kleine genre-schilderijen zonder polemische strekking, kan men overal
aangehaald vinden.[55] Zijne beschrijving van sommige duitsche
logementen, als tegenstelling van sommige fransche, in het hoofdstuk
_Herbergen_.[56] Zijne geschiedenis van den _Paardekooper_ die meende
bedot te hebben en zelf bedot werd.[57] Zijne onschuldige _Tartufferie_:
de ontmoeting van twee litterarische vrienden die zoeken te verbergen
dat het latijnsch proza, waarin zij elkander toespreken, latijnsche
verzen zijn.[58] Zijn _Dichterlijk Gastmaal_, waar eene vrijpostige
dienstmaagd haar onpraktischen meester verwijt slechts verstand te
hebben van konjekturen-smeden, en dat hij beetwortels voor kropsla
aanziet.[59]
Opmerkelijk is de karakterbeschrijving van een zwitsersch
dorpsherbergier, bij wien twee franciskanen logies en eene plaats aan
tafel komen vragen. Erasmus trekt partij voor die regtschapen monniken,
en de waard zelf dankt hen ten slotte voor hun aangenaam onderhoud. Doch
aanvankelijk is de man uit het volk louter achterdocht en onwil; en
wanneer zijne vrouw een goed woord voor de broeders komt doen, dan
snaauwt hij haar af:
"Welke diersoort komt daar aan?--Beste vriend, wij zijn knechten Gods,
zoonen van den Heiligen Franciscus.--Ik kan niet beoordeelen of God
schik heeft in zulke knechten; ik voor mij zou er niet gaarne veel van
in huis hebben. Wanneer het op eten en drinken aankomt, dan zijt
gijlieden heel wat mans; maar om te werken hebt gij handen noch voeten.
Och kom! zijt gij zoonen van den Heiligen Franciscus? Gij spreekt altijd
over Franciscus' maagdelijken staat; hoe komt hij dan aan al die
zoonen?--Wij zijn zijne zoonen naar den geest.--Nu, dan beklaag ik uw
vader; want uwlieder geest is uw slechtste deel.--Gij schijnt ons voor
ontaarde leden onzer orde aan te zien; weet dat wij observanten
zijn.[60]--Des te scherper zal ik u observeren, dat gij niets kwaads
uitvoert; uwe observanten zijn mij bij uitnemendheid tegen de borst.
Tanden brengen zij mede, maar geen geld, en zulke gasten kan ik missen.
Ik weet zeer goed dat gijlieden beweert voor ons te arbeiden; maar zal
ik u toonen hoe gij arbeidt? Kijkt eens naar deze prent hier, aan uw
linkerhand. De vos houdt een boetpredikatie; maar op zijn rug, uit de
kap zijner pij, komt een ganzehals te voorschijn. Die wolf, daar, geeft
de absolutie aan een biechteling; maar onder zijn voorkleed, dat gij
ziet zwellen, is een lamsbout verstopt. Gindsche aap in
franciskanergewaad waakt bij een zieke: de eene hand houdt een crucifix
omhoog, de andere grabbelt in 's kranken beurs."
