EULALIE: Hartelijk gegroet, Xantippe: ik ben heel blij dat ik je

zie.--XANTIPPE: Net hetzelfde, lieve Eulalie. Je bent veel mooier dan

gewoonlijk!--EULALIE: Begin je nu met mij met grapjes?--XANTIPPE: Neen

werkelijk niet: maar ik meen het heusch.--EULALIE: Misschien dat mijn

nieuwe japon mijn vormen wat beter doen uitkomen?--XANTIPPE: Dat kan wel

wezen, 'k Heb in langen tijd zoo iets beelderigs niet gezien. Mij dunkt

't is Engelsche stof.--EULALIE: Ja 't is Engelsche wol en Venetiaansche

kleur.--XANTIPPE:--'t Is zachter dan batist. Maar wat een echt mooie

purperkleur. Waar heb je dat van daan gekregen?--EULALIE: Van wie moeten

eerbare vrouwen 't krijgen anders dan van hare mannen?--XANTIPPE:

Gelukskind, als je zoo'n man hebt! 'k Wou liever dat ik een nul getrouwd

had, toen ik mijn Nicolaas huwde.--EULALIE: Alsjeblieft, wat zeg je

daar? Is er al zóó gauw een slechte verhouding tusschen

jelui?--XANTIPPE: Daar zal ook nooit een goede verhouding tusschen ons

komen. Je ziet hoe haveloos ik er uitzie. Zóó laat hij zijn vrouw

loopen. 'k Mag doodvallen als ik me niet vaak schaam zóó op straat te

komen, wanneer ik zie hoe netjes anderen gekleed zijn die met veel armer

mannen getrouwd zijn.--EULALIE: Het sieraad van een getrouwde vrouw zit

niet in haar kleeding of in anderen tooi van 't lichaam, zooals de

Apostel Petrus leert, maar in een kuischen en ingetogen aard en in de

goede geesteseigenschappen. Dat heb ik dikwijls in de kerk gehoord.

Lichtekooien sieren zich voor den blik van velen. Wij zijn mooi genoeg

als we maar aan één man mogen behagen.--XANTIPPE: Maar intusschen brengt

die goede man van mij, die zoo karig is tegenover zijn vrouw, den

tamelijk rijken bruidschat dien ik hem meebracht, aardig door.--EULALIE:

Waarmee?--XANTIPPE: Met dingen waarin hij plezier heeft: met wijntje en

Trijntje en dobbelen.--EULALIE: 't Is zonde!--XANTIPPE: Maar 't is

werkelijk zoo. En als hij dan dronken, diep in den nacht thuis komt,

waar ik hem lang heb zitten wachten, dan snurkt hij den geheelen nacht,

braakt soms het bed vol, om van de rest maar niet te spreken.--EULALIE:

Zoo mag je niet spreken; je doet je zelf schande aan, wanneer je je man

de kroon van het hoofd haalt.--XANTIPPE: 'k Mag sterven wanneer ik niet

liever een pad bij me heb, dan zóó'n man.--EULALIE: En wacht je hem dan

niet op met een flink standje?--XANTIPPE: Zooals hij verdient. Hij merkt

dat ik niet stom ben.--EULALIE: En wat bracht hij daartegen

in?--XANTIPPE: In 't eerst schreeuwde hij woest, omdat hij dacht dat hij

me met groote woorden op de vlucht zou jagen.--EULALIE: En is het van

woorden nooit tot handtastelijkheden gekomen?--XANTIPPE: Als ik het goed

naga dan is de strijd éénmaal zóó hoog geloopen, dat 't heel weinig

scheelde of 't liep op vechten uit.--EULALIE: Wat moet ik

hooren?--XANTIPPE: Hij zwaaide met een knuppel onder woest geschreeuw en

vreeselijke dreigementen.--EULALIE: Was je toen niet bang?--XANTIPPE:

Neen, zeker niet! Ik van mijn kant greep een klein bankje, en als hij me

met een vinger aangeraakt had, zou hij gemerkt hebben dat ik ook handen

aan mijn lijf heb.--EULALIE: Dat is een nieuw soort van schild. Daarbij

ontbrak nog maar de stok van 't spinnewiel als lans.--XANTIPPE: Hij zou

gevoeld hebben dat hij met een manwijf te doen had.--EULALIE: Neen

Xantippe, dat gaat toch zoo niet.--XANTIPPE: Wat gaat niet? Als hij mij

niet als zijn vrouw behandelt, ben ik ook niet van plan hem als mijn man

te beschouwen.--EULALIE: Maar de Apostel Paulus leert toch dat de

vrouwen haar mannen met allen eerbied onderdanig moeten zijn. En Petrus

houdt ons het voorbeeld van Sarah voor oogen, die haar man Abraham

"heer" noemde.--XANTIPPE: Ja, dat heb ik ook wel gehoord. Maar diezelfde

Paulus leert ook, dat de mannen hunne vrouwen moeten liefhebben, evenals

Christus Zijn bruid, de Kerk, heeft liefgehad. Laat _hij_ denken aan

_zijn_ plicht, dan zal _ik_ ook aan den _mijne_ denken.--EULALIE: Maar

als 't nu eenmaal in dit stadium is gekomen dat er één voor een ander

moet wijken, dan is 't toch ook niet meer dan billijk dat de vrouw

toegeeft aan haar echtgenoot.--XANTIPPE: Als _hij_ tenminste werkelijk

echtgenoot mag heeten, die mij beschouwt als zijn dienstmeid.--EULALIE:

