IV.

Den 2den Juni namen wij afscheid van den higoumenos, om ons naar

het klooster Philotheos te begeven. Wij moesten den weg derwaarts

op een muilezel afleggen, want een ander middel van vervoer wordt

door de monniken niet gebruikt. Zulk een rit op een zeer slecht

opgetuigden muilezel, met een uiterst primitief zadel, langs een

steil en ongemakkelijk bergpad, is verre van aangenaam. Telkens

stuitten wij op diepe kloven en ravijnen; dan bleven de ezels, ondanks

vermaningen en bedreigingen, stokstijf staan, tot eindelijk een der

monniken die ons geleidden, over de kloof heensprong, waarop de ezels

volgden. Dit een en ander hield ons zoolang op, dat ik reeds vreesde,

dat wij de ophaalbrug van het klooster opgetrokken zouden vinden,

en in het _xenodokion_ zouden moeten overnachten. Dit xenodokion is

een soort van loods, buiten het klooster, waar de reizigers, die na

het sluiten der poort aankomen, hun intrek kunnen nemen. Elken avond,

een half uur voor zonsondergang, komen de monniken bijeen om voor de

dwalende reizigers te bidden, terwijl de simanders van verre de echo's

der bergen doen weergalmen. Een kaloyer waakt den geheelen nacht in

het xenodokion, en voorziet menschen en beesten van levensmiddelen,

in afwachting dat de poort van het klooster geopend wordt.

Philotheos werd in de tiende eeuw gesticht door drie kaloyers van

den Olympus: Arsenius, Dionysius en Philotheos. De superieur kon,

naar het mij voorkwam, niet veel jonger zijn dan honderd jaar. Hij had

een zeer werkzaam aandeel genomen aan den onafhankelijkheidsoorlog in

1821, en nog, wanneer hij daarvan sprak, tintelden zijne oude oogen

van jeugdig vuur. Hij was een dergenen--helaas! hun aantal was niet

zeer groot--die hunne stille cel op den berg hadden verlaten, en met

het kruis in de eene, het geweer in de andere hand, naar de vlakte

waren afgedaald. De weinige monniken, die aan den strijd deelnamen,

sloten zich aan bij de opgestane Grieken in Macedonië. Diamantis

kwam, aan het hoofd zijner Albaneezen, hun te hulp; hij nam eene

positie in op het schiereiland Pallene, tegenover den berg Athos,

en sloeg de Turken onder Youssouf-bey. Maar weldra kwamen zij

in grooten getale terug, aangevoerd door Aboudouloub, pâsja van

Salonika; en nu moesten de Grieken voor de overmacht wijken. De

schrik verspreidde zich op den heiligen berg. De monniken verlieten

Kariès, brachten hunne schatten in veiligheid aan boord van een

schip, en trokken zich terug in de sterke kloosters van Zographos

en Hiërophon. Aboudouloub, geen aanval op deze geduchte vestingen

durvende wagen, knoopte onderhandelingen met de monniken aan. Hij

bezwoer hun plechtiglijk, dat hunne eigendommen geëerbiedigd zouden

worden; maar het was volstrekt noodig, tijdelijk eene bezetting in

hunne kloosters te leggen. Die voorwaarden worden aangenomen: maar

zoodra de pâsja eenmaal den voet binnen het klooster had gezet, brak

hij natuurlijk zijn woord en begon de plundering. Gelukkig hadden de

monniken, wetende met wien zij te doen hadden, al hunne kostbaarheden,

hunne relikwieën, en een deel van hunne artillerie naar Laura laten

brengen, zoodat de admiraal Combaris, die voor Thasos kruiste, nog

tijd had, dit alles aan boord te nemen. Naar Egina overgebracht,

werden al deze voorwerpen later naar den Athos teruggevoerd.

