Opdragt der Stultitiae Laus aan Thomas Morus.--"Diversabor id temporis
apud Morum meum, ex Italia reversus cet." Brief aan M. Dorpius bij Le
Clerc, ook bij Abbing, blz. 165.
[86] Opschrift van den gedenksteen, onlangs (4 September 1876) ter
herinnering van Erasmus' promotie op 4 September 1506 in het
akademiegebouw te Turin geplaatst, bij Wilhelm Vischer Erasmiana, bladz.
6.
[87] Facsimilé van Dürer's teekening bij Charles Ephrussi, Albert Dürer
et ses dessins, 1882.
[88] Hollandsche vertaling van 1780, bladz. 53 vg.
[89] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 547, No. 583.--Ook bij Groen
van Prinsterer, Handboek 5de Druk, bladz. 71 vg., en bij Wijnne,
Geschiedenis van het Vaderland 1879, 5de Druk, bladz. 68.
[90] "Optarem esse Christi martyr, si vires ipse suppeditet; Lutheri
martyr esse nolim." Uit de Spongia tegen Von Hutten bij Le Clerc, X 1631
vgg. Bij Drummond, II 142.--Zie ook de plaatsen in den brief van 1523
aan paus Adriaan VI, bij Le Clerc No. 649, waar Erasmus schrijft
desnoods "ten koste van zijn leven" de zaak van Christus tegen Luther te
willen bevorderen; en van de scheuring in de christenheid: Ik zou niet
aarzelen mijn leven te laten, zoo ik de openbare krankheid daardoor
heelen kon!"
[91] Geschiedenis van het standbeeld van Erasmus, bij Jacobus Scheltema,
1817, Mengelwerk Ia 101 vgg., I 258 vg.
[92] Louvre-Muzeum, Salon Carré No. 201.--Gravure naar dit portret bij
Paul Mantz, Hans Holbein, bladz. 60.
[93] Érasme précurseur de l'abbé de Saint Pierre, bij Durand de Laur, II
501 vgg.
[94] Geschiedenis dier uitgaaf bij Drummond, I 307 vgg.
* * * * *
ERASMUS
SAMENSPRAKEN
* * * * *
CHARON
De veerman van de onderwereld.
PERSONEN: CHARON EN ALASTOR, DE WREKENDE GENIUS.
Deze dialoog, waarin wezens uit de Grieksche fabelleer door Erasmus
sprekend worden ingevoerd, is geheel geschoeid op de leest van een
dialoog van den Griekschen schrijver Lucianus. De knorrige Charon,
die de schimmen der dooden over de rivier de Styx naar hun eeuwig
verblijf moest voeren, houdt een gesprek met een boozen Genius. Hun
samenspraak is een scherpe satire op de heerschzucht en den
twistlust der vorsten en machthebbers van dien tijd, die aangehitst
door de intriges en 't winstbejag der priesters en monniken overal
strijd en oorlog trachtten te verwekken. Erasmus zelf
karakteriseert in zijn betoog "Het nut der Samenspraken," deze
dialoog met de volgende woorden: "In Charon verfoei en vervloek ik
den oorlog tusschen de Christenen."
