Gedurende de eerste tien eeuwen onzer jaartelling is de geschiedenis
van den berg Athos tamelijk duister en onzeker. Volgens de monniken,
zou het klooster Laura, onder de regeering van Constantijn, zijn
gesticht door den heiligen Athanasius den Athoniet. In geen enkel
geschiedboek wordt, voor zoover ik weet, van deze Athanasius gewag
gemaakt; maar, in datzelfde klooster Laura ziet men een fresko, waarop
deze zelfde Athanasius is afgebeeld, eene bul of breve ontvangende
uit handen van den keizer Nicephorus Phokas, dat is dus omstreeks
965. Toch zijn sommige kloosters waarschijnlijk reeds vóór dien tijd
gesticht: bij voorbeeld die van Iveron en Vatopedi.--Volgens het
verhaal der monniken dan, verzocht en verkreeg Athanasius van den
keizer de vergunning om op den berg Athos een klooster te bouwen, en
stichtte hij de groote Lavra of Laura (_Lavra_ beteekent vereeniging,
gemeente). De kluizenaars, die destijds den geheelen berg bewoonden,
zonden eene deputatie naar Konstantinopel, om tegen deze inneming van
hun gebied te protesteeren. Te vergeefs: op hun verzoek werd geen acht
geslagen, en weldra verrees het eene klooster na het andere. Toch zijn
deze kluizenaars niet geheel uitgestorven. Op de hoogste rotspunten
zijn nog altijd hermiten gevestigd, die daar, in de eenzame wildernis,
ver van alle menschelijke woningen, leven. Wanneer zij op de berg
geen voedsel meer kunnen vinden, dan melden zij zich aan de poort
des kloosters aan, en bieden, in ruil voor eenige groenten, kleine
rozekranzen en gebeeldhouwde kruisen aan. Hoewel zij de monniken
met onverholen minachting behandelen, vereeren deze hen toch als
heiligen. Toen wij het russische klooster verlieten, zag ik zulk een
kluizenaar op een rots zitten: hij had bijna geen andere kleeding
dan zijn buitengewoon langen baard. Geen vrouw, zelfs geen dier van
het vrouwelijk geslacht, mag den berg betreden.
Op eenige minuten afstands van Kariès, ligt het klooster
Koutloumousis. Wij hadden dus alle gelegenheid om de kaloyers in hun
dagelijksch leven gade te slaan. Zij laten de zorg voor den land-
en tuinbouw aan de leekebroeders over, en doen zelf weinig anders dan
bidden. Vroeg in de morgen verlaten zij hunne cellen, en verzamelen
zich in de kerk, om de metten te zingen; daarna hooren zij de mis;
gaan naar den reefter; wonen te vier ure de vesper bij; gebruiken te
zes ure hun avondeten, zingen een lied, en gaan met zonsondergang ter
ruste, om midden in den nacht op te staan en de vroegdienst in de kerk
bij te wonen. De aanvang van al deze verschillende diensten wordt,
naar de aloude wijze, aangekondigd, niet door het luiden van een klok,
maar door het slaan met een hamer op een houten of ijzeren schijf, een
zoogenaamden _simander_. De kaloyers lezen weinig andere boeken dan
hun gebedenboek, de eukologia. Er zijn echter sommigen, die gereisd,
de wereld gezien, gestudeerd en zich wetenschappelijk ontwikkeld
hebben. Desniettemin verkeeren de boekerijen in een toestand van
jammerlijke wanorde, waarvan men zich moeilijk een juist denkbeeld
kan maken; en de betrekkingen van _carthophilax_ is niet veelmeer
dan eene sinecure.
