alsof je een schat gevonden hadt?--ANSELMUS: Nu, zoo héél ver van de
waarheid was je met je raden niet verwijderd.--THOMAS: Maar wil-je dan
aan je vriend niet eens meedeelen wat dat voor goeds is?--ANSELMUS: 't
Was al lang een hartewensch van me om iemand te hebben aan wiens boezem
ik mijn vreugde kon uitstorten.--THOMAS: Welnu dan, deel mee.--ANSELMUS:
'k Heb daareven een allerleukst verhaal gehoord waarvan je zoudt zweren
dat 't een grappig verzinsel was, als niet plaats, personen en de heele
zaak mij net zoo goed bekend waren als ik u ken.--THOMAS: Je maakt me
brandend nieuwsgierig.--ANSELMUS: Je kent Polus, den schoonzoon van
Faunus?--THOMAS: Heel goed.--ANSELMUS: Nu hij is 't die 't heele stukje
heeft bedacht en heeft gespeeld.--THOMAS: Ik wil 't graag gelooven. Want
hij kan zelfs zonder masker of vermomming elke rol spelen.--ANSELMUS:
Zoo is het. Dan ken-je denk ik ook 't buitentje dat hij niet ver van
Londen heeft?--THOMAS: Of ik! we hebben daar menigmaal een goed glaasje
gedronken.--ANSELMUS: Dan kun-je je ook nog wel dien weg voorstellen aan
beide kanten met boomen op gelijken afstand beplant?--THOMAS: Links van
het huis een paar pijlschoten ver?--ANSELMUS: Juist. Aan den eenen kant
van den weg is een drooge sloot, begroeid met kreupelhout en
doornstruiken. Over een smal bruggetje kom-je van daar in 't open
veld.--THOMAS: Ja, dat weet ik.--ANSELMUS: Al lang liep het gerucht en
't praatje onder de boeren van die plaats, dat bij dit bruggetje een
spook werd opgemerkt, waarvan men zoo nu en dan de klagende jammerkreten
kon vernemen. Men vermoedde dat 't de ziel van den een of ander was die
door vreeslijke pijnigingen werd gekweld.--THOMAS: En van wien ging dat
praatje uit?--ANSELMUS: Wel, van wien anders dan van Polus? Dat was het
voorspel van zijn stuk.--THOMAS: Hoe kwam hij er zoo op om dat alles te
verzinnen?--ANSELMUS: Weet ik? Of 't moet zijn omdat 't een
eigenaardigheid van hem is. Hij houdt er van met de domheid van 't volk
door zulke spelletjes den spot te drijven. Laat ik je eens vertellen wat
van dien aard hij onlangs heeft uitgedacht. Gezamenlijk reden wij in nog
al grooten getale te paard naar Richmond. Daar waren er onder, die je
kloeke mannen zoudt kunnen noemen. Het was een prachtige, heldere hemel,
door geen wolkje verduisterd. Terwijl aller oogen naar den hemel gericht
waren sloeg Polus over zijn voorhoofd en zijn borst een kruis en terwijl
zich op zijn gezicht schrik afteekende, sprak hij half luid in zich
zelf: "God Almachtig, wat zie ik daar?" En aan zijn gezellen die 't
dichtst bij hem reden en hem vroegen wat hij zag, zei hij terwijl hij
nog grooter kruisteekens maakte: "Moge de genadige God dit teeken
afwenden." Toen allen aandrongen om toch te weten te komen wat er was,
zei hij met star op den hemel gevestigde blikken en terwijl hij met zijn
vinger een plek aan den hemel wees: "Ziet ge daar dan niet dien
ontzaglijken draak met vurige horens gewapend en met zijn staart in een
kring gedraaid?" Toen allen zeiden dat ze niets zagen en hij zei dat ze
dan toch hun oogen goed moesten inspannen en hij hun intusschen de plek
bleef aanwijzen zei eindelijk één dat hij 't óók zag, om niet den schijn
te hebben dat hij slechte oogen had. Een tweede volgde hem na en nog
weer een. Want deze schaamde zich niet te zien wat voor anderen zóó
duidelijk scheen te zijn. Om kort te gaan: binnen een drietal dagen was
't gerucht als een loopend vuurtje door geheel Engeland verspreid, dat
zich zulk een verschijning had vertoond. Verwonderlijk evenwel is het,
