HARPALUS. Zou je mij eens kunnen raden? Je zult merken dat ik niet

vergeetachtig en niet ondankbaar ben.--NESTORIUS: Nu, ik wil je wel 't

middel aan de hand doen om te komen waar je wezen wilt.--HARPALUS: Maar

wij hebben 't niet in onze hand om van adel geboren te zijn.--NESTORIUS:

Als je 't niet bent, moet ge door uw voortreflijke daden maken dat uw

adeldom bij u een aanvang neemt.--HARPALUS: Dat duurt zoo

lang.--NESTORIUS: Tegen een flinke som verkoopt de keizer ook wel een

adelbrief.--HARPALUS: Om dien gekochten adel wordt over het algemeen

gelachen.--NESTORIUS: Als ge dan niets belachelijkers kent dan gelogen

adel, waarom streeft ge dan naar den adellijken titel?--HARPALUS: Om

verschillende redenen, en gewichtige ook. Ik heb geen bezwaar je die te

vertellen, als gij mij de manieren wilt meedeelen waarop ik den menschen

het idee kan geven dat ik een edelman ben.--NESTORIUS: Dus alleen maar

den naam wil je bezitten, zonder de werkelijkheid?--HARPALUS: Ja, waar

de werkelijkheid niet aanwezig is, daar nadert de schijn er toch 't

dichtst bij. Maar kom, geef nu eens raad, Nestorius. Wanneer gij mijn

beweegredenen hoort, dan zult ge moeten zeggen dat het de moeite waard

is.--NESTORIUS: Nu, als je 't dan wilt, dan zal ik 't je zeggen. In de

allereerste plaats moet je uit je vaderland weggaan.--HARPALUS: Dat weet

ik.--NESTORIUS: Je moet je begeven in gezelschap van jongelieden van

werkelijk adellijken bloede.--HARPALUS: Dat begrijp ik.--NESTORIUS:

Tengevolge daarvan zal men gaan denken, dat gij ook tot die menschen

behoort met wie gij omgaat.--HARPALUS: Zoo is het.--NESTORIUS: Zorg dat

ge niets aan u hebt of niets doet wat burgerlijk is.--HARPALUS: Wat

bijvoorbeeld?--NESTORIUS: Ik bedoel uw kleeding; uw kostuum mag niet van

wol zijn, maar wèl van zijde of, als je het geld ontbreekt om die te

koopen, dan een kamelotten buis, ten slotte nog liever een van linnen

dan van laken.--HARPALUS: Goed zoo.--NESTORIUS: Pas ook op, dat ge niets

gaafs aan uw lijf hebt: heb kerven en scheuren in je hoed, je wambuis,

je laarzen, je schoenen, in je nagels als je kunt. Zorg er ook voor dat

je nooit over iets wat laag bij den grond is, spreekt. Als er een

vreemdeling uit Spanje komt, vraag dan hoe 't tegenwoordig tusschen den

Keizer en den Paus staat: hoe uw bloedverwant, de Graaf van Nassau het

maakt: hoe 't met uw andere kameraden gaat.--HARPALUS: Dat zal ik

doen.--NESTORIUS: Aan uw ringvinger moet ge een ring dragen met een

gesneden steen er in.--HARPALUS: Als ten minste mijn beurs het

toelaat.--NESTORIUS: Een vergulde ring met een nagemaakten steen kost

niet zooveel. Maar er moet een wapenschild bij.--HARPALUS: Wat raad je

me aan te kiezen?--NESTORIUS: Twee melkemmers zoo je wilt, en een

bierpul.--HARPALUS: Kom, je houdt me voor 't lapje: spreek liever in

ernst.--NESTORIUS: Ben-je nooit in den krijg geweest?--HARPALUS: 'k Heb

er nooit een gezien.--NESTORIUS: Maar, tusschen twee haakjes, je hebt

denk ik, wel eens aan ganzen en kapoenen bij de boeren den kop

afgeslagen?--HARPALUS: Heel dikwijls, en wàt dapper ook.--NESTORIUS: Nu,

neem dan een zilveren mes op je wapenschild en drie gouden

ganzenkoppen.--HARPALUS: Op wat voor een veld? NESTORIUS: Op welk veld?