CHARON: Wat heb jij een geweldige haast, Alastor?--ALASTOR: Dat is net
goed dat ik je tref, Charon. Ik haastte me juist naar je toe.--CHARON:
Wat voor nieuws is er?[1]--ALASTOR: Ik breng een bericht dat u en de
koningin der onderwereld recht veel plezier zal doen.--CHARON: Nu, zeg
dan op wat je komt brengen, ontlast je!--ALASTOR: De Schrikgodinnen
hebben even behendig als gelukkig haar taak vervuld: alle deelen van de
aarde hebben ze met helsche kwellingen bezocht, met tweespalt, oorlogen,
rooverijen, pestziekten en wel in die mate dat ze zoo goed als kaal
zijn, nu ze haar slangenlokken hebben verloren en beroofd van haar gif
rondwandelen, zoekend of er nog ergens iets aan slangen en adders te
vinden is, daar ze zoo glad zijn als een ei, geen haar meer op haar
hoofd hebben en in haar borst geen werkzaam gif. Maak gij nu maar dat ge
uw boot en uw riemen klaar hebt. Want daar zal weldra zóó'n menigte van
schimmen aankomen, dat ik bang ben dat ge geen voldoende middelen zult
hebben om ze over den stroom te zetten.--CHARON: Wat gij daar zegt was
me niet ontgaan.--ALASTOR: Hoe was je dat dan te weten gekomen?--CHARON:
De Faam had mij dat een paar dagen geleden al overgebracht.--ALASTOR:
Daar haalt toch niets bij de vlugheid van die Godin! Maar waarom zit je
hier zoo niets doende neer en hebt ge uw boot in den steek
gelaten?--CHARON: Ja, dat brachten de omstandigheden zoo mee. Ik ben
hierheen gekomen om me een stevige schuit te koopen. Want mijn boot die
van ouderdom rot is en veel water doorlaat, zou voor dat werk niet
voldoende zijn, wanneer werkelijk waar is, 't geen de Faam heeft
verteld. Maar, had ik die Faam wel noodig? De omstandigheden dwongen me
toch al. Want ik heb schipbreuk geleden.--ALASTOR: Ontegenzeggelijk ben
je druipnat. Ik dacht dat je zóó uit 't bad kwam.--CHARON: Neen, dat
niet; maar ik kom net uit de rivier de Styx zwemmen.--ALASTOR: En waar
heb-je dan je schimmen gelaten?--CHARON: Die zwemmen met de kikkers
rond.--ALASTOR: Maar wat heeft de Faam u verteld?--CHARON: Dat drie
monarchiën in doodelijken haat op elkaar aangevallen zijn om elkander te
verdelgen en dat er geen enkel deel van de Christenwereld is waar de
oorlog niet woedt: want die met hun drieën sleepen de anderen mee om
samen te vechten. Allen zijn ze zóó gezind dat niemand aan een ander wil
toegeven. Inmiddels weet ik, dat noch de Denen, noch de Polen, noch de
Schotten, noch zelfs ook Turkije zich rustig houdt: dat zij allerlei
vreeslijke maatregelen nemen; dat overal de pest woedt, in Spanje, in
Engeland, in Italië, in Frankrijk. Dat daarbij een nieuw verderf is
opgekomen, uit meeningsverschil ontstaan, dat alle menschen zóó heeft
bedorven, dat er nergens meer ware vriendschap bestaat; dat de eene
broeder den anderen wantrouwt, dat er tweedracht heerscht tusschen man
en vrouw. We willen er 't beste van hopen dat ook hieruit nog wel eens
een heerlijke ellende voor 't menschdom zal voortkomen, wanneer van tong
en pen de zaak tot handtastelijkheden overgaat.--ALASTOR: Nu, de Faam
heeft u dat alles volmaakt naar waarheid verteld. Want ik zelf heb met
mijn eigen oogen nog meer gezien, ik, die de onafscheidelijke gezel en
helper der Schrikgodinnen ben, die verklaard hebben dat ze haar naam
nooit meer verdiend hebben dan in dezen tijd.--CHARON: Toch bestaat er
gevaar dat de een of andere godheid opstaat om plotseling tot vrede aan
te manen. En de menschen zijn dikwijls zoo veranderlijk. Want naar ik
