grinnikt en bijna in lachen uitbarst, terwijl hij zoo nu en dan een
kruisje slaat? Ik zal den man in zijn gelukzalige stemming eens
aanspreken. Hartelijk gegroet, mijn waarde Lalus. Je lijkt wel in den
zevenden hemel van gelukzaligheid te verkeeren.--LALUS: En toch zal ik
nog gelukkiger wezen wanneer ik u deelgenoot van mijn vreugd gemaakt
heb.--PHILECOUS: Maak mij dan zoo spoedig mogelijk gelukkig!--LALUS:
Ken-je Balbinus?--PHILECOUS: Dien geleerden ouden man, van wien iedereen
niets dan goed weet te vertellen?--LALUS: Juist, zooals je zegt; maar
geen sterveling is ten allen tijde verstandig of niemand is in alle
opzichten volmaakt. Bij zijn vele voortreffelijke gaven heeft de man één
klein gebrek: hij is reeds lang razend verzot op de kunst die ze
Alchemie noemen.--PHILECOUS: Wat je daar noemt is geen klein kwaaltje:
't is een flinke ziekte.--LALUS: Hoe 't ook moge zijn--ofschoon hij door
dat slag van menschen zoo dikwijls bedrogen is, heeft hij zich toch
eindelijk op een verwonderlijke manier laten beetnemen.--PHILECOUS:
Hoe?--LALUS: Daar komt op een goeden dag een zekere priester tot hem.
Deze groette hem met den hoogsten eerbied. Daarop begon hij: "Gij zult
er u misschien over verwonderen, allergeleerdste Balbinus, dat ik, een u
onbekende, u zoo durf aanspreken, terwijl ik toch moet weten dat gij
altijd zoo in de heiligste studiën verdiept zijt." Balbinus knikt
toestemmend, zooals zijn gewoonte is, want hij is met woorden uiterst
spaarzaam.--PHILECOUS: Dat is een bewijs van voorzichtigheid.--LALUS:
Maar de ander was nog voorzichtiger en zei: "Ge zult mij toch, hoop ik,
wel vergeven dat ik u last veroorzaak, wanneer gij de reden verneemt
waarom ik tot u ben gekomen." "Spreek op," zei Balbinus, "maar als gij
kunt, maakt het kort." "Nu ik zal het," zei de ander, "zoo beknopt
mogelijk vertellen. Ge weet, geleerdste van alle menschen, dat het lot
van de stervelingen verschillend is: ik weet niet onder welke helft ik
mij moet rangschikken, onder de gelukkigen of onder de ongelukkigen.
Immers als ik mijn lot van de ééne zijde beschouw, dan lijk ik me zelf
heel gelukkig; van den anderen kant diep rampzalig." En toen Balbinus op
bekorting aandrong, zeide hij: "goed, ik zal er een eind aan maken,
hooggeleerde Balbinus. En dat zal mij gemakkelijker vallen bij een man,
die van de geheele zaak zóó op de hoogte is, dat niemand ze beter
kent."--PHILECOUS: Je schildert me daar een redenaar af, geen
alchemist.--LALUS: Spoedig zult ge van den goudzoeker hooren. "Van jongs
af aan," zei hij, "mocht ik het geluk smaken de meest gezochte kunst van
alle kunsten te leeren, het merg van de heele wijsbegeerte: de
alchemie." Bij 't hooren van dit woord werd Balbinus recht wakker; hij
toonde dit tenminste door zijn gebaren. Al zuchtend vroeg hij hem door
te gaan. De ander ging voort: "Rampzalige die ik ben, dat ik niet
terechtgekomen ben op den weg dien ik had moeten inslaan." Toen Balbinus
hem vroeg, welke wegen hij toch bedoelde, zei hij: "Ge weet opperbest
(wat toch weet gij niet, Balbinus, gij, een man op elk gebied zoo
hooggeleerd?) dat er twee wegen in die kunst bestaan: de eene die men
_verlenging_ noemt; de andere die _verkorting_ heet. En nu heeft 't
ongeluk gewild dat ik terecht gekomen ben bij de verlenging." Toen
Balbinus vroeg wat voor verschil er was tusschen die twee wegen, zei de
ander: "hoe onbedachtzaam van mij om daar bij u over te spreken, van
wien ik moest weten dat dit alles hem meer dan aan iemand anders bekend
is. Daarom ben ik als smeekeling tot u gekomen, dat gij uit medelijden
met mij u zoudt verwaardigen, ons dien heilzamen weg der verkorting mee
te deelen. Hoe meer ge van die kunst weet, des te minder moeite zal het
u kosten ze aan mij mee te deelen. Verberg dus die gave Gods niet voor
een broeder die van droefheid dreigt te sterven. Zoo waar moge Jezus
Christus u steeds rijker maken met grootere gaven." En toen hij niet
ophield met smeeken, moest Balbinus eindelijk wel bekennen, dat hij
heelemaal niets wist van verlenging of verkorting. Hij vroeg dus of hij
hem de beteekenis van die woorden eens wilde uitleggen. Daarop zei de
priester: "Hoewel ik weet dat ik tot iemand spreek die er meer verstand
van heeft dan ik, zal ik het toch doen, omdat gij 't mij vraagt.