Vroeger werden in het klooster Philotheos allerlei kunsten,

bedrijven en handwerken beoefend, zooals nog de vele werkplaatsen

bewijzen, rondom de katholikon, de hoofdkerk, gegroept. Dit was

trouwens in verreweg de meeste kloosters het geval. Tegenwoordig

beoefent men er nog alleen, behalve de architectuur, de schilder-

en graveerkunst, beiden op een zeer lagen trap gedaald, benevens

de kunst van houtsnijden. Deze laatste is tot een hoogen graad

van volkomenheid opgevoerd. De monniken weten, met verwonderlijke

bekwaamheid, allerlei kunstwerk van hout te vervaardigen; ik heb op

den berg Athos kruisen, triptyken, iconostasen (beschotten, die het

koor van het schip der kerk scheiden), koorstoelen, enz. gezien,

die inderdaad meesterstukken van geduld en rijke vindingskracht

waren. Maar het _diakonikon_ van Philotheos is ook nog rijk aan

meesterstukken van goudsmidswerk. Men toonde ons, onder anderen,

den met drijfwerk versierden band van een slavisch handschrift: zeker

een der uitnemendste kunstgewrochten van het klooster, dat gerust kon

wedijveren met andere, soortgelijke meesterstukken in de schatkamer

van Kariès, waar zoo menig kostbaar overblijfsel der oude kerkelijke

kunst wordt bewaard. Als eene proeve verwijzen wij naar het houten,

in goud gevatte kruis en naar het prachtig gebeeldhouwde koffertje,

waarvan de afbeeldingen hiernevens zijn gevoegd.

Na een kort bezoek aan het klooster Caracallos, aldus naar den stichter

genoemd, landden wij den 6en Juni in de haven van Laura, aan de

oostelijke punt van den berg, aan den voet van het klooster. Vroeger

was het klooster van Laura het eerste in aanzien, in omvang, in

bevolking, in rijkdom; tegenwoordig bekleedt het nog slechts den

derden rang onder de kloosters van den berg Athos. Stilte heerscht

in de lange portieken; de torens en bolwerken storten in puin: en om

de verlaten galerijen ziet men hier en daar het klimop zich ranken.

Wie den grooten meester der byzantijnsche schilderschool, Manuel

Panselinos, in zijne werken wil bestudeeren, vindt daartoe te Laura de

uitnemendste gelegenheid. Men kan hier zelfs de vroegere ontwikkeling

der byzantijnsche kunst nagaan, door de vergelijking van de fresko's

van Panselinos met die in de trapeza, welke uit een vroeger tijdperk

afkomstig zijn. Nevens de grootsch gedachte en met vaste hand

uitgevoerde scheppingen des meesters, maken deze magere figuren,

met haar nauwsluitende draperiën en haar stijf afgemeten houdingen,

een zonderlingen indruk. Dit schijnt navolging van het antieke, en is

inderdaad niets anders dan koude manier en akademiestijl.--Ik merkte

reeds op, dat de Byzantijnen getoond hebben, volkomen de eischen der

decoratieve kunst te verstaan, ook al laat de techniek bij hen veel

te wenschen over. De compositiën van Panselinos kenmerken zich vooral

door dien zuiveren smaak, de vrucht van de studie der antieken; en

moeilijk kan men zich iets eenvoudigers en rustigers denken dan de

decoratie van de katholikon van Laura. De kalme gemakkelijkheid der

conceptie en de ernstige rust der lijnen doen voor ons, aan gansch

andere vormen en al de kunstgrepen en toovermiddelen der moderne

kunst gewend, het geheel bijkans koud en levenloos schijnen, maar

weldra gewent men zich aan deze soberheid van kleuren, en dan blijkt

ook hier de harmonie van het geheel zoo volkomen begrepen, dat men

geneigd zou zijn, Panselinos niet alleen voor den schilder, maar ook

voor de architect van het gebouw te houden. Te Laura heeft Panselinos

hetzelfde stelsel van decoratie toegepast als te Kariès: maar de

regen heeft maar weinig overgelaten van het werk van den meester in de

hoofdkerk van Kariès, die zeventig jaren lang ongedekt bleef. Groote

beelden, ten halven lijve geschilderd, nemen het onderste gedeelte

van den muur in, en worden van de figuren aan het gewelf gescheiden

door eene reeks compositiën van minder groote afmetingen. Ziehier de

volgorde: achter in den grooten koepel, den Heiland; daaronder de

engelen, de aartsengelen en de cherubynen, links, als men met het

gelaat naar het koor staat:--Jezus voor Pilatus, het Lijden (eene

bewonderenswaardige compositie in drie afdeelingen) en de Opstanding;

boven en beneden de strook van emailwerk, die boven de koorstoelen

loopt, de heilige strijders en martelaars, Sint-George, Sint-Demetrius,

Sint-Procopius, Sint-Theodorus en Sint-Mercurius. Rechts, Jezus

voor de schriftgeleerden, de Kindermoord, de Intocht in Jeruzalem,

en de Verkondiging van den engel. Boven de poort van den narthex

(het voorportaal), de Dood der Heilige-Maagd.