Nu komt de vrouw tusschenbeide:
"Man, laat die twee van nacht onder ons dak blijven. Ligt dat gij als
boete voor uw vele zonden dit eene goede werk verrigt. Het zijn brave
mannen. Naderhand zal het u tot voordeel gedijen.--Hoor die
wijfjestaalman! Vast ligt gijlieden onder één dek. Ik haat een vrouw die
andere mannen dan den haren braaf noemt.--Zoo meen ik het niet. Maar
bedenk hoe vaak gij misdreven hebt door dobbelen, drinken, vechten,
ruzie maken. Eén aalmoes voor zooveel zonden zal geen weelde zijn. Werp
deze mannen niet uit. Op uw sterfbed zult gij om hen vragen. Potsemakers
en koordedansers laat gij toe bij de vleet; en hen jaagt gij weg?--Zult
gij uitscheiden met uw gepreek? Voort naar uw keuken!--Ik ga al."[61]
* * * * *
Deze toon der _Zamenspraken_; te vaak slechts gedachtewisselingen van
den auteur met zijne lezers, gekleed in vragen en antwoorden welke de
ten tooneele gevoerde personen in den mond gelegd worden; is geheel
dezelfde als van den _Lof der Dwaasheid_. Wie het niet wist zou niet
gelooven dat het kleinere geschrift tien of vijftien jaren vóór het
grootere voltooid werd,--gewigtige jaren in Erasmus' leven, want toen
hij de _Colloquia Familiaria_ uitgaf was hij een beroemd man, terwijl
bij het verschijnen der _Stultitiae Laus_ Europa van zijn bestaan zich
nog naauwlijks bewust was.[62]
De tijdgenooten hebben in dit boekje bovenal eene satire van de
maatschappelijke en kerkelijke misbruiken der eeuw gezien; en werkelijk
behoeft men het slechts te doorbladeren om zich te vergewissen dat de
auteur zich heeft voorgesteld al schertsend een zwaren slag te slaan.
Zijn aanval op de verschillende geestelijke orden is geweldig. "Zonder
het zelfbedrog dat zij aan mijn invloed danken," laat hij de Dwaasheid
zeggen, "zouden deze lieden de rampzaligsten der menschen zijn. De
geheele wereld haat hen; zelfs hen toevallig te ontmoeten geldt voor een
boos voorteeken. Niettemin zijn zij met zichzelven ten hoogste
ingenomen, en laten op hunne goede werken zich zooveel voorstaan dat één
hemel hun te klein dunkt voor hunne verdiensten,--niet bedenkend dat
Christus in den oordeelsdag al die kerkgebaren en nietige overleveringen
versmaden, en alleen vragen zal naar het nakomen van zijn liefdegebod.
Een zal dan zijn buik vertoonen, gezwollen van het visch-eten. Een ander
tien mud psalmen uitstorten. Een derde opsommen hoeveel duizend keeren
hij gevast heeft, en dat zijne maagziekte voortkomt uit het veelvuldig
gebruiken van maar één maaltijd daags. Een zal zulk een stapel
ceremonien komen aandragen, dat zeven vrachtschuiten dien naauwlijks
zouden kunnen laden. Een zich beroemen in geen zestig jaren een stuk
geld te hebben aangeraakt, tenzij met dubbel omwoelde vingers. Een zijne
pij laten zien, zoo vies en vet dat geen schipper haar zou willen
aantrekken. Een zal laten klinken dat hij als een spons vijfenvijftig
jaren heeft vastgezeten aan dezelfde plaats; een bewijzen dat hij door
het gestadig metten-zingen heesch, een dat hij door de eenzaamheid
stompzinnig, een dat door het stelselmatig zwijgen zijne tong stijf
geworden is. Waar, zal Christus hen in de rede vallen, vreezend dat zij
anders honderd uit zullen roemen, waar komen deze nieuwe Joden vandaan?
Er is maar één wet die ik voor de mijne erken, en van haar hoor ik niet
reppen. Onverholen en zonder gelijkenissen heb ik weleer het erfdeel
mijns Vaders toegezegd, niet aan pijen, schietgebeden, onthoudingen van
spijs of drank, maar aan werken der barmhartigheid, ik erken niet voor
de mijnen wie zichzelven in die mate overschatten en heiliger willen
schijnen dan ik.--Met welke gezigten zullen zij elkander aanzien, denkt
gij, wanneer zij deze taal vernemen, en bemerken dat zij de minderen
geacht worden van matrozen en koetsiers? Onderwijl zijn zij zalig in
hope, dank zij mijne gunst."[63]
De lofrede op zichzelve, welke Erasmus de Dwaasheid laat houden, is
gedeeltelijk onopregt, naar men ziet. Eene noodlottige verblinding in
het zedelijke wordt voorgesteld kwanswijs als eene goede gave des
Hemels; voor het minst als eene aangename zwakheid welke men de arme
menschelijke natuur ten goede moet houden. Hoe radeloos ongelukkig
zouden de monniken zijn, indien zij wisten wat Christus eigenlijk van
hen denkt!