hoeveel er in den mond van 't volk niet bijgekomen was. Ook waren er die
in vollen ernst gingen uitleggen wat 't wonderteeken eigenlijk moest
beduiden. Natuurlijk had hij die 't geheele stuk in elkaar gezet had
ontzaglijk veel schik in de domheid der menschen.--THOMAS: O, 't is
precies een bedenksel voor hèm. Maar om tot je spook terug te
keeren.--ANSELMUS: Intusschen komt juist bij Polus een zekere priester
Faunus logeeren, één van die orde voor wie 't niet genoeg is dat ze met
den latijnschen naam Regulieren worden genoemd, maar die er ook nog
graag den griekschen naam kanunnik aan zien toegevoegd: kortom, een
parochie-priester uit 't een of ander dorp in de buurt, een man die zich
verbeeldde, vooral van zaken van den heiligen dienst nog al heel wat
verstand te hebben.--THOMAS: Ik begrijp 't. Nu hebben we de acteurs in
het stuk bij elkaar.--ANSELMUS: Aan den maaltijd werd gesproken over de
praatjes aangaande het spook. Toen Polus bespeurde dat Faunus niet
alleen 't gerucht vernomen had, maar 't ook geloofde, begon hij den man
te bezweren dat hij, zoo'n geleerd en vroom man, de arme ziel, die zoo
schriklijke plagen moest verduren, te hulp zou komen. "En," zei hij,
"als ge soms twijfelt, onderzoek dan de zaak, wandel tegen een uur of
tien eens langs dat bruggetje en dan zul-je 't droevig gejammer hooren.
Neem maar mee wien je wilt om je te vergezellen. Dan zul-je veiliger
hooren en tevens zekerder."--THOMAS: Nu, en verder?--ANSELMUS: Na 't
eten gaat Polus, zooals gewoonlijk, weg om te jagen of op de
vogelvangst. Terwijl Faunus oploopt naar 't bruggetje, toen 't al zoo
donker was geworden dat men de omgeving niet duidelijk meer kon
waarnemen, hoort hij eindelijk een klagend gezucht. Polus wist dat
geluid allernatuurlijkst na te bootsen, terwijl hij verborgen zat in een
boschje met een aarden kruik bij zich, waardoor zijn stem, die door de
holte werd weerkaatst, nog ijslijker klonk.--THOMAS: Dit komediestuk
overtreft nog 't spookstuk van den dichter Menander.[1]--ANSELMUS: Je
zult dat nog met meer recht zeggen, wanneer je 't geheel hoort. Faunus
keert naar huis terug, vol begeerte om te vertellen wat hij gehoord had.
Polus was langs een korteren weg al eerder thuis gekomen. Daar vertelt
Faunus aan Polus wat er gebeurd was en dikt het nog wat aan om 't nog
verwonderlijker te maken.--THOMAS: Kon Polus intusschen zijn lach
bedwingen?--ANSELMUS: Hij? Hij heeft zijn gelaatsspieren geheel in zijn
macht. Men zou er op gezworen hebben dat 't een hoogst ernstige zaak
gold. Eindelijk neemt Faunus, op sterk aandringen van Polus de taak van
de duivelbanning op zich en brengt dien ganschen nacht in slapeloosheid
door, terwijl hij overlegt hoe hij op veilige wijze de zaak zal
aanpakken. Want hij was voor zijn eigen hachje leelijk bang. Eerst
werden dus de meest uitwerkende duivelbanningsformulieren
bijeengebracht, en hij voegde er nog eenige nieuwe bij, bijv. één: "bij
de ingewanden der zalige Maagd Maria," een ander: "bij het gebeente van
de Heilige Werenfrieda." Vervolgens wordt er een plaats uitgezocht in 't
open veld, dicht bij 't struikgewas waaruit de stem placht gehoord te
worden: daaromheen was een tamelijk wijde cirkel getrokken, waarin
verscheiden kruisteekens en andere figuren stonden. En dat alles
geschiedde onder 't uitspreken van allerlei formulieren. Daarbij werd
een groote bak geplaatst vol wijwater. Ook hing zich de duivelbanner een
heilige stool om den hals, waarvan een perkament afhing dat 't begin
bevatte van 't Evangelie naar Johannes. In een tasch droeg hij bij zich
