THOMAS: Wat blij nieuws is er dat je zoo vergenoegd bij je zelven lacht,

alsof je een schat gevonden hadt?--ANSELMUS: Nu, zoo héél ver van de

waarheid was je met je raden niet verwijderd.--THOMAS: Maar wil-je dan

aan je vriend niet eens meedeelen wat dat voor goeds is?--ANSELMUS: 't

Was al lang een hartewensch van me om iemand te hebben aan wiens boezem

ik mijn vreugde kon uitstorten.--THOMAS: Welnu dan, deel mee.--ANSELMUS:

'k Heb daareven een allerleukst verhaal gehoord waarvan je zoudt zweren

dat 't een grappig verzinsel was, als niet plaats, personen en de heele

zaak mij net zoo goed bekend waren als ik u ken.--THOMAS: Je maakt me

brandend nieuwsgierig.--ANSELMUS: Je kent Polus, den schoonzoon van

Faunus?--THOMAS: Heel goed.--ANSELMUS: Nu hij is 't die 't heele stukje

heeft bedacht en heeft gespeeld.--THOMAS: Ik wil 't graag gelooven. Want

hij kan zelfs zonder masker of vermomming elke rol spelen.--ANSELMUS:

Zoo is het. Dan ken-je denk ik ook 't buitentje dat hij niet ver van

Londen heeft?--THOMAS: Of ik! we hebben daar menigmaal een goed glaasje

gedronken.--ANSELMUS: Dan kun-je je ook nog wel dien weg voorstellen aan

beide kanten met boomen op gelijken afstand beplant?--THOMAS: Links van

het huis een paar pijlschoten ver?--ANSELMUS: Juist. Aan den eenen kant

van den weg is een drooge sloot, begroeid met kreupelhout en

doornstruiken. Over een smal bruggetje kom-je van daar in 't open

veld.--THOMAS: Ja, dat weet ik.--ANSELMUS: Al lang liep het gerucht en

't praatje onder de boeren van die plaats, dat bij dit bruggetje een

spook werd opgemerkt, waarvan men zoo nu en dan de klagende jammerkreten

kon vernemen. Men vermoedde dat 't de ziel van den een of ander was die

door vreeslijke pijnigingen werd gekweld.--THOMAS: En van wien ging dat

praatje uit?--ANSELMUS: Wel, van wien anders dan van Polus? Dat was het

voorspel van zijn stuk.--THOMAS: Hoe kwam hij er zoo op om dat alles te

verzinnen?--ANSELMUS: Weet ik? Of 't moet zijn omdat 't een

eigenaardigheid van hem is. Hij houdt er van met de domheid van 't volk

door zulke spelletjes den spot te drijven. Laat ik je eens vertellen wat

van dien aard hij onlangs heeft uitgedacht. Gezamenlijk reden wij in nog

al grooten getale te paard naar Richmond. Daar waren er onder, die je

kloeke mannen zoudt kunnen noemen. Het was een prachtige, heldere hemel,

door geen wolkje verduisterd. Terwijl aller oogen naar den hemel gericht

waren sloeg Polus over zijn voorhoofd en zijn borst een kruis en terwijl

zich op zijn gezicht schrik afteekende, sprak hij half luid in zich

zelf: "God Almachtig, wat zie ik daar?" En aan zijn gezellen die 't

dichtst bij hem reden en hem vroegen wat hij zag, zei hij terwijl hij

nog grooter kruisteekens maakte: "Moge de genadige God dit teeken

afwenden." Toen allen aandrongen om toch te weten te komen wat er was,

zei hij met star op den hemel gevestigde blikken en terwijl hij met zijn