Menschen die hun geheele leven aan deze heilige kunst hebben besteed,
doen op tweeërlei wijze de gedaante der stoffen veranderen: de eene is
de kortste manier, maar is ook een klein beetje gevaarlijk; de andere is
wel de langste, maar is daarentegen veel veiliger. Nu noem ik mij
ongelukkig, omdat ik tot nog toe alle moeite heb gedaan op een manier
die mij tegen de borst stuit, en ik heb tot nog toe niemand kunnen
vinden, die mij den tweeden weg kon wijzen, dien ik zoo zielsgraag zou
inslaan. Eindelijk gaf God mij de gedachte in, mij tot u te wenden, een
man even geleerd als vroom. Geleerdheid staat u ten dienste om zonder
bezwaren te geven wat ik van u vraag: uw vroomheid zal u wel aandrijven
om een broeder te helpen wiens redding gij in uw hand hebt." Om kort te
gaan: toen de oude slimmerd door dergelijke praatjes elke gedachte aan
bedrog van zich had afgewend en bij Balbinus 't vertrouwen had gewekt,
dat hij dien éénen weg op zijn duimpje kende, popelde Balbinus' hart
reeds geruimen tijd van verlangen. Eindelijk hield hij zich niet in en
zei: "Laat die verkorting, waarvan ik zelfs den naam nooit gehoord heb,
laat staan dat ik ze ken, naar den drommel loopen! Zeg me, op uw
eerewoord: verstaat ge de kunst van die verlenging ten volle?" "Nou,"
zei de ander, "op mijn duimpje: maar die lange duur verveelt me danig."
En toen Balbinus vroeg hoeveel tijd er wel voor noodig was, kreeg hij
ten antwoord: "Heel wat: bijkans wel een vol jaar. Maar intusschen is 't
de meest veilige manier." "Heb maar geen bezwaar," zei Balbinus; "ook al
waren er twee jaren mee gemoeid. Als je maar op je kunst vertrouwt." Om
nu de zaak in enkele woorden samen te vatten: ze kwamen overeen dat zij
de zaak in het geheim in 't huis van Balbinus zouden aanpakken, op deze
voorwaarde: dat de één het werk zou doen, terwijl Balbinus de kosten zou
dragen. De winst zou eerlijk verdeeld worden, ofschoon de bedrieger
kwanswijs in alle bescheidenheid zeide, al het voordeel aan Balbinus te
willen overlaten. Van beide kanten deed men een eed dat men de zaak stil
zou houden, zooals zij altijd doen die in geheime plechtigheden worden
ingewijd. Nu wordt onmiddellijk 't geld uitbetaald om daarvan de potten,
glazen, houtskool en al het andere te koopen, wat moest dienen om de
werkplaats in te richten. Dat geld bracht onze goudzoeker lekkertjes
zoek met wijntje en Trijntje en dobbelspel.--PHILECOUS: Dat is de rechte
manier om de gedaante der dingen te veranderen.--LALUS: Toen Balbinus er
op aandrong om het zaakje nu eens flink aan te pakken, zei de ander:
"Ken je het spreekwoord niet: een goed begin is 't halve werk? 't Heeft
heel wat voeten in de aarde om zijn stof goed voor te bereiden."
Eindelijk begon hij het fornuis gereed te maken. Maar nu was er weer
opnieuw goud noodig, als een lokvink voor 't goud dat komen moest.
Immers, evenmin als men visch vangt zonder aas, zoo komt ook geen goud
bij de alchemisten voor den dag, zonder dat er eerst een deel goud bij
gedaan wordt. Intusschen ging Balbinus geheel op in zijn berekeningen.