een wassenbeeldje, zulk een, als waarover de Paus jaarlijks zijn zegen
uitspreekt en die men doorgaans "het Lam Gods" noemt. Met deze wapens
beschermde men zich oudtijds tegen booze geesten, vóórdat de monnikspij
van den Heiligen Franciscus van Assisi hun schrik had aangejaagd. Al
deze voorzorgsmaatregelen waren genomen om te verhoeden dat de geest,
als 't soms een booze was, op den duivelbanner een aanval zou doen. Maar
hij durfde zich toch niet alleen toevertrouwen aan zijn cirkel. Men
besloot er nog een tweeden priester bij te nemen. Nu werd Polus bang
dat, als er een slimmerd bijgenomen werd, 't geheim van zijn komedie zou
worden verraden, en hij gaf hem tot helper een pastoor uit de buurt, aan
wien hij de geheele toedracht verhaald had. Dat toch eischte de geheele
opzet van 't stuk en 't was iemand die van zoo'n stukje in 't geheel
geen afkeer had. Toen op den volgenden dag alles behoorlijk gereed
gemaakt was, stapt tegen tien uur Faunus met den pastoor zijn gewijden
kring binnen. Polus, die vooruitgegaan was, heft uit het boschje zijn
geweeklaag aan en Faunus begon nu 't banningswerk. Onderwijl sloop Polus
heimelijk naar een naastbijzijnde boerderij. Vandaar brengt hij een
nieuwen persoon mee voor zijn komedie, want die kon alleen gespeeld
worden met behulp van velen.--THOMAS: Wat doen ze?--ANSELMUS: Ze
bestijgen zwarte paarden en dragen brandende lantaarns bij zich, maar
zóó dat ze die verborgen houden onder hun mantels. Toen ze niet ver van
den kring af waren, hielden ze dit licht voor zich uit om Faunus bang te
maken en uit zijn cirkel te verdrijven.--THOMAS: Wat een moeite deed die
Polus toch om den ander te foppen!--ANSELMUS: Ja, zoo is hij. Maar dat
zaakje was bijkans leelijk voor hem uitgekomen.--THOMAS: Hoe
dan?--ANSELMUS: Wel, 't scheelde weinig of de paarden, verschrikt door
dat zoo plotseling vertoonde licht, waren neergestort met hun berijders
en al. Dat is nu 't eerste bedrijf van 't stuk. Toen ze daarop later op
den avond weer bij elkander kwamen en in gesprek geraakten, vroeg Polus
(alsof hij van niets afwist) wat er gebeurd was. Toen vertelt Faunus dat
hij twee afschuwelijke, booze geesten aanschouwd had, uit hun neus vuur
blazende, die geprobeerd hadden den cirkel te betreden, maar er door
zijn krachtige tooverwoorden leelijk waren afgekomen. Toen hierdoor bij
Faunus de moed toegenomen was, keerde hij op den volgenden dag met
grooter praal weer terug in zijn afgesloten kring en nadat hij met
machtige bezweringen 't spook opnieuw had opgeroepen, vertoonde Polus
zich weer met zijn makker in de verte op hun zwarte paarden, met
angstwekkend gesnuif, doende alsof zij binnen den kring wilden
dringen.--THOMAS: Hadden ze hun lantaarns weer bij zich?--ANSELMUS:
Neen: want dat was hun niet goed bevallen. Maar 'k zal je een ander
verzinsel van hen vertellen. Ze brachten een lang touw met zich mee. Dat
lieten ze zachtjes over den grond sleepen en terwijl ze beiden aan
weerskanten voortreden alsof ze door de tooverspreuken van Faunus werden
voortgejaagd, sloegen ze de beide pastoors tegelijk met den pot dien ze
met wijwater gevuld bij zich hadden, tegen den grond.--THOMAS: Kreeg de
arme kapelaan dàt nu als belooning voor zijn medewerking?--ANSELMUS: Ja:
en hij wilde dat liever dulden dan zich aan de eenmaal begonnen komedie
te onttrekken. Toen ze hierna weer bij elkaar kwamen en aan 't praten
gingen, pochte Faunus er tegenover Polus op, in welk een groot gevaar
hij had verkeerd en hoe flink hij door zijn tooverspreuken de beide
booze geesten op den loop had gejaagd. Hij was innig overtuigd dat er
