Een andere brief aan Battus, van wat vroeger of wat later dagteekening,

en waarin hetzelfde thema behandeld wordt, maar schertsend, verzacht

aanmerkelijk dezen indruk. Battus bekomt daar het verzoek, bij het

voordragen van de belangen zijns vriends aan de prinses, den kleinen

Adolf als tusschenpersoon te bezigen. Adolf moet als pleitbezorger van

Erasmus, die zulke fraaije brieven aan zijne moeder schrijft, een van

buiten geleerd vertederend lesje opzeggen. Battus zelf moet de prinses

doen opmerken dat Erasmus te bescheiden is om regtstreeks haar met zijne

wenschen bekend te maken; dat iemand met zulk eene zwakke gezondheid

niet naar Italië reizen kan, zonder veel geld uit te geven; dat de

kloosterbroeders in haren dienst hoogstens in eene of twee kerken den

lof harer deugden weten te verbreiden, terwijl de boeken van Erasmus

gelezen zullen worden door Grieken, door Latijnen, door alle volken der

aarde; dat men zulke ongeletterde theologen als de anderen slechts voor

het grijpen heeft, maar _zijn_ gelijke naauwlijks éénmaal in verscheiden

eeuwen voorkomt. "Tenzij," vervolgt de briefschrijver, "tenzij uw

geweten te naauw is om ten behoeve van een vriend wat noodleugens te

verkoopen."[37]

Ik ding niets af op het geestige dezer voorstelling. De plaats is

belangrijk als teeken van het voorgevoel eener vermaardheid, wier meeste

onderpanden op dat tijdstip nog geleverd moesten worden. Toen Erasmus

dit schreef bestond er van hem nog geen ander noemenswaardig boek dan de

oudste zeer onvolledige uitgaaf zijner _Spreekwoorden_. Doch het komt

mij voor dat de boozere brief de eeuw en de verhoudingen juister

schildert.

Het aangenaam verhaal zijner eerste ontmoeting met Anna van Borssele in

een van het kasteel Cortgene gedagteekend schrijven aan lord Mountjoy

(eene overstrooming deed in 1532 dien feodalen burgt in de golven

verdwijnen), is de beste verontschuldiging van Erasmus' daarop gevolgde

onregtvaardige achterdocht. Meer dan twintig jaren heeft hij prinses

Anna overleefd, en lang vóór haar dood hadden zij elkander voor goed uit

het oog verloren. Zijne schuld was het niet dat hij op zijn in

betrekking komen met eene landgenoot van dien rang en die gaven, weleer

verwachtingen bouwde; de hare niet, dat zij hem teleurstellen moest.

Haar onvermogen heeft op den duur _hem_ niet geschaad; en voor hare

welwillende oogmerken heeft in de geschiedenis zijn latere roem _haar_

met eene plaats beloond, die tegen een paar knorrige uitvallen ten dage

van zijn strijd meer dan opweegt.

Als schilderij is de brief aan lord Mountjoy, geschreven in de eerste

dagen eener Februarijmaand, onder het invallen van een halven dooi na

lange en felle vorst, een keurig nederlandsch wintergezigt. De

beschrijving vraagt geen andere toelichting dan dat het kasteel Cortgene

vlak tegenover Veere lag, en het vaarwater tusschen Walcheren en

Noord-Beveland tijdelijk eene ijsbaan aanbood.

"Eindelijk," meldt Erasmus aan lord William, "eindelijk ben ik hier

behouden aangekomen, ik mag zeggen in spijt der vereenigde magten van

hemel en hel. Welk eene verschrikkelijke reis! Spreek niet van Hercules

of Ulysses: voortaan acht ik beiden als kinderen. Iuno, den dichters

steeds ongezind, verklaarde mij den oorlog. Ouder gewoonte stookte zij

Aeolus op; en ware het slechts bij stormen gebleven![38] Alle wapenen

des hemels bragt zij tegen mij in het veld,--vinnige koude, sneeuw,

hagel, regen, mist, één kort begrip der vereenigde vormen van slecht

weêr. Nu zond zij die plagen afzonderlijk, dan te zamen.

