en den ganschen vrouwenstaat, dat wenschen wij u toe! Gij zijt heden in
grooten getale en opgewekt samengekomen, en op grond hiervan meen ik de
meest vaste hoop te kunnen koesteren dat God genadig aan ieder onzer
ingeve, wat kan strekken tot ons aller gemeenschappelijk heil, aanzien
en nut. Gij weet (dunkt mij) allen hoeveel schade wij aan onze belangen
hebben geleden daar wij, terwijl onze mannen hùnne belangen in hunne
dagelijksche bijeenkomsten behartigen, onze zaken in den steek moeten
laten, omdat we aan spinnewiel en weefgetouw moeten zitten. En dus is 't
dan zoover gekomen dat er geen geregelde tucht onder ons bestaat, dat de
mannen ons alleen maar zoowat als hun speeltuig beschouwen en ons
nauwlijks den naam van mensch waardig keuren. En als wij doorgaan zooals
we begonnen zijn, gaat dan zelf maar eens na waar het op zal uitloopen.
Ik schroom woorden te gebruiken die een slechte vóórbeteekenis kunnen
hebben. En, zoo we ook al onze waardigheid te grabbelen gooien, dan moet
toch onze ongerepte naam ons ter harte gaan. De wijze koning Salomo
heeft in de Spreuken geschreven: "Wie naar raad hoort is wijs."[1] De
bisschoppen hebben hunne Synoden, de monnikorden hebben hunne
vergaderingen, soldaten hunne lokalen waar ze bijeenkomen, dieren hunne
bijeenkomsten, zelfs de mierenkolonie heeft haar plaats waar ze
vergadert. Van alle levende wezens zijn de vrouwen de eenige die dat
nooit doen.--MARGARETHA: Nu, vaker dan wel past.--CORNELIA: Op 't
oogenblik is 't nog geen tijd om tusschen mijn woorden in te praten.
Laat ik eerst uitspreken. Ieder krijgt op haar beurt gelegenheid om wat
te zeggen. 't Is niets nieuws wat we hier doen. We hernieuwen eenvoudig
een oud gebruik. Vóór ongeveer, als ik me niet vergis, dertienhonderd
jaren heeft de hooggeprezen Keizer Heliogabalus....--PEROTTA: Wat,
hooggeprezen? Een kerel dien ze aan een haak in 't riool gesleurd
hebben?--CORNELIA: Daar word ik al weer in de rede gevallen. Als we
iemand op die manier prijzen of misprijzen, dan kunnen we ook wel kwaad
zeggen van Christus omdat hij gekruisigd is, en van den vromen Domitius
omdat hij in zijn huis is gestorven. En toch wordt aan Heliogabalus
niets ergers verweten dan dat hij het heilige vuur, dat door de
Vestaalsche maagden werd verzorgd, op den grond heeft geworpen, en dat
hij in zijn paleis in een kapel Mozes vereerde nevens Christus, dien zij
uit smaad "Chrestus," d.i. "Nutsman" noemden. Die Heliogabalus nu, heeft
ingesteld dat, evenals de Keizer met zijn raadslieden een vergadering
hield, om over gemeenschappelijke belangen te spreken, zoo ook zijn
moeder Augusta háár raad zou hebben, waar gesproken moest worden over de
belangen van het vrouwelijk geslacht: een vergadering die de mannen, 't
zij uit spot, 't zij om een onderscheid te maken: "gemeenteraadje"
noemden. Dit voorbeeld van zooveel eeuwen geleden te hernieuwen, wordt
ons van zelf door de omstandigheden reeds lang aan de hand gedaan. En ik
hoop dat niemand uwer zich zal laten afschrikken door 't feit, dat de
Apostel Paulus een vrouw verbiedt te spreken in een bijeenkomst, die hij
den naam van "uitgelezen vergadering" geeft.[2] Hij bedoelt natuurlijk
een bijeenkomst van vrouwen, terwijl dit een meeting is van vrouwen.