Natuurlijk op een bloedrood! Een herinnering aan 't zoo dapper vergoten

bloed.[1]--HARPALUS: Wel ja, waarom niet? Ganzenbloed is net zoo rood

als menschenbloed. Maar ga dóór als 't je belieft.--NESTORIUS: Dat

schild nu, moet je aan de deuren van alle herbergen waar je je intrek

neemt, laten vastspijkeren.--HARPALUS: Wat moet er voor een helm op

geplaatst worden?--NESTORIUS: 't Is goed dat je daaraan denkt. Dien moet

je met opgeslagen vizier nemen.--HARPALUS: Waarom dat?--NESTORIUS: Ten

eerste om goed te kunnen ademhalen en verder om hem met je kleedij in

overeenstemming te brengen. Wat moet er boven den helm

uitsteken?--HARPALUS: Daarnaar ben ik erg verlangend.--NESTORIUS: Een

hondenkop met hangooren.--HARPALUS: Dat is zoo algemeen.--NESTORIUS:

Voeg er dan een paar horens bij. Dat is zeldzaam en vreemd.--HARPALUS:

Dat bevalt me. Maar nu de schilddragers?--NESTORIUS: Herten, honden,

draken, grijpen hebben de vorsten en prinsen al ingepalmd: zet jij er nu

twee harpijen naast.--HARPALUS: Dat is een uitstekende raad.--NESTORIUS:

Nu schiet nog alleen maar over een bijnaam te verzinnen. Hierbij moet je

in de allereerste plaats oppassen dat je je niet op heel platte manier

"Harpalus den Comenser" laat noemen, maar "Harpalus van Como": dit

laatste doen de adellijke heeren, 't eerste doen arme

theologen.--HARPALUS: Dat weet ik.--NESTORIUS: Hebt ge ergens een plekje

waarvan ge u heer en meester kunt noemen?--HARPALUS: Geen varkenshok

zelfs.--NESTORIUS: Ben-je in een bekende stad geboren?--HARPALUS: In een

onbekend dorp. Ik moet 't u wel zeggen. Want liegen mogen we niet

tegenover een dokter die ons moet genezen.--NESTORIUS: Is er niet de een

of andere berg in de buurt van dat dorp?--HARPALUS: Jawel.--NESTORIUS:

En heeft die berg ook ergens een in 't oog vallende of bekende

rotspunt?--HARPALUS: En een wàt steile ook.--NESTORIUS: Welnu, dan heet

je "Harpalus, ridder van de Gulden Rots."--HARPALUS: Ja maar, 't is de

gewoonte van groote heeren, dat ieder een mooi klinkende spreuk voegt

bij zijn wapen: zooals bijv. Maximiliaan had: "Houd maat"; Philips: "Wie

maar wil"; Keizer Karel: "Verder"; en zoo de één dit, de ander

dat.--NESTORIUS: Neem jij dan: "Er op of er onder."--HARPALUS: Je raad

is probaat en past uitstekend bij mijn toestand.--NESTORIUS: En om de

menschen nog meer vertrouwen in uw persoon in te boezemen, moet ge

voorgeven dat allerlei groote heeren u brieven geschreven hebben, waarin

ge ook als Hoog-Edelgeboren Ridder wordt betiteld: daarin moet gesproken

worden van groote bedrijven, van leengoederen, van burchten, van veel

duizenden guldens, van gouverneurschappen, van een rijk huwelijk. Dan

moet ge zorgen, dat dergelijke brieven u als 't ware bij ongeluk uit den

zak vallen of dat ge ze bij toeval vergeet en dat ze zoo in handen van

anderen komen.--HARPALUS: O, dat zal me niet veel moeite kosten. Want ik

kan niet alleen goed schrijven, maar ook heb ik 't door gestadige

oefening zóóver gebracht dat ik ieders hand gemakkelijk kan

namaken.--NESTORIUS: Naai de brieven in je wambuis of laat ze in je zak

zitten, zoodat de kleermakers aan wie je je kleeren geeft om ze te

lappen, ze vinden. Die zullen hun mond niet houden, en als je 't te

weten komt, zet dan je gezicht in een plooi van boosheid of

ontstemdheid, alsof je over het geval erg het land hadt.--HARPALUS: Ook

daarop heb ik reeds lang gestudeerd, om mijn gezicht te kunnen

veranderen als een masker.--NESTORIUS: Dan zal 't gevolg zijn dat men

geen lucht krijgt van het bedrog en dat men je zaak met goed vertrouwen

aanziet.--HARPALUS: Ik zal er goed mijn best toe doen.--NESTORIUS:

Verder moet ge eenige makkers kiezen of je ook eenige bedienden

aanschaffen, die voor u buigen en uitwijken en u in tegenwoordigheid van

anderen "Jonker" noemen. Je behoeft niet bang te zijn dat je dit iets

zal kosten. Er zijn heel veel jongelieden die graag zelfs voor niets die

rol willen spelen. Hierbij komt nog dat dit land vol is van half

geleerde jonge menschen, bezield met een bijzonderen schrijflust, om

niet te zeggen schrijfwoede. Ook ontbreekt 't niet aan hongerige

boekdrukkers, die alles aandurven wanneer de hoop op een zoet winstje

hun toelacht. Eenigen van dezen moet gij omkoopen, dat ze u in hunne

geschriften prijzen als een der Grooten van hun vaderland, en dit zoo nu

en dan eens met vette letters te herhalen. Op die manier zullen ze u,

tot zelfs in Bohemen toe, als een groot man in uw vaderland ophemelen.

Want sneller en over een grooter uitgestrektheid doen die geschriften de

rondte, dan praatjes van bedienden, al zijn ze ook nòg zulke

babbelaars.--HARPALUS: Die manier bevalt mij wel. Maar, bedienden moet

men den kost geven.--NESTORIUS: Dat is waar, maar ge moet er geen

bedienden op na houden die geen handen aan hun lijf hebben en daarom

onhandig zijn. Ze moeten hier- en daarheen worden uitgestuurd, en dan

vinden ze wel wat. Je weet wel dat er allerlei gelegenheden voor zoo

iets zijn.--HARPALUS: Houd maar op: ik begrijp het al.--NESTORIUS: Nu

moet ik nog spreken van uw bekwaamheden.--HARPALUS: Daar ben ik

nieuwsgierig naar.--NESTORIUS: Als je geen goed dobbelaar bent, geen

flink kaartspeler, geen schandelijke meisjesgek, geen fameus drinker,

geen brutaal verkwister, geen bankroetier en geen schuldenmaker, als je

niet behebt bent met de zoogenaamde Gallische schurft[2], zal niemand je

voor een man van adel houden.--HARPALUS: In dat alles heb ik me al lang

geoefend. Maar waar moet het geld van daan komen?--NESTORIUS: Kalm! daar

wilde ik net op komen. Heb-je geld van je vader geërfd?--HARPALUS: Een

klein beetje.--NESTORIUS: Wanneer nu bij velen de dunk omtrent je adel

gevestigd is, dan zul-je licht gekken vinden die geloof slaan aan je

beweringen. Sommigen zullen zich schamen neen te zeggen, sommigen zelfs

zullen bang zijn dit te doen. Om je schuldeischers bij den neus te nemen

zijn er allerlei kunstjes.--HARPALUS: Daar ben ik al redelijk bedreven

in. Maar eindelijk zullen ze 't mij toch te benauwd maken, als ze

bemerken dat ik hen alleen maar met mooie woorden paai.--NESTORIUS:

Integendeel, daar is geen gemakkelijker weg om te heerschen dan juist

aan zooveel mogelijk menschen iets schuldig te wezen.--HARPALUS: Hoe dat

zoo?--NESTORIUS: Wel, vooreerst beschouwt de schuldeischer het zóó,

alsof hij door een groote verplichting aan u verbonden was en is hij

bang een aanleiding te geven tot 't verlies van zijn geld. Iemands

dienaren kunnen niet enger aan hem verknocht zijn, dan de schuldeischers

aan hunne schuldenaars. Als men hun van tijd tot tijd eens wat

terugbetaalt, dan is dat nog meer welkom dan dat men geschenken

geeft.--HARPALUS: Dat heb ik wel eens gemerkt.--NESTORIUS: Maar pas

hierop, dat ge u onderwijl niet met arme drommels inlaat. Want deze

maken dikwijls om een onbeduidend sommetje geld een groot kabaal. Meer

handelbaar zijn menschen die goed geld om handen hebben. Hen weerhoudt

hun schaamtegevoel, de hoop doet hen leven, de vrees schrikt hen af: zij

weten wat adellijke heeren soms vermogen. Ten slotte, wanneer de

schuldenlast u overstelpt, dan moet ge onder allerlei voorwendsels

elders heen verhuizen en dan vervolgens wéér ergens anders heen. Er is

geen reden om je daarvoor te schamen. Niemand is meer met schulden

beladen dan juist de vorsten. Als een boer u het vuur wat na aan de

schenen legt, doe 't dan voorkomen alsof je door zijn onbeschaamdheid

diep beleedigd bent. Geef evenwel zoo nu en dan eens wat terug, maar

niet de geheele som en ook niet aan allen. Daarvoor moet gij overal en

altijd zorgen dat niemand 't in den neus krijgt, dat je kas geheel leeg

is. Je moet altijd grootdoen.--HARPALUS: Hoe kan iemand groot-doen die

niets heeft?--NESTORIUS: Als een vriend je tijdelijk iets van waarde

heeft toevertrouwd, dan moet je 't doen voorkomen alsof 't van je zelf

is. Maar je moet alle gekunsteldheid vermijden: 't moet alles als bij

toeval gaan. Neem daartoe soms eens wat geld op, met 't plan om 't heel

spoedig terug te geven. Bewaar in je beurs, die uitpuilt van kopergeld,

twee goudstukken en haal er die zoo nu en dan eens uit. En meer

dergelijke verzinsels moet je zelf maar bedenken.--HARPALUS: Dat snap

ik. Maar ik moet dan toch eindelijk wel tot over de ooren in de schuld

zitten.--NESTORIUS: Houd daarom geen luie, onverschillige, onhandige

bedienden of neem anders bloedverwanten bij je, die je tòch den kost

zoudt moeten geven. Ze zullen wel eens een koopman tegenkomen dien ze

kunnen berooven. Ze zullen wel eens wat vinden in herbergen, of in een

huis, of in een schip, iets dat onbewaakt ligt. Vat-je? Ze moeten er aan

denken dat de mensch niet te vergeefs vingers gekregen heeft.--HARPALUS:

Als 't ten minste op een veilige manier kan gebeuren.--NESTORIUS: Je

moet je bedienden netjes gekleed doen gaan, vooral met

onderscheidingsteekens. Geef hun valsche brieven aan hooge personages in

handen. Als ze dan eens iets hebben weggenomen en betrapt worden, zal

niemand hen durven beschuldigen. Ook al vermoedt men iets, dan zal men

toch bang zijn voor hun meester die van adel is. En wanneer ze

gewelddadig een buit hebben veroverd dan heet dat: oorlogsrecht. Zulke

vóór-oefeningen vormen het voorspel van den oorlog.--HARPALUS: Dat is

een goede raad!--NESTORIUS: Verder moet ge steeds dezen stelregel van

den adel handhaven: het is zijn recht den reiziger van burger-afkomst

van zijn geld te ontlasten. Wat toch moet grooter verontwaardiging

wekken, dan dat een koopman niet van adel, overvloed van geld heeft,

terwijl intusschen een ridder geen cent heeft om aan de vrouwen en het

spel uit te geven? Voeg je steeds bij de grooten of liever dring u bij

hen in. Met een stalen gezicht, zonder blikken of blozen. Maar vooral

bij vreemden. En daarom is 't ook verkieslijk dat ge u ophoudt in een

nog al drukke stad, bijv. in badplaatsen, in druk bezochte

herbergen.--HARPALUS: Dat was ik juist van plan.--NESTORIUS: In zulke

plaatsen biedt 't geluk nog al eens vaak een kansje.--HARPALUS: Hoe,

bijvoorbeeld?--NESTORIUS: Wel, de een of ander heeft zijn beurs laten

liggen, of heeft bij vergissing den sleutel in 't slot van zijn lâ laten

steken. Nu, de rest vat je wel.--HARPALUS: Maar...?--NESTORIUS: Waarvoor

ben je bang? Wie zou eenig kwaad vermoeden durven koesteren tegen zoo'n

beschaafd man, tegen iemand die altijd den mond vol heeft van zulke

groote dingen, tegen den "Ridder van de Gulden Rots?" En zoo er al zoo'n

onbeschaamde rekel gevonden werd, wie zou dan nog zoo driest zijn om u

voor 't gerecht te dagen? Intusschen wordt de verdenking afgeleid op één

van de gasten die gisteren zijn vertrokken. De bedienden en de

herbergier zullen in rep en roer gebracht worden. Doch ga gij maar

rustig uw gang. Als zoo iets aan een bescheiden en flink man overkomt,

zal hij zijn mond houden, om niet tegelijk met zijn geldelijk verlies

ook nog tot zijn schande bekend te doen worden, dat hij zóó nalatig op

zijn zaken is.--HARPALUS: Wat je daar zegt is nog zoo gek niet. Je kent

denk ik wel den Graaf van den Witten Gier?--NESTORIUS: Zou ik hem niet

kennen?--HARPALUS: Bij hem had eens zijn intrek genomen, naar ik me heb

laten vertellen, een zekere Spanjaard, een man van een net uiterlijk en

echt fijne beschaving. Deze kaapte zeshonderd gulden; maar de graaf

heeft nooit durven klagen. Zóó respectabel zag de man er

uit.--NESTORIUS: Nu, daar heb-je een voorbeeld. Tusschen-beiden moet je

eens één van je bedienden de wijde wereld inzenden; ten oorlog

natuurlijk. Deze zal terugkeeren, beladen met buit in den krijg gemaakt,

na kerken geplunderd en kloosters beroofd te hebben.--HARPALUS: Dat is

zeker een hoogst veilige manier.--NESTORIUS: Daar is nog een andere

manier om geld bij elkaar te krijgen.--HARPALUS: Zeg op,

alsjeblieft.--NESTORIUS: Verzin voorwendsels om boos te worden tegen

menschen die goed in hun contanten zitten, vooral tegen monniken of

priesters, die nu zoowat bij iedereen in een kwaden naam staan. Deze

heeft om uw wapenschild gelachen of er op gespuwd: gene heeft iets

geschreven wat wel tot laster kan worden verdraaid. Aan zulke menschen

moet ge een oorlog op leven en dood verklaren. Laat gruwelijke

bedreigingen hooren, uitroeiing, moord en doodslag, louter algeheele

verdelging. Vol schrik en angst zullen ze dan tot u komen om den strijd

bij te leggen. Houd dan uw waardigheid hoog, dat wil zeggen: overvraag

goed, dan krijgt ge wat ge hebben wilt. Als je drieduizend goudstukken

vraagt, dan schamen ze er zich voor om minder dan tweehonderd aan te

bieden.--HARPALUS: Anders zal ik dreigen hen gerechtelijk te

vervolgen.--NESTORIUS: Dat gaat al weer wat meer op chantage gelijken;

doch 't kan ook soms te pas komen. Maar zeg eens Harpalus, daar was me

bijna ontgaan wat ik eigenlijk wel in de allereerste plaats had mogen

zeggen; je moet 't een of ander meisje dat een aardigen spaarpot heeft

in 't huwelijksnet zien te verstrikken. Je hebt een toovermiddel in je

bezit, je bent jong, je ziet er niet onknap uit, je bent een aardige

grappenmaker, je kunt aanstekelijk lachen. Strooi 't gerucht rond, dat

je onder mooie beloften naar 't hof van den keizer bent geroepen.

Meisjes houden er wel van heeren van het hof te trouwen.--HARPALUS: Ik

ken er, aan wie dat voortreflijk gelukt is. Maar als 't bedrog nu

eindelijk eens uitlekt en van alle kanten de schuldeischers op me

afspringen? Dan zal iedereen den ontmaskerden ridder uitlachen. Want

zoo'n komedie vinden ze erger dan wanneer men tempelroof

pleegt.--NESTORIUS: Dan is juist 't oogenblik gekomen om te denken aan

't stalen gezicht. En dat te meer omdat nooit ter wereld brutaliteit

meer in de plaats van wijs beleid is getreden, dan tegenwoordig. Dan

moet je maar de een of andere uitvlucht verzinnen. Verder zullen er

altijd eenvoudige zielen gevonden worden die uw historietje gelooven;

anderen zullen uit burgerlijke beleefdheid doen net alsof zij 't bedrog

dat ze doorzien hebben, niet hebben bemerkt. En ten slotte, als er geen

ander redmiddel is, dan maar naar elders toevlucht genomen, in een

oorlog, in 't krijgsgewoel. Zooals Euripides zegt dat de zee alle

ongerechtigheden der menschen afwascht, zoo bedekt ook de oorlog al het

grondsop en uitvaagsel van alle schurkerijen. Niemand wordt tegenwoordig

voor een goed officier in den oorlog gehouden, als hij er niet toe

gekomen is na een voorbereiding in zulk een recrutenschool. Dat is dus

uw uiterste redmiddel wanneer alles verkeerd loopt. Maar ge moet den

ondersten steen boven keeren dat 't niet zoo ver komt. Laat je vooral

niet door zorgeloosheid foppen. Ontwijk kleine stadjes, waar je geen

vinger in de asch kunt steken of de wereld weet 't. In groote en drukke

steden heb je meer vrijheid of--ze moesten soms zijn als Marseille, waar

alles zoo uiterst stijf en eerbaar toegaat. Tracht dus ongemerkt

uittevisschen wat men van u zegt. Wanneer je merkt dat men zoo in dezen

zin over je praat: "Wat doet hij toch; waarom blijft hij zoo lang hier;