Voor iemand die het wapen der ironie wist te hanteren was dit eene
gelukkige vondst, en Erasmus blijft niet in gebreke de ader te
ontginnen. "Indien een bisschop," gaat de schijnbaar zachtmoedige
Dwaasheid voort, "indien een bisschop overwoog om welke reden hij een
linnen overkleed draagt, blank als sneeuw: zinnebeeld van een smetteloos
leven; wat de verbindingsknoop tusschen de twee hoornen van zijn mijter
beteekent: eene volmaakte kennis van beide Testamenten, het Oude en het
Nieuwe; wat het schoeisel zijner handen: de zuivere en door niets
menschelijks verontreinigde bediening der sakramenten; wat de
herderlijke kromstaf: het zorgvuldig weiden der toevertrouwde kudde; wat
het vooruitgedragen crucifix: de zegepraal over alle menschelijke
hartstogten,--zou hij dan niet een verdrietig en kommervol leven leiden?
"Indien de opperste kerkvoogden, Christus' stedehouders, het leven van
Christus poogden na te volgen, zijne armoede, zijn zwoegen, zijn leeren,
zijn kruis, zijne doodsverachting: ware er dan op aarde een
droefgeestiger bestaan denkbaar? Wie zou zijn geheele fortuin opofferen
voor het koopen van den pauselijken rang? Wie door het zwaard, door
vergif, door allerlei geweldenarijen, in het bezit van het gekochte zich
willen handhaven? Geen paus met één grein wijsheid, één korrel van het
door Christus geprezen zout, zou dit verlangen. En zoo heeft de wereld
het aan mij te danken dat geen sterveling weelderiger en onbezorgder
leeft dan Hunne Heiligheden, die in voldoende mate Christus het zijne
meenen gegeven te hebben, wanneer zij te midden van symbolische en
schier bij het tooneel geborgde handelingen hun opperbisschopsbedrijf
uitoefenen. Wonderen verrigten, dit ware ouderwetsch; den volke het
evangelie verkondigen, een vermoeijend werk; den bijbel verklaren,
schoolmeesterachtig; bidden, tijdroovend; tranen storten, onwaardig en
verwijfd; armoede lijden, niet fatsoenlijk; geslagen worden, schandelijk
en onbestaanbaar met den rang van personen die te naauwernood de bloem
der koningen tot het kussen hunner gezegende voeten toelaten; sterven,
eindelijk, hoogst verdrietig; gekruisigd worden, een onuitwischbaar
schandmerk. Bouwvallige grijsaards worden er onder hen gevonden die den
krijgsmoed van jongelingen ten toon spreiden,[64] en noch hunne
schatkist vreezen te ledigen, noch tegen veldtogten opzien, noch het als
een schrikbeeld aanmerken de wetten, de godsdienst, den vrede, en alle
menschelijke zaken onderstboven te keeren."[65]
Bij al de satirieke schrijvers van het tijdvak vindt men deze
invektieven terug; niet het schaarst bij de gewezen monniken onder hen.
Erasmus, Skelton, Luther, Rabelais, allen zijn renegaten van het
klooster- en het priesterleven; allen hebben bij ondervinding den
valschen schijn eener overeengekomen wereldverzaking leeren kennen.
Ongevoelig voor de beschuldiging zich als apostelen des vleesches aan te
stellen, ijveren zij uit alle magt voor het natuurleven, en hameren wat
zij kunnen op het kerkdom. Het eenige wat Erasmus onderscheidt (en na
hem de schrijvers der _Obscuranten-brieven_ onderscheiden zal) is dat
zijn latijn hem ontoegankelijk maakt voor het volk.[66]
In eene andere reeks plaatsen van den _Lof der Dwaasheid_ heeft deze
opgehouden eene ondeugd te zijn, maar blijft zij nog steeds eene
berispelijke neiging. De mensch vindt behagen in uitspanningen die
vergefelijk potsierlijk waren, indien zij er niet toe bijdroegen hem in
zijne aangeboren woestheid te stijven. Aldus de hartstogt der vorsten en
der groote heeren voor het jagtvermaak.