"Den eersten nacht ging het, na een overvloedigen regen, weder fel

vriezen; hetgeen den weg zeer moeijelijk maakte. Voeg daarbij eene

overvloedige hoeveelheid sneeuw, vervolgens hagel, vervolgens nogmaals

regen, die, zoodra hij den bodem of een boomstam raakte, ijs werd. De

weg was over zijne volle breedte één ijskorst; niet effen, maar golvend,

en met eene scherpe punt op den top van iederen kleinen heuvel. De

boomen waren met ijs bekleed, zoo dik en zoo zwaar dat de toppen van

sommigen den grond raakten. Van anderen waren de takken afgescheurd, van

anderen de stammen doormidden gespleten; nog anderen waren geheel

ontworteld. Verschillende landlieden, mannen van jaren, betuigden mij

zulk een schouwspel nog niet beleefd te hebben. Intusschen moesten onze

paarden[39] nu door sneeuwhopen waden, dan zich een weg banen door met

ijs begroeide dorenstruiken, dan sporen volgen, hard als steen door de

vorst en daarna door den ijzel gescherpt, dan over eene bevroren

sneeuwkorst treden die niet stevig genoeg was om hen te dragen, maar wel

om hun de enkels te kwetsen.

"Hoe denkt gij dat Erasmus in dien stand van zaken te moede was? De

verbazing van zijn paard deelde zich mede aan den berijder. Zoo vaak het

dier de ooren spitste zonk mijn moed, en telkens als het stortte sprong

mijn hart overeind. Het eene oogenblik bekroop mij de vrees getroffen te

zijn door het noodlot van Bellerofon, het andere verwenschte ik mijne

ligtzinnigheid die geleerdheid en leven mij had doen toevertrouwen aan

een redeloos dier.

"Doch verneem een avontuur dat gij wanen zoudt aan de waarachtige

fabelen van Lucianus ontleend te zijn, ware het niet in levenden lijve

mijzelf overkomen, en ware niet Battus er ooggetuige van geweest.[40]

"Het kasteel lag vóór ons en eene baan van ijs scheidde er ons van. Het

woei dien dag zoo hevig dat van de andere zijde twee mannen te vergeefs

den overtogt beproefd hadden. De wind had hen omvergeworpen en gedood.

Doch ik, gelukkig, had hem in den rug. Ik ging op den rand van den dijk

zitten en liet mij naar beneden glijden, zeilde de ijsvlakte over, en

bestuurde mijne vaart met een stok die dienst deed als roer. Nieuwe

soort van navigatie!

"Op de geheele reis naar hier ben ik bijna geen schepsel tegengekomen;

en niemand kwam mij achterop, zoo ongunstig was het weer. Eerst den

vierden dag is de zon zich komen vertoonen, indien het vertoonen heeten

mag. Eén voordeel was voor mij aan het zamentreffen van al die

tegenspoeden verbonden, dat ik minder bang behoefde te zijn voor dieven.

Niettemin _was_ ik bang voor hen, gelijk de pligt is van ieder die eene

gevulde beurs op zak heeft.

"Ziedaar het verhaal mijner reis. Was zij eene aaneenschakeling van

elenden, hetgeen volgde was louter liefelijkheid. In welstand bereikte

ik het slot van Anna, vrouwe van Veere. Hoe zal ik de beleefdheid, de

vriendelijkheid, de edelmoedigheid dezer dame beschrijven? Rhetorische

bloemen, dit weet ik, zijn verdacht; inzonderheid bij hen die als gij er

slag van hebben ze aan te wenden. Doch in dit geval, geloof mij, maak ik

mij aan geenerlei overdrijving schuldig, en het is veeleer mijne kunst

die te kort schiet bij de werkelijkheid. Eene zediger, verstandiger,

bevalliger of vriendelijker vrouw werd door de natuur nooit gevormd. Van

hare heuschheid heb ik de uitstekendste blijken ontvangen, en zonder dat

ik in de gelegenheid was haar één dienst te bewijzen, heeft zij in de

hoogste mate mij aan zich verpligt."[41]