Voor de bronzen deuren van dit voorportaal, een geschenk van Nicephorus

Phokas, rust op slanke zuiltjes de doopkapel, of, zooals de Grieken

haar noemen, de _phiale_. Langs den rand van het marmeren doopvont zijn

vogels gebeeldhouwd, die uit den gewijden beker drinken: een symbool

der communie; twee middelmatig uitgevoerde leeuwen moeten de kaarsen

dragen. Aan het gewelf is de Madonna afgebeeld, met dit monogram:

î Zôodochos Pîgî de levengevende fontein; en in een der boogvakken,

Sint-Athanasius, op eene rots slaande; waaruit water vloeit. De

legende verhaalt namelijk, dat toen Sint-Athanasius het klooster

van Laura bouwde, de handlangers van den Booze de beken en bronnen

deden opdrogen; de heilige man wendde zich toen tot de Panagia, zijne

patronesse, die hem een ijzeren roede ter hand stelde, en gelastte

daarmede op de rots te slaan, waaruit dadelijk water vloeide. In het

_diakonikon_ kunt ge nog de roede zien, en de bron zelf op weinige

schreden afstands van het klooster.

De president van de raad der Epitropen, Vader Melchizedek, toonde ons

met blijkbaren zelfvoldoening, de relikwieën en de kostbaarheden van

het klooster; want Laura is nog altijd het rijkste klooster van den

berg Athos. Ik kan niet al de kruisen, relikwieën, wierookvaten en

andere gewijde zaken opnoemen, die wij te zien kregen. Bovenal trof

mij een gouden tabernakel met prachtig email en drijfwerk, in den

vorm eener basiliek. Deze tabernakel wordt alleen op hooge feestdagen

buiten de kerk gebracht: het was dus wel eene groote gunst, dat men

ons toestond, van dit meesterstuk eene photographische afbeelding te

vervaardigen. Eene kleine, medicinale kuur had echter aller hart voor

ons gewonnen. De monniken weten niets van geneeskunst, en bemoeien zich

niet met geneesheeren; ondanks dat, of misschien juist daarom, worden

zij dikwijls over de honderd jaar oud. Bij onze komst in het klooster

was juist de lange vasten, waarin men niets dan olijven en kaviaar

gebruikt, voorbij: de monniken zagen er zeer slecht uit en waren ook

niet zeer pleizierig gestemd. Wij dienden allen eene dozis calomel toe,

hetgeen de meest gewenschte uitwerking had. Uit dankbaarheid zouden

zij ons wel het geheele klooster ten geschenke hebben willen geven,

te meer daar het verblijf in het groote, sombere gebouw hun maar half

scheen te bevallen. In den omtrek van het klooster hebben zij overal

cellen en kluizen opgericht, waar zij gewoonlijk verblijven. Rondom

die kluizen zijn kleine tuinen aangelegd, die aan het geheel een zeer

bevallig voorkomen geven.

Ik meen reeds gezegd te hebben dat de berg Athos 2066 meters

hoog is. Aan de grens der eeuwige sneeuwvelden staat de kapel

van Sinte-Anna, waar de monniken jaarlijks, in de maand Augustus,

heentrekken, om gebeden tot de Heilige-Maagd op te zenden. De Athos

heeft dit met vele andere bergen gemeen, dat hij zeer moeilijk te

beklimmen is, en dat men, boven gekomen, bijna niets ziet--dan de

beelden in de kapel van Sinte-Anna: eene groote merkwaardigheid

trouwens in eene grieksche kerk, waar dergelijke zaken streng

verboden zijn. Zooals men weet, duldt de grieksche kerk in hare

heiligdommen alleen schilderijen en mozaïeken, maar noch standbeelden

noch reliëfs. Volgens de monniken moest men in de kapel van Sinte-Anna

van dezen regel afwijken, omdat het op die hooge bergspits onmogelijk

was, andere dan bronzen beelden te hebben.

Het klooster Vatopedi, dat wij vervolgens bezochten, ligt aan den

oever der zee, in eene vallei, die door hooge wouden tegen de heete

zuidenwinden gedekt is; de lucht is er des avonds vrij koel. Dit

klooster is het meest bevolkte van alle op den berg; nergens zijn

de omstreken dan ook zoogoed bebouwd. Toch is het er verre af, dat

de monniken van dezen zoo vruchtbaren grond al het voordeel zouden

trekken, dat daarvan te trekken is. Wanneer de hellingen niet al te

steil zijn, bezaaien zij de velden; elders laten zij de boomen naar

willekeur opschieten, plukken de vruchten, die aan de lage takken

hangen, en wachten tot de anderen van zelf afvallen.

