Nadat hij daar vijf jaar als ondergeschikte had gewerkt, en zoo zuinig

mogelijk had geleefd, had hij zooveel oververdiend, dat hij van zijn

bespaarde duiten zelf een volkskoffiehuis had geopend in een der

buitenwijken van Buenos Ayres.

Ook hij had in een sombere binnenkamer van zijn woning den bezoekers

gelegenheid gegeven om er sterken drank te gebruiken en te spelen.

Harry Kleyston zelf speelde nooit.

Hij keek alleen maar naar de spelers en als ze geld noodig hadden

leende hij het hun tegen woekerwinst.

Het was hem goed gegaan.

Alles veranderde onder zijn handen in goud.

Waar hij zijn voordeel zag, stonden gemoedsbezwaren hem nooit in den

weg.

Reeds op jeugdigen leeftijd was hij getrouwd met Mina Willers, een

sterke, forsche boerenmeid, die flink de handen uit den mouw kon

steken.

Zijn vrouw maakte en braadde uitstekend worsten, kookte de eenvoudige

pot, die de bezoekers van zijn „volkslogement” verlangden, smakelijk en

had voor iedereen altijd een vriendelijk woord over.

In de achterkamer van het huis kwamen mijngravers, veehouders en

allerlei ruw volk mijlen ver uit den omtrek bijeen om worst te eten...

maar vooral om te spelen.

Soms speelden zij om klompen goud.

Het was een woeste bende, die om mensch noch duivel iets gaf, maar

Kleyston wist ze met zijn stekende grijze oogen en zijn steeds geladen

revolver wel in bedwang te houden.

Dikwijls reeds hadden sommige der vaste bezoekers samen besloten hem te

berooven of hem onverhoeds te vermoorden, maar als het er op aankwam om

te handelen, had geen enkele hunner nog ooit gedurfd.

Maar meer gehaat dan Harry Kleyston was waarschijnlijk niemand in

geheel Amerika.

Zijn vrouw daarentegen was bemind.

Bij al haar werk wist zij altijd nog tijd te vinden om zieke buren, die

zij niet eens kende, op te zoeken en moed in te spreken, terwijl zij

hun zooveel mogelijk van dienst trachtte te zijn.

Hoe menige arme kraamvrouw in de volkswijk, waar het logement van

Kleyston was, dacht met een gevoel van innige dankbaarheid aan de

stille weldaden, die zij genoot van de vrouw van den alom gehaten

herbergier.

Veel ruwe kerels spaarden Harry Kleyston alleen, omdat diens groote,

forsche vrouw goed was geweest voor hun echtgenooten en kinderen.

Kleyston had wel eens gelezen of hooren beweren, dat vriendelijkheid

jegens zijn medemenschen en edelmoedige zelfverloochening noodzakelijk

zijn voor een gelukkig leven, doch hij was het met deze opvatting

totaal niet eens.

Hij wist beter, want hij had onder menschen geleefd en niet onder

boeken, beweerde hij met een honend lachen.

Hij was gevreesd en gehaat, maar hij verdiende veel geld en dat was het

eenige, wat hij van de maatschappij verlangde.

Jaar in, jaar uit vermeerderde hij zijn kapitaal, doch hij bleef altijd

even zuinig leven, zich alle persoonlijke genot, ieder gemak

ontzeggende. Heinde en ver was het bekend, dat de „kroegbaas”, zooals

zelfs de trouwste van zijn bezoekers hem noemden, schatrijk werd te

hunnen koste—alleen zijn vrouw wist dat niet.—

Mina Willers was in haar hart nog altijd met haar gedachten op de

kleine boerderij, waar zij was geboren en grootgebracht.

Nog steeds zag zij zichzelf als jonge boerenmeid met blozende wangen in

een katoenen jak met haar juk en emmers door het natte gras loopen om

de koeien te gaan melken en soms draaide zij den zwaren trouwring aan

haar dikken vinger om en om, ten einde zich ervan te overtuigen, dat

niet straks het werk in de melkerij of in den stal haar wachtte, dat

werk, dat zij tot haar achttiende jaar met zooveel lust en ijver had

gedaan.