* * * * *

Hier moeten wij scheiden van Erasmus. Op zijn verderen levensloop, zeide

ik reeds, is door zijne landgenooten weinig invloed uitgeoefend. Zoo de

diensten welke nederlandsche vrouwen hem bewezen niet verder zouden

reiken dan het einde zijner leerjaren, aan de beweging zijner

wandeljaren bleven de nederlandsche mannen nagenoeg vreemd. Ons bestek

eischt alleen dat wij, na zulk een ruim gebruik van zijne brieven

gemaakt te hebben, ook de beteekenis trachten aan te duiden van de twee

andere werken, die ondanks hun idioom tot heden hem doen voortleven als

den man van een nieuwen tijd. De kleine wijsgeerige satire, bedoel ik,

die zijn populairste geschrift blijven zou, en zijne tachtig korter en

langer dialogen over allerlei onderwerpen van den dag.

Men beweert dat de volgende anekdoten historisch zijn niet alleen, doch

men noemt met naam en toenaam de noordnederlandsche stad waar de stukjes

gespeeld zullen hebben.

Te Dordrecht was een priester die heimelijk eenige levende krabben op

het kerkhof zette, aan wier zijden hij brandende waskaarsjes geplakt

had. Het kruipen dezer dieren tusschen de graven, bij avond, deed de

uitwerking eener schrikbarende spokerij, zoodat de gemeente zich

eerbiedig op een afstand hield. "Als het volk hierover zeer verschrikt

was (gaat de oude dordrechtsche stedebeschrijver voort, aan wiens

zelfbehagelijk antipapistische vertolking eener bladzijde van Erasmus ik

deze plaats ontleen), zoo riep de priester van den stoel dat het zielen

waren van afgestorvenen, dewelke baden door missen en aalmoezen van haar

pijn verlost te zijn. Het bedrog kwam uit, doordat twee of drie krabben,

die de priester vergeten had op te nemen, met de kaarsjes onder de

ruigte gevonden werden. Hij verzon nog een ander stuk werks. Hij woonde

bij een nicht die zeer rijk was; en als 't middernacht was kwam hij in

haar kamer met een wit laken om, gelijk of hij een geest ware geweest,

eenige woorden binnen'smonds mommelende, hopende dat de vrouw een

exorcist zou ontbieden of zelve hem zou aanspreken. Maar zij, een

manlijk hart hebbende, heeft heimelijk een van haar neven gebeden dat

hij zekeren nacht in haar kamer wilde waken. Hij, welgewapend zijnde

tegen spokerij, en wel gedronken hebbende om niet vervaard te zijn, werd

in het bed verborgen. De geest kwam op de gewoonlijke manier, ik weet

niet hoe droevig stenende. De exorcist wordt wakker, springt op, en, nog

niet heel nuchteren, kijkt hem aan. De geest meende, hem met huilen en

gebaar te verschrikken. Maar: _Zijt gij de Duivel_, zeide de dronkaard,

_ik ben zijn Moêr_, en sloeg hem lustig met een stuk houts. Hij zou hem

afgemaakt hebben, ten ware de priester, veranderende van stem, geroepen

hadde: _Hou op, ik ben geen geest, ik ben Heer Jan_. Op die bekende stem

sprong de vrouw uit het bed, en scheidde hen."[42]

Een man van Erasmus' rang in de wetenschap had in eene andere omgeving

en een anderen tijd niet behoeven af te dalen tot het boekstaven van

zulke grollen. Het verdient opmerking dat Erasmus' strijd tegen de

eigenlijk gezegde monniken, hunne luiheid, hunne onkunde, hun brassen,

hunne losbandigheid, ons niet bijzonder treft. Sedert den _Roman de

Renart_, den _Roman de la Rose_, de vertellingen van Boccaccio, was deze

satire een afgezaagd onderwerp.[43] Dante laat reeds den Heiligen

Benediktus klagen over het snel verwelken der idealen van het

kloosterleven. "In minder tijd dan een eikel behoeft om eik te worden,"

zucht bij hem de stichter der benediktijner-orde (eerste helft der 6de

eeuw), "ziet men de verhevenste instellingen in haar eigen tegenbeeld

ontaarden."[44] Reeds de Heilige Bonifacius (eerste helft der 8ste)

hangt in zijne brieven een tafereel van monachale misbruiken op, hetwelk

volgende eeuwen niet donkerder kleuren konden.[45]