Maar zeg eens, Xantippe, is je man later opgehouden te dreigen met

klappen?--XANTIPPE: Ja, en dat is maar goed ook, want hij zou slaag

gehad hebben.--EULALIE: Maar ben jij toen ook niet opgehouden met

kijven?--XANTIPPE: Neen en ik ben ook niet van plan er mee op te

houden.--EULALIE: En wat doet hij dan onderwijl?--XANTIPPE: Wat? Nu,

soms slaapt hij eens en droomt als een mensch; soms doet hij niets dan

lachen; dikwijls grijpt hij een muziekinstrument, waarop nog maar drie

snaren zitten en terwijl hij daarop tokkelt zoo hard hij kan, tracht hij

mijn woorden te overstemmen.--EULALIE: En dat hindert je dan toch

zeker?--XANTIPPE: Meer dan ik je zeggen kan. Soms kan ik mijn handen

maar met moeite thuis houden.--EULALIE: Lieve Xantippe. Permitteer je me

dat ik eens heel vrijuit met je spreek?--XANTIPPE: Zeker.--EULALIE: Jij

moogt dat dan over mij ook doen. De omgang dien wij bijkans van de wieg

af met elkaar gehad hebben, brengt dat mee.--XANTIPPE: Je hebt gelijk;

geen van mijn vriendinnen had ik ooit meer lief.--EULALIE: Hoe je man

ook moge wezen, bedenk dit: je hebt niet het recht om te veranderen.

Vroeger was bij onherstelbare tweespalt de echtscheiding een uiterste

redmiddel. Dat is nu uit. Tot aan den laatsten levensdag moet een

echtgenoot ook je man blijven, en gij de vrouw van uw man.--XANTIPPE: Ik

wou dat God de menschen strafte die ons 't recht om te scheiden hebben

afgenomen.--EULALIE: Spreek niet zoo, Christus heeft 't zoo

ingesteld.--XANTIPPE: Dat kan ik haast niet gelooven.--EULALIE: 't Is

toch zoo. Nu schiet er niets anders over dan dat gij beiden u op

eendracht toelegt, door u te schikken naar elkanders karakter en

aard.--XANTIPPE: Maar hoe kan ik mijn man veranderen?--EULALIE: 't Hangt

heel veel van de vrouwen af, hoe de mannen zijn.--XANTIPPE: Ben _jij_

dan goed met jouw man?--EULALIE: Nu is alles in orde.--XANTIPPE: Dus was

er in den beginne ook wel onraad?--EULALIE: Nooit stormde het. Maar toch

waren er, zooals dat onder menschen wel meer gaat, eenige wolkjes aan

den horizon, wolkjes die een storm hadden kunnen verwekken, wanneer dat

niet door kalm overleg was voorkomen. Ieder heeft zoo zijn

eigenaardigheden, ieder heeft zoo zijn ideeën, en als we de waarheid

willen zeggen: ieder heeft ook zijn eigen gebreken. En zoo ooit of

ergens dan moet men die in het huwelijk kennen en niet

verafschuwen.--XANTIPPE: Wat je daar zegt is waar.--EULALIE: Maar nu

gebeurt het heel vaak, dat de welwillendheid over en weer tusschen man

en vrouw reeds zoek is, vóórdat ze elkander eigenlijk goed kennen. En

daarvoor moet men in de allereerste plaats oppassen. Immers als er

éénmaal een wrok is ontstaan, dan komt dat heel moeilijk weer in orde,

vooral wanneer 't eenmaal tot harde woorden gekomen is. Pas gelijmde

stukken vallen licht van elkander wanneer men er hard tegen stoot, maar

wanneer ze eenmaal flink aan elkander vast zitten, als de lijm gedroogd

en hard is, dan is er niets stevigers denkbaar. Daarom moet het in den

aanvang daarop worden aangelegd, dat de vriendelijke gezindheid tusschen

man en vrouw samengroeie en bevestigd worde. En dat kan 't best

geschieden door elkander te dienen en zich aan elkanders

eigenaardigheden aan te passen. Want een welwillendheid, die alleen maar

voor den vorm wordt aangenomen, is doorgaans van voorbijgaanden

aard.--XANTIPPE: Maar vertel me dan toch alsjeblieft door welke middelen

jij je man tot jouw eigenaardigheden hebt weten te brengen.--EULALIE: 'k

Wil 't je wèl vertellen, maar alleen op voorwaarde dat je tracht 't na

te doen.--XANTIPPE: Als ik kan.--EULALIE: Dat zal heel licht gaan als de

goede wil er maar is. 't Is nog niet te laat. Want hij is nog jong en

jij bent nog haast een meisje. 'k Geloof dat er nog geen jaar sedert je

getrouwd bent, verloopen is.--XANTIPPE: Dat 's waar.--EULALIE: Nu dan

zal ik 't je vertellen, maar: mondje dicht!--XANTIPPE: Goed.--EULALIE:

