Dit scepticisme is het beste bewijs dat men ten onregte Sebastiaan

Brand's _Narrenschiff_, welks oudste druk tot 1494 teruggaat, als een

voorlooper van Erasmus' _Lof der Dwaasheid _pleegt aan te duiden. Er

zijn vele plaatsen in Erasmus' boekje waar hij op hetzelfde aanbeeld

slaat als Brand en, tot regtvaardiging van zijn geloof aan de algemeene

heerschappij van den onzin, evenzoo op tallooze dwazen wijst

(boeke-narren, vrouwe-narren, gouden kalf-narren, wijn- en bier-narren,

gelijk de straatsburgsche burgemeester ze noemt) die het geluk in

allerlei onwezenlijke genoegens of voorregten zoeken. Brand's

boetpredikers-bedoeling echter is Erasmus vreemd; en bij den

Rotterdammer vormt de ééne, door den Straatsburger onveranderlijk

berispte dwaasheid, slechts een incident. De schuit van Brand is een

platbooms vaartuig, hetwelk desverkiezend op rollen gezet, en op

Vastenavond door de straten gevoerd kan worden.[80] Met Erasmus'

schuitje, vlug getuigd, kan men in weerwil van den ranken bouw eene reis

om de wereld doen. Zijne boot schijnt een wimpel van het fosforescerend

vuur te voeren, dat volgens de etymologen zijn naam aan den Heiligen

Erasmus der christelijke oudheid dankt.[81]

Ondanks het hemelsbreed verschil van taal en omvang komt geen ander

geschrift der 16de eeuw, wat de filosofische strekking betreft, het

boekje van onzen landgenoot nader dan de groote roman van Rabelais,

verschenen van 1533 tot 1554, en insgelijks eene de geheele zamenleving

omvattende satire. Erasmus' _Dwaasheid_ heet bij Rabelais _la Dive

Bouteille_, vertegenwoordigster derzelfde welwillende wijsbegeerte of

levensbeschouwing, die te midden der onzekerheid en dikwijls gemaakte

deftigheid van het ondermaansche, het goed regt van den roes der

vrolijkheid handhaaft.[82] Levendig hebben beiden beseft, Erasmus en

Rabelais, dat de mensch, al spant zijne scherpzinnigheid hare beste

krachten in, toch niet achter het geheim van zijn wezen komen kan;

geloof en eeuwig leven moeten kunnen verdragen, tot het gebied der

fantasie gebragt te worden; en ons bestaan, trots elk onderzoek, een

ondoorgrondelijk mengsel blijft van komisch en tragisch, verheven en

alledaagsch.

Wat de inkleeding betreft is de _Lof der Dwaasheid_ een offer aan de

mode. De geletterde wereld van Erasmus' dagen had voor het eerst weder

kennis gemaakt met de werken van sommige grieksche sofisten, of met de

sofistische uitspanningen van voorname grieksche redenaars en

schrijvers. Als met eene nieuwigheid vermaakte men zich met den _Lof der

Mug_ door Lucianus, met Lucianus' ironischen _Lof van Phalaris_, den

siciliaanschen tiran. Men herinnerde zich met welgevallen dat Glauco

schertsend den _Lof van het Onregt_, Synesius den _Lof der Kaalheid_,

Favorinus den _Lof van Thersites_, den mismaakten homerischen zwetser,

en den _Lof der Derdendaagsche Koorts_ geschreven had. Die voorbeelden

stonden Erasmus voor den geest; en hij verhoogde meteen het pikante van

het genre, door in den mond der Dwaasheid, die niet uit hare rol mogt

vallen eene lofrede op zichzelve te leggen. Zij, niet hij, is de sofist

die van het begin tot het einde der _declamatio_ het woord voert.[83]

In de 18e eeuw is Erasmus geestig nagevolgd door Mandeville, wiens

bije-fabel een vermomde _Lof der Ondeugd_ in de maatschappij; door

Holberg, wiens onderaardsche reis van Klaas Klim vaak een _Lof der

Ligtzinnigheid_ in den Staat is.[84] Doch niemand heeft een geheel

zamengesteld, dat in zoo hooge mate, evenals de schrijver zelf, het

karakter van een natuurprodukt bezit. De _Lof der Dwaasheid_ is niet

diepzinnig gelijk een stelsel van metafysica, maar gelijk een artisjok.