Het eenige nieuwe in Erasmus' strijd tegen de kloosters was dat hij niet

hunne hervorming bedoelde, maar hunne opruiming, als voortaan overbodig

geworden normaal bestanddeel der zamenleving. Als bijzondere

genootschappen tot bevordering van in- en uitwendige zending, als

instellingen van liefdadigheid, als toevlugtsoorden der vrijwillige

wereldverzaking, als brandpunten eener naar den Heiligen Benediktus te

noemen geleerdheid mogten de kloosters zijnentwege blijven. In alle

andere opzigten hadden zij volgens hem voor goed uitgediend.[46]

Werkelijk was aan de universiteiten voor de wetenschap een nieuw

kweekbed ontsloten. Het onderwijzend personeel voor lagere en middelbare

scholen behoefde niet langer uit de kloosters getrokken te worden. Er

was een onderwijzersstand van leeken ontstaan. Later zou die klasse

dagelijks talrijker worden, naarmate het veldwinnend protestantisme

onder het humanisme der lagere rangen meer aanhangers wierf.

Maar wat regtstreeks Erasmus en zijn tijd kenmerkt is dat partijkiezen

vóór het gezond verstand tegen het bijgeloof, zooals in het ontmaskeren

van dien dordrechtschen boerebedrieger. Dit was iets moderns. Te dezen

aanzien is in den boezem van het katholicisme, wat het onoverwinlijke

van zijn afkeer, de hevigheid zijner satire, het profane of goddelooze

der uitdrukking betreft, Erasmus de Voltaire der 16de eeuw geweest. Hij

moet in de eindelijke zegepraal der rede zeer vast geloofd hebben, dat

hij met een onverdeeld gemoed zoo lustig aan de pijlers der legende

heeft kunnen staan schudden.

In eene zijner _Zamenspraken_ verhaalt hij van een storm op zee, en van

sommige dwaze kerkgeloften der passagiers, wanneer de schipper heeft

aangekondigd dat het hagchelijk oogenblik van pompen of vergaan gekomen

is. Erasmus is in den loop der jaren uit Frankrijk en Nederland zoo

dikwijls naar Engeland overgestoken, dat wij het tooneel der handeling

die hij beschrijft onwillekeurig op de Noordzee of in het Kanaal zoeken.

"En," laat de verteller zich vragen; na reeds door een en ander

voorbeeld de zonderlinge werking van het gevaar op de eensklaps

ontwakende vroomheid der menschen geschilderd te hebben, kenbaar aan het

inroepen der bescherming van verschillende heiligen; "en was er niemand

die aan den Heiligen Christoffel dacht?--Jawel; en zelfs kon ik mijn

lagchen niet houden toen één hunner, bang dat hij niet verstaan zou

worden, den Christoffel der kathedraal van Parijs, een beeld als een

berg, luidkeels eene waskaars beloofde _zoo groot als hijzelf_. Met

inspanning van al zijne krachten had hij dit een- en andermaal

uitgegalmd, toen een goede kennis nevens hem met den elboog hem aanstiet

en fluisterend tot hem zeide: Bedenk wat gij belooft; al verkocht gij al

uw bezittingen, een waskaars van dat gewigt zoudt gij niet kunnen

betalen. Zwijg, domoor, beet de ander hem toe, nog zachter sprekend,

opdat de Heilige Christoffel het niet hooren zou; denkt gij dat ik het

meen? _Een vetkaars zal hij hebben_, meer niet; zoo ik maar eenmaal

weder aan den wal ben.--De botterik! Dat was zeker een Hollander?