Hij rekende uit, als één ons goud vijftien onsen opbracht, hoeveel winst
er dan wel komen moest van tweeduizend onsen. Zooveel toch had hij
besloten in de zaak te steken. Toen de goudmaker ook dit geld er had
dóórgelapt en al een paar maanden voor de leus druk bezig was geweest
met blaasbalgen en houtskool, hield hij, op een vraag van Balbinus of 't
zaakje wat vorderde, eerst zijn mond. Toen de ander aanhield antwoordde
hij eindelijk: "Zooals het steeds gaat met gewichtige zaken: 't begin is
daarbij altijd moeilijk." Hij voegde er als verklarende reden bij, dat
hij zich vergist had in 't koopen van houtskool. Hij had houtskool van
eikenblokken gekocht en ze had van dennenhout moeten wezen of van
hazelaarshout. Daarmee waren nu honderd goudstukken naar de maan en hij
had er des te lustiger op losgedobbeld. Opnieuw werd er geld gegeven: de
kolen werden verwisseld. En nu werd de zaak met grooteren ijver
aangepakt dan te voren. Het ging onzen goudzoekers als soldaten in den
oorlog, die wanneer 't hun tegenloopt, door grootere dapperheid hun
tegenspoed trachten te herstellen. Toen nu in de werkplaats eenige
maanden achtereen gestookt was, de geboorte van het goud met den dag
werd verwacht en er geen greintje goud meer in de retorten te bespeuren
was (want dat had onze alchemist alles doorgebracht) moest er weer een
andere uitvlucht worden uitgedacht. Het heette nu: de glazen die hij
gebruikt had waren niet zóó van pas geweest als ze wezen moesten. Want,
zooals niet elk hout timmerhout is, zoo maakt men ook geen goud in 't
eerste 't beste glas. Maar, hoe meer men had uitgegeven, des te minder
mocht men ophouden.--PHILECOUS: Zoo gaat 't altijd met spelers: alsof 't
niet veel verkieslijker ware slechts weinig te verliezen dan
alles.--LALUS: Zoo is het. De goudzoeker zwoer bij al wat heilig was,
dat hij nooit zóó bedrogen was. Maar nu de fout eenmaal ontdekt was, zou
alles nu verder wel goed gaan en hij zou deze uitgaaf met grooten woeker
vergoeden. De glazen worden geruild en ten derden male wordt de
werkplaats ingericht. De alchemist gaf een aanwijzing dat de zaak beter
zou lukken, wanneer men aan de Heilige Moeder die (zooals u bekend is)
aan de Zeestad vereerd wordt, eenige goudstukken ten geschenke zond. Dat
't immers een heilige kunst was en dat de zaak niet goed kon afloopen
zonder de begunstiging der goden. Dien raad vond Balbinus uitstekend,
zoo'n vroom man, die geen dag liet voorbijgaan zonder zijn
godsdienstplichten te vervullen. De goudmaker nam de bedevaart op zich,
wel te verstaan naar een nabijgelegen stadje waar hij 't geld, als offer
bestemd voor 't vrome doel, verbraste in allerlei slechte huizen.
Teruggekeerd verklaart hij dat er nu gegronde hoop is om de zaak naar
wensch te doen afloopen: zóó duidelijk had de Heilige Maagd hare
goedkeuring aan hun plannen te kennen gegeven. Men arbeidde nu een
geruimen tijd naarstig in de werkplaats, maar er kwam geen schijntje
goud Voor den dag. Balbinus kreeg op zijn vraag hoe 't er toch mee
stond, van den alchemist ten antwoord, dat hem in zijn heele leven nog
nooit iets dergelijks was overkomen, terwijl hij toch zooveel
ondervinding van de kunst had. En evenmin kon hij met eenige zekerheid
gissen, wat de reden toch wel kon zijn. Toen zij lang hadden geraden,
schoot aan Balbinus eindelijk _dit_ in de gedachte, of de ander soms op
dien dag de mis had verzuimd, of de zoogenaamde uren-gebeden had
vergeten te bidden: want als men deze overslaat, dan kan niets gelukken.
