vergeetachtig en niet ondankbaar ben.--NESTORIUS: Nu, ik wil je wel 't
middel aan de hand doen om te komen waar je wezen wilt.--HARPALUS: Maar
wij hebben 't niet in onze hand om van adel geboren te zijn.--NESTORIUS:
Als je 't niet bent, moet ge door uw voortreflijke daden maken dat uw
adeldom bij u een aanvang neemt.--HARPALUS: Dat duurt zoo
lang.--NESTORIUS: Tegen een flinke som verkoopt de keizer ook wel een
adelbrief.--HARPALUS: Om dien gekochten adel wordt over het algemeen
gelachen.--NESTORIUS: Als ge dan niets belachelijkers kent dan gelogen
adel, waarom streeft ge dan naar den adellijken titel?--HARPALUS: Om
verschillende redenen, en gewichtige ook. Ik heb geen bezwaar je die te
vertellen, als gij mij de manieren wilt meedeelen waarop ik den menschen
het idee kan geven dat ik een edelman ben.--NESTORIUS: Dus alleen maar
den naam wil je bezitten, zonder de werkelijkheid?--HARPALUS: Ja, waar
de werkelijkheid niet aanwezig is, daar nadert de schijn er toch 't
dichtst bij. Maar kom, geef nu eens raad, Nestorius. Wanneer gij mijn
beweegredenen hoort, dan zult ge moeten zeggen dat het de moeite waard
is.--NESTORIUS: Nu, als je 't dan wilt, dan zal ik 't je zeggen. In de
allereerste plaats moet je uit je vaderland weggaan.--HARPALUS: Dat weet
ik.--NESTORIUS: Je moet je begeven in gezelschap van jongelieden van
werkelijk adellijken bloede.--HARPALUS: Dat begrijp ik.--NESTORIUS:
Tengevolge daarvan zal men gaan denken, dat gij ook tot die menschen
behoort met wie gij omgaat.--HARPALUS: Zoo is het.--NESTORIUS: Zorg dat
ge niets aan u hebt of niets doet wat burgerlijk is.--HARPALUS: Wat
bijvoorbeeld?--NESTORIUS: Ik bedoel uw kleeding; uw kostuum mag niet van
wol zijn, maar wèl van zijde of, als je het geld ontbreekt om die te
koopen, dan een kamelotten buis, ten slotte nog liever een van linnen
dan van laken.--HARPALUS: Goed zoo.--NESTORIUS: Pas ook op, dat ge niets
gaafs aan uw lijf hebt: heb kerven en scheuren in je hoed, je wambuis,
je laarzen, je schoenen, in je nagels als je kunt. Zorg er ook voor dat
je nooit over iets wat laag bij den grond is, spreekt. Als er een
vreemdeling uit Spanje komt, vraag dan hoe 't tegenwoordig tusschen den
Keizer en den Paus staat: hoe uw bloedverwant, de Graaf van Nassau het
maakt: hoe 't met uw andere kameraden gaat.--HARPALUS: Dat zal ik
doen.--NESTORIUS: Aan uw ringvinger moet ge een ring dragen met een
gesneden steen er in.--HARPALUS: Als ten minste mijn beurs het
toelaat.--NESTORIUS: Een vergulde ring met een nagemaakten steen kost
niet zooveel. Maar er moet een wapenschild bij.--HARPALUS: Wat raad je
me aan te kiezen?--NESTORIUS: Twee melkemmers zoo je wilt, en een
bierpul.--HARPALUS: Kom, je houdt me voor 't lapje: spreek liever in
ernst.--NESTORIUS: Ben-je nooit in den krijg geweest?--HARPALUS: 'k Heb
er nooit een gezien.--NESTORIUS: Maar, tusschen twee haakjes, je hebt
denk ik, wel eens aan ganzen en kapoenen bij de boeren den kop
afgeslagen?--HARPALUS: Heel dikwijls, en wàt dapper ook.--NESTORIUS: Nu,
neem dan een zilveren mes op je wapenschild en drie gouden
ganzenkoppen.--HARPALUS: Op wat voor een veld? NESTORIUS: Op welk veld?