--Neen, maar het was een Zeeuw."[47]

Landgenooten zoomin als vreemdelingen, leeken zoomin als priesters

worden, wanneer Erasmus dit onderwerp aanroert, door hem gespaard. Aan

alles is merkbaar dat hij met welgevallen een dier tijden beleeft, welke

men daarna in Duitschland met den naam van _Aufklärungsperiode_ zou

aanduiden. Hij vindt het genoegelijk, te velde te trekken tegen de

"betooverde wereld" zijner eeuw. De vrees, met het onkruid ook de tarwe

te zullen uitrukken, kwelt hem niet. Het zou hem een lust zijn, zelfs

schamele lieden, als marskramers en schepelingen, in eene "verlichte

denkwijze" te zien deelen.

In dit opzigt heeft er in zijn brein, sedert hij het klooster verliet,

eene volstrekte omwenteling plaats gegrepen; en wij kunnen ons

voorstellen dat menig vroom katholiek zijner dagen, over zoovele stoute

spotternijen als hij zich veroorloofde, bedenkelijk het hoofd heeft

geschud. Wat wilde deze Rotterdammer? Aan welk gezag ontleende hij het

regt, op die wijze en in die mate het volksgeloof aan te randen? Zou de

wereld schooner zijn, wanneer hij van hare betoovering haar ontzwaveld

had?

In den ijver zijner polemiek ziet Erasmus dit alles voorbij, en gaat

alleen met de eischen der beschaving en van het maatschappelijke te

rade. Hij die als jongeling het vriendinnetje bewonderde dat ondanks de

gebeden van vader en moeder den sluijer aannam, verheerlijkt in zijne

dialogen, nu hij een man geworden is, de eerbare vrijerij van een

minnend paar: _de Jongeling en het Meisje_.[48] Wanneer geestelijken of

leeken, die geen hebreeuwsch verstaan, alle hebreeuwsche boeken zouden

willen verbranden en zij de nagedachtenis van Reuchlin, uitgever der

eerste hebreeuwsche spraakleer, zoo veel mogelijk zwart maken, dan

schrijft hij, naar de mode van den tijd Reuchlin's naam in het grieksch

vertalend, de _Hemelvaart van Capnio_, en wijst den verlichten geleerde

in de verblijven der gelukzaligen eene eereplaats aan.[49]

In de _Bekentenissen van den Soldaat_ komt de onzin van het oorlogvoeren

aan het licht, beoordeeld naar den huurling die niet voor zijn vaderland

of voor een beginsel vecht, maar alleen om uit plunderen te gaan en zich

te verrijken.--"Dat ziet er geleerd uit: Mercurius bij het vertrek,

Vulcanus bij de thuiskomst!--Van welke Vulcanussen en welke

Mercuriussen spreekt gij?--Ik bedoel dat gij, die bij het heengaan

vleugelen aan de voeten scheent te hebben, thans hinkt.--Zoo doet

gewoonlijk die uit den oorlog komt.--En wat dreef u naar den oorlog,

beminnaar van het hazepad?--De hoop op buit had mij courage

gegeven.--Gij keert dus huiswaarts met een som van belang?--Met een

ledigen buidel, ja.--Dit ontheft u van de zorg het gestolene terug te

geven.--Dat deed ik reeds lang geleden. _Alles_ gaf ik terug.--Aan

wie?--Aan Trijntje, aan Wijntje, en aan het verkeerbord."

Op dien toon gaat de zamenspraak voort, tot ook het plegen van

heiligschennis in de kerken gebiecht wordt--"Ik vrees dat gij naar Rome

zult moeten, om voor zoovele misdaden vergiffenis te bekomen.--Mij is

een kortere weg bekend: ik zal naar de dominikanen gaan en met de

kommissarissen het op een akkoord werpen.--Maar die altaarroof?--Al zou

ik Christus-zelf geplunderd en hem het hoofd van den romp geslagen

hebben, zij bezitten overal aflaten voor; alles wordt door hen

geschikt.--Bekommerde het u niet somtijds wat er van uw ziel worden zou,

indien gij sneuveldet?--Geen oogenblik. Ik was volkomen gerust, want op

een keer had ik mij de Heilige Barbara aanbevolen.--Nam zij u onder haar

bescherming?--Zeker, ik zag haar mij zachtjes toeknikken.--Wanneer

meendet gij dit te zien? Op welk uur van den dag? 's Morgens?--Neen, 's

middags na tafel.--Maar op dat oogenblik, wil ik wedden, zaagt gij ook

de boomen wandelen?--Die man raadt alles!"[50]