Mijn allereerste zorg was: om in alles mijn man ter wille te wezen,

zoodat er niets was, waaraan hij aanstoot kon nemen. Ik ging nauwkeurig

zijn lusten en liefhebberijen na, lette goed op alle tijden en

gelegenheden en wat hij bijzonder graag had, óók, wat hem kon prikkelen,

net zooals leeuwen- en olifanten-temmers doen met dergelijke dieren die

men niet met geweld kan behandelen.--XANTIPPE: Zoo'n beest heb ik

thuis.--EULALIE: Menschen die bij olifanten komen doen geen witte jas

aan: bij stieren geen roode; omdat men bij ondervinding weet dat die

kleuren de dieren woest maken. Zoo worden bijv. tijgers door

bekkenslagen zóó wild, dat ze elkander verscheuren. En menschen die met

paarden omgaan, hebben hun gewone woordjes, hun geluiden met de tong, 't

streelen met de hand en allerlei andere gebaren en geluiden waarmee ze

schichtige paarden kalmeeren. Hoeveel te meer moeten wij dan ook die

middelen toepassen op onze echtgenooten met wie wij, of we willen of

niet, ons geheele leven dóór, huis en bed moeten deelen.--XANTIPPE: Nu,

ga door, je bent zoo mooi begonnen.--EULALIE: Dat in 't oog houdend

trachtte ik mij naar hem te voegen, terwijl ik zooveel mogelijk oppaste

dat er geen reden tot aanstoot gegeven werd.--XANTIPPE: Hoe kon je

dat?--EULALIE: In de allereerste plaats door goed te zorgen voor 't

huishouden, de eerste en voornaamste taak van een huisvrouw. Ik waakte

er niet alleen voor dat er niets werd verzuimd, maar ook dat alles naar

zijn zin uitkwam, zelfs in de kleinste zaken.--XANTIPPE: Welke

bijvoorbeeld?--EULALIE: Bijv. wanneer je man van dit of van dat kostje

veel houdt, als een gerecht op deze of die manier klaargemaakt hem

bijzonder bevalt, als zijn bed op een bijzondere manier wordt

opgemaakt.--XANTIPPE: Maar hoe was je in staat je naar hem te voegen als

hij zoo zelden thuis en dan nog dronken was?--EULALIE: Geduld! Dat wilde

ik juist gaan vertellen. Als mijn man soms eens wat somber scheen en de

gelegenheid minder gunstig was om hem aan te spreken, dan lachte of

schertste ik nooit, zooals sommige vrouwen wel eens doen; maar ik zette

zelf ook een erg bedroefd en bekommerd gezicht. Gelijk een spiegel, als

hij goed is, altijd 't gezicht van hem die er in kijkt juist weergeeft,

zoo moet ook de huisvrouw zich weten te voegen naar de gemoedsstemming

van haar man. Ze moet niet vroolijk zijn, wanneer hij somber gestemd is

of zich niet blij toonen wanneer er iets is wat hem hindert. En wanneer

hij dan eens wat opgewonden was, trachtte ik hem met zachte woordjes te

kalmeeren, of ik liet zijn boosheid maar stilletjes bekoelen tot de

gelegenheid zich aanbood 't zij voor hem om zijn boosheid kwijt te

raken, 't zij voor mij om hem eens onder handen te nemen. 't Zelfde

placht ik te doen wanneer hij thuis kwam, na wat meer wijn gedronken te

hebben dan wel dienstig was. Dan zei ik niet anders dan vriendelijke

woordjes tot hem, alleen met een zoet lijntje wist ik hem naar zijn bed

te krijgen.--XANTIPPE: Je moet me toch toegeven dat de positie van de

vrouwen heel ongelukkig is, dat ze maar moeten gehoorzamen aan driftige,

dronken echtgenooten, die alles doen wat ze willen.--EULALIE: Alsof die

volgzaamheid niet wederkeerig was! Zij zien zich toch ook genoodzaakt

veel van ónze eigenaardigheden te verdragen. Er komt evenwel een tijd

wanneer de vrouw de man moet waarschuwen, wanneer er iets van belang

voorvalt. Bij zaken van minder gewicht is 't beter wat door de vingers

te zien.--XANTIPPE: Wat dan?--EULALIE: Wanneer hij niet over iets tobt,

geen muizenissen in 't hoofd heeft, geen reden tot bekommering heeft,

niet gedronken heeft. Dan kan men hem onder vier oogen eens kapittelen,

of liever vragen of hij hierin of daarin niet wat meer zorg kon hebben

voor zijn zaken, voor zijn goeden naam, voor zijn gezondheid. En dan

moet toch ook nog die waarschuwing met wat grapjes en aardigheden

gekruid worden. Dikwijls stel ik vooraf als voorwaarde, dat hij niet

boos op me mag worden, wanneer ik, dwaze vrouw, hem een raad geef die

kan strekken tot zijn eer, tot zijn gezondheid, tot zijn heil. En als ik

