En dat vergelijk viel dan niet altijd in het voordeel der Groningers

uit, hoewel hun stoere figuren zich weer uitstekend leenden voor het

uitbeelden van de robuste geuzen.

Maar de allermeeste aandacht trok een wagen met een reusachtig groot

groen varken, de honderdvoudige vergrooting van een steenen

kinderspaarpot.

Dat groote, groene varken was gemaakt van bordpapier.

Naast dezen spaarpotwagen liepen twaalf Groningsche studenten en ieder

van hen droeg een langen stok, aan het einde waarvan een fluweelen zak

was bevestigd.

De jongelui hielden die zakjes voor aan de duizenden toeschouwers en ze

staken ze eveneens toe aan de kijkers, die op balkons en achter de hoog

opgeschoven vensters van eerste en tweede verdiepingen hadden

postgevat.

Telkens leegden ze dan hun zakjes, als deze te zwaar werden boven de

wijde opening, die het spaarvarken in zijn rug droeg.

Wat op deze manier vloeide uit de beurzen der duizenden en

tienduizenden kijkers in den grooten, hollen buik van het groene dier,

was bestemd voor de Groningsche armen.

Het idee om aldus een mooie som gelds bijeen te brengen voor de minder

met geld en goed bedeelden uit de feestvierende Academiestad, was

uitgegaan van Gerard Peepstra. Suze had toen den wagen ontworpen; ze

had een teekening gemaakt van het groote spaarvarken, dat zou staan

voor een trog en op een vloer, die geheel was bedekt met zachtgroen

mos.

Het geheel was uitstekend geslaagd en het was zoo oorspronkelijk van

opzet en zoo hartelijk bedoeld, dat het aller sympathie droeg.

De geldstukken rinkelden voortdurend neer in de fluweelen zakken der

onvermoeide studenten, die maar steeds vroegen—altijd meer, altijd

meer.

Geen oogenblik rustten ze uit van hun vermoeiende taak en toen

omstreeks vijf uur in den namiddag de optocht was geëindigd en de

laatste deelnemers weer in de Korenbeurs verdwenen om zich daar te

ontdoen van het allerergste stof en de eerste en hevige dorst te

lesschen, toen waren er vele duizenden guldens neergevallen in de grage

ingewanden van het groene varken.

Dien avond werd een groot bal gegeven door den Senaat van het

Groningsche Studentenkorps en den hoofdpersonen uit den optocht werden

gouden herinneringsmedailles geboden.

De burgemeester der stad hield een aardige toespraak, toen hij den

dames en heeren de medailles op hun schitterende kleedij spelde, want

velen droegen—een tikje menschelijke ijdelheid was hieraan niet

vreemd—hun kleeren uit den optocht.

Niet alzoo graaf Van Lissen van Duinen.

Uiterst correct in zijn smoking, met flonkerende juweelen knoopjes in

zijn overhemd en een enkelen kostbaren diamant aan den pink van zijn

linkerhand, droeg de graaf een orchidee in het knoopsgat.

Toen de burgervader hem de gouden medaille wilde opspelden, nam hij de

zeldzame bloem van zijn jas weg, bracht ze even aan de lippen en bood

ze toen met een hoffelijk gebaar en een innemenden glimlach aan de

echtgenoote van den burgemeester.

De schoone, aristocratische dame aanvaardde zeer gaarne deze kleine,

maar toch zoo uiterst fijne attentie van den knappen gast van het

korps.

En alle in de zaal aanwezige vrouwen benijdden haar dit voorrecht.

Het bal was zeer geanimeerd en de mooie Suze Peepstra was de koningin

ervan.

Het was zes uur in den morgen toen het laatste groepje studenten de

feestzaal verliet en zij stoorden de nog slapende stadsgenooten, toen

hun jonge stemmen, frisch nog, ondanks de genoten feestvreugde, het

lied van het Groninger Studentenkorps aanhieven.

Fier en krachtig klonken de woorden:

Dat zwaard moet tijden tarten,

Die vijl zal tijden staan,

Die band om onze harten,

Nog lang zijn kronkels slaan.

Hoe ver uiteen gedreven,

Hoe wijd van deze stad,

Vereend zijn wij voor ’t leven

Door ’t wachtwoord Vindicat. [1]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

HET GEMASKERDE BAL.

Voor het gebouw van de Harmonie, in de Oude Kijk in ’t Jatstraat, stond

een lange file van rijtuigen.