vinger een plek aan den hemel wees: "Ziet ge daar dan niet dien

ontzaglijken draak met vurige horens gewapend en met zijn staart in een

kring gedraaid?" Toen allen zeiden dat ze niets zagen en hij zei dat ze

dan toch hun oogen goed moesten inspannen en hij hun intusschen de plek

bleef aanwijzen zei eindelijk één dat hij 't óók zag, om niet den schijn

te hebben dat hij slechte oogen had. Een tweede volgde hem na en nog

weer een. Want deze schaamde zich niet te zien wat voor anderen zóó

duidelijk scheen te zijn. Om kort te gaan: binnen een drietal dagen was

't gerucht als een loopend vuurtje door geheel Engeland verspreid, dat

zich zulk een verschijning had vertoond. Verwonderlijk evenwel is het,

hoeveel er in den mond van 't volk niet bijgekomen was. Ook waren er die

in vollen ernst gingen uitleggen wat 't wonderteeken eigenlijk moest

beduiden. Natuurlijk had hij die 't geheele stuk in elkaar gezet had

ontzaglijk veel schik in de domheid der menschen.--THOMAS: O, 't is

precies een bedenksel voor hèm. Maar om tot je spook terug te

keeren.--ANSELMUS: Intusschen komt juist bij Polus een zekere priester

Faunus logeeren, één van die orde voor wie 't niet genoeg is dat ze met

den latijnschen naam Regulieren worden genoemd, maar die er ook nog

graag den griekschen naam kanunnik aan zien toegevoegd: kortom, een

parochie-priester uit 't een of ander dorp in de buurt, een man die zich

verbeeldde, vooral van zaken van den heiligen dienst nog al heel wat

verstand te hebben.--THOMAS: Ik begrijp 't. Nu hebben we de acteurs in

het stuk bij elkaar.--ANSELMUS: Aan den maaltijd werd gesproken over de

praatjes aangaande het spook. Toen Polus bespeurde dat Faunus niet

alleen 't gerucht vernomen had, maar 't ook geloofde, begon hij den man

te bezweren dat hij, zoo'n geleerd en vroom man, de arme ziel, die zoo

schriklijke plagen moest verduren, te hulp zou komen. "En," zei hij,

"als ge soms twijfelt, onderzoek dan de zaak, wandel tegen een uur of

tien eens langs dat bruggetje en dan zul-je 't droevig gejammer hooren.

Neem maar mee wien je wilt om je te vergezellen. Dan zul-je veiliger

hooren en tevens zekerder."--THOMAS: Nu, en verder?--ANSELMUS: Na 't

eten gaat Polus, zooals gewoonlijk, weg om te jagen of op de

vogelvangst. Terwijl Faunus oploopt naar 't bruggetje, toen 't al zoo

donker was geworden dat men de omgeving niet duidelijk meer kon

waarnemen, hoort hij eindelijk een klagend gezucht. Polus wist dat

geluid allernatuurlijkst na te bootsen, terwijl hij verborgen zat in een

boschje met een aarden kruik bij zich, waardoor zijn stem, die door de

holte werd weerkaatst, nog ijslijker klonk.--THOMAS: Dit komediestuk

overtreft nog 't spookstuk van den dichter Menander.[1]--ANSELMUS: Je

zult dat nog met meer recht zeggen, wanneer je 't geheel hoort. Faunus

keert naar huis terug, vol begeerte om te vertellen wat hij gehoord had.