geen geest zóó schadelijk of onbeschaamd kon wezen die binnen den door
hem afgebakenden kring zou durven komen.--THOMAS: Die Faunus heeft heel
veel van een grooten malloot.--ANSELMUS: Stil; je hebt eigenlijk nog
niets gehoord. De komedie was nu zoover gevorderd, toen, juist van pas,
de schoonzoon van Polus er bij kwam. Hij is n.l. met diens oudste
dochter getrouwd. 't Is, zooals je weet, een echt vroolijke
snaak.--THOMAS: Dat weet ik: van zulke grapjes heeft hij geen
afkeer.--ANSELMUS: Een afkeer...? Hij zou elken borg in den steek laten,
als hij zoo'n stukje kon zien vertoonen of er in mee mocht spelen. Zijn
schoonvader vertelt hem de geheele toedracht en draagt hem de rol op, om
voor de ziel te spelen. Hij neemt een vermomming aan en met wàt een
plezier! Hij wikkelt zich in een laken, in zulk een als waarin bij ons
de lijken worden afgelegd: hij neemt een aangeglommen kool in een test
bij zich, die, door 't laken heen, een gloeienden weerschijn gaf. Tegen
den tijd dat 't donker werd gingen ze naar de plaats waar de komedie
werd afgespeeld. Men hoorde er een vreemd gezucht. Faunus komt met al
zijn tooverformulieren voor den dag. Eindelijk vertoonde zich de schim
tusschen het struikgewas, zoo nu en dan zijn vuur toonend en jammerlijk
zuchtend. Toen Faunus hem bezwoer te zeggen wie hij toch was, sprong
plotseling uit 't struikgewas Polus in de vermomming van den boozen
geest voor den dag en riep met huilende stem: "ge hebt geen recht op
deze schim: ze is van mij," en hij liep verscheidene malen tot aan den
rand van den tooverkring, als wilde hij op den duivelbanner aanvliegen.
Maar dadelijk teruggeschrikt door de woorden van het tooverformulier en
door de krachtige werking van het wijwater, dat de ander in groote
hoeveelheid had gesprenkeld, trok ze zich terug. Eindelijk was de booze
geest verdreven die zich als beschermer van de ziel had opgedaan en er
ontspon zich een gesprek tusschen Faunus en de ziel. Op de nadrukkelijke
vraag van Faunus antwoordde de verschijning dat zij de ziel was van een
Christen. Op de vraag hoe hij heette, was het antwoord: "Faunus."
"Faunus, zoo heet ik óók." En thans trok hij zich de zaak nog meer aan,
nu het een naamgenoot gold. Hij, Faunus, moest toch den anderen Faunus
verlossen. Terwijl Faunus nu met allerlei vragen aankwam, pakte de schim
zijn biezen, omdat hij bang werd dat het rekken van het onderhoud 't
bedrog soms aan den dag zou brengen. Hij zei dat hij niet langer praten
mocht, omdat het hoog tijd was daarheen terug te keeren, waarheen zijn
kwelgeest hem dreef. Maar hij beloofde op den volgenden dag, als 't
mocht, terug te keeren. Weer komt men ten huize van Polus bijeen, den
regisseur van de komedie. Daar vertelt de duivelbanner wat er gebeurd
is, er nog 't een en ander bijbordurend, maar waarvan hij zelf geloofde
dat het waar was. Zóó werkte hij het in de hand dat hem die poets
gebakken werd. Zóóveel wist men nu dat het de ziel was van een Christen
die door een alleronbarmhartigsten kwelgeest op de gruwelijkste wijze
werd gepijnigd. In die richting wordt dus gewerkt. Maar bij de volgende
duivelbanning gebeurt iets lachwekkends.--THOMAS: Zeg eens, wat
dan?--ANSELMUS: Toen Faunus de schim had opgeroepen, springt Polus, die
de rol van den kwelgeest speelde, vooruit alsof hij in den kring wil
binnendringen: en toen Faunus zich daartegen met zijn banspreuken
verzette en een massa wijwater sprenkelde, riep eindelijk de kwelgeest
uit, dat hij om dat alles geen cent gaf. "Je hebt," riep hij uit,
"verboden omgang gehad met een meisje, en nu ben je in mijn macht."