Doch een ruwe uitdrukking van haar man, een kort bevel brachten haar

plotseling tot de werkelijkheid terug en zij voelde soms een stekende

pijn in het hart als zij zwijgend getuige was van de onmenschelijke

handelwijzen van haar man, dien ook zij vreesde.

Onverwacht echter was een dreigende wolk den gelukshemel van den

fortuinzoeker komen verduisteren.

Een van zijn slachtoffers, tot het uiterste gedreven door den

gewetenloozen bloedzuiger, was niet meer van plan, de onmenschelijk

hooge woekerrente te betalen, die Kleyston meedoogenloos van hem

vorderde.

In zijn woede en wanhoop had hij de politie op de hoogte gebracht van

het schandelijke bedrijf, dat daar in de geheimzinnige achterkamer van

het zoogenaamde volkslogement werd uitgeoefend.

Kleyston met zijn speurhondenneus rook nog juist bijtijds lont en vond

op het uiterste oogenblik nog de gelegenheid om, voordat de justitie

een inval deed in zijn speelhol, te verdwijnen.

Onder medeneming van al zijn geld in geldswaardige papieren was hij

gevlucht, zijn arme, bedrogen vrouw zonder eenig bericht achterlatende.

Nimmer was het de politie gelukt, eenig spoor van hem te ontdekken.

Op de vrouw van den voortvluchtige viel niet de minste verdenking van

eenige strafbare handeling en toen zij na het huis en den inboedel te

gelde te hebben gemaakt, alles wat zij bezat onder de ongelukkige

slachtoffers van haar man verdeelde, zegende menigeen haar naam op

hetzelfde oogenblik, dat hij dien van haar echtgenoot vervloekte.

Armer dan zij er was gekomen, verliet de brave vrouw Buenos-Ayres, om

de pachthoeve van haar ouders weer op te zoeken, waar zij zoo’n

gelukkige jeugd had doorleefd.

Een half jaar nadat dit was voorgevallen, was Harry Kleyston, die zich

toen in Zuid-Afrika bevond, onder een valschen naam in onderhandeling

getreden met een der grootste inrichtingen van Argentinië, een

inrichting, die handel dreef in blanke slavinnen.

In overleg met den chef der firma was hij naar Europa gereisd om te

trachten, zooveel mogelijk „zaken te doen” in de verschillende

Europeesche landen.

Frankrijk, Spanje, Italië en Oostenrijk had hij reeds bezocht en in elk

dier landen ettelijke goede zaakjes gedaan; nergens echter vertoefde

hij langer dan hoog noodig was, steeds weer verder trekkende, zooveel

mogelijk slachtoffers makende en zich telkens vertoonende onder een

anderen naam.

In Weenen had bij zich aangesloten bij een anderen vertegenwoordiger

van zijn firma en te zamen waren de beide kerels naar Nederland

gereisd, hopende, ook hier hun slag te kunnen slaan.

Eenige maanden hadden zij in Amsterdam vertoefd, maar het geluk had hun

niet gediend in de Amstelstad.

Toen vernamen zij van de op handen zijnde lustrumfeesten in Groningen

en onmiddellijk waren zij besloten, zich daarheen te begeven, want

daar, te midden van feestgewoel en menschenvolte zou het hun misschien

gelukken, hun menschonteerend bedrijf uit te oefenen.

Harry Kleyston hield nog steeds het portret in de hand en liet het

volle licht van de gaslamp erop schijnen.

Het mooie meisjesgezichtje, waaruit een paar groote onschuldige oogen

hem aankeken, scheen geen enkele betere gedachte in hem op te wekken.

Met een wreede uitdrukking op het gelaat stond bij op, naderde zijn

kameraad, die met den rug naar hem toegewend, de aangekomen brieven

opende en doorlas, en legde hem de hand op den schouder.

De man aan de schrijftafel keek niet op.