hem dan de waarschuwing had gegeven die ik bedoelde, dan sneed ik hem de

woorden af en wendde 't over een anderen, joligen boeg. Want dit is over

't algemeen onze fout, lieve Xantippe, dat wij er geen eind aan kunnen

maken als we eenmaal begonnen zijn te spreken.--XANTIPPE: Ja, dat

beweren ze wel meer.--EULALIE: Maar in de allereerste plaats paste ik er

op, met mijn man nooit in tegenwoordigheid van derden te kibbelen en

niets van onze oneenigheid buiten de deur te brengen. Een breuk wordt

veel gemakkelijker hersteld, als er iets tusschen twee personen is

voorgevallen. En wanneer er eens iets gebeurt zóó dat 't onverdragelijk

is en niet door vermaningen van de vrouw kan worden goedgemaakt, dan is

't passender dat de echtgenoote met haar klacht aankomt bij de ouders

van haar man of bij diens bloedverwanten, dan bij haar eigen familie en

haar klacht zóó matigt dat ze niet den schijn op zich laadt haar man te

haten, maar wèl diens fouten. Maar toch moet ze ook weer niet alles

vertellen, zoodat hij dit opmerkt (ook al zegt hij het niet) en dan de

vriendelijkheid van zijn vrouw zal moeten waardeeren.--XANTIPPE: De

vrouw die dat alles wat gij verlangt kan doen, moet wel wijsgeerig

aangelegd zijn.--EULALIE: Door zulke tegemoetkomingen zullen we onze

mannen tot gelijke welwillendheid prikkelen.--XANTIPPE: Er zijn er die

men door geen vriendelijkheid, welke ook, verbetert.--EULALIE: Nu, ik

geloof dat niet. Maar gesteld eens dat 't zoo was. Bedenk dan dit in de

eerste plaats: we moeten onze echtgenooten nemen zooals ze zijn. Het

verdient dan toch nog maar de voorkeur iemand te verdragen, die

aanvankelijk een zwijn gelijkt, maar langzamerhand wat beter wordt, dan

iemand die met den dag liederlijker wordt, omdat wij onaangenaam tegen

hem zijn. Wat zou je er van zeggen wanneer ik eens voorbeelden aanhaalde

van echtgenooten, die door zoo'n vriendelijke bejegening hunne vrouwen

hebben verbeterd? Hoeveel te meer moeten wij dan 't zelfde doen

tegenover onze mannen?--XANTIPPE: Als je dat doet, dan zul je een

voorbeeld aanhalen geheel anders dan _mijn_ man is.--EULALIE: Ik heb

kennis aan een heer van adel, geleerd, een man van een

allerbeminnelijkst karakter. Hij had een jong vrouwtje getrouwd,

zeventien jaar oud, altijd op 't land, in 't huis van haar ouders

opgevoed, zooals adellijke heeren graag op 't land wonen om de jacht en

de vogelvangst. Hij wilde juist graag een ongevormd en onontwikkeld

meisje huwen om haar des te meer naar zijn zin te kunnen zetten. Hij

begon haar in letterkunde en muziek te onderrichten en haar

langzamerhand te gewennen hem 't geen zij in de kerk had gehoord te

vertellen. Hij begon haar door allerlei wetenswaardigheden te

ontwikkelen, die haar later van nut zouden kunnen zijn. Daar dit alles

voor 't jonge ding vreemd was, omdat ze bij zich thuis was opgevoed bij

nietsdoen en bij de conversatie en scherts van de dienstboden, begon

haar dit te vervelen. Ze wilde zich tegenover haar man niet volgzaam

toonen en als hij daarop aandrong dan huilde en pruilde zij zonder

ophouden. Dikwijls wierp ze zich op den grond, met haar hoofd op den

vloer bonzend alsof zij wenschte dood te zijn. Toen daaraan geen eind

wilde komen, kwam haar echtgenoot, die deed nèt alsof hij volstrekt niet

boos was, met de uitnoodiging dat ze samen voor plezier naar buiten

zouden gaan, naar 't huis van zijn schoonvader. Nu, daar had zijn vrouw

wel ooren naar. Toen ze daar waren aangekomen werd de jonge vrouw door

haar man bij haar moeder en haar zusters gelaten. Hij ging met zijn

schoonvader op de jacht. Onder vier oogen vertelt hij nu aan dezen dat

hij gehoopt had een gezellige levensgezellin te krijgen, maar dat hij er

een gekregen had die niets deed dan huilen en zich kwellen en martelen,

zonder dat er (op welke manier ook) eenige verbetering aan te brengen

was. Dat hij hem dus vriendelijk verzocht een handje te willen helpen in

't genezen van dat, wat werkelijk een ziekte was bij zijn dochter. De

schoonvader antwoordt hem dat hij hem eenmaal zijn dochter heeft [png.