De bedrieger riep toen uit: "daar heb-je het al! Je hebt gelijk! Ik
domoor, heb een paar malen uit onachtzaamheid dat verzuim begaan, en nog
kort geleden ben ik van een diner dat wat lang geduurd had, opgestaan,
zonder 't Ave Maria te bidden." Balbinus zei 't dan ook heel natuurlijk
te vinden dat de zaak geen succes had. De goudmaker nam nu op zich, voor
de twee verzuimde missen, er twaalf te gaan hooren en voor 't nagelaten
Ave Maria er tien op te zeggen. Maar, onze alchemist, die heel wat geld
aan kon, was weer eens platzak. Redenen om van Balbinus een voorschot te
vragen waren er niet. Nu nam hij het volgende kunstje te baat. Geheel
buiten adem komt hij het huis van Balbinus binnen loopen en roept met
jammerende stem: "Balbinus ik ben een verloren man! Geheel verloren! 't
Is gedaan met mij!" Balbinus stond verstomd en verlangde de oorzaak van
zoo'n groot ongeluk te weten. "De heeren van het hof hebben er lucht van
gekregen wat we gedaan hebben en ik verwacht niet anders dan dat ik
spoedig naar de gevangenis zal worden gebracht." Ook Balbinus werd nu in
ernst bleek van schrik. Want gij weet dat 't bij ons een halsmisdaad is,
als iemand zich afgeeft met alchemie zonder uitdrukkelijke toestemming
van den vorst. De ander gaat voort en zegt: "Ik vrees nu wel niet den
dood; ik wilde zelfs dat mij die trof! Maar ik ben bang voor iets
ergers." Op de vraag: wat dat dan wel was, antwoordde hij: "Ik zal
ergens naar een vesting gesleept worden. Daar zal ik mijn geheele leven
dwangarbeid moeten verrichten voor menschen, voor wie ik dat niet doen
wil. Is niet elke dood boven zulk een leven te verkiezen?" Nu werd er
over de zaak gesproken en gepraat en beraadslaagd en ze werd van alle
kanten bekeken. Balbinus die in de loopjes van de rhetorica doorkneed
was, ging alle zoogenaamde geschilstaten door, om te zien of hij 't
gevaar kon ontkomen. "Kunt ge," zoo vroeg hij, 't misdrijf niet
loochenen?" "Volstrekt niet. De zaak is bekend onder de hovelingen van
den koning en ze hebben bewijzen die niet ontzenuwd kunnen worden." 't
Feit kon zelfs niet verdedigd worden omdat de wet op dit punt klaar en
duidelijk was. Toen er veel in 't midden was gebracht en nergens eenig
hoû-vast te vinden was, zei eindelijk de alchemist die onmiddellijk geld
noodig had: "Balbinus, wij zitten hier nu plannen te beramen en maken
geen voortgang. En toch eischt de zaak een oogenblikkelijke afdoening.
Over enkele minuten zullen de gerechtsdienaren hier zijn om mij weg te
sleepen." Toen Balbinus geen uitredding kon verzinnen, zei eindelijk de
alchemist: "Er wil mij ook niets te binnen schieten. Ik geloof niet dat
mij iets rest dan dat ik manmoedig sneef. Of we moesten bijgeval
besluiten tot 't eenige redmiddel dat ik nog zie, meer afdoende dan
eervol, waarvoor de eenige verontschuldiging is dat nood wet breekt. Ge
weet: dat slag van menschen is tuk op geld en laat zich vrij gemakkelijk
omkoopen om te zwijgen. Al is het ook nog zoo hard aan zulk gespuis geld
te geven om dat weer gauw te verbrassen, zoo zie ik toch voor het
oogenblik geen betere uitkomst." Balbinus was van dezelfde gedachte en
hij telde dertig goudstukken neer om daarvoor het verlangde stilzwijgen
te koopen.--PHILECOUS: Nu wat ge me daar vertelt geeft mij wel een groot
denkbeeld van de scheutigheid van Balbinus.--LALUS: Daarentegen zou je
hem, wanneer 't een fatsoenlijke zaak gold, eerder een tand uit zijn
mond geslagen hebben dan geld uit zijn beurs. Zoo werd er voor den
goudzoeker gezorgd, die geen ander gevaar had geloopen dan dat hij geen
geld had voor zijn liefje.--PHILECOUS: Ik vind 't verwonderlijk dat
Balbinus 't niet in de gaten kreeg.--LALUS: Ja op dit punt mist hij, als
men 't goed beschouwt, elk waarnemingsvermogen, hij die anders zoo'n
scherpen neus heeft. Weer wordt met een nieuwe bijdrage de oven
gestookt, maar eerst een schietgebedje tot de Heilige Maagd opgezonden
dat Zij hun pogingen zou willen begunstigen. Bijkans een heel jaar was
reeds voorbijgegaan en nu eens onder dit, dan eens onder dat voorwendsel
werd de moeite verspeeld en gingen de kosten verloren. Intusschen viel
er iets kluchtigs voor.--PHILECOUS: Wat dan?--LALUS: De goudmaker had
verboden omgang met de vrouw van één der heeren van het hof. Haar
echtgenoot, die argwaan had gekregen, begon onzen vriend na te gaan.
Toen hem eindelijk eens werd bericht dat de priester zich in de
slaapkamer van zijn vrouw bevond, keert hij onverwacht naar huis terug
en klopt aan de deur.--PHILECOUS: Wat wilde hij den kerel doen?--LALUS:
Nou, niet veel vriendelijks! Hem dooden of hem voor goed onschadelijk
maken en de gelegenheid benemen ooit weer zijn streken uit te halen.