hoor leeft daar in de bovenwereld een zekere Veelschrijver[2] die niet
ophoudt met zijn pen zich tegen den oorlog te verzetten.--ALASTOR: Nu
ja, maar dat doet hij al lang tevergeefs. Indertijd heeft hij
geschreven: "Klacht van den Vrede, uitgeworpen en vertrapt bij alle
volkeren." Nu heeft hij weer uitgegeven een "Grafschrift op den
overleden Vrede." Maar daar zijn anderen die onze zaak evenzeer helpen
als de Furiën zelf.--CHARON: Wie dan?--ALASTOR: Wel, dat zijn wezens met
donkerkleurige en witte mantels, met aschgrauwe onderkleeren, vogels van
diverse pluimage. Nooit wijken ze van de hoven der vorsten, zij
druppelen in hunne ooren krijgslust in, drijven voornamen en menschen
uit 't volk daartoe aan; in hunne bekende godsdienstige bijeenkomsten
verkondigen ze dat de oorlog rechtvaardig, heilig en vroom is. En opdat
ge u nog meer over de driestheid van die menschen zoudt verwonderen: ze
verkondigen hetzelfde van beide zijden. Bij de Franschen roepen ze den
volke toe: dat God aan den kant der Franschen staat en dat _hij_ niet
kan overwonnen worden die God als beschermer heeft. Bij de Engelschen en
de Spanjaarden: dat deze oorlog niet door den Keizer wordt gevoerd, maar
door God zelf. Als ze zich maar dapper betoonen, dat dan ook de
overwinning vaststaat. En als iemand soms sneuvelt, zoo iemand sterft
niet, maar vliegt regelrecht ten hemel, zóó als hij stierf, met wapens
en al.--CHARON: En gelooft men nu dat alles, wat ge daar
vertelt?--ALASTOR: Wat vermag geveinsde godsdienst niet? Daarbij komen
nog jeugd, gebrek aan ondervinding, eerzucht, verbolgenheid en een
aangeboren neiging om dat, waartoe men geroepen wordt te volbrengen.
Zulke menschen laten zich gemakkelijk verlokken en een wagen die op een
hellend vlak in beweging is, heeft geen sterken stoot noodig.--CHARON:
Nu, ik zou die wezens gaarne eens een pleziertje doen.--ALASTOR: Welnu,
maak dan maar eens een prachtig feestmaal voor hen gereed. Ge kunt hen
geen grooter plezier doen.--CHARON: Een diner van malven, boonen en
prei? Want iets anders oogsten wij bij ons in de onderwereld niet,
zooals ge weet.--ALASTOR: Neen waarachtig niet: van patrijzen, kapoenen
en fazanten, ten minste wanneer ge een gastheer wilt zijn wien men
dankbaar is.--CHARON: Maar wat drijft hen toch aan om den oorlog zoo
dóór te drijven of wat nut oogsten ze daarvan?--ALASTOR: Omdat ze meer
voordeel hebben van de dooden dan van de levenden. Dan komen de
testamenten, begrafenismaaltijden, allerlei vrijdom en vele andere, niet
te versmaden zoete winstjes. Kortom: ze willen liever in een legerkamp
verkeeren dan in hunne kloostercellen. Een oorlog maakt velen tot
bisschoppen, die in vredestijd geen cent waard waren.--CHARON:
Verstandige menschen!--ALASTOR: Maar waarvoor heb je een schip
noodig?--CHARON: O, noodig hebben zou ik 't niet, als ik graag eens wéér
midden in de rivier schipbreuk wilde lijden.--ALASTOR: Door de menigte
van dooden?--CHARON: Wel natuurlijk.--ALASTOR: Maar je vaart toch maar
alleen schimmen over, geen lichamen. En wat hebben die schimmen een
onbeteekenend gewicht!--CHARON: Laten ze zoo licht zijn als mugjes; de
menigte muggen kan zóó groot zijn dat ze mijn boot zwaar maken. En, dan
moet ge ook niet vergeten: mijn boot is ook maar de schim van een
boot.--ALASTOR: Toch herinner ik me wel eens gezien te hebben dat, toen
er eens een groote troep schimmen was om overgebracht te worden en uw
boot ze niet allen kon bevatten, er dikwijls aan uw roer een drieduizend