Want als vrouwen altijd maar moesten zwijgen, waartoe zou dan de natuur
ons de tong gegeven hebben, die toch niet minder vaardig is dan die der
mannen, en een stem, die niet minder klankvol is dan de hunne? Evenwel,
hun geluid klinkt veel meer rauw en schor dan het onze en het gelijkt
veel meer op het balken van ezels. Maar daarvoor moeten wij allen steeds
zorgen, dat wij deze zaak met zulk een ernst behandelen, dat ze ons
nooit meer "gemeenteraadje" noemen of dat ze misschien nog een
smadelijker naam uitdenken, zooals ze gewoonlijk grappig zijn ten onzen
koste. Hoewel--wanneer wij hunne bijeenkomsten eens naar haar innerlijke
waarde wilden schatten, dan zou blijken dat die zeer onbeteekenend zijn.
We zien dat de vorsten al in zooveel jaren niets anders doen dan
oorlogvoeren; onder godgeleerden, priesters, bisschoppen en 't publiek
heerscht absoluut geen overeenstemming. Zooveel hoofden, zooveel zinnen.
En onder hen allen heerscht meer dan vrouwelijke veranderlijkheid. Geen
staat leeft met een anderen staat in eensgezindheid, geen buurman met
zijn nabuur. Als ons de teugels van het bewind maar eens in handen
gegeven werden, dan zou de toestand van 't menschdom, (ik ben er zeker
van) heel wat draaglijker zijn. 't Is misschien niet overeen te brengen
met de schuchterheid aan vrouwen eigen om aan zulke groote en voorname
mannen een brevet van dwaasheid uit te reiken,--maar wèl mogen we, dunkt
me, aanhalen wat Salomo in het dertiende hoofdstuk van zijn Spreuken
zegt: "Door hoovaardij maakt men niet dan gekijf, maar bij de beradenen
is wijsheid." Maar om u thans niet langer met mijn inleiding bezig te
houden, moet er eerst, opdat alles in geregelde volgorde kunne
geschieden, zooals 't past, en zonder verwarring, besloten worden, wie
bij de beraadslagingen tegenwoordig zullen wezen, wie de zaal moeten
verlaten. Want een buitensporig aantal aanwezigen zou men eerder een
janboel kunnen noemen dan een vergadering: daarentegen heeft een comité
van enkelen iets tyrannieks. Volgens mijn meening moet hierbij geen
enkele ongetrouwde vrouw worden toegelaten, en wel om deze reden: dat er
veel dingen zullen voorkomen, die 't geen pas geeft dat zij
hooren.--JULIA: Maar waaraan kan men onderscheiden dat ze nog maagden
zijn? Of zullen zij maar als maagd beschouwd worden, die nog een kransje
dragen?--CORNELIA: Neen, daar ben ik 't niet mee eens. Mij dunkt we
moeten alleen getrouwde vrouwen opnemen.--JULIA: Als we niet anders
uitsluiten dan maagden, dan zal er een verbazend groote menigte blijven
en zal er niet veel vermindering te bespeuren zijn.--CORNELIA: Ook
moeten worden uitgesloten die meer dan driemaal getrouwd zijn.--JULIA:
Waarom dat?--CORNELIA: Daar zij om zoo te zeggen hun tijd hebben
uitgediend en gepensionneerd mogen worden. 't Zelfde dunkt me, moet ook
gebeuren met de vrouwen boven de zeventig jaren. Verder moet er bepaald
worden dat niemand over haar man, hem bij name noemend, oneerbiedig mag
spreken. Tegen het geheele mannengeslacht mag het, maar met deze
beperking: niet al _te_ veel.--CATHARINA: Waarom zou 't niet vrij staan
hier vrijuit over de mannen te spreken, daar zij zelf het altijd over
óns hebben? Als mijn Titus een vroolijk tafelgenoot wil zijn, dan
vertelt hij alles wat ik gedaan heb, en dikwijls verzint hij er nog 't
een en ander bij.--CORNELIA: Als wij de waarheid maar eens wilden
bekennen: of _wij_ in tel zijn hangt van de mannen af. Als wij hen
overleveren aan de publieke verachting, dan rooven wij ons zelf ook de
kroon van het hoofd. Maar we hebben werkelijk eenige rechtmatige reden
tot klagen. Gaan we evenwel de som van alles na, dan heeft onze positie
toch nog veel vóór boven de hunne. Terwijl zij zorgen voor de inkomsten,
moeten ze over landen en zeeën vliegen, dikwijls met groot gevaar voor
hun leven. Als er een oorlog uitbreekt worden zij door de trompet
opgejaagd. Geharnast moeten zij in het gelid staan, terwijl wij veilig
thuis zitten. Als zij iets tegen de wet misdoen, straft men hen streng:
onze sekse spaart men. Om kort te gaan, 't ligt grootendeels aan ons