Omtrent de stichting van het klooster verhaalt men u eene anecdote,

die hoogstwaarschijnlijk slechts eene fabel is. De zonen van

Theodosius, Arcadius en Honorius, gingen met hunne moeder van Napels

naar Konstantinopel, toen zij, op de hoogte van Imbros, door een

geweldigen storm werden overvallen. Arcadius viel in zee, en werd

door de kluizenaars van den berg Athos gevonden, liggende op een

frambozestruik. De kluizenaars, die aan de schoonheid van het kind

zijne vorstelijke afkomst herkenden, brachten hem naar Konstantinopel;

en toen Arcadius later den troon beklom, stichtte hij op dezelfde plek,

waar de golven hem aan land hadden gezet, een klooster, waaraan hij

den naam gaf van Vatopedi (van bátos, frambozestruik, en paidìou,

kind). In de vorige eeuw verwierf het klooster een grooten roem

door de theologische school, die Eugenius Boulgaris en Nicephorus

Theodoxis binnen zijne muren stichtten. Men vindt hier vele kerken;

de hoofdkerk bezit fresko's van Panselinos, die ongelukkig sterk zijn

geretoucheerd; ook ziet men er fraaie mozaïeken, onder anderen een

zeer goed _tetramorphe_. De tetramorphe is de vereeniging, in een

beeld, van de vier symbolen der evangelisten: de engel van Mattheus,

de arend van Johannes, de leeuw van Marcus, de os van Lukas.

De Grieken, die ter bedevaart naar den Heiligen-berg gaan (iedere

orthodoxe Griek behoort eenmaal in zijn leven dien pelgrimstocht te

ondernemen), landen te Vatopedi, dat door zijn houthandel, meer dan de

andere kloosters, met de steden langs de kust van Azië in betrekking

staat. Een pappas van Smyrna, die naar Kariès was geweest om zijne

papieren te laten viseeren, verzocht met ons mede te mogen gaan om

de andere kloosters te bezoeken. Hij had zijne twee zonen bij zich;

de jongste vertoonde op zijn schoon gelaat die eigenaardige mengeling

van fieren adel en zachten weemoed, die de bewoners van het oude

Ionië beter hebben bewaard dan de Grieken van Attika.

Na een verblijf van eenige dagen te Vatopedi, vertrokken wij, in

gezelschap van den pappas en zijne twee zonen en van den higoumenos

van Esphigmenou, die naar zijn klooster terugkeerde. Dit klooster

is, voor eenige jaren, bijkans geheel vernieuwd; het dankt zijn naam

aan zijne ligging in eene zeer nauwe vallei. Het werd, naar men wil,

door Theodosius den Jonge en zijne zuster Pulcheria aan den heiligen

Simeon gewijd.