De kern der vrucht smaakt zoet, en geeft eene juiste voorstelling van

den bloedzuiverenden invloed der werken van Erasmus in het algemeen. Een

voor een kan men de puntige bladen, die hare kroon vormen, afplukken.

Zelven eene specerij, behoeven zij niet afzonderlijk in olie en azijn

gedoopt, of met zout en peper gekruid te worden.

Indien onze nederlandsche schilders van den tegenwoordigen tijd te

bewegen waren, voor eene poos zich aan de omhelzing hunner

dorpsvertellingen te ontrukken, dan zouden zij door het behandelen van

een historisch onderwerp roem kunnen behalen: Erasmus te viervoet,

gevolgd door zijn burgerlijken rijknecht, door zijne rijdende

bibliotheek, en opziend uit het schrijfboek waarin hij bezig is

gelukkige invallen voor den _Lof der Dwaasheid_ op te teekenen.

Werkelijk is het kleine geschrift, dat door de vergankelijkheid nu

weldra sedert vier eeuwen geëerbiedigd werd, op deze wijze zoo niet

voltooid, dan toch aangevangen: in den zadel, gedurende de eerste

terugreis uit Italië in 1509.[85] Erasmus telde op dat tijdstip, naar de

gewone berekening, tweeënveertig jaren; had Rome en Venetië gezien; had

te Turin den dokterstitel gehaald;[86] zou in Engeland bij lord Mountjoy

of bij Thomas Morus gaan logeren, buiten; werd op dat oogenblik door

zorgen noch ziekte gekweld; en was, nog onberoemd, juist in de stemming

een werk der verbeelding te dichten, waarin hij onder den sluijer der

allegorie den vrijen teugel vieren kon aan zijne luim.

* * * * *

Betrekkelijk vroegtijdig schijnt Erasmus, hoe jong van harte hij ten

einde toe moge gebleven zijn, vreemden aan een grijsaard te hebben doen

denken; hetgeen, wanneer men zijn zwervend leven en de tien folianten

zijner werken in aanmerking neemt, die lang niet al de weleer door hem

gekorrigeerde drukproeven behelzen, in zichzelf niet buitengewoon te

verwonderen is. Krachtiger ligchamen dan het zijne zouden van zulk een

ingespannen bezig-zijn na verloop van zeker aantal jaren de sporen

vertoond hebben.

Ik maak deze opmerking naar aanleiding der karaktervolle apostrofe aan

Erasmus in het dagverhaal van Albert Dürer's zuidnederlandsche reis van

1521, toen Dürer zelf de vijftig genaderd was, Erasmus hoogstens zes of

zeven jaren ouder kon zijn.

Het is bekend dat Erasmus op dat tijdstip te Antwerpen vertoefde,

bevriend met den stads-sekretaris Aegidius en met Quinten Metsys den

schilder, en dat kort na Pinksteren van genoemd jaar er in de stad een

onrustbarend gerucht liep. Maarten Luther, heette het, die op den

rijksdag te Worms zulk eene stoute taal gevoerd had (men begreep niet

dadelijk dat de keurvorst van Saksen hem met voordacht had doen opligten

en op den Wartburg in veiligheid brengen); Luther was in de handen

zijner vijanden gevallen! Ondanks het keizerlijk vrijgeleide hadden zij

hem gevangen! Vermoord misschien!

Dürer, die in dezelfde dagen te Antwerpen verscheiden openbare personen

portretteerde en onder anderen ook Erasmus uitteekende,[87] kan in de

algemeene dwaling niet lang gedeeld hebben. Bij het eerste vernemen

evenwel maakte de tijding op hem, tevens goed roomsch en goed

hervormingsgezind een verpletterenden indruk. De vereerder van den

onversaagden jongen Luther achtte door dezen slag de zaak der godsdienst

verloren, en teekende, overstelpt door droefheid, in zijn dagboek een

weeklagt in proza op,--bladzijden die voor de geschiedenis te meer

waarde hebben, en van hetgeen destijds omging in de gemoederen, eene te

juister voorstelling geven, omdat hier noch een theoloog, noch een

monnik, noch een letterkundige spreekt, maar een eenvoudig,

welonderwezen burger, slechts buitengewoon als kunstenaar en de

godsdienst enkel om haarzelve liefhebbend, als verhevensten vorm van het

schoone en zuiverste bron der deugd.