waarom gaat hij niet terug naar zijn land? Waarom laat hij zijn kasteel

in den steek? Uit welke familie stamt hij toch? Waar haalt hij toch 't

geld vandaan voor zijn groote verteringen?"--wanneer dergelijke praatjes

langzamerhand beginnen te loopen, dan moet je er intijds op bedacht zijn

om de plaat te poetsen: maar 't moet de retraite van een leeuw zijn,

niet een hazenvlucht. Wend vóór: dat je voor groote dingen geroepen

wordt naar 't keizerlijk hof, dat je binnenkort met een compagnie

soldaten zult terugkomen. In je afwezigheid zullen ze niet tegen je

durven kikken, omdat ze bang zijn te verliezen wat ze van je te eischen

hebben. Maar vooral geloof ik, dat je op je hoede moet zijn tegen dat

slag van menschen dat 't hoofd vol heeft van dichterlijke plannen,

lichtgeraakt volkje. Als iets hun niet bevalt, smeren ze dadelijk papier

vol en wat ze hebben opgeklad gaat terstond de wereld door.--HARPALUS:

'k Mag doodvallen zoo je raad mij niet bij uitstek aannemelijk voorkomt.

'k Beloof je: ik zal maken dat je in mij een leerzaam scholier en een

niet ondankbaar jongmensch vindt. Het eerste het beste paard dat ik in

mijn weiden vind en dat waard is je te dragen, zal ik je ten geschenke

zenden.--NESTORIUS: Nu moet je op _jouw_ beurt ook doen wat je begonnen

bent _mij_ te beloven. Waarom heb je zoo'n bijzonderen trek om den

edelman te spelen als je 't niet bent?--HARPALUS: Om geen andere reden

dan omdat adellijke heeren alles ongestraft mogen doen wat ze maar

willen. Vind-je dat zoo'n kleinigheid?--NESTORIUS: Al loopt 't verkeerd

uit, we zijn allen onzen tol aan de natuur door den dood verschuldigd,

al leefde men ook in een Karthuizerklooster. En men sterft gemakkelijker

op 't rad, dan aan 't graveel, aan jicht of aan een beroerte. Een goed

soldaat moet gelooven dat er van den mensch na den dood niets

overblijft, behalve zijn lijk.--HARPALUS: Daar ben ik het ook mee eens.

NOTEN:

[1] Dwaze raad, van onkunde getuigend in de heraldiek, die metaal op

metaal verbiedt.

[2] Erasmus bedoelt de syphilis die toen haar intrede in Europa had

gedaan en o.a. ook door den invloed der publieke badstoven,

onrustbarende uitbreiding had gekregen, zoodat de badgelegenheden dan

ook weldra, als erkende brandpunten der besmetting, op order der

overheidspersonen, verboden werden.

* * * * *

DE VROUWENRAAD

CORNELIA, MARGARETHA, PEROTTA, JULIA, CATMARINA.

"Emancipatie," wie zou ze in Erasmus' tijd reeds gezocht hebben? Of

ja--vinden we niet reeds in de komedies der oude Grieken sporen van

den wil der vrouwen om zich tegenover de mannen meer te doen

gelden? Zoo ook in den "Vrouwenraad," waarin de draak wordt

gestoken met de onmondigheid van het vrouwelijk geslacht en eenige

dames maatregelen beramen om zich aan den dwang en de heerschappij

der mannen te ontworstelen. De dwaasheden, de onrechtmatigheden, de

heerschzucht der mannen worden op de kaak gesteld; maar ook weet

Erasmus den vrouwen menigen steek te geven over hare praatzucht,

haar gebrek aan schaamtegevoel, haar pronkzucht.

De dialoog, ook voor de geschiedenis der cultuur van belang, doet

zien dat Erasmus zijn tijd ver vooruit was, dat hij op de

wondeplekken zijner maatschappij zeer juist den vinger wist te

leggen.

Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus · 第 10 / 18 段