Maar indien de monniken de letterkunde verwaarloosd hebben, zoo
hebben zij hun ouden roem weten te handhaven op een ander gebied:
dat van schilderen, graveeren en beeldhouwen in het hout, waarin
hunne voorgangers reeds voor eeuwen uitmuntten. In de aan de Panagia
gewijde hoofdkerk van Kariès, vindt men eene reeks fresko's uit
het schitterendste tijdperk der school van den berg Athos. Deze
schilderijen zijn vervaardigd door Manuel, bijgenaamd Panselinos,
(panaselînî, volle maan) omstreeks de twaalfde eeuw te Salonika
geboren--nauwkeuriger kon ik den tijd zijner geboorte niet te weten
komen. Panselinos wordt als het hoofd beschouwd, niet alleen van
deze kloosterschool, maar van geheel de byzantijnsche school. De
overleveringen en beginselen dezer school zijn nedergelegd in een
boek, getiteld Ermîneia tîs Zôgraphíchîs, Handboek der Schilderkunst,
omstreeks 1650 saamgesteld door den monnik Dionysius, uit het klooster
Fourna bij Agraphra in Thessalië, en door zijn leerling Cyrillus van
Chio. In dit handboek vindt men uitvoerige voorschriften omtrent
de wijze van schilderen, de voorstelling en schikking van gewijde
onderwerpen, enz. Geschreven met het doel om de ontaarding der gewijde
kunst te beletten, heeft dit boek de schilders als met onverbreekbare
banden gebonden, en met terzijdestelling van iedere persoonlijke
inspiratie en vrije conceptie, hun alleen de starre overlevering tot
wet gesteld.
Zeer zeker ook onder den invloed dezer onveranderlijke, door de
traditie gewijde regelen, is de kunst in de kloosters op de berg
Athos tot een zeer laag peil afgedaald, en is alle leven en bezieling
daaruit geweken. De eerste maal, dat ik het atelier van den schilder
Anthimes bezocht, trof het mij, dat ik hier geen studiën of schetsen
vond, maar wel een aantal potten met vischlijm, aangelengde kalk,
oliën en andere dergelijke stoffen: in een woord, alles wat men in
het laboratorium van een fabriekant van verwen zou verwachten. Ik
vroeg onzen gastheer, ons iets van zijn werk te laten zien. "Wij
maken geen studiën of schetsen, antwoordde hij: wij werken dadelijk
op den muur; het handboek leert ons de proportiën van het menschelijk
lichaam, de schikking der figuren en hare beweging. Mijn leermeester,
Vader Macarios, had de kunst geleerd van Vader Nectarios."--Daarop een
penseel nemende, dat hij in roodbruine verf doopte, teekende hij op een
blad papier een Christuskop. De omtrek was met vaste hand getrokken,
met al de zekerheid en kunstvaardigheid van een bekwaam teekenmeester:
maar toch was deze wiskunstige teekening, schoon onberispelijk van
lijnen, koud en zonder leven. Hoe is trouwens oorspronkelijkheid en
leven mogelijk, waar de schilders zoo, ik mag wel zeggen werktuigelijk,
naar vaste recepten arbeiden? In het handboek lees ik, bij voorbeeld,
het volgende: "Een menschelijk lichaam is negen hoofden hoog;
verdeel het hoofd in drie deelen: het eerste is voor het voorhoofd,
het tweede voor den neus, het derde voor den baard; verdeel wederom de
ruimte tusschen den neus en den baard in drie deelen", enz. enz. Met
behulp van dergelijke regelen en van een passer, kan men een pop
teekenen; met ijver en goeden wil zal dit eindelijk zelfs wel zonder
passer gelukken: maar wat heeft dergelijk fabriekwerk gemeen met de
scheppingen der kunst?
Hadji-Linos, de nieuw verkozen president, stelde ons den 23sten Mei
den gezegelden brief ter hand, die ons de poorten der kloosters moest
openen, en den 24sten begaven wij ons op weg naar de conventen der
oostkust; een Albanees der wacht geleidde ons.
Na een tocht van drie uren over eene zandige helling, tusschen twee
rijen note- en wilde vijgeboomen, komen wij te Iveron, ter rechterhand
het klooster Koutloumousis latende liggen, dat nog de zeer duidelijke
sporen vertoonde van den jongsten brand.
Het valt niet gemakkelijk, in deze wonderlijke verzameling van gebouwen
eenig plan of eenheid van gedachte te ontdekken: hoogstwaarschijnlijk
bestaat zulk plan ook niet. De indruk, dien deze mengeling van
gebouwen, in een eng dal aan den oever der zee saamgeperst, op den
aanschouwer maakt, is verre van opwekkend; en niet dan met zekeren
weerzin verlaat hij de frissche lommerrijke bergpaden voor de donkere
en vochtige portalen, de kille binnenplaatsen en de bedompte galerijen
van het klooster. Het klooster van Iveron is een cenobitenklooster,
waar, vooral ten opzichte van het vasten, buitengewoon strenge
regels gevolgd worden. Gelukkig had de woïwode van Kariès ons een
groot stuk kalfsvleesch medegegeven, zoodat wij althans niet aan de
schrale keuken van het klooster gebonden waren.
