergelden. Zóó ver is 't er van af, dat ik nog meer zou

willen vragen." En toen de koning vroeg: "Zijt gij dan de eenige onder

allen die geen geld noodig hebt?" luidde het antwoord: "Uw royaliteit

heeft gemaakt dat ik 't niet noodig heb." De koning wendde zich toen tot

de anderen en sprak: "Waarlijk, ik ben wel de grootmachtigste van alle

koningen dat ik zóó'n rijken Kanselier heb." Aller hoop werd

verlevendigd daar ze dachten dat 't geld onder de anderen zou verdeeld

worden, nu deze op niets aanspraak maakte. Toen de koning nu lang genoeg

met hen gespeeld had, liet hij den Kanselier de geheele som naar zijn

huis meenemen en zei daarop, de overigen aansprekend: "Jelui moet nu

maar eens een andere gelegenheid afwachten."--REINIER: Het verhaaltje

dat ik nu ga vertellen zult ge misschien minder aardig vinden, maar ik

begin dadelijk u te verzoeken mij niet te verdenken van kwade trouw of

booze streken, alsof ik met opzet zou pogen mij aan mijn verplichting te

onttrekken. Zeker iemand kwam tot denzelfden Lodewijk met het verzoek,

hem met een post die toevallig in 't dorp waar hij woonde, open was, te

willen begunstigen. Zoodra de koning 't verzoek gehoord had zei hij

onverwijld: "Uw verzoek zal niets uitwerken," waarmee hij onmiddellijk

bij den man alle hoop afsneed om gedaan te krijgen wat hij vroeg. De

sollicitant ging, met een dankbetuiging aan den koning dadelijk heen. De

koning die aan zijn gezicht wel kon zien dat hij te doen had met een

alles behalve onhandigen man liet hem terug roepen, daar hij vermoedde

dat de man niet precies begrepen had, wat hij bedoeld had. De man komt

terug. Toen zei de koning: "Had je begrepen wat ik je geantwoord had?"

"Ja zeker, Sire." "Wat heb ik dan gezegd?" "Dat ik met mijn verzoek

niets zou uitrichten." "En waarom bedankte je mij daarvoor?" "Omdat ik

thuis heel wat te doen heb. Ik zou hier dus tot mijn groot nadeel een

twijfelachtige hoop hebben nagejaagd. Nu reken ik het als een gunst van

uwe zijde dat ge me dadelijk het gevraagde geweigerd hebt. Ik beschouw

als winst wat ik verloren zou hebben, wanneer ik mij lang met een ijdele

hoop had moeten vleien." Uit dat antwoord meende de koning te mogen

opmaken, dat hij met een alles behalven laksen man te doen had, en na

Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus · 第 15 / 18 段