Slechts langzaam schoven de voertuigen, bij korte tusschenpoozen,

voorwaarts en nog steeds kwamen uit alle gedeelten der academiestad

andere aan, die bezoekers brachten voor het groote, gemaskerde bal, dat

op dien avond de rij der feestelijkheden zou besluiten.

Telkens als het portier van een rijtuig werd geopend, zag men dames en

heeren in allerlei fantastische costuums uitstappen, het kleine tuintje

vóór den ingang van het gebouw met haastige schreden doorloopen en

verdwijnen door de glazen deuren, welke naar de groote concertzaal

leidden.

In deze zaal, die prachtig was versierd en die geheel was herschapen in

een lustoord, zou het gemaskerde bal worden gegeven.

Achter groen en bloemen verscholen had een gedeelte van het

Harmonie-orkest plaatsgenomen.

In de hoeken der zaal waren buffetten en champagnetentjes aangebracht.

De glazen deuren naar den tuin stonden alle wijd open.

De veranda’s waren met kleurige lampions verlicht en het geheel vormde,

op dezen prachtigen zomeravond een bijzonder feestelijk terrein.

Steeds voller werd het in de groote zaal en aangrenzende ruimten, nog

steeds stroomden de bezoekers binnen, vroolijk klonken de stemmen,

helder lachen werd onophoudelijk vernomen.

Men nam elkaar met nieuwsgierige blikken op, trachtend te raden, welk

bekend gelaat achter de zijden maskers verborgen kon zijn.

Men begroette elkaar, deed elkaar vragen, soms met veranderde stem,

meende soms een goeden vriend of lief vriendinnetje te herkennen, om

een oogenblik later tot de ontdekking te komen, dat men zich toch had

vergist.

Er was een keur van de mooiste, smaakvolste toiletten, naast

verscheidene, die allergeestigst waren bedacht, andere, die minder

geslaagd waren.

Het binnenkomen van een troepje Zigeuners, op een afstand gezien in

havelooze plunje gestoken, die echter in werkelijkheid van de fijnste

stoffen was vervaardigd, trok aller aandacht.

Keizer Wilhelm bewoog zich door de zaal, aan zijn arm de kleine Mignon

in haar korte rokje rondleidende, koningin Anna van Engeland stond druk

te redevoeren met Carmen en een schalksche Pierrette bood een rozeknop

uit haar bouquet aan een langen, mageren schaapherder.

Ook vele heeren, eenvoudig in domino gehuld, bevonden zich tusschen de

feestvierenden.

In een der kleinere zijvertrekken werd men in de gelegenheid gesteld om

zich van een masker en een domino te voorzien en hiervan had menigeen,

die ongecostumeerd was gekomen, gebruik gemaakt.

In deze kamer, waarin groote spiegels waren opgehangen en eenige

kamerschermen neergezet, opdat de bezoekers er zich ongestoord in hun

masker en domino konden steken, was juist een lange, slanke heer

binnengekomen, die zich van een zwartzijden domino en dito masker had

voorzien en zich hiermede achter een breed Japansch scherm, met gouden

vogels geborduurd, had begeven.

Voor den spiegel, die achter het scherm aan den muur hing, schuierde

hij den kortgeknipten donkeren knevel op en juist had hij zich het

halve masker voor het gelaat gebonden, zoodat alleen de schitterende

zwarte oogen er doorheen zichtbaar waren, toen de deur van het vertrek

opnieuw werd geopend en twee heeren binnenkwamen.

Ook zij hadden zich van eenvoudige zijden domino’s voorzien en toen

zij, op eenigen afstand van het Japansche scherm gekomen, daar

fluisterend bleven staan praten, gluurde de eenzame heer met het zwarte

masker even door een reet, tusschen twee gedeelten van het goudbestikte

schut.

Het vertrek was overigens geheel leeg.

Aan den tegenoverliggenden muur, achter een soort toonbank, zat de

juffrouw, die het beheer had over de te verhuren domino’s. Zij verslond

met gretige blikken een feuilleton in het „Nieuwsblad van het Noorden”

en lette er nauwelijks op of de heeren zich in een rooden, zwarten of

violetten mantel hulden.

„Dus je weet zeker, dat zij als Margaretha gekleed is?” fluisterde een

der heeren den ander in.

De onbekende achter het scherm talmde wonderlijk lang met het omslaan

van zijn wijden, zwarten mantel.