Inzonderheid door zijn herhaald logeren op de landgoederen van engelsche
edelen kende Erasmus uit eigen aanschouwen de tragi-komische praktijken,
destijds bij het jagen in gebruik; en zijn jongste engelsche
levensbeschrijver doet hem regt wanneer hij het volgende,--waar men de
antipathie van den eenzijdig ontwikkelden letterkundige namens het
gezond verstand en de zachte zeden tegen de buitensporigheden en de
wreedheid van het _sport_ hoort opkomen,--voor eene persoonlijke
herinnering houdt:[67]
"Van één soort met de ziende blinden zijn zij voor wie de jagt boven
alles gaat, en wier gemoed, beweren zij, door een niet onder woorden te
brengen gevoel van welbehagen overstroomd wordt, wanneer zij de
verfoeilijke melodie der waldhorens of het bassen der honden vernemen.
Er zijn er, op mijn woord, wier reuk door den drek-zelf der honden
aangenaam wordt geprikkeld, als ware het kaneel. En welk een genot,
wanneer het gevangen dier ontweid ligt te worden! Het gepeupel mag ossen
en schapen slagten: het afmaken van wild is den edelman voorbehouden.
Deze, het hoofd ontbloot, de knie gebogen, trekt een mes dat voor dit
doel bestemd is en voor geen ander gebruikt mag worden. In zekere orde,
met zekere gebaren, snijdt hij plegtstatig zekere stukken uit. Hoewel de
omstanders hetzelfde tooneel ontelbare malen bijgewoond hebben, staan
zij opnieuw eerbiedig-zwijgend toe te zien, niet anders dan of er eene
nog onbekende godsdienstige handeling gevierd werd. Zij wien daarna het
voorregt te beurt valt te mogen proeven van de vangst, stellen dit met
eene bevordering in den adelstand gelijk. Vraagt men of deze jagers,
door hun gestadig nazetten en eten van wild wel iets hoogers bereiken
dan dat zij zelven allengs in weinig minder dan wilde dieren ontaarden?
Neen; maar onderwijl verbeelden zij zich niettemin een koningsleven te
leiden."[68]
Thans komen de plaatsen waar de dwaasheid begint te zweemen naar eene
deugd; in zulke mate dat wij haar niet geheel kunnen veroordeelen zonder
het gemeenebest van een nuttig steunsel, of het leven der bijzondere
personen van een onschuldig en aangenaam tijdverdrijf te berooven.