086]afgestaan en wanneer zij niet naar zijn woorden wil hooren, dat hij

dan maar van zijn recht gebruik moet maken en haar met de karwats moet

zien te verbeteren. Toen zei de schoonzoon weer, dat hij wel wist

daartoe 't recht te hebben. "Maar," zei hij, "ik zou ze liever door uw

overredingskracht of door uw invloed willen genezen, dan dat ik tot 't

uiterste middel overga." De schoonvader belooft nu dat hij zijn

maatregelen zal nemen. Na een paar dagen grijpt hij de gelegenheid aan

toen hij met zijn dochter alleen is. Terwijl hij zijn gelaat in een

ernstige plooi zette, begon hij er haar op te wijzen dat ze volstrekt

niet mooi was, maar óók: wat een weinig beminnelijk karakter zij getoond

had en hoe vaak hij gevreesd had dat ze geen man voor haar zouden kunnen

vinden. "Met de grootste moeite heb ik eindelijk een man voor je

gevonden, zooals ieder meisje, zelfs één dat in de meest gunstige

omstandigheden verkeert, voor zich zou kunnen wenschen. En toch verzet

jij je tegen hem, zonder dankbaar te erkennen wat ik voor je gedaan heb

en zonder te willen inzien, dat je een man bezit die, als hij niet

bovenmate vriendelijk was, je niet waard zou achten tot zijn

dienstpersoneel te behooren." Om kort te gaan, uit de woorden van den

vader sprak zóó de gloeiende toorn, dat 't er heel veel van had of hij

slechts met moeite zijn handen kon bedwingen. Hij is een man van groote

slimheid, die elke rol kan spelen, zelfs die geheel buiten zijn eigen

persoon ligt. De jonge vrouw, die bang werd, maar die zich toch ook wel

bewust was dat haar vader waarheid sprak, viel hem te voet en smeekte

hem 't verleden te vergeten, dat ze voortaan zou weten te doen wat haar

plicht was. Haar vader schonk haar vergiffenis en beloofde in 't vervolg

ook een liefhebbend vader te zullen wezen, als zij maar deed wat ze

beloofd had.--XANTIPPE: En verder?--EULALIE: De jonge vrouw gaat nà 't

gesprek met haar vader naar haar kamer, waar ze haar man alleen

aantreft. Ze valt hem te voet en zei: "Lieve man, tot nog toe heb ik

noch u, noch mijzelve gekend. In 't vervolg zal-je zien dat ik anders

geworden ben: vergeet 't vroeger gebeurde." Haar man ving die woorden op

in een kus en beloofde haar alles wat ze maar wilde, zoo ze bij dat

goede voornemen bleef.--XANTIPPE: Nu, en is ze er bij

gebleven?--EULALIE: Tot aan haar laatste uur en er was niets zoo nederig

of laag dat ze niet gewillig en volgaarne op zich nam, wanneer haar man

het verlangde. Zulk een groote genegenheid ontstond er tusschen hen en

zoo werd meer en meer de liefde tusschen hen bevestigd. Na eenige jaren

wenschte zij zich dubbel en dwars geluk dat ze zoo'n uitstekend

echtgenoot had mogen huwen. "Als ik dien niet gekregen had, zou ik de

ongelukkigste vrouw ter wereld zijn geweest."--XANTIPPE: Maar zóó'n man

is dan ook een witte raaf.--EULALIE: Wanneer je er niets tegen hebt dan

wil ik je ook nog een voorbeeld aanhalen, omgekeerd, van een echtgenoot

die door den tact van zijn vrouw in het rechte spoor werd gebracht, wat

onlangs in deze stad hier is gebeurd.--XANTIPPE: 'k Heb op 't oogenblik

niets beters te doen en ik zit zoo gezellig naar je gebabbel te

luisteren.--EULALIE: Daar was een heer van hoogen adel die, zooals dat

onder dat slag van menschen gewoonte is, veel aan de jacht deed. Op 't

platte land trof hij een meisje aan, de dochter van een arm vrouwtje en

ofschoon hij op wat gevorderden leeftijd was, werd hij smoorlijk op 't

kind verliefd. Terwille van haar bracht hij vaak den nacht buiten de

echtelijke woning door. De jacht was altijd een welkom voorwendsel. Zijn

echtgenoote, een vrouw op wie niet 't minste te zeggen viel en van

onkreukbare rechtschapenheid, kreeg eenigen argwaan en ging in 't geheim

de wegen van haar man eens na. Toen hij op een keer ergens heen was

gereisd ging zij naar 't huisje op 't land. Ze vischte de heele zaak

uit, waar hij sliep, waaruit hij dronk, hoe 't servies was enz. enz.