Onder het voortschrijven met bewogen gemoed en ongeoefende pen valt het

Dürer in, dat zoo Luther verloren is Erasmus nog leeft, deze op dat

oogenblik zich in zijne onmiddellijke nabijheid bevindt, en zoolang

Erasmus strijdvaardig blijft de christenheid niet behoeft te wanhopen.

"O, gij alle vrome christenmenschen," is het laatste woord zijner hulde

aan Luther, "helpt mij vlijtig beweenen dezen godgeestigen mensch, en

God bidden dat hij ons een ander verlicht man zende! O Erasme

Roterodame, hoor gij ridder des Heeren Christus: rijd nevens den Heer

Christus voort: bescherm de waarheid: verkrijg der martelaren kroon:

_gij zijt toch reeds een oud manneken_. Ik heb u hooren zeggen dat gij

uzelven nog twee jaren toegegeven hebt, in welke gij nog dacht iets te

doen. Leg dezelve wel aan, het evangelie en het ware christelijk geloof

ten goede, en laat u dan hooren. Dan zullen de poorten der helle, gelijk

Christus zegt, niets tegen u vermogen; en schoon gij hier uw meester

Christus gelijkvormig wierdt, en in dezen tijd schande van de leugenaars

leedt, en daarom een kleinen tijd des te eer stierft, zoo zult gij toch

eer uit den dood in het leven komen en door Christus verheerlijkt

worden. O Erasmus, houd u hier zoo dat God u roeme, gelijk van David

geschreven staat; want gij moogt het doen, en voorwaar gij moogt den

Goliath slaan."[88]

In hare huiselijkheid vindt ik dit de merkwaardigste voorstelling welke

de tijdgenooten van Erasmus ons van zijn persoon en zijn karakter

gegeven hebben. Altijd wordt uit zijne brieven het gezegde aangehaald:

"Niet allen bezitten kracht genoeg voor het martelaarschap; ik zou bij

het ontstaan van eenig rumoer, vrees ik, het voorbeeld van Petrus

volgen." Altijd het ironische: "Laten anderen het martelaarschap

begeeren, ik acht mij zulk eene eer niet waardig."[89]

In gewone omstandigheden zou men de braafheid prijzen van den man, die

op het papier durfde stellen hetgeen duizenden niet wagen zichzelf te

bekennen, laat staan aan anderen mede te deelen. Erasmus op het schavot

ware eene even groote tegenstrijdigheid geweest, als in onze dagen het

sneuvelen van een predikant of een pastoor in een tweegevecht zijn zou.

Hem echter heeft het niet gebaat uitdrukkelijk te verzekeren: "Ik ben

bereid te sterven voor Christus, indien hijzelf mij daartoe de kracht

geeft; maar sterven voor Luther, dat doe ik niet."[90]

De gangbare geschiedenis heeft van die vaste zetten. Wanneer paus Julius

II oorlog voert, dan noemen wij hem een onwaardig stedehouder van den

God der liefde; Zwingli daarentegen, die bij de zwitsersche huurtroepen

van Julius als aalmoezenier diende, hem bewonderen wij wanneer hij in

den slag bij Kappel, aanvoerder van een leger, valt met het zwaard in de

vuist; en niets verhindert ons te erkennen dat die soldaat, gewezen

priester, eene zeer verstandige leer van het Heilig Avondmaal heeft

uitgedacht. Wij nemen het Luther noch Kalvyn kwalijk te zijn gestorven

in hun bed, hoewel beiden onschuldig bloed op het geweten hadden; maar

Erasmus, die nooit eene vlieg kwaad deed, nooit om een ander zwaard dan

zijne pen vroeg, Erasmus noemen wij laf, omdat hij terugdeinsde voor den

brandstapel. Hij alleen had door beulshanden behooren om te komen,

vinden wij.

Deze ongelijkheid aan onszelf kan slechts hieruit voortkomen dat Luther,

Zwingli, en Kalvyn, ondanks gebreken die zij met voorbeeldigen ootmoed

de eersten waren te belijden, de zaak van den vooruitgang gediend

hebben; Erasmus, ondanks zijne deugden, de zaak van het behoud of der

reaktie; en het van te voren bij ons vaststaat dat wie dit laatste doet

minder diensten aan de zamenleving bewijst.