Zijn scherp, geoefend oor verloor geen enkelen klank, geen enkel woord

van hetgeen daar gefluisterd werd en steeds meer rekte de lenige

gestalte zich uit, toen de ander, een man met kortgeknipt, donkerbruin

haar en loerende oogen antwoordde:

„Ja, Peepstra kon het niet langer voor zich houden, dat zei ik je

immers. Hij als Faust, zijn zuster als Margaretha.”

„Dus jij vraagt haar te dansen, wandelt met haar in den tuin en dan

achter de muziektent...”

Terwijl hij zich den donkerbruinen mantel om de schouders sloeg, wierp

de ander een korten, scherp onder zoekenden blik door het leege vertrek

en fluisterde terug:

„Je volgt ons ongemerkt, het andere zal wel in orde komen.”

Een honend lachen was het antwoord.

De beide donkerbruine domino’s verlieten het kleine zaaltje.

De juffrouw achter de toonbank was juist aan een bijzonder boeiend

gedeelte van den roman gekomen en merkte niet eens op, dat van achter

het scherm met de gouden vogels en bloemen een lange gestalte in wijden

zwartzijden mantel te voorschijn kwam, die nu als een snelle schaduw

door de deur verdween.

De zwarte gedaante gleed de balzaal binnen en was weldra in het gewoel

der wandelende en dansende paren verdwenen.

Zijn donkere oogen zochten van achter het zijden masker tusschen de

zich om hem heen bewegende menigte en weldra scheen hij gevonden te

hebben wat hij zocht.

Hij had op een stoel bij een klein marmeren tafeltje plaats genomen en

keek vol belangstelling naar een aardig groepje, dat wandelend naderde.

De costuums waren uitstekend gekozen, goed van teekening en snit en de

kleine groep trok de algemeene aandacht.

Het waren Faust en Margaretha, die gearmd kwamen aanwandelen, terwijl

vlak achter hen Martha aan den arm van Mefisto liep.

Faust was een jonge man van lange gestalte. Het buis en de korte broek

waren van donkerblauw fluweel en ivoorkleurig glanzend satijn gemaakt,

zijden kousen omsloten de fraai gevormde beenen, terwijl de voeten in

kostbare schoenen staken, geheel passend bij het toilet.

Een blauwfluweelen baret met prachtigen, golvenden struisveer bedekte

het hoofd. Van het gelaat was alleen de blonde baard zichtbaar, terwijl

een paar intelligente blauwe oogen overmoedig tintelden.

Lachend toonde hij zijn prachtige witte tanden en het was geen wonder,

dat de jonge meisjes in het voorbijgaan lange blikken wierpen op dezen

ideaal-Faust.

De Margaretha aan zijn zijde was een allerbevalligste verschijning.

Het eenvoudige lichtblauwe kleed, van kostbare stof vervaardigd en

zwaar achter haar sleepend, omsloot een elegante, sierlijke gestalte,

wier volmaakte vormen uitstekend tot hun recht kwamen in dit

ouderwetsch gewaad.

Het fijne kopje, dat gedeeltelijk achter een wit satijnen masker was

verborgen, droeg een schat van goudblond haar, dat eenvoudig in tweeën

gescheiden, in een paar zware vlechten neerhing.

Het fijne witte borduurwerk, waarmede de japon was gegarneerd en het

kleine taschje, dat aan haar zijde hing, waren op zichzelf al

kunstwerken.

Zij had een gebedenboekje met gouden slot in het fijne, blanke handje

en hield, ook terwijl Faust soms teeder met haar fluisterde, het

hoofdje zedig terneergebogen.

Een aardig contrast met dit tweetal vormden Mefisto, in zijn

nauwsluitend vuurrood gewaad met het korte wijde manteltje, de roode

muts met haneveer op het hoofd en Martha, de oude kokette, die met een

reusachtige zonnebloem op haar boezem prijkte.

Het bal was nu in vollen gang.

De muziek zette opnieuw in en de verleidelijke tonen van een wals

weerklonken door de ruime zaal.

De heer in den zwarten domino was uit zijn stoel opgestaan en slenterde

langzaam in de richting van het podium, dat een groot prieel van rozen

en klimop geleek.

Daar, in een hoek, bij een der buffetten stonden Faust en Margaretha.

De jonge man had zijn dame juist een glas sorbet aangereikt, dat zij

langzaam ledigde.

De zwarte domino was vlak naast hen komen staan. Ook hij dronk met

blijkbaar welbehagen een glas van een der verkoelende dranken.

„Nu laat ik je straks aan je lot over,” hoorde hij Faust met

welluidende stem zeggen. „Het wordt tijd, dat ik me eens ga wiegen op

de tonen van dezen Donau-wals,” voegde hij er lachend aan toe.