Toen de echtgenoot nadrukkelijk dreigde dat hij de deur zou intrappen
als zijn vrouw niet opendeed, liep de priester angstig heen en weer, en
keek rond naar een redmiddel dat hem voor 't oogenblik zou kunnen
helpen. Maar er was niets te doen, dan hetgeen de gelegenheid op dat pas
aanbood. Hij trok zijn kleeren uit en sprong door een nauw venster naar
beneden, wat nog al gevaarlijk was en hem lichaamsletsel bezorgde: maar
hij wist te ontkomen. Nu, ge weet zulke histories gaan onmiddellijk als
een loopend vuurtje rond. En zoo komt 't dan ook Balbinus ter oore. Onze
kunstenaar was daarop ook wel voorbereid.--PHILECOUS: Ha, nu zit onze
slimmerd toch in de klem.--LALUS: Mis! Hij komt hier nog beter vandaan
dan uit 't slaapvertrek van de dame. Hoor eens naar de streken van den
guit. Balbinus vroeg hem nergens naar, maar zijn strak gezicht toonde
genoegzaam aan, dat hij wist wat er onder de menschen werd verteld. De
ander wist dat Balbinus een vroom man was, in sommige opzichten zelfs
bijgeloovig. En menschen van dien aard schenken licht aan een schuldige
die om vergiffenis vraagt, vergeving, al is hun zonde ook nog zoo groot.
Met opzet begon hij er dus over te spreken hoe 't met de goudmakerij
ging, terwijl hij er over klaagde dat de zaak niet zóóveel succes had
als hij wel gewoon was of als hij wel wilde. Hij voegde er tevens aan
toe dat hij er verwonderd over was, wat er toch eigenlijk aan haperde.
Nu wordt Balbinus die anders 't stilzwijgen had willen bewaren, boos--en
dat werd hij nog al licht--: "'t Ligt volstrekt niet in het duister wat
er in den weg staat: de zonden werken ons tegen en verhinderen dat we
een goeden uitslag krijgen bij dat, wat alleen door reinen rein mag
worden ter hand genomen." Bij dezen uitval viel de goudmaker op zijn
knieën, terwijl hij zich op de borst sloeg. Met tranen op 't gelaat en
tranen in zijn stem sprak hij: "Balbinus: 't is alles waarheid wat je
daar zegt: 't zijn zonden die een belemmering zijn, maar niet uwe
zonden, maar de mijnen. Ik schaam er mij niet voor bij u schuld te
belijden, als bij een heilig priester. De zwakheid des vleezes had mij
overwonnen, en de Duivel had mij in zijn netten verstrikt. Wee mij, van
priester ben ik een overspeler geworden! Maar de gave die wij aan de
Heilige Maagd gezonden hebben is toch niet geheel te vergeefs geweest.
Ik zou zeker geheel verloren zijn, als Zij mij niet te hulp was gekomen.
De door mij bedrogen echtgenoot bonsde al op de deur, en 't venster was
te nauw dan dat ik daardoor kon ontsnappen. In dat oogenblik van
dreigend gevaar dacht ik aan de Heilige Maagd. Ik viel op mijn knieën,
ik smeekte Haar mij te helpen, als onze gave Haar welgevallig was
geweest. Na enkele oogenblikken ga ik weer naar 't venster (de nood
drong; ik _moest_ wel) en ... ik vond het venster ruim genoeg om mij
door te laten."--PHILECOUS: En geloofde Balbinus dat alles?--LALUS: Of
hij het geloofde? Ja zelfs schonk hij hem vergiffenis en drukte hem op
't hart dat hij zich vroom moest gedragen en zich niet ondankbaar moest
betoonen tegenover de Heilige Maagd. En wéér is hem geld uitbetaald,
toen hij beloofd had, dat hij voortaan het heilige werk op reine wijze
zou volbrengen.--PHILECOUS: Nu, en 't slot?--LALUS: O, 't verhaaltje is
nog lang niet uit; maar ik zal 't kort maken. Toen hij met dergelijke
verzinsels den man lang om den tuin had geleid en een aardige som gelds
van hem had losgekregen, kwam eindelijk iemand op de proppen die den
praatjesmaker van jongs af had gekend. Hij kon gemakkelijk gissen dat de
kerel bij Balbinus 't zelfde spelletje speelde dat hij ook elders had
gespeeld. Hij gaat dus in stilte naar Balbinus en licht hem in wat voor
snaak hij in zijn huis koesterde. Hij raadt hem aan den kerel zoo
spoedig mogelijk de deur te wijzen, wanneer hij soms niet wilde dat hij
hem eens zou zien verdwijnen, na zijn kas geplunderd te
hebben.--PHILECOUS: En wat deed Balbinus? Hij liet toch natuurlijk den
spitsboef in de gevangenis opsluiten?--LALUS: In de gevangenis? Ja, dat
kun-je begrijpen! Hij betaalde hem nog een reisgeld uit en bezwoer hem
bij al wat heilig is, dat hij niet zou vertellen wat er gebeurd was. En
mijns inziens deed hij daaraan verstandig, liever dan dat hij een
onderwerp werd van praatjes in kroegen en op straat en misschien nog
groot gevaar zou loopen zwaar beboet te worden. Want de bedrieger liep
in het geheel geen gevaar. Hij wist niets meer van de goudmakerskunst
dan iedere ezel. De bedriegerij is daarbij nogal in een voordeelige
positie. Als Balbinus hem van diefstal had willen beschuldigen, dan zou
zijn priesterzalving hem tegen doodstraf door ophanging hebben beschermd
en niemand wil graag zoo'n doodvreter langen tijd in de gevangenis den
kost geven.--PHILECOUS: Ik zou medelijden met Balbinus hebben, wanneer
hij niet zelf gewild had bedrogen te worden.--LALUS: Maar nu moet ik
naar het Hof. Bij een andere gelegenheid zal ik je wel eens
geschiedenisjes vertellen die nog zotter zijn dan deze.--PHILECOUS: Heb
ik tijd, dan zal ik er graag naar luisteren en je er een historie voor
in ruil vertellen.