De feiten met dat al komen alleen tot hun regt, wanneer wij bij het

beschouwen van Erasmus ons op het medegevoelend standpunt van Albrecht

Dürer plaatsen; die wel is waar hem al vroeg voor een oud manneke, maar

tevens voor een dapperen kleinen David en ridder van den Heer Christus

hield. Het is de schuld van Hendrik de Keyser niet dat de bronzen reus

op de rotterdamsche Markt aan die voorstelling zoo weinig beantwoordt:

op den top eener vendômezuil zou het fraaije beeld beter geplaatst zijn

dan op dat lage voetstuk.[91] De Erasmus van het Louvre-Muzeum, door

Holbein, is eene alles afdoende rechtvaardiging van Dürer's

zienswijze.[92]

Erasmus leefde in zulk een moeijelijken tijd dat het ons niet betaamt

over het gebruik dat hij van zijne bewonderenswaardige gaven gemaakt

heeft een beslissend oordeel te vellen, en wij er ons bij moeten

nederleggen dat hij, gelijk de bijbel zegt, ten volle verzekerd is

geweest in zijn eigen gemoed. Voorts mag het onze nationale eigenliefde

streelen dat slechts driemalen in de geschiedenis van Europa één vernuft

zulk eene europeesche vermaardheid bezeten, en de beschaving van zijn

tijd in zulke mate beheerscht heeft: Petrarca in de 14de, Erasmus in de

16de, Voltaire in de 18de eeuw.

Erasmus is een eenzijdig litterarisch genie geweest. Hij heeft noch in

de wiskunde uitgemunt, noch als jurist, noch als geschiedschrijver. In

de leerstellige godgeleerdheid en de bijbelsche uitlegkunde was hij een

dilettant, in de staatkunde een droomer.[93] Zelfs als wetenschappelijk

filoloog liet hij te wenschen over: zijn tekst van het Nieuwe Testament

heeft te langen tijd voor klassiek gegolden.[94] De _Thesaurus linguae

latinae_ van Robert Estienne (1532), vooral de _Thesaurus linguae

graecae_ van Henri Estienne Jr. (1572), waren werken van blijvender

waarde dan de geleerde uitgaven van _zijne_ hand.

Doch hij was het beligchaamd gezond verstand zijner eeuw, en dankte aan

zijne fabelachtige vaardigheid in het schrijven eener doode taal het

voorregt, in een tijd toen in alle landen van Europa wie maar een glimp

van opvoeding had het latijn even gemakkelijk als de moedertaal

verstond, door het bespelen van één klavier aller aandacht te kunnen

boeijen.

Ook om die reden hield hij van Bazel, en was een zwitsersch typograaf

een zijner bemindste vrienden. Niet in een hoekje met een boekje wilde

hij wonen, zooals Thomas a Kempis, maar tusschen de bergen met eene

drukpers. Met dien hefboom was hij zich bewust eene wereld te kunnen

vertillen, en zijn schoonste eeretitel is misschien dat hij onder dit

gevaarlijk zelfgevoel vergelijkenderwijs zoo nederig en altijd zoo

eenvoudig gebleven is.

* * * * *

NOTEN:

[1] Plaatsen betreffende Erasmus' geboorte, in het woordenboek van

Bayle.--Nieuwe berichten bij Wilhelm Vischer, Erasmiana, Bazel 1876, en

bij R. Fruin in Nijhoff's Bijdragen, N. R., 1878, X 85 vgg.; D. R.,

1881, I 55 vg.

[2] Duifhuis (1531-1581), de voortreffelijke rotterdamsch-utrechtsche

pastoor, had van zijne huishoudster Krijntje Pieters drie kinderen die

in hetzelfde geval als vóór hen Erasmus en zijn broeder verkeerden.

Wiarda, Huibert Duifhuis, 1858, bladz. 8 vgg.

[3] Leven van Erasmus door Beatus van Rheinau, en leven van Erasmus door

hemzelf, vóór de uitgaaf van Le Clerc.