Huisraad was er zoo goed als niet: 't was er armoe troef. De dame ging

heen en keerde weldra terug, terwijl ze een gemakkelijk bed meebracht en

keukengerei, zelfs eenig zilveren vaatwerk. Ook voegde zij er nog wat

geld aan toe, met de nadrukkelijke boodschap dat, als de mijnheer weer

terug kwam, zij hem wat netter moest ontvangen. Zij liet intusschen

volstrekt niet merken dat zij zijn vrouw was, maar gaf voor zijn zuster

te zijn. Na eenige dagen komt die echtgenoot daar heimelijk weer terug.

Hij ziet dat 't huisraad vermeerderd is en dat 't onthaal ruimer is dan

gewoonlijk. Hij vraagt van waar die ongewone weelde komt. Zij zeggen dat

een deftige dame die aan hem verwant is, dit alles heeft laten brengen

en hun heeft opgedragen hem voortaan wat deftiger te ontvangen.

Onmiddellijk komt 't vermoeden bij hem op, dat 't zijn vrouw is die dit

heeft gedaan. Hij gaat naar huis en vraagt of zij 't geweest is. Zij

zegt niet neen. Hij vroeg nu ook, met welke bedoeling zij dat huisraad

daarheen had gezonden. "Wel manlief," zei ze, "je bent gewoon aan een

zekere mate van comfort. Ik zag dat je daar minder netjes dan je 't

gewoon bent, wordt ontvangen. Nu meende ik dat 't mijn plicht was te

zorgen dat je 't daar wat beter kreegt, omdat ik weet dat je daarop

gesteld bent."--XANTIPPE: Nu die dame is wel wat al _te_ goed. Ik zou

liever in plaats van een zacht bed een bundel brandnetels of

spinaziezaad onder hem gestrooid hebben.--EULALIE: Hoor nu hoe het

afliep. Toen de man die rechtschapenheid van zijn vrouw had leeren

kennen en tevens haar vriendelijkheid, is hij nooit meer naar zijn

bijzit gegaan, maar vond zijn genoegen bij zijn eigen vrouw. Ik meen te

weten dat je Gilbert uit Holland wel kent?--XANTIPPE: Ja

zeker.--EULALIE: Hij is getrouwd zooals je weet, ofschoon hij nog jong

en krachtig is, met een vrouw van wat meer gevorderden leeftijd, al

zoo'n beetje "op haar retour."--XANTIPPE: Hij heeft haar misschien

getrouwd "om het gelletje, niet om het velletje" zooals ze dat

noemen.--EULALIE: Je kon wel eens gelijk hebben. Hij had niet veel schik

in zijn vrouw en hield veel van een ander vrouwtje dat hij zoo af en toe

wel eens buitenshuis zag. Zelden gebruikte hij 't ontbijt of het

middagmaal thuis. Wat zou _jij_ in dat geval doen?--XANTIPPE: Wat _ik_

zou doen? Ik zou dat liefje in de haren vliegen en wanneer mijn man

uitging naar haar toe, hem een pot met water over zijn lijf gooien, dat

hij goed gezalfd naar zijn feestmaal zou stappen.--EULALIE: Wat deed die

andere dan toch veel verstandiger! Zij noodde 't liefje van haar man

uit, om bij hem thuis te komen en ontving haar vriendelijk. Zoo hield ze

haar man ook zonder tooverdranken bij zich thuis. En als hij soms eens

buitenshuis met haar at, dan zond ze daar een lekkeren schotel heen met

de boodschap er bij, dat ze 't er maar eens lekkertjes van moesten

nemen.--XANTIPPE: Nu, _ik_ zou liever dood gaan dan mijn mans

koppelaarster te wezen.--EULALIE: Maar ga nu intusschen de zaak eens

goed na. Was dit niet heel wat beter, dan wanneer zij door een

kwaadaardig optreden haar man geheel en al van zich had vervreemd en

verder haar geheele leven in twist en onmin had moeten

doorbrengen?--XANTIPPE: Ik moet toegeven dat er nu minder kwaad is

gesticht. Maar _ik_ zou het niet kunnen.--EULALIE: 'k Zal er nog één

voorbeeld aan toevoegen en dan houd ik op. Onze buurman van hiernaast is

een braaf en rechtschapen man, maar hij is een beetje opvliegend. Op een

goeden dag had hij zijn vrouw, iemand die algemeen als lief en aardig

bekend staat, geslagen. Zij ging in de achterkamer en onder tranen en

snikken verkropte zij daar haar harteleed. Een poosje daarna komt

toevallig haar man ook in die kamer en vindt er zijn vrouw in tranen.

"Wat zit je hier te huilen en te snikken, net als kleine kinderen doen?"