In de grieksche kerk zijn de vasten veelvuldig en streng. Zonder te
spreken van de bijzondere vasten, ter eere van den beschermheilige
van het klooster, heeft men de volgende algemeene vastentijden: twee
maanden voor Paschen, dertig dagen voor Pinksteren, veertien dagen
voor Maria-Hemelvaart, en veertien dagen voor Kerstmis. Gedurende
dien tijd mogen de geloovigen noch melk, noch eieren, noch visch
gebruiken; zoodat er niet anders overblijft dan kaviaar, olijven
en eenige wortelen en schelpdieren. De Oosterlingen, die over het
algemeen zeer matig zijn, verdragen dezen strengen regel, die voor
ons welhaast onverdragelijk zou zijn, zonder hinder.
De higoumenos was bij onzen maaltijd tegenwoordig, zonder daaraan zelf
deel te nemen. Na afloop van het eenvoudig maal, leidde hij zelf ons
door het klooster rond, ons alles verklarende en bereidwillig op al
onze vragen antwoordende. De stichting van Iveron valt waarschijnlijk
reeds in zeer ouden tijd. In de muren ziet men nog fragmenten van
antiek beeldhouwwerk, uit de ruïnen der oude stad Olophiros afkomstig;
waarschijnlijk is dus het klooster ouder dan de bekende twist over
de beeldendienst, want de iconoclasten toonden weinig eerbied voor de
kunstwerken der oudheid. De logotheet verhaalde ons dat het klooster
door drie Georgiërs of Iberiërs, ter eere van Johannes den Dooper,
was gesticht; wanneer dit was geschied, wist hij niet. Het reusachtige
convent telt niet minder dan dertig kerken, rondom de hoofdkerk,
ook hier aan de Panagia gewijd, gegroept. Deze laatste heeft geen
zijschepen. Eene eigenaardigheid van deze kerken op den berg Athos,
is een groote half-ronde nis achter het koor, die tot sakristie
dient, en waar het gewijde vaatwerk wordt bewaard. De wanden der
kerk zijn tot halve-manshoogte met gekleurde tichelsteenen bekleed;
daar boven begint het schilderwerk. De fresko's van deze kerk zijn
in 1846 schoongemaakt en opgeschilderd geworden. Binnen in de kerk
heeft deze onhandige restauratie niet de volle schade aangericht:
de schilder heeft althans de omtrekken der oude beelden gespaard,
en alleen de kleuren bedorven; maar in het voorportaal heeft hij ten
volle aan de buitensporigste dwaasheden bot gevierd, zonder nogtans
ontrouw te worden aan de voorschriften van het handboek. Men ziet
hier eene gansche reeks van terechtstellingen, waarbij, met volkomen
minachting van alle regelen der perspectief, het bloed tot op den
achtergrond tegen de zonderlinge gebouwen spat. Deze onhandige knoeiers
ontzien zich niet, de schilderijen der oude meesters, onder het
voorwendsel van ze te restaureeren, volkomen te bederven. Maar toch,
deze schilderijen, hoe slecht ook uitgevoerd, maken desniettemin als
decoratie een zeergoed effect, en onderscheiden zich in dit opzicht
gunstig van de, uit het oogpunt der kunst, veel voortreffelijker
werken onzer meesters. Het begrip van decoratieve kunst--en dat
behoort muurschildering toch in de eerste plaats te wezen--schijnt
voor het tegenwoordige geslacht verloren gegaan. Wanneer ge een onzer
moderne kerken binnentreedt, met groote kosten, dikwijls door zeer
bekwame handen, op nieuw beschilderd, kunt ge niet nalaten, onaangenaam
getroffen te worden door het volkomen gebrek aan samenwerking tusschen
den architect, de schilders en de beeldhouwers. Ieder van hen heeft
op zich zelf gearbeid, zijne eigene opvatting en inspiratie gevolgd,
zonder zich om de anderen te bekommeren: en de samenvoeging binnen
een zelfde kader, van kunstwerken, ongetwijfeld met talent, maar toch
onder den invloed van geheel verschillende denkbeelden vervaardigd,
brengt een disharmonie voort, die afstoot en hindert. Dit was niet
alzoo in de oude gothische kathedralen der middeleeuwen, en dit is ook
niet alzoo hier op den berg Athos. Hier verdwijnt de persoonlijkheid
der kunstenaars; ieder begrijpt zijne eigenaardige taak, en tracht
niet daar buiten te gaan. Geen stoute verkortingen verbreken den
statigen eenvoud der architecturale lijnen; het goud dringt zich
niet aan u op; en het mozaïek smelt zijne sobere tinten samen met de
kleurschakeeringen van het marmer. Het geheel is harmonisch, omdat eene
zelfde gedachte al de deelen bezielt en aan ieder zijne eigenaardige
plaats en beteekenis aanwijst; en deze minder dan middelmatige fresko's
dragen er alzoo mede toe bij, om aan het geheele gebouw het passende
monumentale karakter te geven.