[4] Getuigenis van Calvete de Estrella bij R. Fruin, Erasmiana 1878,

bladz. 99.--Geboortehuis van Erasmus naar eene teekening van Kortebrant,

18e eeuw, in Oude Tijd 1869, bladz. 9.

[5] Als schilder wordt hij in Houbraken's Grooten Schouwburg vermeld I

17 met portret.--De anecdote omtrent de kruisiging door Erasmus, die

Kornelis Musius te Delft zal toebehoord hebben, ook bij Weyerman,

Levensbeschrijvingen, 1729-1769, I 197.--Alles ontleend aan Van

Bleijswijck, Beschrijving van Delft, 1667, bladz. 321, 360.

[6] Hij spreekt ergens over de "barbaarsche" van Hegius, dien hij

overigens dankbaar herdenkt. Reichling, Murmellius, bladz. 7.

[7] Over Emmaüs bij Römer, Kloosters en Abdijen, I 384 vgg.

[8] De contemtu mundi, bij Le Clerc, V 1239-1262.

[9] "Una hilari Margareta." De contemtu mundi, c. ii.

[10] De contemtu mundi, c. ii.--Bij R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 105

vgg.

[11] Oratio in Funere Bertae de Heijen Goudanae, bij Le Clerc VIII

551.--Inleiding van Ch. Ruelens tot het fotolitografisch facsimile der

Silva Carminum van 1513, Brussel 1864, bladz. XXXIV vgg.

[12] Virgo Misogamos, Virgo Poenitens, Ie Deel der Colloquia Familiaria,

bladz. 158 vgg. en 167 vgg. der Tauchnitz-uitgaaf.

[13] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XXXVII.

[14] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XXXVI.

[15] R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 107 vgg.

[16] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XLI.

[17] Militis et Carthusiani, in de Colloquia Familiaria, I 184 vgg. der

Tauchnitz-uitgaaf.

[18] Melanchton, Leven Rudolf Agricola.

[19] Kervyn de Lettenhove, Étude sur les Chroniques de Froissart, 1856.

[20] I.C. Scaliger verweet Erasmus, korrektor geweest te zijn bij Aldo

Manuzio te Venetië. Erasmus verweet Ulrich von Hutten, zich door een

boekverkooper te hebben laten honoreeren voor een pamflet.

Plaatsen bij Bayle, op "Erasme," en bij Drummond, II 130 vgg.

[21] Over Filelfo bij Burckhardt I 128 enz., II 172 enz.--Studie door

Eugène Müntz, Revue des Deux-Mondes, 1 Nov. 1881.

[22] Ontleend aan de hierna te noemen brieven van Erasmus uit de jaren

1497 en vgg.

[23] D. Nisard, I 25 vgg.; 140 vgg.; 154 vgg.; 168 vgg. Durand de Laur,

I 634.--Drummond, II 267 vgg.--Feugère, bladz. 101 vgg., 156

vgg.--Wilhelm Vischer, blz. 8 (Pensio Anglica) bladz. 33 (Pension des

Herzogs von Cleve), bladz. 34 (Praepositura Daventriensis)--Dumbar, K.

en W. Deventer, I 329 A en B.

[24] Fotografisch facsimile van Erasmus' testament bij J.B. Kan,

Erasmiana, Rotterdam 1881.

[25] Portret van Erasmus in het 5e deel van Wagenaar's Vad. Historie;

portret van Groen van Prinsterer vóór het Handboek, 1870, 5e druk.

Erasmiana en verzameling portretten van Erasmus, in het Rotterdamsch

stadsarchief: Rariteiten-kamer.--Craandijk en Schipperus, Wandelingen,

III 149, 157, 167.

[26] Ook de aan hem gerigte daaronder zijn belangrijk voor de kennis van

zijn persoon. De verzameling is niet volledig.

[27] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 19.

[28] Adam van Brescia en Sinon, 30ste Zang der Hel.

[29] Teekening naar het origineel door J.A. Altorffer, in het bezit van

H.D. Tjeenk Willink.--Oudere teekening in de portefeuilles van het

Zeeuwsch Genootschap. Lantsheer en Nachtglas, Zelandia Illustrata,

1866-1880, I 577 vg.--Afbeelding van het Stadhuis te Veere in De Aarde

en haar Volken, 1875, bladz. 272.--Artikel over Anna v. Borssele in het

Woordenboek van Bayle.