Polus was langs een korteren weg al eerder thuis gekomen. Daar vertelt

Faunus aan Polus wat er gebeurd was en dikt het nog wat aan om 't nog

verwonderlijker te maken.--THOMAS: Kon Polus intusschen zijn lach

bedwingen?--ANSELMUS: Hij? Hij heeft zijn gelaatsspieren geheel in zijn

macht. Men zou er op gezworen hebben dat 't een hoogst ernstige zaak

gold. Eindelijk neemt Faunus, op sterk aandringen van Polus de taak van

de duivelbanning op zich en brengt dien ganschen nacht in slapeloosheid

door, terwijl hij overlegt hoe hij op veilige wijze de zaak zal

aanpakken. Want hij was voor zijn eigen hachje leelijk bang. Eerst

werden dus de meest uitwerkende duivelbanningsformulieren

bijeengebracht, en hij voegde er nog eenige nieuwe bij, bijv. één: "bij

de ingewanden der zalige Maagd Maria," een ander: "bij het gebeente van

de Heilige Werenfrieda." Vervolgens wordt er een plaats uitgezocht in 't

open veld, dicht bij 't struikgewas waaruit de stem placht gehoord te

worden: daaromheen was een tamelijk wijde cirkel getrokken, waarin

verscheiden kruisteekens en andere figuren stonden. En dat alles

geschiedde onder 't uitspreken van allerlei formulieren. Daarbij werd

een groote bak geplaatst vol wijwater. Ook hing zich de duivelbanner een

heilige stool om den hals, waarvan een perkament afhing dat 't begin

bevatte van 't Evangelie naar Johannes. In een tasch droeg hij bij zich

een wassenbeeldje, zulk een, als waarover de Paus jaarlijks zijn zegen

uitspreekt en die men doorgaans "het Lam Gods" noemt. Met deze wapens

beschermde men zich oudtijds tegen booze geesten, vóórdat de monnikspij

van den Heiligen Franciscus van Assisi hun schrik had aangejaagd. Al

deze voorzorgsmaatregelen waren genomen om te verhoeden dat de geest,

als 't soms een booze was, op den duivelbanner een aanval zou doen. Maar

hij durfde zich toch niet alleen toevertrouwen aan zijn cirkel. Men

besloot er nog een tweeden priester bij te nemen. Nu werd Polus bang

dat, als er een slimmerd bijgenomen werd, 't geheim van zijn komedie zou

worden verraden, en hij gaf hem tot helper een pastoor uit de buurt, aan

wien hij de geheele toedracht verhaald had. Dat toch eischte de geheele

opzet van 't stuk en 't was iemand die van zoo'n stukje in 't geheel

geen afkeer had. Toen op den volgenden dag alles behoorlijk gereed

gemaakt was, stapt tegen tien uur Faunus met den pastoor zijn gewijden

kring binnen. Polus, die vooruitgegaan was, heft uit het boschje zijn

geweeklaag aan en Faunus begon nu 't banningswerk. Onderwijl sloop Polus

heimelijk naar een naastbijzijnde boerderij. Vandaar brengt hij een

nieuwen persoon mee voor zijn komedie, want die kon alleen gespeeld

worden met behulp van velen.--THOMAS: Wat doen ze?--ANSELMUS: Ze

bestijgen zwarte paarden en dragen brandende lantaarns bij zich, maar

zóó dat ze die verborgen houden onder hun mantels. Toen ze niet ver van

den kring af waren, hielden ze dit licht voor zich uit om Faunus bang te

maken en uit zijn cirkel te verdrijven.--THOMAS: Wat een moeite deed die

Polus toch om den ander te foppen!--ANSELMUS: Ja, zoo is hij. Maar dat

zaakje was bijkans leelijk voor hem uitgekomen.--THOMAS: Hoe

dan?--ANSELMUS: Wel, 't scheelde weinig of de paarden, verschrikt door

dat zoo plotseling vertoonde licht, waren neergestort met hun berijders

en al. Dat is nu 't eerste bedrijf van 't stuk. Toen ze daarop later op

den avond weer bij elkander kwamen en in gesprek geraakten, vroeg Polus

(alsof hij van niets afwist) wat er gebeurd was. Toen vertelt Faunus dat

hij twee afschuwelijke, booze geesten aanschouwd had, uit hun neus vuur

blazende, die geprobeerd hadden den cirkel te betreden, maar er door

zijn krachtige tooverwoorden leelijk waren afgekomen. Toen hierdoor bij

Faunus de moed toegenomen was, keerde hij op den volgenden dag met

grooter praal weer terug in zijn afgesloten kring en nadat hij met

machtige bezweringen 't spook opnieuw had opgeroepen, vertoonde Polus

zich weer met zijn makker in de verte op hun zwarte paarden, met

angstwekkend gesnuif, doende alsof zij binnen den kring wilden

dringen.--THOMAS: Hadden ze hun lantaarns weer bij zich?--ANSELMUS:

Neen: want dat was hun niet goed bevallen. Maar 'k zal je een ander

verzinsel van hen vertellen. Ze brachten een lang touw met zich mee. Dat

lieten ze zachtjes over den grond sleepen en terwijl ze beiden aan

weerskanten voortreden alsof ze door de tooverspreuken van Faunus werden

voortgejaagd, sloegen ze de beide pastoors tegelijk met den pot dien ze

met wijwater gevuld bij zich hadden, tegen den grond.--THOMAS: Kreeg de

arme kapelaan dàt nu als belooning voor zijn medewerking?--ANSELMUS: Ja:

en hij wilde dat liever dulden dan zich aan de eenmaal begonnen komedie

te onttrekken. Toen ze hierna weer bij elkaar kwamen en aan 't praten

gingen, pochte Faunus er tegenover Polus op, in welk een groot gevaar

hij had verkeerd en hoe flink hij door zijn tooverspreuken de beide

booze geesten op den loop had gejaagd. Hij was innig overtuigd dat er

geen geest zóó schadelijk of onbeschaamd kon wezen die binnen den door

hem afgebakenden kring zou durven komen.--THOMAS: Die Faunus heeft heel

veel van een grooten malloot.--ANSELMUS: Stil; je hebt eigenlijk nog

niets gehoord. De komedie was nu zoover gevorderd, toen, juist van pas,

de schoonzoon van Polus er bij kwam. Hij is n.l. met diens oudste

dochter getrouwd. 't Is, zooals je weet, een echt vroolijke

snaak.--THOMAS: Dat weet ik: van zulke grapjes heeft hij geen

afkeer.--ANSELMUS: Een afkeer...? Hij zou elken borg in den steek laten,

als hij zoo'n stukje kon zien vertoonen of er in mee mocht spelen. Zijn

schoonvader vertelt hem de geheele toedracht en draagt hem de rol op, om

voor de ziel te spelen. Hij neemt een vermomming aan en met wàt een

plezier! Hij wikkelt zich in een laken, in zulk een als waarin bij ons

de lijken worden afgelegd: hij neemt een aangeglommen kool in een test

bij zich, die, door 't laken heen, een gloeienden weerschijn gaf. Tegen

den tijd dat 't donker werd gingen ze naar de plaats waar de komedie

werd afgespeeld. Men hoorde er een vreemd gezucht. Faunus komt met al

zijn tooverformulieren voor den dag. Eindelijk vertoonde zich de schim

tusschen het struikgewas, zoo nu en dan zijn vuur toonend en jammerlijk

zuchtend. Toen Faunus hem bezwoer te zeggen wie hij toch was, sprong

plotseling uit 't struikgewas Polus in de vermomming van den boozen

geest voor den dag en riep met huilende stem: "ge hebt geen recht op

deze schim: ze is van mij," en hij liep verscheidene malen tot aan den

rand van den tooverkring, als wilde hij op den duivelbanner aanvliegen.

Maar dadelijk teruggeschrikt door de woorden van het tooverformulier en

door de krachtige werking van het wijwater, dat de ander in groote

hoeveelheid had gesprenkeld, trok ze zich terug. Eindelijk was de booze

geest verdreven die zich als beschermer van de ziel had opgedaan en er

ontspon zich een gesprek tusschen Faunus en de ziel. Op de nadrukkelijke

vraag van Faunus antwoordde de verschijning dat zij de ziel was van een

Christen. Op de vraag hoe hij heette, was het antwoord: "Faunus."

"Faunus, zoo heet ik óók." En thans trok hij zich de zaak nog meer aan,

nu het een naamgenoot gold. Hij, Faunus, moest toch den anderen Faunus

verlossen. Terwijl Faunus nu met allerlei vragen aankwam, pakte de schim

zijn biezen, omdat hij bang werd dat het rekken van het onderhoud 't

bedrog soms aan den dag zou brengen. Hij zei dat hij niet langer praten

mocht, omdat het hoog tijd was daarheen terug te keeren, waarheen zijn

kwelgeest hem dreef. Maar hij beloofde op den volgenden dag, als 't

mocht, terug te keeren. Weer komt men ten huize van Polus bijeen, den

regisseur van de komedie. Daar vertelt de duivelbanner wat er gebeurd

is, er nog 't een en ander bijbordurend, maar waarvan hij zelf geloofde

dat het waar was. Zóó werkte hij het in de hand dat hem die poets

gebakken werd. Zóóveel wist men nu dat het de ziel was van een Christen

die door een alleronbarmhartigsten kwelgeest op de gruwelijkste wijze

werd gepijnigd. In die richting wordt dus gewerkt. Maar bij de volgende

duivelbanning gebeurt iets lachwekkends.--THOMAS: Zeg eens, wat

dan?--ANSELMUS: Toen Faunus de schim had opgeroepen, springt Polus, die

de rol van den kwelgeest speelde, vooruit alsof hij in den kring wil

binnendringen: en toen Faunus zich daartegen met zijn banspreuken

verzette en een massa wijwater sprenkelde, riep eindelijk de kwelgeest

uit, dat hij om dat alles geen cent gaf. "Je hebt," riep hij uit,

"verboden omgang gehad met een meisje, en nu ben je in mijn macht."