NOOT:
[1] Namen, zooals Erasmus ze gaarne bezigt, beteekenend: Hoorgraag en
Praatgraag.
* * * * *
DE PAARDENKOOPER
AULUS EN PHAEDRUS.
Dat paardenkoopers, óók in Erasmus' tijd, reeds in niet al te
goeden naam van eerlijkheid stonden, bewijst de volgende
samenspraak. Nadere verklaring heeft de inhoud niet noodig: de zaak
is oud en hoog-modern.
Naar Erasmus' eigen woorden heeft hij deze samenspraak geschreven,
om de jongelieden van zijn tijd te laten zien, dat men een modern
onderwerp, van alledaagschen aard ook in het deftige latijn, los,
luchtig en opgewekt kan behandelen.
AULUS: Heere bewaar me! wat kijkt onze Phaedrus ernstig. Zoo nu en dan
slaat hij zijn oogen hemelwaarts. 'k Zal hem eens aanklampen. Wat voor
nieuws is er, Phaedrus?--PHAEDRUS: Waarom vraag je mij dat zoo,
Aulus?--AULUS: Omdat het er veel van heeft of je van een vroolijken
Phaedrus tot een strengen Cato bent geworden. Zóó strak staat je
gelaat.--PHAEDRUS: Nu, daar is reden voor: ik heb juist mijn zonden
gebiecht.--AULUS: O! dan verwonder ik mij niet meer. Maar vertel me
eens: heb je alles te goeder trouw gebiecht?--PHAEDRUS: Ten minste alles
wat me in den zin kwam. Eén ding slechts uitgezonderd.--AULUS: En waarom
verzweeg je dat ééne?--PHAEDRUS: Omdat ik 't toch eigenlijk zelf nog
niet zoo héél slecht kan vinden.--AULUS: Dan moet dat wel een prettige
zonde zijn geweest. PHAEDRUS: Of het een zonde is, weet ik niet: maar
als je een poosje tijd hebt, mag je het wel hooren.--AULUS: Ik wil heel
graag luisteren.--PHAEDRUS: Je weet hoeveel er onder paardenhandelaars,
koopers en verkoopers, bedrogen wordt.--AULUS: Ja, meer dan me lief is,
want ik ben er zelf dikwijls de dupe van geweest.--PHAEDRUS: Onlangs
moest ik een tamelijk lange reis doen, maar die ook vrij veel spoed
vereischte. Ik ga naar één van de paardenverhuurders, lang niet één van
de slechtsten van dat soort; zelfs was ik met dien man eenigermate
bevriend. Ik vertel hem dat ik een gewichtige opdracht heb, dat ik een
flink en stevig paard noodig heb. Als hij zich ooit jegens mij
verdienstelijk had gemaakt, dat hij 't dan _nu_ moest doen. Hij beloofde
dat hij met mij zou handelen zooals hij dat met zijn liefsten broer zou
doen.--AULUS: Misschien was hij ook wel van plan zijn broer te
bedriegen.--PHAEDRUS: Hij brengt me in zijn stal en zegt dat ik maar uit
al zijn paarden moet kiezen welk ik wil. Eindelijk was er één dat mij
meer dan alle andere beviel. Hij prijst mijn keuze, terwijl hij er een
eed op doet, dat juist dàt paard dikwijls door velen gevraagd is: dat
hij 't liever had willen bewaren voor een particulieren vriend, dan 't
aan onbekenden af te staan. We werden het eens over den prijs. De
betaling geschiedt tegen contant geld. Ik stijg te paard. Bij 't naar
buiten rijden was 't paard opgewekt en buitengewoon geanimeerd. Men zou
haast zeggen dat 't een beetje wild was: 't zag er vet en rond en
welgedaan uit. Maar toen ik zoowat een anderhalf uur gereden had, begon
ik te bemerken dat 't reeds geheel en al moe was en dat ik er zelfs met
de sporen geen voortgang in kon krijgen. Nu had ik wel eens gehoord dat
door paardenkoopers dikwijls zulke dieren om te bedriegen op stal
gehouden worden, paarden die men op 't oog voor uitstekend zou houden,
maar die tegen vermoeienis volstrekt niet bestand zijn. Dadelijk dacht