Hij bromde iets onverstaanbaars tusschen de tanden en ging door met

lezen.

Hij was een man in de kracht van zijn leven.

Het kortgeknipte haar en de kleine donkerbruine knevel pasten volkomen

bij het vierkante gelaat met de loerende bruine oogjes en den korten,

stompen neus. De dikke lippen volmaakten het ruw-brutale uiterlijk,

terwijl de beenige handen, die aan gespierde polsen zaten, gereed

schenen te zijn om een prooi vast te grijpen.

Zware wenkbrauwen waren boven den neus als ’t ware saamgegroeid—het

lage voorhoofd en de uitstekende jukbeenderen maakten het uiterlijk van

den man nog ongunstiger.

Martin Norwald legde den brief, dien hij juist tot het eind toe had

gelezen, voor zich neer en draaide zich half in zijn stoel om.

„Een geschikt exemplaar, duivelsch knappe meid!” sprak hij, nu

eindelijk zijn vriend aankijkend.

„Dat kan een voordeelig zaakje worden, als het lukt,” antwoordde de

ander, met een harden ruk een stoel naar zich toe trekkend en naast het

schrijfbureau plaats nemend.

„Hoe oud is ze en uit welken stand?”

„Twintig, een brunette, sierlijke gestalte, dochter van een rijken

industrieel.”

„Hm!” bromde Kleyston, „wordt het niet te gevaarlijk?”

„Durf je niet? Lafaard!” klonk het smalend uit den mond van den ander.

„Zijn tot nu toe niet al onze werkjes gelukt?”

„Durven doe ik alles!” riep de Amerikaan uit, maar de zuster van een

rijken student, kerel, het lijkt me een verduiveld, waagstuk vooral in

zoo’n betrekkelijk kleine stad......

„Volstrekt geen waagstuk! Luister—ik zal je alles vertellen, wat ik heb

uitgevorscht en welke maatregelen ik reeds heb genomen. Tijdens jouw

uitstapje naar Berlijn, waar je dat laatste zaakje handig hebt

opgeknapt, heb ik hier ook niet stilgezeten.”

„Vertel maar, ik luister!”

De twee schurken staken ieder een verschen sigaar op en toen begon

Norwald zijn verhaal.

„Het toeval was me gunstig. In de groote biljartzaal van „Harmonie”

maakte ik kennis met twee studenten. Ik speelde eenige partijen met hen

en natuurlijk kwam al spoedig, toen wij daarna samen zaten te bitteren,

het gesprek op de lustrumfeesten van de volgende week. Die kwajongens

zijn daar zoo vol van, dat ze aan niets anders denken.

„Ik wist heel handig het gesprek op de jonge meisjes en vrouwen te

brengen, die op het gemaskerde bal zouden verschijnen en liet hen er

zooveel van vertellen als ze maar wilden.”

„En dat was zeker niet weinig?” viel de andere hem in de rede.

„Neen, dat ging als van een leien dakje. Ze konden mij, als

vreemdeling, niet genoeg vertellen van de knappe gezichtjes van hun

zusters en de vriendinnen daarvan.

„Ik trok een ongeloovig gezicht, veronderstelde, dat hun geestdrift en

bewondering wel een beetje overdreven zouden zijn en bereikte mijn

doel, want de jongste van het tweetal, een lange, breedgeschouderde

jonge kerel, die zich aan mij had voorgesteld als de student Peepstra,

haalde uit zijn portefeuille deze drie portretten te voorschijn, mij

vol trots vertellende, dat het zijn zuster en twee van haar vriendinnen

waren.

„Dat zijn de beide vriendinnen,” vervolgde hij, met een handgebaar naar

de als onbelangrijk terzijde gelegde portretten wijzende.

„Dus is dit de zuster van den student?” sprak Kleyston nogmaals, het

portret van het bijzonder mooie meisje opnemende en het met een

kennersblik lang bekijkende.

„Ja, dat is Suze Peepstra, die op den avond van het gemaskerde bal in

onze handen moet vallen.”