Terwijl Polus dit slechts uit de grap zei, bleek het dat hij toevalliger
wijze de waarheid had gezegd. Want op den duivelbanner maakte dit
grooten indruk en hij trok zich binnen in zijn tooverkring terug en
fluisterde den kapelaan iets in het oor. Polus ging, toen hij dit
merkte, een weinig achteruit, om niet af te luisteren wat hij niet mocht
hooren.--THOMAS: Polus speelde de rol van kwelgeest op vrome en
bescheiden wijze.--ANSELMUS: Ja zeker. Want zijn handelwijze had berispt
kunnen worden, in zooverre dat hij de betamelijkheid wat uit het oog
verloren had. Hij hoorde intusschen de stem van den pastoor die zei dat
Polus eenige boete moest doen.--THOMAS: Welke boete?--ANSELMUS: Dat hij
drie maal 't Onze-Vader moest bidden, waaruit hij opmaakte dat Polus in
dien eigen nacht drie malen 't meisje gezoend had.--THOMAS: Dat was een
ordebroeder buiten de orde!--ANSELMUS: Och, 't zijn óók menschen en een
mensch kan struikelen!--THOMAS: Nu, en verder?--ANSELMUS: Faunus keert
weldra nog woedender naar den rand van den kring terug en daagt den
kwelgeest uit. Maar gene tracht, allengs weer schuw geworden, steeds
terug te wijken. "Gij hebt mij verschalkt," zeide hij; "als ik
verstandig geweest was, had ik u niet moeten waarschuwen." Ge weet dat
veel menschen meenen dat 't geen men éénmaal aan een priester heeft
gebiecht, geheel uit 't geheugen van den duivel is uitgewischt, zoodat
deze er nooit meer gebruik van kan maken.--THOMAS: Een kostelijke
grap!--ANSELMUS: Maar om nu eindelijk 't verhaal te besluiten: gedurende
eenige dagen werden op die manier met de schim gesprekken gehouden. Ten
slotte kwam het hierop neer: de geestenbezweerder, die vroeg of de schim
op de een of andere manier van zijn kwellingen kon worden verlost, kreeg
van deze ten antwoord, dat dit wel kon wanneer 't door bedrog verworven
geld, dat hij ergens op een plaats verborgen had achtergelaten, werd
teruggegeven. Waarop Faunus vroeg: "als 't nu eens door rechtschapen,
vrome mannen tot goede doeleinden werd aangewend?" "Dat zou ook al
voldoende wezen," antwoordde de schim. Verheugd over dit antwoord vroeg
onze duivelbanner met groote nauwkeurigheid hoeveel de som bedroeg. De
ander noemde een groote som, zooveel als hem goed dacht. Hij wees ook
een plaats aan, maar nog al veraf gelegen, waar die schat begraven zou
zijn. Hij gaf voorschriften, tot welke doeleinden hij wilde dat het geld
zou worden besteed.--THOMAS: Waartoe moest dat?--ANSELMUS: Dat drie
menschen elk een bedevaart moesten doen: één naar den zetel van Petrus,
een ander om den heiligen Jacobus te Compostella te gaan begroeten en de
derde moest de kam van Jezus gaan kussen, die te Trier bewaard wordt.
Verder moest in verschillende kloosters een groote menigte psalmen
gezongen en missen gelezen worden. En wat er overschoot van het geld
mocht Faunus naar eigen believen besteden. Onze Faunus was met al zijn
denken bij dien schat: hij had hem in zijn gedachten al
verslonden.--THOMAS: Ja, dat is een algemeene kwaal, ofschoon in 't
bijzonder de priesters in dat opzicht een kwaden naam hebben.--ANSELMUS:
Toen alles op het punt van het geld geregeld was, begon de
duivelbezweerder, daartoe door Polus aangezet, de schim te ondervragen
over zeldzame en geheime kunsten, over goudmakerij en tooverkunst. Ook
hierop antwoordde de schim 't een en ander voor de omstandigheden
passend, maar met de belofte dat hij nog meer aanwijzingen zou geven
zoodra hij door zijn toedoen van zijn kwelgeest bevrijd zou zijn. Dat
mag je nu, als je wilt, het derde bedrijf van de komedie noemen. In het
vierde bedrijf begon Faunus overal in vollen ernst de verwonderlijke
zaak uit te bazuinen: hij klapte over niets anders in zijn gesprekken en
aan maaltijden; hij beloofde aan kloosters prachtige geschenken, wist
heelemaal niet meer van bescheidenheid in zijn spreken. Ook ging hij