[30] Gargon, Walchersche Arcadia, 1746, 3e druk, I 279, II 108, en de

verwijzingen naar Reigersbergh, Boxhorn, en Smallegange.--Reigersbergh

van Cortgene, schrijver der oudste Zeeuwsche Kronijk (Antwerpen 1551),

was met het geslacht Bourgondië-Van Borssele persoonlijk bevriend.

[31] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 6 vgg.--Uittreksels bij

Drummond, I 31 vgg., 91 vgg.

[32] Over één of twee Battussen, in Van der Aa's Biografisch

Woordenboek, IIa 175.

[33] Over lord Mountjoy bij Drummond, I 42.

[34] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 92. Door eene schrijf- of

eene drukfout, schijnt het, luidt het opschrift: "Clarissimae Annae

_Bersalae_, principi Verianae."

[35] Over Willem Hermansz van Gouda hiervóór, blz. 298.

[36] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 52.

[37] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 94.

[38] Toespelingen op de Odyssea en de Aeneis.

[39] Van hem en van zijn bediende.

[40] Battus was misschien, tot een niet nader aangeduid punt, van

Cortgene hem tegemoet komen rijden.

[41] Erasmus bij Le Clerc, III No. 6.--Arx Tornehensis of Tornenhensis

vanwaar deze en nog eenige andere brieven uit denzelfden tijd

gedagteekend zijn (No. 6, No. 7, No. 9, cf. No. 95 aanhef) is

vermoedelijk eene schrijf- of eene drukfout voor Cortgenensis of

Cortchenensis, bijvoegelijk naamwoord gevormd van Cortgene.--Over het

voormalig kasteel van dien naam bij Gargon, Walchersche Arcadia, II 223;

bij Lantsheer en Nagtglas, Zelandia Illustrata, II 135.

[42] Balen, Dordrecht, II 809 vg.--Brieven van Erasmus, 22ste Boek der

oudere uitgaven.

[43] Over de zeden van den roomschen klerus enz. in Nederland, eerste

vierdedeel der 16e eeuw, bij De Hoop Scheffer, Kerkhervorming, bladz.

11-13.

[44] Divina Commedia, 22ste Zang van het Paradijs, vs. 85--87.

[45] Brieven en sermoenen van Bonifacius.

[46] De comtemtu mundi, laatste hoofdstuk.

[47] Coll. Fam. Iste deel, bladz. 194 vgg.: Naufragium.

[48] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 148 vgg.: Proci et Puellae.

[49] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 141 vgg.: Apotheosis Capnionis.

[50] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 29 vgg.: Militaria.

[51] Coll. Fam. 2de Deel, bladz. 85 vgg.: Charon.

[52] Facsimilé van Holbein's titelblad voor deze uitgaaf (1519) bij Paul

Mantz, Hans Holbein, 1879, bladz. 58.

[53] Dit en het vorige ziet op de bejegening, welke van Ulrich von

Hutten's zijde, in de burgt van Franz von Sickingen, de keulsche

kettermeester Hoochstraten zal ondervonden hebben.--D.F. Strauss, Ulrich

von Hutten, 1860, 2de Boek, 10de Hoofdstuk; Drummond, II 110 vgg.

[54] Coll. Fam. 2de Deel, bladz. 108 vgg.: Cyclops-evangeliophorus.

[55] Overzigt bij Drummond II 151-179.--Nieuwe fransche vertaling der

Colloquia door Victor Develay, 1876, met etsen van Chauvet.--Fragmenten

bij D. Nisard, Renaissance et Réforme.

[56] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 202 vgg. Diversoria.

[57] Iste Deel bladz. 296 vgg.: Hippoplanus.

[58] Coll. Fam. 2de Deel, blz. 106 vgg.: Impostura.

[59] Iste Deel blz. 213 vgg.: Convivium Poëticum.

[60] Over de minderbroeders-observanten bij Moll, Leven van Brugman, I

101 vgg.

[61] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 255 vgg.: Ptochoplousioi Franciscani.