ik bij mij zelf: "je bent beet genomen! Komaan, zoodra je thuis komt,
betaal je hem met gelijke munt."--AULUS: En wat ving je nu onderweg aan,
jij ruiter zonder paard?--PHAEDRUS: Wat de loop der dingen mij aan de
hand deed. Ik sloeg den weg in naar 't naaste dorp. Daar stalde ik
stilletjes bij een bekende van me het paard en ik huurde een ander. Ik
reed naar de plaats van mijn bestemming, keerde terug, lever mijn
huurpaard in, tref mijn koopje aan, vetjes en wel, en flink uitgerust
van de eerste vermoeienis. Ik rijd daarop naar mijn bedrieger en vraag
hem of hij 't in zijn stal eenige dagen wil bewaren en voederen tot ik
het weer kom opeischen. Hij vraagt me hoe het beestje 't gemaakt heeft.
Ik zweer hem nu bij al wat heilig is, dat ik nooit van mijn leven een
voortreffelijker dier bestegen had, dat 't eerder vloog dan liep, dat 't
heelemaal geen vermoeienis had gekend niettegenstaande den langen tocht
en dat het geen haartje magerder was geworden van 't zware werk. Toen ik
hem wijs gemaakt had dat dit werkelijk zoo was, dacht hij zoo stilletjes
bij zich zelven, dat 't paard dan toch wel anders moest zijn dan hij
gedacht had. Vóór ik dus wegging, vroeg hij me of 't paard ook te koop
was. Ik zei eerst van neen. Als ik weer eens een reis moest doen, dat 't
dan niet gemakkelijk zou wezen een dergelijk paard te krijgen. Maar dat
aan den anderen kant niets mij zóó dierbaar was of 't was wel voor een
flinken prijs van mij te koop, ook al zou iemand mij zelven in levenden
lijve willen koopen.--AULUS: Je speelde daar mooi de rol van bedrieger
tegenover den bedrieger.--PHAEDRUS: Om kort te gaan, hij liet me niet
vertrekken zonder dat ik een prijs voor het paard had vastgesteld. Ik
gaf dien heel wat hooger op dan waarvoor ik 't beest van hem gekocht
had. Toen ik van den man weggegaan was, neem ik dadelijk iemand in den
arm om mee een rol te spelen in deze komedie. Ik zeg hem duidelijk wat
er aan de hand is en breng hem goed op de hoogte. Hij gaat naar 't huis
van den stalhouder en vraagt dezen te spreken. Hij zegt hem dat hij een
mooi paard noodig heeft, dat goed tegen veel vermoeienissen bestand is.
De koopman laat hem verschillende paarden zien en prijst de slechtste 't
meest aan. Alleen 't paard dat hij mij had verkocht, biedt hij niet aan,
omdat hij dacht dat 't werkelijk zoo uitstekend was als ik had gezegd.
Maar de ander vraagt hem onmiddellijk of dat paard ook soms te koop is,
want ik had hem beschreven hoe 't paard er uit zag en hem de plaats
aangeduid waar het stond. Eerst hield de paardenkooper zijn mond en
prees al de andere paarden uitbundig. Maar omdat de kooper steeds op dat
ééne paard terugkwam, terwijl hij de overige paarden voor de leus nog
wel wat prees, zei eindelijk de paardenkooper bij zich zelven: "ik moet
mij dan toch wel in dat paard vergist hebben, als ten minste deze
vreemdeling het zoo dadelijk onder alle paarden uitpikt." Toen de kooper
aandrong, zeide hij eindelijk: "'t Is te koop, maar misschien zult ge u
wel door den prijs laten afschrikken." "Geen prijs is te hoog," zei hij,
"wanneer die overeenkomt met de waarde van de zaak. Zeg maar op." Hij
gaf nu een prijs op vrij wat hooger, dan ik hem had genoemd, ook nog
naar _die_ winst begeerig. Eindelijk werden ze het over de koopsom eens.