Tot afwisseling ontleen ik eene bladzijde aan eene andere _Stultitiae
Laus_, geschreven door eene jongere tijdgenoot van Erasmus in Frankrijk,
Louise Labé (1525--1565). Sommige trekken zijner vinding zijn door de
schoone lyonesche Cordière in haar _Débat de Folie et d'Amour_ zoo
gelukkig nagevolgd, dat de europesche letterkunde van het tijdvak
misschien geen volmaakter proeve van erasmiaansche renaissancestijl in
de landstaal heeft aan te wijzen.[69]
Men hoore Mercurius, advokaat van Folie, de merkbare teekenen van
waanzin bij het verliefd jong meisje opsommen. De gedachte en de wending
zijn van Erasmus; maar ons geeft dit oude fransch een betere
voorstelling van den algemeenen toon zijner satire, dan de beste
vertaling in hedendaagsch nederlandsch vermag. "Et dans tous ces actes
de la pauvrette," pleit Mercurius, "quels traits trouvez-vous que de
Folie? Avoir le coeur séparé de soymesme, être maintenant en paix, ores
en guerre, ores en treves; couvrir et cacher sa douleur: changer visage
mille fois le iour: sentir le sang, qui lui rougit la face, y montant:
puis soudein s'enfuit, la laissant palle, ainsi qui honte, espérance, ou
peur, nous gouvernent. Chercher ce qui nous tourmente, feignant le fuir,
et néanmoins avoir crainte de le trouver: n'avoir qu'un petit ris entre
mille soupirs: se tromper soymesme: brusler de loin: geler de près: un
parler interrompu: un silence venant tout à coup: ne sont-ce tous signes
d'une personne aliénée de son bon entendement?"[70]
Nog een thema van Erasmus wordt door de uitnemende prozaschrijfster,
tevens dichteres, niet minder bevallig uitgewerkt. Het is: dat de
zamenleving groote verpligtingen heeft aan den moed en het blind
zelfvertrouwen van enkele onbesuisden: waaghalzen en dwazen inderdaad,
maar gevierder burgers van hun land somtijds dan de wikkende wijzen en
voorzigtigen. Weder voert Mercurius het woord en konkludeert: "Pour le
dire en un mot, mettez moy au monde un homme totalement sage d'un coté
en un fol de l'autre: et prenez garde lequel sera plus estimé. Monsieur
le sage attendra que l'on le prie, et demeurera avec sagesse tout seul,
sans que l'on l'apelle à gouverner les villes, sans que l'on l'apelle en
conseil; il voudra escouter, aller posément où il sera mandé: et on a
afaire de gens qui soient pronts et diligens, qui faillent plus tot que
demeurer en chemin. _Il aura tout loisir d'aller planter des chous_. Le
fol ira tant en viendra, en donnera tant à tort et à travers, qu'il
rencontrera en fin quelque cerveau pareil au sien qui le poussera: et se
fera estimer grand homme. Le fol se mettra entre dix mille arquebuzades,
et possible en eschapera; il sera estimé, loué, prisé, suivi d'un
chacun. Il dressera quelque entreprise escervelée, de laquelle s'il
retourne il sera mis jusques au Ciel. Et trouverez vray en somme que
pour un homme sage dont on parlera au monde, y en aura dix mille fols
qui seront à la vogue de peuple."[71]
Het voorname onderscheid tusschen het _Débat de Folie et d'Amour_ en den
_Lof der Dwaasheid_ is, dat onder de vele beteekenissen waarin Erasmus
om beurten zich van hetzelfde woord bedient, ééne allengs en onopgemerkt
de overhand gaat krijgen. Al vroeg had zijne moeijelijke jeugd hem tot
op den bodem der zamenleving leeren zien, en menig ander zou in zijne
plaats misanthroop geworden zijn. Hem daarentegen vermaakt in de
eenzaamheid de gedachte dat alle menschelijke handelingen en drijfveren
hare humoristische zijde hebben. Hij stelt zijne opmerkingen te boek; en
zoo ontstaat, uit zijne eigen levensbeschouwing, zijne satire. Het treft
hem dat elke vader en elke moeder hun uiltje voor een valk aanzien, elk
jong meisje haar minnaar voor een fenix houdt, elke jonge man in de
oogen zijner beminde zich den Hemel ziet ontsluiten. Echtgenooten
verdragen elkander uit blindheid voor elkanders gebreken, bemerkt hij.
Stokpaarden vormen het gewone vervoermiddel van denkers, dichters, en
geleerden. Volken zijn groote kinderen. De scepters der koningen
gelijken somtijds zotskolven. De voortplanting van het menschelijk
geslacht onderstelt lachwekkende gemeenzaamheden. Ieder heeft zijne
eerzucht, en ieders eerzucht haakt naar eene onderscheiding. Eenvoudigen
ontcijferen somtijds raadselen, aan wier oplossing de wijzen en de
verstandigen hunne vlijt en hunne olie verspilden.