In het klooster Esphigmenou leefde destijds de patriarch Anthymos,

die reeds tweemalen den troon van Konstantinopel had bekleed. Het is

wellicht niet onbelangrijk, met een enkel woord de eigenaardige positie

te omschrijven, waarin de patriarch van Konstantinopel, sedert 1453,

is geplaatst. Toen Mahomed II aanstalten maakte om Konstantinopel te

belegeren, zond de keizer Constantijn naar Rome, om nog eenmaal de

hulp der westersche Christenheid in te roepen. Een deel van de hooge

grieksche geestelijkheid, vreezende dat zijn invloed zou afnemen,

indien de door Rome gewenschte vereeniging met de katholieke Kerk

tot stand kwam, schaarde zich aan de zijde van den monnik Genadius,

en werkte de pogingen des keizers tegen. Stond Genadius, zooals

sommigen verzekeren, in geheime verstandhouding met den sultan? Dit

kan niet stellig worden bewezen; wij willen daarom liever aannemen

dat de monnik, na den val der stad, alleen in het belang zijner

overwonnen geloofsgenooten, van den overwinnaar den hoogen rang van

patriarch vroeg en verkreeg. Wat hiervan zij: Mahomed II bekleedde

Genadius niet alleen met de volle geestelijke macht over zijne

geloofsgenooten, maar ook nog met het burgerlijke en rechterlijke

gezag, en benoemde hem tot hoofd der grieksche natie. Sedert dien tijd

is de oecumenische patriarch van Konstantinopel de opperste rechter

in alle burgerlijke en crimineele zaken; hij doet uitspraak in alle

rechtsgedingen, sluit de huwelijken, heft de belastingen, verkoopt de

aflaten en oefent nog verschillende andere functiën uit. Het is waar

dat eene zware verantwoordelijkheid tegenover de Porte op hem rust,

en dat zijn verkiezing hem veel geld kost; maar zoo het pallium aan

den meestbiedende verkocht wordt, zijn het toch altijd de raïas,

die de kosten betalen. Men kan zich voorstellen hoe veelvuldig de

verkiezingen zijn, wanneer men bedenkt dat eene eenvoudige aanvrage van

de synode der metropolitanen, die allen op de patriarchale waardigheid

vlammen, voldoende is om den patriarch te doen afzetten. Er leven

op dit oogenblik niet minder dan zes afgezette patriarchen in de

verschillende grieksche kloosters. Het hoofd der grieksche kerk, hoe

ook schijnbaar met groote macht bekleed, is in waarheid een slaaf en

machteloos werktuig in de handen der turksche regeering: geen wonder

dat geen enkel dezer patriarchen iets gedaan heeft om het grieksche

volk uit zijne vernedering en zijn verval op te heffen. Zelf slaven van

een despoot, zijn zij op hunne beurt despoten, die alle verkeerdheden

en misbruiken, waarop hunne macht steunt, met hand en tand vasthouden.

Den 28sten Juni vertrokken wij, met den pappas en zijne beide zonen,

naar het klooster Kiliandari, bijna aan het uiteinde van den berg,

waar hij in de kleine vlakte uitloopt, die hem met het schiereiland

verbindt, gelegen. De hoofdingang is somber; maar de ruime binnenplaats

met hare dubbele rij bogen boven elkander, ziet er netjes en vroolijk

uit. De met gekleurde steenen ingelegde gevel van de hoofdkerk maakt

ook een prettigen indruk. Boven de muren verheffen zich de met statig

bosch begroeide berghellingen. Het landschap is ontegenzeggelijk

schoon: maar op den duur worden deze bergen, die u aan alle kanten

omringen, wel wat vermoeiend en neerdrukkend, en bijwijle verlangde

ik naar een vrij uitzicht, naar een dier wijde horizonten onzer

vlakke velden, waar men aan den verren gezichteinder, boven den zoom

van groen, den spitsen kerktoren ziet oprijzen, die het verscholen

dorpje verraadt.

De kloosters Kiliandari en Zographos worden door servische en

bulgaarsche monniken bewoond, die zich door de donkerder kleur van

hun gewaad van de grieksche kaloyers onderscheiden. De Bulgaren en

Serviërs behooren beiden tot den grooten slavonischen stam; langen

tijd bezaten zij ook eene eigene Slavonische liturgie; maar in 1737

wist de patriarch van Konstantinopel te bewerken, dat in de servische

en bulgaarsche kerken de grieksche liturgie, en daarmede de grieksche

taal, werd ingevoerd.

De afstand tusschen Kiliandari en Zographos bedraagt hoogstens vier

mijlen, maar het pad, dat, immer stijgende, door prachtige pijnbosschen

loopt, maakt zoovele krommingen, dat men wel het dubbele van den

afstand aflegt, eer men te Zographos komt, dat boven op eene bergspits,

op eene duizelingwekkende hoogte, allerschilderachtigst is gelegen. Wij

bleven hier twee dagen: niet zoozeer om de aan manuscripten rijke

bibliotheek en de overvloedig met schilderijen versierde kerken, maar

vooral om van de zeldzame schoonheid van het landschap te genieten.

De kloosters van Castamoniti, Dokiarios en Sint Xenophon, die wij

vervolgens bezochten, onderscheiden zich door niets merkwaardigs. Bij

ons vertrek van het laatste klooster, namen wij afscheid van onzen

pappas, die zijn tocht naar het russische klooster vervolgde,

terwijl wij naar Kariès terugkeerden. Daar voltooiden wij onze

verzameling van kopieën naar gravuren en schilderijen, en kochten

verschillende voorwerpen, die door de monniken en kluizenaars van den

berg vervaardigd worden, en in de kloosters en winkels van Kariès te

koop worden aangeboden.

Eindelijk, na nog een kort bezoek aan het naburige klooster

Xiropotamos, aan de kleine haven van Daphne, scheepten wij ons in aan

boord van eene tartane, die het anker in het aardige haventje uitwierp,

en ons naar Salonika terugvoerde.

Bezoek aan den berg Athos De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 4 / 5 题