Er werd een tamelijk groot handgeld gegeven, n.l. een goudstuk, om geen
vermoeden te wekken dat 't maar een schijnkoop was. De kooper liet 't
paard goed haver geven en zei dat hij gauw zou terugkomen om 't paard
mee te nemen. De stalknecht krijgt een halven gulden fooi. Zoodra ik
hoorde dat de koop goed en wel gesloten was, zóó dat hij niet meer kon
worden verbroken, keer ik gelaarsd en gespoord naar den
paardenverhuurder terug: buiten adem roep ik om hem. Hij komt te
voorschijn en vraagt wat ik verlang. "Laat dadelijk mijn paard
optuigen," zei ik, "want ik moet onmiddellijk voor een gewichtige
zending op reis." "En onlangs," antwoordde hij, "droeg-je me op het
paard eenige dagen te stallen en te voederen." "Ja, dat is waar," zei
ik, "maar daar is me nu plotseling, zonder dat ik er op gerekend had,
een taak opgedragen en dat nog wel van koningswege, die geen uitstel
gedoogt." Toen hij weer: "Kies maar uit alle paarden welke je wilt: 't
uwe kunt ge evenwel niet krijgen." Ik vraag natuurlijk: "waarom niet?"
"Omdat het verkocht is," ontvang ik ten antwoord. Met geveinsden schrik
riep ik uit: "De hemel verhoede dat 't waar is, wat gij zegt. Nu mij die
opdracht wordt gegeven, zou ik mijn paard niet willen verkoopen al was
het ook voor viermaal den prijs." Ik begin te schelden en te kijven en
noem me een verloren man. Eindelijk wordt hij ook boos. "Wat hebben we
met dat getwist te maken? _Gij_ hebt een prijs bepaald voor 't paard,
_ik_ heb 't verkocht. Als ik u den prijs uitbetaal dan hebt ge met mij
niets meer te maken. Er zijn nog rechters hier in de stad. Ge kunt me
niet dwingen u het paard te leveren." Terwijl ik er nog lang op aandrong
dat hij mij 't paard zou afgeven of mij den kooper zou aanwijzen,
betaalde hij me eindelijk den prijs uit. Ik had 't voor vijftien
goudstukken gekocht en het later geschat op zes-en-twintig. Hij had 't
op twee-en-dertig gesteld. Hij redeneerde zóó bij zich zelf: 't is
voordeeliger dit zoete winstje te maken dan 't paard terug te geven. Ik
ga heen, voorgevend erg boos te zijn en slechts noode gekalmeerd door 't
ontvangen geld. De paardenkooper vroeg of ik 't hem niet kwalijk wilde
nemen: dat hij mijn schade wel op andere manieren zou trachten te
vergoeden. En zoo werd de bedrieger bedrogen. Hij zit nu met een paard
dat niets waard is, en wacht maar steeds dat de man die hem 't handgeld
heeft gegeven zal komen om hem den bedongen prijs uit te betalen. Maar
er komt niemand en er zal ook nooit iemand komen.--AULUS: En heeft hij
er u intusschen nooit over gesproken?--PHAEDRUS: Wat zou dat voor een
brutaliteit zijn en met welk recht zou hij dat doen? Hij heeft me nog
wel eens een paar malen ontmoet en mij zijn beklag gemaakt over de kwade
trouw van den kooper. Maar ik heb hem van mijn kant dadelijk den mantel
uitgeveegd en gezegd dat hij die leelijke behandeling waard was, omdat
hij mij door een overhaasten verkoop van zoo'n goed paard had beroofd.
Dat is nu een zonde zóó juist van pas begaan, naar mijn idee, dat ik 't
niet over mij kon verkrijgen om ze te biechten.--AULUS: Ik zou voor mij
zelven een standbeeld vragen als ik zoo iets had verzonnen: zóó ver is
het er van af dat ik 't als zonde zou biechten.--PHAEDRUS: Of ge dit van
harte meent, weet ik niet, maar bij mij wekt ge den lust en den moed op,
om zulke menschen bij gelegenheid óók eens zoo'n poets te bakken.
* * * * *
DE PAARDLOOZE RIDDER OF DE VERDICHTE ADEL
HARPALUS. NESTORIUS.
Erasmus zegt in zijn "Nut der Samenspraken" over den onderstaanden
dialoog het volgende:
"In den verdichten adel schilder ik dat slag van menschen, die,
onder het bedriegelijk voorwendsel van edellieden te zijn, alles
meenen te mogen doen en die één der voornaamste rampen zijn
waaronder Duitschland lijdt."