"Zegt niet," vraagt de Dwaasheid, "zegt niet tot lof der Brabanders een
brabantsch spreekwoord: _Hoe ouder hoe gekker_? Hetgeen beteekent dat
dit volk meer dan eenig ander zich door een gezelligen aard
onderscheidt, en door de gebreken van den ouderdom in mindere mate
gekweld wordt. Niet anders mijne Hollanders, door ligging en levenstrant
den Brabanders zoo naauw verwant. En waarom zou ik niet _mijne_
Hollanders zeggen, daar zij aan hun volharden in mijne dienst hun
bijnaam danken, en zij zich dien zoo weinig schamen, dat zij hem als hun
voornaamsten eeretitel beschouwen? Laat anderen dan de Medea's, de
Circe's, de Venussen, de Aurora's, en weet ik welke tooverbronnen
aangaan! Anderen bij andere godinnen het geheim der bloedvernieuwing
zoeken! _Bij mij alleen vindt men daartoe het vermogen, bij mij de
praktijk_.[72]
Even diep als Holbein, die in een verloren oogenblik zijn boekje
illustreerde, gevoelt Erasmus dat het leven der menschen met het
uitvoeren van een doodedans gelijkstaat.[73] De onverbiddelijke god
Terminus is hem geen oogenblik uit de gedachten.[74] Doch de herinnering
verbittert hem niet. Over geen onderwerp kan hij nadenken, of altijd
gluurt in zijne verbeelding over den schouder der godinnen van deugd,
waarheid, schoonheid, de glimlagchende met de bellekap, de
alomtegenwoordige Fantasie.[75] Het geloof, de wetenschap, de liefde, de
geestdrift, de zelfopoffering, alles schijnt hem toe slechts tot op
zekere hoogte ernst te zijn, en geen ernst te kunnen blijven, tenzij
door een _grain de folie_ voor bederf bewaard.
Van eene zijner invallende gedachten, den Hofnar, hebben andere groote
vernuften der 16de eeuw levende wezens weten te maken, even populair
geworden als de algemeene beschaving zelve: Rabelais van Panurge,
Cervantes van Sancho, Shakespeare van Falstaff. Maar allen was hij vóór
met de opmerking dat er een natuurlijk verband bestond tusschen de
vrijpostigheid dier geestige zotten, en het goed humeur waarmede zelfs
ligtgeraakte koningen hunne aanmerkingen verdroegen. Het was een
gelukkig denkbeeld van Erasmus, een van de vele verschijningsvormen der
fantasie op deze wijze aanschouwelijk te maken.
De misbouwde knaap in dienst van keizer Karel V, dien Antonis Mor
voortreffelijk schilderde,[76] treedt onwillekeurig ons voor den geest,
wanneer de Dwaasheid diepzinnig maar lagchend redeneert: "Kan het
ulieden ontgaan dat zelfs magtige vorsten hun gezelschap op den hoogsten
prijs stellen, zoodat zonder dezen de maaltijd noch de wandeling smaakt,
en zij niet één uur buiten mijne narren kunnen? Fluks geven zij die
dwazen de voorkeur boven hunne stemmige wijzen, hoewel ook dezen
fatsoenshalve door hen nagehouden worden. De reden is niet ver te
zoeken, dunkt mij. De wijzen hebben den vorsten niets dan onaangename
zaken mede te deelen, en, steunend op hunne uitgebreide kennis, ontzien
zij zich niet altijd tedere ooren bijtend te grieven. De narren
daarentegen brengen voort hetgeen waarop de vorsten alom en bovenal
belust zijn: kwinkslagen, geestigheden, dingen die doen schaterlagchen
en zich verkneukelen. Voegt daar het niet te versmaden voorregt bij, dat
_zij_ alleen in hunne eenvoudigheid de zaken bij haar waren naam noemen!
En ik vraag u, wat is loffelijker dan de gulle waarheid?
"Maar de ooren der vorsten schuwen de waarheid, zal iemand beweren, en
bovenal om die reden mijden zij de wijzen in hunne dienst; vreezend dat
er onder hen een onafhankelijk man gevonden worde, die den moed heeft
meer te letten op hetgeen is dan op hetgeen behaagt.