„Je behoeft je over mij verder niet ongerust te maken,” antwoordde

Margaretha, terwijl zij den Romeinschen krijger, die naast haar

geleider stond, aankeek. „Mijn cavalier wacht al met ongeduld.”

„Vermoei je maar niet te veel, sla af en toe eens een enkel dansje

over,” vermaande de stem van Faust.

„O ja, in den tuin is het ook zoo verrukkelijk, daar zullen we elkaar

weleens ontmoeten!” lachte zij terug en tegelijkertijd nam zij den arm

van den forschgebouwden Romein en begaf zich met hem onder de dansende

paren.

De zwarte domino had zijn leeg glas neergezet en volgde met de oogen

weer de dansers.

Daar zweefde Margaretha hem voorbij, den langen sleep van haar kleedje

bevallig opgenomen, met haar rechterhand losjes den schouder van haar

danser aanrakende.

Haar kleine, sierlijke voetjes raakten bijna den gladden dansvloer niet

en ook nu ging een ongewone bekoring van haar uit.

De eenzame toeschouwer zag, hoe zij zich geheel overgaf aan het genot

van den dans, maar tevens ontging het hem niet, hoe op eenigen afstand

van hem een heer in donkerbruinen zijden domino evenveel belang scheen

te stellen in de danseres met de lange blonde vlechten als hij zelf.

Ook zag hij, hoe deze heer daarna teekenen van verstandhouding wisselde

met een tweeden domino, die aan de zijde van een aardig Tyroolsch

boerinnetje in zijn nabijheid stond.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE ONTVOERING.

Het was warm geworden in de balzaal.

De zachte zomerlucht, die door de geopende deuren naar binnen kwam,

bracht slechts weinig koelte aan en de waaiers der dames deden druk

dienst.

De tafeltjes onder de lange veranda’s waren alle bezet. Kellners

droegen verfrisschende dranken aan en menig paartje gaf er de voorkeur

aan om langzaam op en neer te wandelen.

In het voorste gedeelte van den tuin, tot daar, waar de muziektent zich

bevond, was het helder verlicht. In het stuk, dat daarachter lag,

brandde slechts een enkele gasvlam.

Het was door den breeden muziek koepel als ’t ware gescheiden van het

overige feestterrein.

Slechts enkele wandelaars begaven zich daarheen; men bleef liever in

het verlichte, gezellige gedeelte, waar gedanst, gelachen en pret

gemaakt werd.

Een der paren had juist de warme zaal verlaten.

Het was de bekoorlijke Margaretha, die, moe van het dansen en snakkende

naar wat buitenlucht, in druk gesprek met een eenvoudigen bruinen

domino, zich naar den tuin begaf.

„Dus u hebt den souperdans al besproken?” vroeg de heer, die naast haar

liep, op teleurgestelden toon.

„Ja, het spijt mij voor u, maar u komt daarvoor een beetje laat. Het

is, geloof ik, al elf uur!”

„Om u de waarheid te zeggen, weet ik niets van den tijd. Als men in het

gezelschap is van zooveel bekoorlijke jonge dames, weet men alleen, dat

de tijd veel te snel vervliegt!” antwoordde de heer met het bruinzijden

masker.

„Hebt u er iets op tegen, den tuin verder door te loopen?” vervolgde

hij, toen het jonge meisje wilde terugkeeren.

„Het is daar niet meer gezellig, allen blijven hier, in het verlichte

gedeelte,” klonk het aarzelend.

„De tuin is zoo klein, laten wij onze wandeling zoo ver mogelijk

uitstrekken. Of voelt ge u niet veilig in mijn geleide, Margaretha?”

Een helder lachje klonk van haar lippen.

„De tuin van de Harmonie onveilig?” herhaalde zij. „Kom, ik zal het er

dan maar op wagen!”

Schertsend liepen zij verder, hij vertelde haar van een gemaskerd bal,

dat hij eens in Parijs had bijgewoond.

„Het was een zoogenaamd Apachenbal,” sprak de heer, terwijl hij met

spiedenden blik om zich heen keek.

„Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel werk er gemaakt was van de

costuums, die alle uit de fijnste, kostbaarste stoffen waren

vervaardigd, terwijl zij toch den indruk maakten van waardelooze

lompen.

„De groep Zigeuners van vanavond herinnerde mij onwillekeurig aan dat

schitterende Parijsche feest.”