Natuurlijk op een bloedrood! Een herinnering aan 't zoo dapper vergoten
bloed.[1]--HARPALUS: Wel ja, waarom niet? Ganzenbloed is net zoo rood
als menschenbloed. Maar ga dóór als 't je belieft.--NESTORIUS: Dat
schild nu, moet je aan de deuren van alle herbergen waar je je intrek
neemt, laten vastspijkeren.--HARPALUS: Wat moet er voor een helm op
geplaatst worden?--NESTORIUS: 't Is goed dat je daaraan denkt. Dien moet
je met opgeslagen vizier nemen.--HARPALUS: Waarom dat?--NESTORIUS: Ten
eerste om goed te kunnen ademhalen en verder om hem met je kleedij in
overeenstemming te brengen. Wat moet er boven den helm
uitsteken?--HARPALUS: Daarnaar ben ik erg verlangend.--NESTORIUS: Een
hondenkop met hangooren.--HARPALUS: Dat is zoo algemeen.--NESTORIUS:
Voeg er dan een paar horens bij. Dat is zeldzaam en vreemd.--HARPALUS:
Dat bevalt me. Maar nu de schilddragers?--NESTORIUS: Herten, honden,
draken, grijpen hebben de vorsten en prinsen al ingepalmd: zet jij er nu
twee harpijen naast.--HARPALUS: Dat is een uitstekende raad.--NESTORIUS:
Nu schiet nog alleen maar over een bijnaam te verzinnen. Hierbij moet je
in de allereerste plaats oppassen dat je je niet op heel platte manier
"Harpalus den Comenser" laat noemen, maar "Harpalus van Como": dit
laatste doen de adellijke heeren, 't eerste doen arme
theologen.--HARPALUS: Dat weet ik.--NESTORIUS: Hebt ge ergens een plekje
waarvan ge u heer en meester kunt noemen?--HARPALUS: Geen varkenshok
zelfs.--NESTORIUS: Ben-je in een bekende stad geboren?--HARPALUS: In een
onbekend dorp. Ik moet 't u wel zeggen. Want liegen mogen we niet
tegenover een dokter die ons moet genezen.--NESTORIUS: Is er niet de een
of andere berg in de buurt van dat dorp?--HARPALUS: Jawel.--NESTORIUS:
En heeft die berg ook ergens een in 't oog vallende of bekende
rotspunt?--HARPALUS: En een wàt steile ook.--NESTORIUS: Welnu, dan heet
je "Harpalus, ridder van de Gulden Rots."--HARPALUS: Ja maar, 't is de
gewoonte van groote heeren, dat ieder een mooi klinkende spreuk voegt
bij zijn wapen: zooals bijv. Maximiliaan had: "Houd maat"; Philips: "Wie
maar wil"; Keizer Karel: "Verder"; en zoo de één dit, de ander
dat.--NESTORIUS: Neem jij dan: "Er op of er onder."--HARPALUS: Je raad
is probaat en past uitstekend bij mijn toestand.--NESTORIUS: En om de
menschen nog meer vertrouwen in uw persoon in te boezemen, moet ge
voorgeven dat allerlei groote heeren u brieven geschreven hebben, waarin
ge ook als Hoog-Edelgeboren Ridder wordt betiteld: daarin moet gesproken
worden van groote bedrijven, van leengoederen, van burchten, van veel
duizenden guldens, van gouverneurschappen, van een rijk huwelijk. Dan
moet ge zorgen, dat dergelijke brieven u als 't ware bij ongeluk uit den
zak vallen of dat ge ze bij toeval vergeet en dat ze zoo in handen van
anderen komen.--HARPALUS: O, dat zal me niet veel moeite kosten. Want ik
kan niet alleen goed schrijven, maar ook heb ik 't door gestadige
oefening zóóver gebracht dat ik ieders hand gemakkelijk kan
namaken.--NESTORIUS: Naai de brieven in je wambuis of laat ze in je zak
zitten, zoodat de kleermakers aan wie je je kleeren geeft om ze te
lappen, ze vinden. Die zullen hun mond niet houden, en als je 't te
weten komt, zet dan je gezicht in een plooi van boosheid of
ontstemdheid, alsof je over het geval erg het land hadt.--HARPALUS: Ook
daarop heb ik reeds lang gestudeerd, om mijn gezicht te kunnen
veranderen als een masker.--NESTORIUS: Dan zal 't gevolg zijn dat men
geen lucht krijgt van het bedrog en dat men je zaak met goed vertrouwen
aanziet.--HARPALUS: Ik zal er goed mijn best toe doen.--NESTORIUS:
Verder moet ge eenige makkers kiezen of je ook eenige bedienden
aanschaffen, die voor u buigen en uitwijken en u in tegenwoordigheid van
anderen "Jonker" noemen. Je behoeft niet bang te zijn dat je dit iets
zal kosten. Er zijn heel veel jongelieden die graag zelfs voor niets die
rol willen spelen. Hierbij komt nog dat dit land vol is van half
geleerde jonge menschen, bezield met een bijzonderen schrijflust, om
niet te zeggen schrijfwoede. Ook ontbreekt 't niet aan hongerige
boekdrukkers, die alles aandurven wanneer de hoop op een zoet winstje
hun toelacht. Eenigen van dezen moet gij omkoopen, dat ze u in hunne
geschriften prijzen als een der Grooten van hun vaderland, en dit zoo nu
en dan eens met vette letters te herhalen. Op die manier zullen ze u,
tot zelfs in Bohemen toe, als een groot man in uw vaderland ophemelen.