„Maar hoe ben je in het bezit gekomen van deze portretten? Die gaf de

student toch niet aan den eersten den besten vreemdeling!”

„Het toeval was mij ook in dezen gunstig. Ik zat juist alleen met

Peepstra aan het tafeltje, de ander was naar aan der aangrenzende zalen

gegaan om een ouden vriend te begroeten, toen een paar heeren

binnenkwamen, die mijn nieuwen kennis schenen te zoeken. Waarschijnlijk

hadden zij weer gewichtige besprekingen te houden over de groote

feesten, want de heeren schijnen voorname rollen te spelen in den

historischen optocht. „Ger!” riepen ze hem al van verre toe, „een

oogenblikje asjeblieft, dringende aangelegenheid! Zullen je echter niet

lang storen!”

„De student verontschuldigde zich en liet mij alleen, in zijn haast en

opgewondenheid de drie portretten vergetende.

„Voordat de beide heeren terugkwamen, had ik die natuurlijk allang

veilig opgeborgen en vijf minuten later heb ik met hem het

Harmoniegebouw verlaten.”

Een ruwe lach klonk door het vertrek.

Toen vervolgde Norwald zijn verhaal, dat door Harry Kleyston vol

aandacht werd aangehoord.

„Ik heb onmiddellijk verdere maatregelen getroffen. Schipper Harmsen is

gewaarschuwd. Hij komt straks hier om onze verdere bevelen in ontvangst

te nemen.”

Met een goedkeurend hoofdknikje legde de Amerikaan zijn sigaar op den

rand van een glazen aschbakje en sprak:

„Dus over vijf dagen! Ja, dan hebben we nog ruim den tijd om Rooden Jim

in Hamburg en moeder Bessie in New-York voor te bereiden.”

Het gesprek werd nog eenige minuten fluisterend voortgezet, toen een

driemaal herhaald bellen weerklonk.

„Daar heb je Harmsen,” sprak Martin Norwald, „regel jij alles maar met

hem. Wees vooral voorzichtig, de kerel is bijna zoo geslepen als

jij-zelf!”

Op dit oogenblik werd er aan de deur van de kamer getikt en op het

„binnen” van Kleyston, die inmiddels weer aan de vierkante tafel had

plaats genomen, werd de deur geopend.

Binnen trad een man van een eigenaardig uiterlijk. Het was een persoon

van misschien veertig jarigen leeftijd, van middelmatige lengte.

Hij had het voorkomen van de meeste Groningsche turfschippers, maar het

vuurroode ringbaardje en het kroeze roode haar, de gluiperige, onrustig

rondloerende oogen, die eenigszins scheef in het gelaat stonden en de

kromme, spitse neus, gaven zulk een demonische uitdrukking aan het

gelaat, dat het onwillekeurig aan dat van een duivel deed denken.

In de groote, wijd uitstaande ooren droeg hij zilveren ringen, ondanks

het zoele zomerweer had hij een wollen bouffante om den hals geknoopt

en een donkerblauwe wollen trui bedekte zijn bovenlijf.

Op zijn linkerhand was in blauwe inkt een anker getatoueerd en door de

aanwezigheid van een tabakspruim achter den linkerwang, was het gezicht

als scheefgetrokken, terwijl een bruinachtig sap de onderlip bedekte.

Hij was in Scheemda geboren.

Met de pet in de handen bleef hij bij de deur staan, een scherpen blik

door het vertrek werpend.

„Kom nader, vriend,” sprak Kleyston, „je bent schipper Harmsen,

nietwaar?”

„Joawel, meneer,” klonk het in Groningsch dialect uit den mond van den

schipper, „dat bin ik zulf.”

„Die heer daar,” Kleyston wees naar Norwald, die weer ijverig bezig

was, de aangekomen brieven te openen en in te zien, „heeft reeds kennis

met je gemaakt. Maar ga even zitten,” vervolgde hij, den schipper een

stoel tegenover hem aanwijzende.