zelven om onze mannen te hebben zooals wij ze graag willen. Ten slotte
moet er nog gesproken worden over de volgorde waarin we zitting zullen
nemen, opdat bij ons niet gebeure wat zoo dikwijls geschiedt bij
beraadslagingen van koningen, prinsen en kerkvorsten, die in hunne
bijeenkomsten soms drie heele maanden twisten vóór de zitting kan
beginnen. En dan dunkt mij dat het eerst aan de beurt komen om zitting
te nemen, de vrouwen van adel en bij deze hebben weer den voorrang die
met vier kwartieren, vervolgens die met één kwartier en ten laatste die
met een gehalveerd kwartier. En bij elken tak zal de rang naar gelang
van den ouderdom van de familie worden aangewezen. Bastaarden krijgen,
elk in haar familie, de laatste plaats. In de tweede plaats nemen
zitting de vrouwen van de burgerklasse. Hier nemen zij de eerste plaats
in, die 't grootst aantal kinderen ter wereld hebben gebracht. Bij
gelijke rechten zal de leeftijd beslissen. Ten derde komen zij die geen
kinderen gehad hebben.--CATHARINA: En waar plaats je de
weduwen?--CORNELIA: O, 't is goed dat je mij daaraan herinnert. Die
krijgen haar plaats onder de getrouwde vrouwen, als ze ten minste
kinderen hebben of gehad hebben. Dan moeten wij vaststellen, hoe een
raadsbesluit zal worden genomen, met stembriefjes of stemsteentjes, of
bij hoofdelijke stemming, of door 't opsteken der handen, of door uit
elkander te gaan staan.--CATHARINA: Met steentjes kan licht bedrog
gepleegd worden, net als met stembriefjes. Als we willen stemmen, door
naar verschillende kanten uiteen te gaan, zullen we te veel stof
opjagen, omdat wij sleepjaponnen dragen. 't Beste is dus maar, dat
iedere vrouw mondeling zegt hoe zij over een zaak denkt.--CORNELIA: Maar
't is moeilijk de stemmen te tellen. En dan moet er wèl opgepast worden
dat 't in plaats van een vrouwen_raad_ geen vrouwen_praat_
wordt.--CATHARINA: Zonder 't houden van notulen zal 't niet gaan, er mag
niets verloren gaan.--CORNELIA: Nu zoo zijn er dan maatregelen genomen
omtrent 't aantal deelnemers. Maar hoe zullen we 't getwist en gekijf er
buiten houden?--CATHARINA: Laat niemand spreken die daartoe niet is
uitgenoodigd en dan alleen maar op haar beurt. Wie zich daaraan niet
houdt, wordt uit den raad verwijderd. En verder, als er één is die 't
geen hier besproken wordt verklapt, die zal gestraft worden met een
gedwongen zwijgen van drie dagen.--CORNELIA: Goed. Zoo ver dus over de
manier waarop we de zaak zullen aanpakken. Hoort nu, wàt we zullen
behandelen. Vooreerst moeten we zorg dragen voor ons aanzien en
prestige. En dat ligt voornamelijk in onze uiterlijke verschijning. Die
wordt heden ten dage zóó verwaarloosd, dat men nauwlijks een onderscheid
kan zien tusschen een dame van adel en een vrouw uit het volk, een
getrouwde vrouw, een meisje, en een weduwe, tusschen een fatsoenlijke
gehuwde vrouw en een lichtekooi. Alle gevoel van schaamte is zoo ver de
wereld uit, dat iedere vrouw zich maar aanmatigt, wat ze maar wil. Men
kan tegenwoordig vrouwen uit de burgerklasse, ja zelfs uit heel lagen
stand zien, die zich kleeden in zijde, in sleepjaponnen, bebloemd,
gestreept, van fijn lijnwaad, met goud- en zilverdraad doorweven, ja met
sabelbont, terwijl intusschen hun mannen thuis schoenen zitten te
lappen. Haar vingers hebben ze beladen met smaragden en diamanten (want
paarlen zijn nu bij 't groote publiek in minachting), om over barnsteen,
koralen en goudleeren schoentjes maar niet eens te spreken. Vroeger was
't voldoende voor eenvoudige vrouwen, ter eere van hare kunne, zijden
ceintuurs te gebruiken en de gespen van haar japon met een zijden
borduurseltje te versieren. Thans is 't kwaad dubbel. Vooreerst moet 's
mans vermogen er aan gelooven en in de tweede plaats gaat 't verschil
van stand verloren, wat toch maar de waarborg is dat ieder krijgt wat
hij waard is. Zoo vrouwen uit het volk mogen rijden in mooie wagens en
zich in draagstoelen met ivoor versierd en met fijn linnen gedekt kunnen
laten dragen, wat schiet er dan nog over voor dames van adel en aanzien?