Want sneller en over een grooter uitgestrektheid doen die geschriften de
rondte, dan praatjes van bedienden, al zijn ze ook nòg zulke
babbelaars.--HARPALUS: Die manier bevalt mij wel. Maar, bedienden moet
men den kost geven.--NESTORIUS: Dat is waar, maar ge moet er geen
bedienden op na houden die geen handen aan hun lijf hebben en daarom
onhandig zijn. Ze moeten hier- en daarheen worden uitgestuurd, en dan
vinden ze wel wat. Je weet wel dat er allerlei gelegenheden voor zoo
iets zijn.--HARPALUS: Houd maar op: ik begrijp het al.--NESTORIUS: Nu
moet ik nog spreken van uw bekwaamheden.--HARPALUS: Daar ben ik
nieuwsgierig naar.--NESTORIUS: Als je geen goed dobbelaar bent, geen
flink kaartspeler, geen schandelijke meisjesgek, geen fameus drinker,
geen brutaal verkwister, geen bankroetier en geen schuldenmaker, als je
niet behebt bent met de zoogenaamde Gallische schurft[2], zal niemand je
voor een man van adel houden.--HARPALUS: In dat alles heb ik me al lang
geoefend. Maar waar moet het geld van daan komen?--NESTORIUS: Kalm! daar
wilde ik net op komen. Heb-je geld van je vader geërfd?--HARPALUS: Een
klein beetje.--NESTORIUS: Wanneer nu bij velen de dunk omtrent je adel
gevestigd is, dan zul-je licht gekken vinden die geloof slaan aan je
beweringen. Sommigen zullen zich schamen neen te zeggen, sommigen zelfs
zullen bang zijn dit te doen. Om je schuldeischers bij den neus te nemen
zijn er allerlei kunstjes.--HARPALUS: Daar ben ik al redelijk bedreven
in. Maar eindelijk zullen ze 't mij toch te benauwd maken, als ze
bemerken dat ik hen alleen maar met mooie woorden paai.--NESTORIUS:
Integendeel, daar is geen gemakkelijker weg om te heerschen dan juist
aan zooveel mogelijk menschen iets schuldig te wezen.--HARPALUS: Hoe dat
zoo?--NESTORIUS: Wel, vooreerst beschouwt de schuldeischer het zóó,
alsof hij door een groote verplichting aan u verbonden was en is hij
bang een aanleiding te geven tot 't verlies van zijn geld. Iemands
dienaren kunnen niet enger aan hem verknocht zijn, dan de schuldeischers
aan hunne schuldenaars. Als men hun van tijd tot tijd eens wat
terugbetaalt, dan is dat nog meer welkom dan dat men geschenken
geeft.--HARPALUS: Dat heb ik wel eens gemerkt.--NESTORIUS: Maar pas
hierop, dat ge u onderwijl niet met arme drommels inlaat. Want deze
maken dikwijls om een onbeduidend sommetje geld een groot kabaal. Meer
handelbaar zijn menschen die goed geld om handen hebben. Hen weerhoudt
hun schaamtegevoel, de hoop doet hen leven, de vrees schrikt hen af: zij
weten wat adellijke heeren soms vermogen. Ten slotte, wanneer de
schuldenlast u overstelpt, dan moet ge onder allerlei voorwendsels
elders heen verhuizen en dan vervolgens wéér ergens anders heen. Er is
geen reden om je daarvoor te schamen. Niemand is meer met schulden
beladen dan juist de vorsten. Als een boer u het vuur wat na aan de
schenen legt, doe 't dan voorkomen alsof je door zijn onbeschaamdheid
diep beleedigd bent. Geef evenwel zoo nu en dan eens wat terug, maar
niet de geheele som en ook niet aan allen. Daarvoor moet gij overal en
altijd zorgen dat niemand 't in den neus krijgt, dat je kas geheel leeg
is. Je moet altijd grootdoen.--HARPALUS: Hoe kan iemand groot-doen die
niets heeft?--NESTORIUS: Als een vriend je tijdelijk iets van waarde
heeft toevertrouwd, dan moet je 't doen voorkomen alsof 't van je zelf
is. Maar je moet alle gekunsteldheid vermijden: 't moet alles als bij