"Ik erken dit: den koningen is de waarheid hatelijk. Doch hetgeen ik in
mijne narren bewonder is juist dat niet alleen waarheden, maar
onbewimpelde strafredenen uit hun mond met instemming aangehoord worden;
zoodat dezelfde openhartigheid die een wijze het hoofd zou kosten, in de
hoogste mate welgevallig is indien zij betracht wordt door een dwaas. De
waarheid namelijk bezit, wanneer zij van niets kwetsends vergezeld gaat,
een natuurlijk bekoringsvermogen; maar alleen aan de narren verleenden
de goden die gaaf."[77]
De heldin van Erasmus heet Moria, en gelooft in hare olympische afkomst.
Met niet minder regt zouden wij haar Love-in-Idleness kunnen doopen;
naar den naam van het bloempje door welks sap, uitgedrukt op de oogleden
zijner sluimerende gade, Oberon in Shakespeare's _Midsummernight's
Dream_ Titania met de dwaasste begoochelingen straft. Moria beroemt er
zich op, tegelijk de ziel der wereld en het levend zelfbedrog te zijn.
Zij is het die bij menschen en onsterfelijken de beminlijke chronische
ziekte der hersenschimmen onderhoudt, en door hunne hersenschimmen hen
gelukkig maakt. "Ik rijd bij de stervelingen veelvuldig over de tong,"
is haar eerste woord het beste; "want meent niet dat ik onkundig zij hoe
kwalijk bij de keur der dwazen de dwaasheid aangeschreven staat!"
Nogtans houd ik vol dat mijn genie, en het mijne alleen, goden en
menschen het gemoed verkwikt. Redenaars van beroep slagen te
naauwernood, door lange en langdurig overdachte toespraken, den hoorders
hunne zorgen te doen vergeten: ik, ik behoef mij slechts te vertoonen,
en eene ongekende vrolijkheid verspreidt zich over de aangezigten, eene
onzigtbare hand strijkt de voorhoofden glad, er rijst een vriendelijk,
toejuichend lagchen. Wat mijne herkomst betreft, weet dat ik noch Chaos,
noch Orcus, noch Saturnus, noch Iapetus tot vader heb, of hoe die
afgeleefde en vermolmde goden heeten mogen; maar Plutus, den eenigen
waren aarde- en hemelvader: wat Hesiodus, Homerus, en Iupiter zelf,
beweren mogen. En niet den Plutus van Aristofanes, reeds met één voet in
het graf, reeds van het gezigt beroofd; maar den nog ongedeerden,
tintelend van jongelingsvuur. En niet van jongelingsvuur alleen, maar
ook en vooral van den onversneden nectar dien hij op een keer met volle
teugen aan den godemaaltijd dronk. Mijne moeder was Neotès, aanvalligste
en levenslustigste der nimfen, de beligchaamde jeugd."[78]
Het toppunt zijner paradoxale stelling wordt door Erasmus bereikt,
wanneer hij in de laatste bladzijden van zijn geschrift, met verwijzing
naar teksten uit het Nieuwe Testament, waar gesproken wordt over de
dwaasheid des Kruises, over de dwaasheid Gods welke wijzer is dan de
menschen, ook van het christendom zelf eene goddelijke komedie en van de
christelijke vroomheid, welke alle aardsche voorregten versmaadt ten
einde den hemel te winnen, eene soort van heiligen waanzin maakt.[79]
"Geeft daarbij wel acht," zegt Moria, "dat het de kinderen zijn, de
grijsaards, de vrouwen, de armen van geest, die door de
godsdienstoefeningen het meest bekoord worden en, slechts natuurkinderen
zijnde, het ijverigst zich om de altaren verdringen. Let er ook op dat
de godsdienststichters in den regel felle vijanden der letteren zijn, en
belijdenis doen van eene verwonderlijke eenvoudigheid."