Men vergat vooral niet, ons twee afbeeldingen der Heilige-Maagd
te laten zien, die op den geheelen berg in bijzondere eere worden
gehouden. De eerste hangt hoog boven den hoofdingang, en is zeer
moeilijk zichtbaar vanwege het dichte traliewerk. Een oude kaloyer,
die in het portaal zat, verhaalde ons, met groote breedsprakigheid,
de geschiedenis van dit beeld. Die historie kwam in 't kort hierop
neer. Theophilus, de patriarch van Alexandrië, de vijand van den
heiligen Johannes Chrysostomus, had in zijn twist met den monnik
Isidorus, eenige kloosters doen verbranden, en de schilderijen die
zij bevatten verstrooid. Een dezer schilderijen werd in zee geworpen,
door de golven op wonderdadige wijze naar den oever bij Iveron gevoerd,
en door een kaloyer, Gabriël genaamd, uit het water getogen. Thans
prijkt het heilige beeld boven de poort des kloosters.--De andere
afbeelding is in eene kleine kerk, aan de heilige Apostelen gewijd,
geplaatst; het bijna zwart geworden paneel heeft, op de hoogte
van het gelaat, eene breede wond of scheur, waaruit bloeddruppelen
heeten te vloeien. Men verhaalt u, dat omstreeks het jaar 650, het
klooster door zeeroovers overvallen en ingenomen werd. Hun hoofdman,
een Ethiopiër van geboorte, drong tot in deze kapel door, en trof de
Heilige-Maagd met zijn mes in het gelaat: aanstonds vloeide het bloed
uit de gapende wonde. De rooverhoofdman, door dit wonder getroffen,
bekeerde zich; met al zijne makkers nam hij het monnikskleed aan,
en sleet zijn verder leven in het klooster.
In de grieksche kloosters wordt de gastvrijheid op den meest
onbekrompen voet uitgeoefend, en zonder aanzien des persoons: Joden
en Muzelmannen worden evengoed ontvangen als Christenen. Niemand
behoeft iets te betalen; maar de Grieken zijn handige diplomaten; en
zonder rechtstreeks iets te vragen, weten zij u toch aan het verstand
te brengen, dat men eene of andere bijzondere gave van u verwacht,
indien ge sommige kostbare voorwerpen begeert te zien.
De higoumenos verhaalde ons, dat onder de weinige vreemdelingen,
die hier vertoefd hebben, sommigen ziek zijn geworden, ondanks
het zeer gezonde klimaat. Ik wil het gaarne gelooven. Hij die
hier komt, zonder bepaalde beweegreden, zooals, bij voorbeeld,
belangstelling in de oude kunstgewrochten, moet al spoedig de prooi
worden van doodelijke verveling. Het voedsel der monniken is slecht,
de kamers in de buitengalerijen zijn over dag brandend heet, de
zindelijkheid laat zeerveel te wenschen over, en de bergpaden zijn
bijna ontoegankelijk. Behalve de gulle ontvangst en de niet zeer rijke
conversatie der monniken, blijft er geene andere afleiding over dan
de beschouwing der omringende natuur, die inderdaad prachtig is en
een onmetelijk panorama voor uwe blikken ontrolt. Ongelukkig brengt de
kloosterregel mede, dat de poorten met zonsondergang gesloten worden:
gij kunt dus des avonds den onmetelijken horizon alleen aanschouwen van
een balkon, dat als een zwaluwennest onder het dak hangt. Meermalen,
wanneer wij des nachts door het slaan op de simanders werden gewekt,
verlieten wij onze kamer, om de nog half dommelende monniken naar de
kerk te zien gaan. Het was een eigenaardig tooneel: die waggelende,
door den ouderdom gebogen gestalten, in lange mantels gehuld,
en flauwelijk verlicht door de flikkerende vlam der kleine lamp,
die ieder in de hand droeg, langzaam langs de galerijen gaande,
terwijl de echo der sombere gangen en ommuurde binnenhoven het dof en
aanhoudend geluid van de simanders herhaalde. Onwillekeurig herinnerde
dit tafreel aan de voorstelling van het Laatste Oordeel, zooals men
die in sommige oude almanakken vindt.