toeval gaan. Neem daartoe soms eens wat geld op, met 't plan om 't heel
spoedig terug te geven. Bewaar in je beurs, die uitpuilt van kopergeld,
twee goudstukken en haal er die zoo nu en dan eens uit. En meer
dergelijke verzinsels moet je zelf maar bedenken.--HARPALUS: Dat snap
ik. Maar ik moet dan toch eindelijk wel tot over de ooren in de schuld
zitten.--NESTORIUS: Houd daarom geen luie, onverschillige, onhandige
bedienden of neem anders bloedverwanten bij je, die je tòch den kost
zoudt moeten geven. Ze zullen wel eens een koopman tegenkomen dien ze
kunnen berooven. Ze zullen wel eens wat vinden in herbergen, of in een
huis, of in een schip, iets dat onbewaakt ligt. Vat-je? Ze moeten er aan
denken dat de mensch niet te vergeefs vingers gekregen heeft.--HARPALUS:
Als 't ten minste op een veilige manier kan gebeuren.--NESTORIUS: Je
moet je bedienden netjes gekleed doen gaan, vooral met
onderscheidingsteekens. Geef hun valsche brieven aan hooge personages in
handen. Als ze dan eens iets hebben weggenomen en betrapt worden, zal
niemand hen durven beschuldigen. Ook al vermoedt men iets, dan zal men
toch bang zijn voor hun meester die van adel is. En wanneer ze
gewelddadig een buit hebben veroverd dan heet dat: oorlogsrecht. Zulke
vóór-oefeningen vormen het voorspel van den oorlog.--HARPALUS: Dat is
een goede raad!--NESTORIUS: Verder moet ge steeds dezen stelregel van
den adel handhaven: het is zijn recht den reiziger van burger-afkomst
van zijn geld te ontlasten. Wat toch moet grooter verontwaardiging
wekken, dan dat een koopman niet van adel, overvloed van geld heeft,
terwijl intusschen een ridder geen cent heeft om aan de vrouwen en het
spel uit te geven? Voeg je steeds bij de grooten of liever dring u bij
hen in. Met een stalen gezicht, zonder blikken of blozen. Maar vooral
bij vreemden. En daarom is 't ook verkieslijk dat ge u ophoudt in een
nog al drukke stad, bijv. in badplaatsen, in druk bezochte
herbergen.--HARPALUS: Dat was ik juist van plan.--NESTORIUS: In zulke
plaatsen biedt 't geluk nog al eens vaak een kansje.--HARPALUS: Hoe,
bijvoorbeeld?--NESTORIUS: Wel, de een of ander heeft zijn beurs laten
liggen, of heeft bij vergissing den sleutel in 't slot van zijn lâ laten
steken. Nu, de rest vat je wel.--HARPALUS: Maar...?--NESTORIUS: Waarvoor
ben je bang? Wie zou eenig kwaad vermoeden durven koesteren tegen zoo'n
beschaafd man, tegen iemand die altijd den mond vol heeft van zulke
groote dingen, tegen den "Ridder van de Gulden Rots?" En zoo er al zoo'n
onbeschaamde rekel gevonden werd, wie zou dan nog zoo driest zijn om u
voor 't gerecht te dagen? Intusschen wordt de verdenking afgeleid op één
van de gasten die gisteren zijn vertrokken. De bedienden en de
herbergier zullen in rep en roer gebracht worden. Doch ga gij maar
rustig uw gang. Als zoo iets aan een bescheiden en flink man overkomt,
zal hij zijn mond houden, om niet tegelijk met zijn geldelijk verlies
ook nog tot zijn schande bekend te doen worden, dat hij zóó nalatig op
zijn zaken is.--HARPALUS: Wat je daar zegt is nog zoo gek niet. Je kent
denk ik wel den Graaf van den Witten Gier?--NESTORIUS: Zou ik hem niet
kennen?--HARPALUS: Bij hem had eens zijn intrek genomen, naar ik me heb
laten vertellen, een zekere Spanjaard, een man van een net uiterlijk en
echt fijne beschaving. Deze kaapte zeshonderd gulden; maar de graaf
heeft nooit durven klagen. Zóó respectabel zag de man er