En als een vrouw gehuwd met iemand die amper-aan Ridder is, reeds een
sleep draagt van vijftien el, wat moet dan de vrouw van een Hertog of
Graaf doen? En dit is des te ondraaglijker, omdat wij zoo nu en dan met
verwonderlijke onberedeneerdheid onze kleederdracht veranderen. Eertijds
hingen van de punten die uitsteken van den top onzer hoofdbedekking,
linten af. Door dat versiersel onderscheidden zich de voorname dames van
de vrouwen uit lageren stand. Om nu de gelijkheid weer weg te nemen
namen de eerstgenoemden hoeden aan, die van buiten wit bont toonden met
zwarte staartjes bezet. Onmiddellijk nam 't lage volk het over. Weer
veranderden de dames van onzen stand en gingen een zwarten mantel dragen
van linnen. De vrouwen van de lagere standen durfden dat niet alleen
nadoen, maar voegden er nog gouden franje aan toe, ja, ten slotte zelfs
edelsteenen. Oudtijds was het een voorrecht van edelvrouwen zich de
haren van 't voorhoofd en de slapen uit te trekken en de haren op de
kruin in een wrong te binden. Lang duurde 't niet of de eerste de beste
volgde dat na. Eindelijk gingen zij het haar dragen zóó dat het op 't
voorhoofd neerhing; ook de vrouwen uit het volk deden dit onmiddellijk
na. Alleen adellijke dames hadden eertijds pages en lakeien en onder
deze één bevoorrechten, die haar de hand moest reiken wanneer ze van
haar zitplaats ging opstaan, die haar linkerhand bij 't loopen met zijn
rechterhand mocht steunen. En die eer werd alleen maar toegestaan aan
knapen van edele geboorte. En nu de getrouwde vrouwen dit overal doen,
nemen ze ook maar ieder die wil tot dat dienstbetoon aan, bijv. tot de
taak van sleepdragers. Zoo groetten vroeger alleen maar adellijke dames
met een kus. En lang niet iedereen ontvingen ze daarmee, ja zelfs
reikten ze niet aan iedereen de hand tot den handkus. Nu schieten zelfs
zij, die naar leer stinken op een dame af, om haar een kus te geven,
zelfs al is het een dame met een adellijk wapenschild. Ook bij 't
sluiten van huwlijken, let men zelfs niet meer op aanzien en stand.
Vrouwen van adel huwen mannen uit 't volk, burgervrouwen met edellieden.