De zamenspraak _Charon_ is tegen de oorlogvoerende vorsten gerigt en

duidt stoutweg, bijna met even zoovele woorden, keizer Karel V en de

koningen Frans I en Hendrik VIII als de voorname menscheslagters van het

tijdvak aan, die in zulke mate de markt der onderwereld overvoeren dat

de oude opgelapte helleschuit te klein en te wrak geworden, en Charon

naar de aarde gekomen is om eene nieuwe en grootere te bestellen.

Charon is in zijn schik. Hoe meer zielen, is het ook bij hem, maar niet

in de gezellige beteekenis die de levenden aan het spreekwoord hechten,

hoe meer vreugd. Hij vreest alleen dat "zekere polygraaf daarboven" hem

afbreuk doen zal, door te welsprekend tegen den oorlog te schrijven en

den vrede aan te bevelen.--"Maak u niet ongerust," wordt hem geantwoord,

"die man predikt voor doove ooren."

Behalve om dit ten tooneele voeren van Erasmus door zichzelf, is deze

dialoog ook merkwaardig om eene zinspeling op de meedogenlooze en

bloedige geloofsvervolging in die dagen, teeken van de wassende magt der

ketterij.--"Indien er nu de eene of andere goede God opstaat die de

vorsten met elkander verzoent," klaagt Charon, "dan ben ik een bedorven

man."--"Geen nood," verzekert men hem, "te dien aanzien kunt gij op

beide ooren rustig slapen. In de eerste tien jaren komt er geen vrede.

Alleen de paus van Rome vermaant ijverig tot eendragt; maar hij schuurt

den moriaan. Er zijn ook steden die zuchtend onder zoovele rampen gebukt

gaan; er zijn pruttelende volken die het eene ongeregtigheid noemen dat

ter wille der eerzucht, der bijzondere veeten, van twee of drie personen

de wereld onderstboven gekeerd worde; maar geloof mij, ondanks de

redelijkste vertoogen zal het woord aan de Furiën blijven. Wat ik echter

zeggen wilde: waarom komt gij naar de aarde ten behoeve uwer nieuwe

schuit? Kon Vulcanus u niet helpen?--Nu nog fraaijer! Ik bedank voor een

schip van metaal.--Voor een kleinigheid hadt gij van hier een

scheepstimmerman kunnen ontbieden.--Dat is zoo; maar wij hebben beneden

gebrek aan materiaal.--Hoe nu? En al die bosschen?--Alles gekapt. Zelfs

het hout in de Elysesche Velden.--Mag ik vragen met welk doel?--_Voor

het verbranden van de schimmen der ketters_. Zij komen in zulken getale,

dat wij onlangs steenkolen zijn moeten gaan delven."[51]