schimmen hingen terwijl gij er geen gewicht van bespeurdet.--CHARON: Ik
geef toe dat er zulke schimmen zijn die langzamerhand uit het lichaam
weken ten gevolge van tering of aanhoudende koorts. Maar de schimmen die
plotseling uit een goed doorvoed, welgedaan lichaam worden losgerukt,
die dragen nog veel van de lichaamszwaarte met zich mee. En beroerte,
keelziekte en pest zenden mij zulke dingen toe, maar voornamelijk de
oorlog.--ALASTOR: Ik geloof niet dat Franschen of Spanjaarden veel
gewicht meebrengen.--CHARON: Veel minder dan de overigen maar met dat al
zijn hunne schimmen toch ook niet altijd zoo licht als een veertje. Maar
van de Engelschen, van de goed doorvoede Duitschers komen er nog al
dikwijls die zóó zwaar zijn, dat ik nog onlangs, toen ik er tien
welgeteld overbracht, gevaar liep schipbreuk te lijden en als ik er niet
wat van overboord geworpen had, zou ik, met boot en matrozen en veergeld
en al, omgekomen zijn.--ALASTOR: Geen gering verschil tusschen de ééne
schim en de andere.--CHARON: En wat denk-je wel dat er gebeurt wanneer
dikke gouverneurs, fanfarons en ijzervreters aankomen?--ALASTOR: Wel,
als er één van dezen in een echten oorlog sneuvelt, dan komt er geen een
bij u. Want naar men zegt vliegen dezen regelrecht ten hemel.--CHARON:
Waar ze heen vliegen weet ik niet, maar dit alleen weet ik wèl dat, zoo
dikwijls er oorlog is, er zóóveel gewonden en verminkten tot mij komen
dat ik me verwonder, hoe er in de bovenwereld nog één enkele over kan
zijn. En niet alleen komen ze tot mij met haarpijn en met vette
hangbuiken, maar ook met bullen, met priesterambten en allerlei andere
zaken.--ALASTOR: Maar dat alles brengen ze toch niet mee bij u; ze komen
toch naakt hierheen?--CHARON: Daar heb je gelijk in. Maar die zoo pas
aankomen, brengen toch de droombeelden van al dergelijke dingen
mee.--ALASTOR: En maken die droombeelden hen dan nog zoo zwaar?--CHARON:
Ze verzwaren mijn boot. Wat zeg ik: verzwaren? Ze doen haar haast
zinken. En dan, denkt ge dat zooveel muntstukken[3] geen gewicht
hebben?--ALASTOR: Nou, dat zou ik denken, als ze kopergeld
meebrengen.--CHARON: Daarom ben ik dan ook van plan rond te zien naar
een boot die sterk genoeg is voor zulke vrachtjes.--ALASTOR: Jij
geluksvogel!--CHARON: Hoe dan? ALASTOR: Wel, omdat je eerstdaags
schatrijk zult worden.--CHARON: Wegens de menigte van
schimmen?--ALASTOR: Ja!--CHARON: Dàt zou het geval zijn als ze hun
bezittingen meebrachten. Maar nu brengen zij die in mijn boot zitten te
jammeren, dat ze in de bovenwereld hun vorstendommen, hun landvoogdijen,
hun abdijen, hun schatten aan geld hebben moeten achterlaten, niets mee
dan hun muntstukje voor 't veergeld. En zoo moet 't geen ik gedurende
drieduizend jaren bijeengegaard heb, door mij worden uitgegeven voor een
schuit.--ALASTOR: Je moet een spierinkje uitwerpen om een kabeljauw te
vangen.--CHARON: De menschen drijven tegenwoordig vrij wat voorspoediger
handel, daar zij, wanneer Mercurius hen wat begunstigt, binnen drie
jaren rijk worden.--ALASTOR: Ja, maar ze gaan ook vaak failliet. Uw
winst is kleiner, maar ook zekerder.--CHARON: Ik weet niet waarom ge zoo
zegt: zekerder. Als er nu eens een godheid opstond om de zaak tusschen
de vorsten bij te leggen, dan was mijn heele buitenkansje naar de
maan.--ALASTOR: Nu, ik geloof dat je, wat dit betreft, heel gerust op
beide ooren kunt slapen. In tien jaren tijds behoeft men niet voor een
vrede bang te wezen. Alleen de paus zet ijverig tot vrede aan; maar ...