uit.--NESTORIUS: Nu, daar heb-je een voorbeeld. Tusschen-beiden moet je
eens één van je bedienden de wijde wereld inzenden; ten oorlog
natuurlijk. Deze zal terugkeeren, beladen met buit in den krijg gemaakt,
na kerken geplunderd en kloosters beroofd te hebben.--HARPALUS: Dat is
zeker een hoogst veilige manier.--NESTORIUS: Daar is nog een andere
manier om geld bij elkaar te krijgen.--HARPALUS: Zeg op,
alsjeblieft.--NESTORIUS: Verzin voorwendsels om boos te worden tegen
menschen die goed in hun contanten zitten, vooral tegen monniken of
priesters, die nu zoowat bij iedereen in een kwaden naam staan. Deze
heeft om uw wapenschild gelachen of er op gespuwd: gene heeft iets
geschreven wat wel tot laster kan worden verdraaid. Aan zulke menschen
moet ge een oorlog op leven en dood verklaren. Laat gruwelijke
bedreigingen hooren, uitroeiing, moord en doodslag, louter algeheele
verdelging. Vol schrik en angst zullen ze dan tot u komen om den strijd
bij te leggen. Houd dan uw waardigheid hoog, dat wil zeggen: overvraag
goed, dan krijgt ge wat ge hebben wilt. Als je drieduizend goudstukken
vraagt, dan schamen ze er zich voor om minder dan tweehonderd aan te
bieden.--HARPALUS: Anders zal ik dreigen hen gerechtelijk te
vervolgen.--NESTORIUS: Dat gaat al weer wat meer op chantage gelijken;
doch 't kan ook soms te pas komen. Maar zeg eens Harpalus, daar was me
bijna ontgaan wat ik eigenlijk wel in de allereerste plaats had mogen
zeggen; je moet 't een of ander meisje dat een aardigen spaarpot heeft
in 't huwelijksnet zien te verstrikken. Je hebt een toovermiddel in je
bezit, je bent jong, je ziet er niet onknap uit, je bent een aardige
grappenmaker, je kunt aanstekelijk lachen. Strooi 't gerucht rond, dat
je onder mooie beloften naar 't hof van den keizer bent geroepen.
Meisjes houden er wel van heeren van het hof te trouwen.--HARPALUS: Ik
ken er, aan wie dat voortreflijk gelukt is. Maar als 't bedrog nu
eindelijk eens uitlekt en van alle kanten de schuldeischers op me
afspringen? Dan zal iedereen den ontmaskerden ridder uitlachen. Want
zoo'n komedie vinden ze erger dan wanneer men tempelroof
pleegt.--NESTORIUS: Dan is juist 't oogenblik gekomen om te denken aan
't stalen gezicht. En dat te meer omdat nooit ter wereld brutaliteit
meer in de plaats van wijs beleid is getreden, dan tegenwoordig. Dan
moet je maar de een of andere uitvlucht verzinnen. Verder zullen er
altijd eenvoudige zielen gevonden worden die uw historietje gelooven;
anderen zullen uit burgerlijke beleefdheid doen net alsof zij 't bedrog
dat ze doorzien hebben, niet hebben bemerkt. En ten slotte, als er geen
ander redmiddel is, dan maar naar elders toevlucht genomen, in een
oorlog, in 't krijgsgewoel. Zooals Euripides zegt dat de zee alle
ongerechtigheden der menschen afwascht, zoo bedekt ook de oorlog al het
grondsop en uitvaagsel van alle schurkerijen. Niemand wordt tegenwoordig
voor een goed officier in den oorlog gehouden, als hij er niet toe
gekomen is na een voorbereiding in zulk een recrutenschool. Dat is dus
uw uiterste redmiddel wanneer alles verkeerd loopt. Maar ge moet den
ondersten steen boven keeren dat 't niet zoo ver komt. Laat je vooral
niet door zorgeloosheid foppen. Ontwijk kleine stadjes, waar je geen
vinger in de asch kunt steken of de wereld weet 't. In groote en drukke
steden heb je meer vrijheid of--ze moesten soms zijn als Marseille, waar