naar de plaats waar de schat begraven moest liggen; vond de aangewezen
teekens, maar durfde toch niet naar den schat te graven, omdat de geest
hem bang gemaakt had, dat 't met groot gevaar voor hem verbonden zou
zijn, wanneer de schat werd aangeraakt vóór de vereischte missen waren
gelezen. Veel menschen die wat fijner neus hadden dan hij, begonnen al
lont te ruiken. Maar toen hij overal en bij elke gelegenheid zijn dom
bijgeloof uitkraamde, kreeg hij van zijn vrienden en vooral ook van den
abt van zijn klooster een wenk, om zijn goeden naam als verstandig man,
dien hij tot nog toe bij de menschen had gedragen, niet te grabbelen te
gooien. Maar hij was niet voor rede vatbaar en bleef de zaak als ernstig
beschouwen. Zóózeer had de verbeelding in 't gemoed van den man post
gevat, dat hij over niets anders sprak dan over spoken en booze geesten
en van niets anders droomde. Die gemoedsgesteldheid was zelfs op zijn
gezicht te lezen, dat zóó bleek was en zóó vervallen, dat hij wel een
schim geleek, geen mensch. Om kort te gaan, hij zou zeker spoedig
krankzinnig zijn geworden, als men hem niet met een snel toegepast
middel te hulp ware gekomen.--THOMAS: Nu komt zeker het laatste bedrijf
van het stuk.--ANSELMUS: 'k Zal 't je vertellen. Polus en zijn
schoonzoon bedachten den volgenden streek. Zij verzonnen een brief, met
vreemde letters geschreven en dat wel op niet gewoon papier, maar op
zulk papier, waarin de goudfiligraanwerkers hun fijne plaatjes goud
leggen, zooals je wel weet, van zoo'n roodbruine kleur. De inhoud van
den brief was als volgt: "Faunus, die lang gevangen werd gehouden, maar
nu vrij is, zendt zijn eeuwigen groet aan zijn edelen bevrijder Faunus.
Er is geen reden, Faunus, om u langer te mijnen behoeve te kwellen. God
heeft den goeden wil van uw gemoed gezien en mij daarom, terwille van de
verdiensten uwer ziel, ontslagen. Thans leef ik gelukkig onder de
engelen. U staat een verblijf bij den Heiligen Augustinus te wachten,
die zich 't dichtst bevindt bij de rij der Apostelen. Wanneer gij tot
ons komt, zal ik u persoonlijk dankzeggen. Leef gij intusschen maar
behagelijk voort. Geschreven in den Hemel, op den 13en September van 't
jaar 1498, met 't zegel van mijn zegelring." Deze brief werd heimelijk
op 't altaar gelegd waarop Faunus de mis zou gaan bedienen. Toen de
dienst was afgeloopen kwam er iemand die daartoe was aangezocht, hem
opmerkzaam maken op den brief, als had hij dien bij toeval gevonden. Hij
draagt nu den brief met zich rond en toont dien als een heilig iets. Hij
gelooft vast en zeker dat die brief door een engel uit den hemel is
aangebracht.--THOMAS: Maar wat je daar vertelt dat is niet een mensch
van waanzin bevrijden, maar alleen den aard van waanzin
veranderen.--ANSELMUS: Ja zoo is het: alleen met dit onderscheid dat
zijn waanzin nu wat aangenamer is.--THOMAS: Vroeger hechtte ik
gewoonlijk niet veel aan verhaaltjes over spoken, maar voortaan zal ik
er nog veel minder om geven. Ik vermoed toch dat door goedgeloovige
menschen, lieden zooals Faunus, veel als waar wordt te boek gesteld, wat
met dezelfde kunstgrepen in elkaar is gezet.--ANSELMUS: Nu, ik geloof
dat 't meerendeel van dien aard is.
NOOT:
[1] Grieksche comediedichter wiens stuk: het Spook, door den latijnschen
blijspeldichter Plautus bewerkt is, onder den titel van: Aulularia, het
Spookhuis.
* * * * *
GOUDMAKERIJ
PHILECOUS EN LALUS.[1]
Den dwaas, die tracht den steen der wijzen te vinden en die goud
tracht te vervaardigen, schildert Erasmus ons in onderstaande
samenspraak. Dat zulk een maniac door slimme vogels wordt
geëxploiteerd, spreekt wel van zelf. De geheele geschiedenis
teekent weer 't verlicht verstand van onzen geleerden landgenoot,
die de onnoozelheid brandmerkt van zijne dikwijls lang niet domme
tijdgenooten, welke zich van de alchemisterij wonderen voorstelden.