Terwijl Polus dit slechts uit de grap zei, bleek het dat hij toevalliger

wijze de waarheid had gezegd. Want op den duivelbanner maakte dit

grooten indruk en hij trok zich binnen in zijn tooverkring terug en

fluisterde den kapelaan iets in het oor. Polus ging, toen hij dit

merkte, een weinig achteruit, om niet af te luisteren wat hij niet mocht

hooren.--THOMAS: Polus speelde de rol van kwelgeest op vrome en

bescheiden wijze.--ANSELMUS: Ja zeker. Want zijn handelwijze had berispt

kunnen worden, in zooverre dat hij de betamelijkheid wat uit het oog

verloren had. Hij hoorde intusschen de stem van den pastoor die zei dat

Polus eenige boete moest doen.--THOMAS: Welke boete?--ANSELMUS: Dat hij

drie maal 't Onze-Vader moest bidden, waaruit hij opmaakte dat Polus in

dien eigen nacht drie malen 't meisje gezoend had.--THOMAS: Dat was een

ordebroeder buiten de orde!--ANSELMUS: Och, 't zijn óók menschen en een

mensch kan struikelen!--THOMAS: Nu, en verder?--ANSELMUS: Faunus keert

weldra nog woedender naar den rand van den kring terug en daagt den

kwelgeest uit. Maar gene tracht, allengs weer schuw geworden, steeds

terug te wijken. "Gij hebt mij verschalkt," zeide hij; "als ik

verstandig geweest was, had ik u niet moeten waarschuwen." Ge weet dat

veel menschen meenen dat 't geen men éénmaal aan een priester heeft

gebiecht, geheel uit 't geheugen van den duivel is uitgewischt, zoodat

deze er nooit meer gebruik van kan maken.--THOMAS: Een kostelijke

grap!--ANSELMUS: Maar om nu eindelijk 't verhaal te besluiten: gedurende

eenige dagen werden op die manier met de schim gesprekken gehouden. Ten

slotte kwam het hierop neer: de geestenbezweerder, die vroeg of de schim

op de een of andere manier van zijn kwellingen kon worden verlost, kreeg

van deze ten antwoord, dat dit wel kon wanneer 't door bedrog verworven

geld, dat hij ergens op een plaats verborgen had achtergelaten, werd

teruggegeven. Waarop Faunus vroeg: "als 't nu eens door rechtschapen,

vrome mannen tot goede doeleinden werd aangewend?" "Dat zou ook al

voldoende wezen," antwoordde de schim. Verheugd over dit antwoord vroeg

onze duivelbanner met groote nauwkeurigheid hoeveel de som bedroeg. De

ander noemde een groote som, zooveel als hem goed dacht. Hij wees ook

een plaats aan, maar nog al veraf gelegen, waar die schat begraven zou

zijn. Hij gaf voorschriften, tot welke doeleinden hij wilde dat het geld

zou worden besteed.--THOMAS: Waartoe moest dat?--ANSELMUS: Dat drie

menschen elk een bedevaart moesten doen: één naar den zetel van Petrus,

een ander om den heiligen Jacobus te Compostella te gaan begroeten en de

derde moest de kam van Jezus gaan kussen, die te Trier bewaard wordt.

Verder moest in verschillende kloosters een groote menigte psalmen

gezongen en missen gelezen worden. En wat er overschoot van het geld

mocht Faunus naar eigen believen besteden. Onze Faunus was met al zijn

denken bij dien schat: hij had hem in zijn gedachten al

verslonden.--THOMAS: Ja, dat is een algemeene kwaal, ofschoon in 't

bijzonder de priesters in dat opzicht een kwaden naam hebben.--ANSELMUS:

Toen alles op het punt van het geld geregeld was, begon de

duivelbezweerder, daartoe door Polus aangezet, de schim te ondervragen

over zeldzame en geheime kunsten, over goudmakerij en tooverkunst. Ook

hierop antwoordde de schim 't een en ander voor de omstandigheden

passend, maar met de belofte dat hij nog meer aanwijzingen zou geven

zoodra hij door zijn toedoen van zijn kwelgeest bevrijd zou zijn. Dat

mag je nu, als je wilt, het derde bedrijf van de komedie noemen. In het

vierde bedrijf begon Faunus overal in vollen ernst de verwonderlijke

zaak uit te bazuinen: hij klapte over niets anders in zijn gesprekken en

aan maaltijden; hij beloofde aan kloosters prachtige geschenken, wist

heelemaal niet meer van bescheidenheid in zijn spreken. Ook ging hij

naar de plaats waar de schat begraven moest liggen; vond de aangewezen

teekens, maar durfde toch niet naar den schat te graven, omdat de geest

hem bang gemaakt had, dat 't met groot gevaar voor hem verbonden zou

zijn, wanneer de schat werd aangeraakt vóór de vereischte missen waren

gelezen. Veel menschen die wat fijner neus hadden dan hij, begonnen al

lont te ruiken. Maar toen hij overal en bij elke gelegenheid zijn dom

bijgeloof uitkraamde, kreeg hij van zijn vrienden en vooral ook van den

abt van zijn klooster een wenk, om zijn goeden naam als verstandig man,

dien hij tot nog toe bij de menschen had gedragen, niet te grabbelen te

gooien. Maar hij was niet voor rede vatbaar en bleef de zaak als ernstig

beschouwen. Zóózeer had de verbeelding in 't gemoed van den man post

gevat, dat hij over niets anders sprak dan over spoken en booze geesten

en van niets anders droomde. Die gemoedsgesteldheid was zelfs op zijn

gezicht te lezen, dat zóó bleek was en zóó vervallen, dat hij wel een

schim geleek, geen mensch. Om kort te gaan, hij zou zeker spoedig

krankzinnig zijn geworden, als men hem niet met een snel toegepast

middel te hulp ware gekomen.--THOMAS: Nu komt zeker het laatste bedrijf

van het stuk.--ANSELMUS: 'k Zal 't je vertellen. Polus en zijn

schoonzoon bedachten den volgenden streek. Zij verzonnen een brief, met

vreemde letters geschreven en dat wel op niet gewoon papier, maar op

zulk papier, waarin de goudfiligraanwerkers hun fijne plaatjes goud

leggen, zooals je wel weet, van zoo'n roodbruine kleur. De inhoud van

den brief was als volgt: "Faunus, die lang gevangen werd gehouden, maar

nu vrij is, zendt zijn eeuwigen groet aan zijn edelen bevrijder Faunus.

Er is geen reden, Faunus, om u langer te mijnen behoeve te kwellen. God

heeft den goeden wil van uw gemoed gezien en mij daarom, terwille van de

verdiensten uwer ziel, ontslagen. Thans leef ik gelukkig onder de

engelen. U staat een verblijf bij den Heiligen Augustinus te wachten,

die zich 't dichtst bevindt bij de rij der Apostelen. Wanneer gij tot

ons komt, zal ik u persoonlijk dankzeggen. Leef gij intusschen maar

behagelijk voort. Geschreven in den Hemel, op den 13en September van 't

jaar 1498, met 't zegel van mijn zegelring." Deze brief werd heimelijk

op 't altaar gelegd waarop Faunus de mis zou gaan bedienen. Toen de

dienst was afgeloopen kwam er iemand die daartoe was aangezocht, hem

opmerkzaam maken op den brief, als had hij dien bij toeval gevonden. Hij

draagt nu den brief met zich rond en toont dien als een heilig iets. Hij

gelooft vast en zeker dat die brief door een engel uit den hemel is

aangebracht.--THOMAS: Maar wat je daar vertelt dat is niet een mensch

van waanzin bevrijden, maar alleen den aard van waanzin

veranderen.--ANSELMUS: Ja zoo is het: alleen met dit onderscheid dat

zijn waanzin nu wat aangenamer is.--THOMAS: Vroeger hechtte ik

gewoonlijk niet veel aan verhaaltjes over spoken, maar voortaan zal ik

er nog veel minder om geven. Ik vermoed toch dat door goedgeloovige

menschen, lieden zooals Faunus, veel als waar wordt te boek gesteld, wat

met dezelfde kunstgrepen in elkaar is gezet.--ANSELMUS: Nu, ik geloof

dat 't meerendeel van dien aard is.

NOOT:

[1] Grieksche comediedichter wiens stuk: het Spook, door den latijnschen

blijspeldichter Plautus bewerkt is, onder den titel van: Aulularia, het

Spookhuis.

* * * * *

GOUDMAKERIJ

PHILECOUS EN LALUS.[1]

Den dwaas, die tracht den steen der wijzen te vinden en die goud

tracht te vervaardigen, schildert Erasmus ons in onderstaande

samenspraak. Dat zulk een maniac door slimme vogels wordt

geëxploiteerd, spreekt wel van zelf. De geheele geschiedenis

teekent weer 't verlicht verstand van onzen geleerden landgenoot,

die de onnoozelheid brandmerkt van zijne dikwijls lang niet domme

tijdgenooten, welke zich van de alchemisterij wonderen voorstelden.

Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus · 第 8 / 18 段