't is boter aan de galg gesmeerd. De burgers in de landen klagen steen
en been over al de rampen; sommige menschen fluisteren wel zachtjes
tegen elkaar, terwijl ze beweren dat 't onbillijk is hoe wegens
persoonlijken wrok of eerzucht van twee of drie menschen alles op de
wereld 't onderst boven wordt gekeerd: maar, geloof me, de rechtvaardige
plannen van de Schrikgodinnen zullen 't winnen. Maar waarom vondt ge het
noodig om ter wille van een nieuw schip naar de bovenwereld te gaan?
Zijn er dan bij ons in de onderwereld geen handwerklieden? We hebben
toch Vulcanus.--CHARON: Heel mooi, wanneer ik een metalen schip noodig
had.--ALASTOR: Voor een kleinigheid zou men er een timmerman kunnen
ontbieden.--CHARON: Jawel, maar 't ontbreekt ons aan
timmerhout.--ALASTOR: Wat zeg je? Zijn in de onderwereld dan geen
bosschen meer?--CHARON: Zelfs de lieflijke bosschen uit de Elyseesche
velden zijn opgebruikt.--ALASTOR: Waarvoor?--CHARON: Voor het verbranden
van de schimmen van ketters. Zelfs zóó, dat we onlangs gedwongen zijn
uit 's aardrijks ingewand kolen op te graven.--ALASTOR: Wat? Kunnen die
schimmen niet op min kostbare wijze worden gestraft?--CHARON: 't Is
Rhadamanthus die aldus besloot.--ALASTOR: En als je nu een boot gekocht
hebt, hoe kom je dan aan de riemen?--CHARON: Mijn taak is 't het roer te
hanteeren: de schimmen moeten roeien als ze den Styx over
willen.--ALASTOR: Maar er zijn er toch ook die niet geleerd hebben te
roeien.--CHARON: Bij mij bestaat voor niemand een uitzondering. Roeien
moeten alleenheerschers, roeien moeten ook kardinalen op hun beurt, of
ze 't geleerd hebben al dan niet.--ALASTOR: Nu ik hoop dat ge onder
bescherming van Mercurius een goeden koop van een boot moogt sluiten. Ik
zal je niet langer ophouden. Aan de onderwereld ga ik een blijde
boodschap brengen. Maar Charon, hoor nog eens even!--CHARON: Nu wat is
er?--ALASTOR: Maak dat je wat gauw terug komt, opdat je niet door de
menigte van schimmen overstelpt wordt.--CHARON: Ja, je zult er al meer
dan tweehonderdduizend op den oever van de rivier aantreffen, behalve
die, welke al in 't water rond zwemmen. Maar 'k zal me haasten zooveel
ik kan. Zeg hun intusschen dat ik er spoedig zal wezen.
NOTEN:
[1] Erasmus schreef dit ongeveer in den tijd toen keizer Karel V met
Hendrik VIII, koning van Engeland, oorlog voerde tegen Frans I, koning
van Frankrijk.
[2] Hiermee duidt Erasmus zich zelven aan, zooals hij dat op meer
plaatsen in zijn geschriften doet.
[3] Als veergeld werd den dooden een koperstukje in den mond gegeven.
* * * * *
DE ONTEVREDEN GEHUWDE OF HET HUWELIJK
EULALIE, XANTIPPE.
Erasmus was een goed kenner der vrouwen. In onderstaand gesprek
toont hij te weten, hoe de vrouwen in zijn tijd soms hunne
echtgenooten behandelden; óók, hoe die verhouding bij anderen veel
beter was. De practische levenswijsheid doet hier menig verstandig
voorschrift aan de hand, dat in zijn tijd zeker vaak nut zal hebben
gesticht, en waarvoor (al zijn de tijden gelukkig in vele opzichten
veranderd) onze eeuw ook nog wel eens de ooren mag openen. "Tracht,
o! vrouwen, door zachtheid, wijsheid, beleid, niet door vinnigheid
en boosheid uw mannen te verbeteren," dat is de leer hier door
Erasmus verkondigd. Een blik wordt hier gegeven in 't burgerlijke
leven dier dagen met zijn ruwe zeden en gewoonten, eigenaardig
zeker in vergelijking met die van onzen tijd.