Zij vroeg hem voorzichtig: "Nu, is het niet beter dat ik hier mijn leed

beween, dan dat ik op straat ga staan schreeuwen, zooals andere vrouwen

wel doen?" Door deze zoo echt vrouwelijke en innige woorden brak zij den

toorn van haar man en hij gaf zich gewonnen. Bij handslag beloofde hij

zijn vrouw, dat hij nooit weer de hand aan haar zou slaan--en, hij heeft

't ook nooit weer gedaan.--XANTIPPE: Ik heb 't zelfde van mijn man op

een andere manier gedaan gekregen.--EULALIE: Maar intusschen is het

tusschen jelui beiden altijd vechten.--XANTIPPE: Wat zou je dan willen

dat ik deed?--EULALIE: Vooreerst, zwijgen over alles wat je man verkeerd

doet en zijn liefde langzamerhand winnen door voorkomendheid,

vriendelijkheid en toegevendheid. Dan zul je hem eindelijk wel gewillig

zien of tenminste zul-je hem thuis veel meer naar je hand gezet hebben

dan hij nu is.--XANTIPPE: Hij is veel te heftig van aard dan dat ik hem

zou kalmeeren door voorkomendheid.--EULALIE: Zeg dat niet! Daar is zelfs

geen wild beest zóó woest of 't is door zachtheid te temmen. Daar behoef

je dus bij een mensch nog minder aan te wanhopen. Probeer 't eens enkele

maanden. Je mag 't _mij_ wijten, als je bemerkt dat deze raad je niet

gebaat heeft. Verder zijn er enkele gebreken die je een beetje door de

vingers moet zien. In de allereerste plaats moet je er voor oppassen

geen twist in je slaapkamer of in je bed te verwekken. Je moet

daarentegen zorgen dat 't daar altijd opgewekt en prettig is. Een vrouw

moet er altijd voor zorgen dat haar man aan niets aanstoot kan nemen;

zij moet er haar uiterste best voor doen als ze met haar man samen is,

zich op alle manieren vriendelijk en opgewekt te toonen.--XANTIPPE: Ja,

voor een man, maar _ik_ heb met een _beest_ te doen.--EULALIE: Houd nu

op met kwaadspreken. Over 't algemeen zijn de mannen door ónze schuld

slecht voor ons. Maar om tot ons onderwerp terug te keeren. Zij die

thuis zijn in de oude verhalen der dichters, vertellen ons dat Venus

(zoo noemen zij de godin die het huwelijk beschermt) een gordel heeft,

door de kunstvaardige hand van Vulcanus bewerkt. Daarin moet alles

gewerkt zijn wat kan dienen om liefde te wekken. Dien gordel doet zij

aan, zoo dikwijls zij van plan is naar haar man te gaan.--XANTIPPE: Nu

ja, wat je daar vertelt is een fabeltje.--EULALIE: Daaraan heb je wel

gelijk, maar luister eens wat de bedoeling is van dat

fabeltje.--XANTIPPE: Nu, zeg eens op.--EULALIE: 't Leert ons dat een

vrouw alle moeite moet aanwenden, om als ze met haar man samen is, hem

ter wille te zijn, om de liefde van haar echtgenoot warm te houden en te

doen opvlammen en om uit zijn geest te verdrijven al wat hem aanstoot

kan geven of zijn tegenzin kan wekken.--XANTIPPE: Maar waar halen wij

zoo'n gordel van daan?--EULALIE: Geen heksenkruiden of

bezweringsformules hebben wij noodig. Geen betoovering is machtiger dan

een rechtschapen karakter verbonden met zachtheid.--XANTIPPE: Ik kan

tegen zoo'n man als de mijne is niet vriendelijk wezen.--EULALIE: En

toch hangt 't geheel van je zelve af of hij zal ophouden zóó te zijn als

hij nu is. Als je door de kunsten van een toovenares als Circe je man in

een zwijn of een beer kon veranderen, zou je het dan doen?--XANTIPPE:

Dat weet ik niet.--EULALIE: Weet je dat niet? Of zou je liever een zwijn

tot man hebben dan een mensch?--XANTIPPE: Natuurlijk liever een

mensch.--EULALIE: Welnu, wanneer je dan door tooverkunsten je man van

een dronkenlap tot een matig mensch kon maken, van een verkwister tot

een zuinig persoon, van een leeglooper tot een werkzaam man, zou je dat

dan niet doen?--XANTIPPE: Ja zeker zou ik dat. Maar hoe kom ik aan die

door u bedoelde toovermiddelen?--EULALIE: Wel je hebt ze tot je

beschikking, als je ze maar wilt aanwenden. Hij moet van u zijn, of hij

wil of niet. Hoe beter je hem maakt, des te beter behartig je je eigen

belang. Je hebt nu maar altijd je oogen gericht op zijn gebreken en deze

maken je afkeer van hem steeds grooter. Gij pakt hem altijd juist bij 't

handvatsel aan waar hij niet bij moet worden beetgepakt. Let liever ook

op zijn goede zijden, en vat hem daar aan, waar je wèl hoûvast aan hem

hebt. Vóór ge met hem trouwdet hadt ge tijd om te overwegen welke

slechte eigenschappen hij bezat. Immers men moet niet alleen met de

oogen maar ook met de ooren den man dien men koos, leeren liefhebben. Nu

is de tijd gekomen om fouten te herstellen, niet meer om er een

beschuldiging van te maken.--XANTIPPE: Welke vrouw heeft ooit haar man

"met de ooren" genomen?--EULALIE: Ik zou zoo zeggen: een vrouw neemt

haar man met de _oogen_, wanneer ze op niets anders let dan op zijn

mooie lichaam; met de _ooren_ daarentegen, wanneer ze nauwkeurig nagaat

wat er over hem verteld wordt.--XANTIPPE: Een goede waarschuwing, maar

die wat laat komt.--EULALIE: Een poging om je man te verbeteren, komt

nooit te laat. En daartoe kan heel veel bijbrengen of je je man ook een

kindje schenkt.--XANTIPPE: Dat is er al.--EULALIE: Wanneer?--XANTIPPE:

Al lang.--EULALIE: Hoeveel maanden al?--XANTIPPE: Bijkans

zeven.--EULALIE: Wat hoor ik! Is 't een jongen?--XANTIPPE: Ja.--EULALIE:

Nu, die brengt de zaak tusschen je beiden wel weer in orde, als jij je

zelve maar een beetje inschikkelijk wilt toonen. En hoe spreken anderen,

de vrienden van je man over hem? Met wie gaat hij buitenshuis

om?--XANTIPPE: Ze zeggen algemeen dat hij gemakkelijk van karakter is,

vrijgevig, meegaand, recht hartelijk voor zijn vrienden.--EULALIE: Juist

al die eigenschappen geven mij goeden moed dat jij hem wel zult krijgen

zooals je hem hebben wilt.--XANTIPPE: Alleen tegenover mij is hij niet

zoo.--EULALIE: Maar gedraag jij je nu tegenover hem zooals ik je geraden

heb. En dan mag je mij een leugenaarster noemen, als hij ook niet zoo

tegenover u zal wezen. Bedenk ook wel dat hij nog jong is: 'k geloof nog

niet eens vierentwintig jaar. Hij weet nog niet wat 't zeggen wil

huisvader te wezen. Je behoeft nog niet over echtscheiding te

denken.--XANTIPPE: Nou, ik heb er wàt vaak over gedacht.--EULALIE: Als

je daarover dan wéér gaat denken, overweeg dan eerst eens bij je zelf,

hoe weinig een gescheiden vrouw in de melk te brokken heeft, 't

Schoonste sieraad voor een vrouw is: haar man ter wille en gehoorzaam te

zijn. Zoo heeft de natuur 't ingericht, zoo heeft God het gewild, dat de

vrouw geheel zou afhangen van den man. Denk er verder aan: 't vermogen

behoort den man: een ander kan er niet aanraken. En denk dan aan 't

knaapje dat u beiden toebehoort. Wat zult ge omtrent hem bepalen? Zult

_gij_ hem bij u houden? dan berooft ge uw man van zijn bezit. Zult ge 't

ventje bij _hem_ laten? dan berooft gij u zelf van 't dierbaarste wat ge

hebt. Zeg me ten slotte nog dit: zijn er soms menschen die je een kwaad

hart toedragen?--XANTIPPE: Ja, ik heb een echte stiefmoeder, en

bovendien een schoonvader, net zoo erg als zij.--EULALIE: Zijn die je

zóó kwaadwillig gezind?--XANTIPPE: Ik geloof dat ze mij graag dood

zouden willen zien.--EULALIE: Welnu denk dan ook eens aan die twee. Kunt

ge hun wel grooter genoegen doen, dan wanneer zij je gescheiden zien van

je man; dat je als een weduwe, neen erger dan een weduwe moet leven?

Want weduwen mogen tenminste nog hertrouwen.--XANTIPPE: Ik vind je raad

heel goed, maar ik zie op tegen de langdurige moeite.--EULALIE: Maar

bedenk dan eens hoeveel moeite gij wel hebt moeten doen om dezen

papegaai enkele menschelijke woorden te leeren praten.--XANTIPPE: Heel

wat, dat is zeker.--EULALIE: En dan zou je opzien tegen de moeite om je

man wat te verbeteren om verder met hem een prettig leven te slijten?

Hoeveel moeite getroosten de menschen zich om een paard naar hun zin te

krijgen en mogen wij er dan bezwaar tegen hebben om ons best te doen ten

einde onze echtgenooten meer naar onze hand te zetten?--XANTIPPE: Wat

moet ik dan doen?--EULALIE: Dat heb ik je al gezegd. Zorg dat in huis

alles netjes en proper is: dat niets hem aanstoot kan geven, zoodat 't

hem uit het huis jaagt. Wees vriendelijk tegen hem en tevens met een

zeker eerbiedsvertoon dat een echtgenoote aan haar man verschuldigd is.

Wees opgewekt, maar niet uitgelaten; wees niet stroef, maar ook niet

dartel. Thuis moet hij zijn tafel wèlvoorzien vinden. Je kent den smaak

van je man, kook dus voor hem wat hij 't lekkerst vindt. Toon je ook

Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus · 第 6 / 18 段