alles zoo uiterst stijf en eerbaar toegaat. Tracht dus ongemerkt
uittevisschen wat men van u zegt. Wanneer je merkt dat men zoo in dezen
zin over je praat: "Wat doet hij toch; waarom blijft hij zoo lang hier;
waarom gaat hij niet terug naar zijn land? Waarom laat hij zijn kasteel
in den steek? Uit welke familie stamt hij toch? Waar haalt hij toch 't
geld vandaan voor zijn groote verteringen?"--wanneer dergelijke praatjes
langzamerhand beginnen te loopen, dan moet je er intijds op bedacht zijn
om de plaat te poetsen: maar 't moet de retraite van een leeuw zijn,
niet een hazenvlucht. Wend vóór: dat je voor groote dingen geroepen
wordt naar 't keizerlijk hof, dat je binnenkort met een compagnie
soldaten zult terugkomen. In je afwezigheid zullen ze niet tegen je
durven kikken, omdat ze bang zijn te verliezen wat ze van je te eischen
hebben. Maar vooral geloof ik, dat je op je hoede moet zijn tegen dat
slag van menschen dat 't hoofd vol heeft van dichterlijke plannen,
lichtgeraakt volkje. Als iets hun niet bevalt, smeren ze dadelijk papier
vol en wat ze hebben opgeklad gaat terstond de wereld door.--HARPALUS:
'k Mag doodvallen zoo je raad mij niet bij uitstek aannemelijk voorkomt.
'k Beloof je: ik zal maken dat je in mij een leerzaam scholier en een
niet ondankbaar jongmensch vindt. Het eerste het beste paard dat ik in
mijn weiden vind en dat waard is je te dragen, zal ik je ten geschenke
zenden.--NESTORIUS: Nu moet je op _jouw_ beurt ook doen wat je begonnen
bent _mij_ te beloven. Waarom heb je zoo'n bijzonderen trek om den
edelman te spelen als je 't niet bent?--HARPALUS: Om geen andere reden
dan omdat adellijke heeren alles ongestraft mogen doen wat ze maar
willen. Vind-je dat zoo'n kleinigheid?--NESTORIUS: Al loopt 't verkeerd
uit, we zijn allen onzen tol aan de natuur door den dood verschuldigd,
al leefde men ook in een Karthuizerklooster. En men sterft gemakkelijker
op 't rad, dan aan 't graveel, aan jicht of aan een beroerte. Een goed
soldaat moet gelooven dat er van den mensch na den dood niets
overblijft, behalve zijn lijk.--HARPALUS: Daar ben ik het ook mee eens.
NOTEN:
[1] Dwaze raad, van onkunde getuigend in de heraldiek, die metaal op
metaal verbiedt.
[2] Erasmus bedoelt de syphilis die toen haar intrede in Europa had
gedaan en o.a. ook door den invloed der publieke badstoven,
onrustbarende uitbreiding had gekregen, zoodat de badgelegenheden dan
ook weldra, als erkende brandpunten der besmetting, op order der
overheidspersonen, verboden werden.
* * * * *
DE VROUWENRAAD
CORNELIA, MARGARETHA, PEROTTA, JULIA, CATMARINA.
"Emancipatie," wie zou ze in Erasmus' tijd reeds gezocht hebben? Of
ja--vinden we niet reeds in de komedies der oude Grieken sporen van
den wil der vrouwen om zich tegenover de mannen meer te doen
gelden? Zoo ook in den "Vrouwenraad," waarin de draak wordt
gestoken met de onmondigheid van het vrouwelijk geslacht en eenige
dames maatregelen beramen om zich aan den dwang en de heerschappij
der mannen te ontworstelen. De dwaasheden, de onrechtmatigheden, de
heerschzucht der mannen worden op de kaak gesteld; maar ook weet
Erasmus den vrouwen menigen steek te geven over hare praatzucht,
haar gebrek aan schaamtegevoel, haar pronkzucht.
De dialoog, ook voor de geschiedenis der cultuur van belang, doet
zien dat Erasmus zijn tijd ver vooruit was, dat hij op de
wondeplekken zijner maatschappij zeer juist den vinger wist te
leggen.