Op zekeren morgen gaven wij den wensch te kennen, het klooster
Stavronikitas (stanros, kruis, en nichî, overwinning) te bezoeken,
ongeveer een paar mijlen van Iveron verwijderd. De higoumenos bezorgde
ons eene boot met twee monniken, fiksche roeiers, die ons al spoedig
op eene bloemrijke, met rozen en myrthen begroeide plek aan wal
zetten. Vandaar begaven wij ons te voet naar het klooster, dat in
zijn uiterlijk voorkomen meer op eene vesting dan op een godshuis
gelijkt. Men had ons te Kariès met veel ophef van de schilderijen
van Stavronikitas gesproken; maar het oogenblik voor ons bezoek bleek
slecht gekozen te zijn: bijna al de kerken waren gesloten. Men was op
de binnenplaats bezig met herstellingen: zaag en hamer werden ijverig
gehanteerd; het regende stof en steengruis: wij hadden niet veel lust,
ons hier lang op te houden. Wij maakten dus haastig eenige schetsen
en keerden naar de boot terug. "Hebt gij het wonderdoende beeld
gezien?" vroeg ons Vader Pachomius, een onzer roeiers. Wij hadden
het niet gezien, en waren ook niet begeerig om voor dit doel terug
te keeren en den tocht op nieuw te maken.
De zucht voor het wonderbare is overigens bij de Oosterlingen zeer
levendig; en de geestelijkheid der grieksche kerk exploiteert die
neiging wel wat veel. Den volgenden morgen konden wij te Iveron op
nieuw zien, hoe diep die zucht bij het volk is ingeworteld. Nabij
de poorten der kloosters staan eenige kleine kapellen, _kimisis_
genaamd, waarin de lijken der monniken worden bijgezet. Ik zat
met mijn vriend in een dier sedert lang verlaten grafkelders,
die geheel met doodsbeenderen was opgevuld. Wij hielden ons met
phrenologische studiën bezig, toen Janni, onze albaneesche kawas,
binnentrad.--"Dat is de schedel van een _vroukolakas_" (bezetene),
zeide hij, op het doodshoofd wijzende, dat ik in de hand had; "zie
maar de zwarte tanden".--"Dat bewijst alleen, dat hij slechte tanden
had," antwoordde mijn vriend.--"Hebt gij dan nooit een bezetene
gezien, effendi?"--"Neen."--"Ik wel. Te Kavela woonde een man,
Makalakis genaamd, die het booze oog had en zijn leven lang de andere
menschen allerlei kwaad had gedaan. Ging hij door het veld van zijn
buurman, dan verlepte de tabak, en de vrouwen, die hij aanzag, werden
onvruchtbaar. Op zekeren dag vond men hem dood bij den _tsarchi_. Hij
was zwart, zooals de menschen, die aan de pest gestorven zijn. "Dat is
een slecht teeken", zeide de pappas. Een jaar lang spookte de ziel van
Makalakis om de naburige huizen. Eindelijk ging men den pappas halen
en groef men het lijk op. Het lichaam was geheel zwart, maar overigens
ongeschonden, als ware hij den vorigen dag gestorven. "Wij zullen den
bisschop halen", sprak de pappas. De bisschop was een heilig man,
en toen hij bij het lijk kwam, begon het vleesch zich aanstonds te
ontbinden, maar de beenderen bleven zwart; en dat is niet natuurlijk,
effendi; en de schedel, dien gij daar in de hand hebt, is van een
bezetene."--Toen wij des avonds onze ontmoeting aan den logotheet
verhaalden, antwoordde hij droogjes: "Dat is waar."--Wij begrepen
dat het beter was, niet verder aan te dringen.