Zij waren nu, zeer langzaam voortloopende, tot achter de muziektent

gekomen.

Het was daar inderdaad, zooals Margaretha had gezegd, eenzaam en vrij

donker. Zij waren op dat oogenblik daar de eenige wandelaars.

Plotseling haalde de bruine domino van onder zijn wijden mantel een

klein voorwerp te voorschijn.

Bliksemsnel sloeg hij zijn rechterarm om het middel van het jonge

meisje en in hetzelfde oogenblik hield hij haar een geopend fleschje

onder den neus.

Zonder eenig geluid te geven hing zij bewusteloos in zijn arm en

terwijl uit de duisternis van een groepje, hooge struiken een tweede

donkere gedaante snel te voorschijn kwam, die handig de bewustelooze in

zijn eigen bruinen domino hulde, welken hij reeds van te voren had

losgemaakt, nam hij het bewustelooze lichaam in zijn armen over en

begaf zich met haastige schreden naar den uitgang.

Zijn helper liep langs den anderen kant naar de richting van de balzaal

terug, terwijl hij eenige oogenblikken later het gebouw, waar de

feestvreugde bijna haar toppunt had bereikt, verliet.

Geen der beide mannen had opgemerkt, hoe in het onzekere licht achter

de muziektent geen enkele hunner bewegingen was ontgaan aan de scherpe

blikken van een persoon, die zich op een donker plekje had schuil

gehouden.

Lord Lister, alias John C. Raffles, de Groote Onbekende, had, gehuld in

zijn dunnen zwarten mantel, het gelaat nog steeds ten deele bedekt door

het zwarte masker, in den bruinen domino, die aan de zijde van

Margaretha liep, terstond een der beide samenzweerders uit de

kleedkamer herkend.

Toen hij de zuster van den student Peepstra met een van de schurken

door de zaal had zien wandelen, had hij onmiddellijk begrepen, dat nu

het plan der beide kerels ten uitvoer gebracht zou worden, het plan, in

de kleedkamer afgeluisterd.

Op eenigen afstand van hem, schijnbaar met onverschillige blikken naar

de bonte menigte kijkend, die zich kostelijk amuseerde, had Raffles den

anderen bruinen domino zien zitten, die dichtbij het Japansche scherm

had staan praten.

Blijkbaar wachtte hij totdat zijn kameraad zich met het jonge meisje

naar den tuin zou begeven om hen dan volgens afspraak daarheen te

volgen.

Zoo snel als hij zich door de menschenvolte heen kon werken, had

Raffles de feestzaal verlaten en toen hij zich had verborgen in een

uiterste hoekje van den tuin, waar het onder de zware struiken zoo

donker was, dat niemand een menschelijke gedaante zou vermoeden op die

donkere plek, wachtte hij op de dingen, die komen zouden.

Zijn geduld was niet lang op de proef gesteld.

Toen hij zag, op welke wijze de beide vreemdelingen zich meester

maakten van het jonge meisje, omklemde zijn band in een plotselinge

opwelling van woede den browning, die in zijn zak verborgen was.

Maar neen—nòg was het oogenblik niet gekomen om te handelen en zoo snel

mogelijk uit zijn schuilhoek te voorschijn komende, haastte hij zich om

eerder dan de man, die het lichaam van het bewustelooze meisje

wegdroeg, bij den uitgang van het gebouw te komen.

In een oogwenk had hij in de kleedkamer zijn maskerademantel verwisseld

voor zijn dunne overjas en, met den glimmenden cylinder op het hoofd

verliet hij de Harmonie.

Eenige minuten later reed een rijtuig door de Oude Kijk in ’t

Jatstraat, waarin twee heeren zaten, die een bewustelooze dame bij zich

hadden.

Het was Harry Kleyston en Martin Norwald gelukt om zonder opzien te

verwekken het gebouw te verlaten.

Wel hadden bij de helder verlichte veranda eenige nieuwsgierigen

geïnformeerd naar hetgeen was voorgevallen, maar de heer, die in

onberispelijk avondtoilet was gekleed, deelde hun mede, dat zijn jonge

vrouw, waarschijnlijk ten gevolge van het drukke dansen en de kolossale

warmte in de zaal, een lichte flauwte had gekregen.

Daar zijn rijtuig toch wachtte, zoo vertelde hij verder, was het maar

het verstandigst om met haar naar huis terug te rijden.