En zoo krijgen wij tot kinderen een halfslachtig kroost. En geen is er
van zóó lage geboorte, die er tegen op ziet al de kunstmiddeltjes der
edelvrouwen aan te wenden. Terwijl 't vrouwen uit 't volk voldoende
moest geweest zijn, schuim van jong bier of frisch aftreksel van
boombast te gebruiken of andere dingen, die men voor lagen prijs kan
koopen, hadden zij karmijn en blanketsel en andere fijne verfstoffen
moeten overlaten aan de voornamere dames. Hoe weinig orde is er nu bij
diners of wanneer zij zich in 't openbaar vertoonen! Dikwijls gebeurt
't, dat de vrouw van een koopman niet verkiest te wijken voor een vrouw,
wier beide ouders van adel zijn. 't Is al lang een eisch van den tijd
dat we eens wat vaste regels hieromtrent vaststellen. En dat zullen wij
gemakkelijk onder elkander kunnen doen, omdat ze alleen de vrouwelijke
sekse aangaan. Maar, we hebben ook een appeltje te schillen met de
mannen, die ons van alle eerbetoon buitensluiten, en ons alleen maar
voor waschvrouw en kookster houden, terwijl zij alles naar hun eigen
goedvinden inrichten. Wij zullen hun dus graag hunne ambten overlaten en
de zorg voor de militaire zaken. Maar wie zou het kunnen dulden dat op
't schild het wapen van de vrouw altijd aan den linkerkant staat, ook al
overtreft zij 's mans adel met drie maal zooveel kwartieren als de
zijnen? Verder is 't toch ook niet meer dan billijk dat de moeder een
woordje heeft mee te spreken in 't geven van een positie aan de
kinderen? En misschien zullen we ook dit nog eens gedaan krijgen, dat
wij op ónze beurt ook de openbare ambten bekleeden: ten minste die
ambten welke binnen de muren en zonder wapens te dragen, kunnen worden
bekleed.
Dames, dat is in hoofdzaak wat me de moeite waard schijnt om er over te
beraadslagen. Laat ieder hierover eens bij zich zelve nadenken opdat er
raadsbesluiten over elk punt kunnen genomen worden, en als aan iemand
uwer soms nog iets in de gedachte komt, laat ze er dan morgen mee in de
vergadering voor den dag komen. We zullen immers iederen dag bijeenkomen
totdat wij de zitting ten einde hebben gebracht. Er moeten vier
secretaressen worden aangesteld om al wat er gesproken wordt op te
teekenen. Bovendien twee voorzitsters om 't woord te geven of te
ontnemen.
Zoo hoop ik dan dat deze bijeenkomst moge welslagen onder begunstiging
van Godes genadige bescherming.
NOTEN:
[1] Salomo. Spreuken 12.
[2] Corinth. XIV. 34. Taceat mulier in ecclesia.
* * * * *
DE BEDEVAART
MENEDEMUS, OGYGIUS.
Door Erasmus werden de _misbruiken_ in de kerk aangetast. Niet de
kerk zelve in haar geloof, doch de kwade praktijken (maar al te
veelvuldig in zwang) moesten zijn geeselstriemen voelen. En Erasmus
stond in zijn ergernis over de verfoeielijke misbruiken niet
alleen. Vele weldenkenden waren het met onzen Rotterdammer eens,
dat de door hem gehekelde vergrijpen tegen 't gezond verstand en
den reinen godsdienstzin ten volle verdienden belachelijk gemaakt
te worden.
"In de Bedevaart" (zoo zegt Erasmus in 't Nut der Samenspraken)
"vaar ik uit tegen diegenen, die stormenderhand de beelden uit de
kerken hebben geworpen; verder tegen hen, die dol gesteld zijn op
reizen, onder voorwendsel van godsdienstzin ondernomen en waaruit
thans geheele broederschappen ontstaan zijn. Die naar Jeruzalem
geweest zijn, heeten Gulden Ridders. Zij noemen elkander broeders
en vieren op Palmzondag in allen ernst een belachelijk feest, daar
ze dan een houten ezel aan een touw voorttrekken, terwijl er
tusschen hen en den ezel niet veel onderscheid is. Dit is ook
nagevolgd door de bedevaartgangers, die naar St. Jacob van
Compostella in Gallicië geweest zijn. Men gunne hun die
liefhebberijen, maar men dulde niet dat zij zich die als daden van
godsvrucht toerekenen. Ook hen teeken ik met zwarte kool, die
relieken van onzekeren oorsprong voor echte en heilige
overblijfselen verkoopen of er meer kracht aan toekennen dan
billijk is, en ik haal hen over den hekel die uit zulke relieken
een bron van vuige winst maken."