In den _Cykloop-evangeliedrager_ worden de slechte lutheranen

tentoongesteld. Een ridder die Polyfemus heet en die men, om zijn

ongunstig uiterlijk, zoo men hem op zee of in een bosch ontmoette, voor

een struikroover of een boekanier zou aanzien, pocht op het bezit van

een Nieuw Testament (een Nieuw Testament in de latijnsche vertaling van

Erasmus) dat hij zorgvuldig heeft doen binden en met kleuren

versieren.[52]--"Een franciscaner bij ons in de buurt," verhaalt hij,

"voer gestadig tegen het Nieuwe Testament van Erasmus uit. Ik ging hem

spreken onder vier oogen, pakte met de linkerhand hem bij de haren en

deed hem de kracht van mijn regtervuist gevoelen. Zijn gansche bakhuis,

zóó takelde ik hem toe, was één bult. Is dat niet een bewijs dat ik het

evangelie liefheb? Daarna heb ik, bij wijze van absolutie, er hem nog

drie builen mede op den schedel geslagen; een in naam des Vaders, een in

naam des Zoons, een in naam van den Heiligen Geest.--Niet onevangelisch,

inderdaad! Dat noem ik het evangelie verdedigen met het evangelie.--Een

ander franciskaan maakte het nog bonter, en ging in zijn razen tegen

Erasmus iedere maat te buiten. Door evangelischen ijver vervoerd trad ik

dreigend op hem toe, noodzaakte hem geknield vergiffenis te vragen, en

te erkennen dat zijne booze woorden waren ingegeven door den Duivel. Had

hij geaarzeld, mijn hellebaard zou zijn nedergekomen op zijn kruin. Ik

blaakte van strijdlust, en zag er uit als een vertoornde Mars.

Verschillende personen zijn van dit tooneel getuigen geweest.[53]--Het

verwondert mij dat de man niet op de plaats zelve doodgebleven is. Maar

zeg mij, om op ons gesprek van daareven terug te komen, hoe staat het

bij u met de kuischheid?--De jaren zullen mij ingetogenheid leeren, hoop

ik; doch ik weiger niet u in vertrouwen te bekennen dat ik nog geen

model-evangelische ben, enkel een uit den grooten hoop. Wij

evangelischen hebben vier evangeliën, en jagen bovenal vier dingen na:

eene goede tafel, inschikkelijke vrouwen, eenig kapitaal, en alles doen

waar wij lust in hebben. Zijn die ons deel, dan heffen wij den beker en

roepen in geestvervoering: Iö Paean! leve het Evangelie! het rijk van

Christus kome!--Zoo leven epikuristen, niet de evangelie-dragers.

--Toegestemd; maar gij weet dat Christus almagtig is, en hij in een

oogwenk andere menschen van ons maken kan.--Ook zwijnen kan hij van u

maken; gemakkelijker zelfs, daar houd ik het voor, dan brave lieden. Het

wordt tijd dat gij van dit beestachtig leven afscheid neemt.--Ik ontken

dit te minder, daar de profeten onzer dagen het naderend einde der

wereld aankondigen. Ik verbeid de hand van Christus.--Zoo? Nu, dan

moogt gij toezien dat die hand u kneedbaar vinde. En waaruit leiden uwe

profeten af dat het einde der wereld aanstaande is?--Omdat, zeggen zij,

de menschen thans evenzoo leven als in de dagen vóór den Zondvloed. Zij

eten, zij drinken, zij tafelen, zij nemen en geven ten huwelijk, zij

loopen vreemde vrouwen na, zij koopen, zij verkoopen, zij woekeren, zij

bouwen; de koningen voeren oorlog, de priesters peinzen op vermeerdering

van inkomsten, de theologen breijen syllogismen, de monniken dweilen

waar men ga, het volk komt in opstand. Erasmus schrijft zamenspraken;

alle plagen tegelijk zijn over ons uitgestort: honger, dorst, inbraak,

oorlog, pest, beroerten, geldgebrek. Zijn dit geen teekenen dat het

menschelijk geslacht zijn einde nadert?"[54]

Bij het beoordeelen van deze en dergelijke plaatsen moet men op het

bijzondere niet te veel nadruk leggen. Erasmus kan onder het schetsen

van zijn Evangeliedrager somtijds aan een bepaald persoon gedacht

hebben, doch de meeste trekken van het beeld zijn aan de onwaardige

lutheranen in het algemeen ontleend. Hij leed er onder dat zulke lieden

zich van zijn naam en zijn Nieuw Testament bedienden als schild van

hunne ondeugden, hunne hartstogten, of hun chiliasme. De fijne smaak van

den filoloog gruwde van dit beduimelen zijner denkbeelden door de

schare; en hij wreekte zich in het latijn.

Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus · 第 2 / 18 段