[62] Morias Encomium, id est: Stultitiae Laus, Erasmi Roterodami

declamatio, Parijs 1511. Uitgaaf van C.A. Abbing, Leiden 1839.--Overzigt

bij Jacobus Scheltema 1819, Mengelwerk II 225 vgg.--Nieuwe fransche

vertaling van Des Essarts, 1877.--Fragmenten bij D. Nisard, Renaissance

et Réforme.

[63] Stultitiae Laus, bij Abbing bladz. 103 vgg.

[64] Toespeling op den oorlogzuchtigen paus Julius II, toen nog aan het

bestuur.--Negende der houtsneden van Albrecht Dürer's "Groote

Apocalypsis," Cabinet des Estampes te Parijs. Facsimilé door P.W. van de

Weyer te Utrecht, 1875.

[65] Stultitiae Laus, bij Abbing bladz. 118 vgg.

[66] Over Skelton bij Philarète Chasles, Le drame, les moeurs et la

religion au 16e siècle, 1851, bladz. 289 vgg., 319 vgg.

[67] Drummond, Life of Erasmus, I 190.

[68] Stultitiae Laus bij Abbing bladz. 61 vg.

[69] Débat de Folie et d'Amour, in de Oeuvres de Louise Labé, parijsche

uitgaaf van 1871, gedrukt bij Johannes Enschedé en Zoonen.--Studie over

Louise Labé bij Sainte-Beuve, Nouveaux Lundis IV 289 vgg.

[70] Louise Labé, bladz. 95. Bij Sainte-Beuve, bladz. 308.

[71] Oeuvres de Louise Labé, bladz. 7 vg.

[72] Stultitiae Laus, bij Abbing, bladz. 20 vg.

[73] Facsimilé van Holbein's "Simulachres et historiées faces de la

Mort, Lyon 1538," bij Paul Mantz, bladz. 82.

[74] Facsimilé van Erasmus' zegel bij Drummond, II 371.--R. Fruin,

Erasmiana 1878, bladz. 100, noot 4.

[75] Zelfde gedachte bij Goethe: "Meine Göttin," 2de Deel van Cotta's

uitgaaf der Werken, 1850, bladz. 53 vgg.

[76] Louvre-Muzeum, afdeeling Duitsche, Vlaamsche en Hollandsche

Scholen, katalogus 1881, No. 343: "Le nain de Charles-Quint."--Houtsnede

bij Charles Blanc, École Hollandaise, op Antonio Moro.

[77] Stultitiae Laus, bij Abbing, blz. 55-57.

[78] Stultitiae Laus, aanhef. Bij Abbing, bladz. 5 vg., 11 vg.

[79] Stultitiae Laus, bij Abbing, bladz. 131 vgg. tot het einde.--Over

het christendom, bladz. 148: "Videtur omnino Christiana religio quandam

habere cum aliqua stultitia cognationem, minimeque cum sapientia

convenire."--Over het verlangen der vromen naar den hemel, bladz. 154:

"Si paucis demonstraro summum illud praemium nihil aliud esse quam

insaniam quandam."

[80] Voorrede van Karl Simrock bij den gemoderniseerden tekst van

Sebastiaan Brand's "Narrenschiff," met facsimilés der oude platen,

Berlijn 1872.--Narreschip op rollen in Oude Tijd 1870, blz. 289.

[81] De spaansche en italiaansche matrozen der Middellandsche Zee, wier

patroon de Heilige Erasmus is (in 304 onder Diocletianus den Marteldood

gestorven als bisschop van Formiae, thans Mola di Gaëta), verbasterden

zijn naam tot Eramo, Ermo, Elmo, overgebleven in St. Elmsvuur. Zijn

leven in de Acta Sanctorum; schilderij van zijn dood, door Dirc Bouts of

Stuerbout van Haarlem, in de Sint-Pieterskerk te Leuven.

[82] Studie over Rabelais door Albert Réville, Revue des Deux-Mondes van

15 Oktober 1872.

[83] Stultitiae Laus, Opdragt aan Thomas Morus, en bij Abbing blz. 7 vg.

[84] Overzigt van Mandeville's "Grumbling Hive" bij Quack, Studien op

sociaal gebied, 1877, blz. 26 vgg.--Plaatsen uit Holberg's "Iter

Subterraneum" bij Abbing, Inleiding, bladz. VII vgg.

Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus · 第 4 / 18 段