Het blonde hoofd met de prachtige, zware haarvlechten was geheel

verborgen in den kanten avonddoek, die Suze Peepstra reeds voor het

verlaten van de balzaal om had geslagen en haar lichtblauw kostuum was

bedekt door de donkerbruine domino.

Daar niemand den vreemden heer kende, werd er niet veel notitie van het

geval genomen.

Men had het te druk met dansen, pret maken en intrigeeren!

NEGENDE HOOFDSTUK.

GERED.

Op eenigen afstand van het rijtuig, waarin de beide schurken zaten met

het jonge meisje, volgde een tweede rijtuig.

Hierin bevond zich slechts één persoon, namelijk de heer die, in dunne

zwarte overjas en met den cylinder op het donkere haar, zooeven het

Harmoniegebouw had verlaten.

John C. Raffles had eenige korte bevelen gegeven aan den koetsier en

met een „Begrepen mijnheer!” had deze weer op den bok plaats genomen.

Het tweede rijtuig bleef op zoo groot mogelijken afstand achter het

eerste aanrijden.

In de straten van Groningen lette niemand op de beide voortrollende

voertuigen.

Een kwartiertje later hield het eerste rijtuig, nadat het de

Steentilstraat was doorgereden en toen een der buitenwegen had

ingeslagen, stil aan het Eemskanaal.

Een klein, onaanzienlijk turfscheepje lag er gemeerd.

Op het dek glansde het geelachtige schijnsel van een enkele

petroleumlantaarn en in het vale licht onderscheidde men bij de vrij

breede loopplank de gedaante van een man in schipperskleeren.

Het was schipper Harmsen.

Hij had aan de beide handelaars in blanke slavinnen zijn turfscheepje

afgestaan om het geschaakte jonge meisje naar Delfzijl te voeren.

Vandaar zou het dan verder per stoomboot over Hamburg naar New-York

gaan.

De handlangers der beide schurken: Roode Jim en Moeder Bessie hadden de

noodige bevelen ontvangen.

Zij waren ervan verwittigd, dat Kleyston en Norwald weer een goede

vangst op het oog hadden en bij ondervinding wisten ze, dat hun die

buit niet licht zou ontsnappen.

Zoo’n beeldschoon meisje—dat zou een aardig winstje geven.

Jim had al berekend, dat hij voor zijn portie heel wat dollars kon

opstrijken. En makkelijk verdiend was ’t ook. Logies voor een enkelen

nacht—goede, maar uiterst strenge behandeling en bewaking—en dan onder

toezicht van Kleyston, den leider van de heele onderneming, ingescheept

naar New-York, op de boot van James Baser, die óók al meer dan eens

zulke zaakjes bij de hand had gehad en het klappen van de zweep maar

opperbest kende.

Schipper Harmsen zag in de verte het rijtuig naderen en hij begreep,

dat de beide heeren zouden komen met hun „zuster.”

Hij had terstond gesnapt dat hier van een zuster geen sprake kon zijn.

Twee manskerels met een zuster; mannen, die zoo’n hoop geld hebben,

behoefden niet in een turfschip naar Delfzijl te zeilen.

Neen, daar zat een vuil zaakje achter.

„Afijn”, redeneerde Harmen, „wat gait mie dat an? Niks! Daor is de

kerke mit oet!”— — —

De koetsier sprong van den bok.

„Hier is je belooning,” sprak Norwald en hij gaf den man een bankbiljet

van vijf-en-twintig gulden.

„Haast je nu naar de stad terug.”

Dat liet de koetsier zich geen twee keer zeggen.

Hij legde de zweep over den rug van zijn paardje, keerde en haastte

zich naar stal.

De baas zou er niet op letten, dat hij een uurtje langer was

weggebleven—’t was nou zoo druk in stad.

En hij had maar fijn een extra’tje verdiend. ’s Jonge, jonge, wat een

bof!—

Voorzichtig, uiterst voorzichtig had Kleyston het bewustelooze lichaam,

in de bruinzijden domino gehuld, uit de vigelante genomen en met behulp

van den stoeren Harmsen, die zware vrachies wel gewoon was, werd het

jonge meisje aan boord gedragen, op een grooten stapel dekens

neergelegd en door een paar hooge houten kisten onttrokken aan den blik

van ieder, die op den wallekant achterdocht mocht kunnen koesteren—al

was daarvoor ook niet de geringste kans.

Kleyston was er echter steeds voor, de grootste voorzichtigheid te

betrachten en totnogtoe had hij zich daarbij zéér goed bevonden.

Lord Lister No. 0114: Raffles in Groningen · 第 3 / 4 段