Hij vestigde een doordringenden blik op het gelaat van den man met het

roode haar en sprak toen verder:

„Kun je aanstaanden Zaterdag, in den loop van den avond, met je schip

van hier vertrekken naar Delfzijl?”

„Mit mien törfschip, meneer?”

„Ja, met je turfschip en dat moet volgeladen zijn met turf!”

„Joa, dat ken wel, maar wat mot ik mit mien schip in Delfziel? Ik voar

op Hoogeveen, da’s een andere kante uut!” antwoordde de man, zijn sluwe

oogjes onafgewend gericht houdende op het gelaat van den heer aan de

andere zijde van de tafel.

„Luister eens, vriend,” sprak Kleyston nu en hij boog zich eenigszins

voorover, „er is een flinke som geld voor jou te verdienen, maar wij

moeten op je kunnen rekenen. Antwoord mij dus kort en bondig: ben je

bereid om Zaterdagavond of -nacht met je turfschuit de stad te verlaten

en ons beiden als passagiers mee te nemen? Je moet ons, zonder dat

iemand vermoedt, dat wij aan boord zijn, naar Delfzijl brengen, waar

wij je schip weer zullen verlaten. Je kunt dan weer gaan, waarheen je

wilt en, zooals ik je reeds zeide, dat reisje zal je geen windeieren

leggen.”

„Mot er gain andere bagoazie of passagiers mit als de baide heeren?”

informeerde Harmsen voorzichtig.

Norwald, die achter den rug van den schipper zat, wendde snel het hoofd

om en wisselde een blik van verstandhouding met zijn kameraad.

Deze had dien blik dadelijk begrepen en hij antwoordde:

„Ja, waarschijnlijk zal een zuster van mij, die zwaar ziek is geweest,

met ons meereizen. Doch dat is bijzaak. Vertel ons, wat je voorwaarden

zijn en waar je schip ligt.”

„’t Schip ligt nou buuten ’t klaine Poortje, moar ik kan, as de heeren

d’r veur willen betoalen, natuurlijk wel argens anders goan liggen.

Bieveurbeeld in ’t Eemskanoal, dat is veur de heeren en de zaike juffer

ook makkelijker te bereiken!”

Weer trof een loerende blik de grijze oogen van Kleyston, die echter,

zonder zijn blik neer te slaan, vervolgde:

„En je condities?”

„Dreihonderd gulden veur de overtocht en de helfte veuroet betoald!

Mochten d’r onoangenoamheden van komen—want je ken nooit waiten, is ’t

niet woar meneer?—den stoa ik overal buten, ik wait nargens van, want

ik leuf nooit dat ’t een fien zoakje is.”

Kleyston stond op.

Even trommelde hij met de vingers van zijn rechterhand op de tafel,

toen sprak hij:

„Driehonderd gulden, dat is te veel, vriend, je kunt honderd gulden

vooruit krijgen. Bij aankomst in Delfzijl, of liever als wij je schip

verlaten—en dat is in de haven van Delfzijl, kun je nog eens honderd

gulden krijgen. Geen cent meer! Ben je daarmee tevreden?”

„Tweihonderd gulden, dat is zunig betoald. Moar ik zei ’t moar annemen,

want ’t binnen slechte tieden tegenzwoordig. Om hou loat willen de

heeren vertrekken?”

„Dat kunnen wij je nog niet met zekerheid zeggen. Zorg in elk geval,

dat je tegen acht uur Zaterdagavond kant en klaar bent en dat er

niemand aan boord is dan jij. Later in den avond, misschien wordt het

zelfs héél laat, komen wij dan met mijn zuster aan boord.”

„Begrepen, meneer!” klonk het van de bruine lippen van den schipper.

„Dus ik ontvang nou honderd gulden?”

„Ja, maar je spreekt met niemand hierover, nietwaar?”

„Dat sprekt vanzulf, meneer.”

Kleyston haalde een bankbiljet van honderd gulden uit zijn portefeuille

te voorschijn en overhandigde dit den schipper, nadat hij dezen een

kwitantie had laten teekenen.

Met glinsterende oogen nam Harmsen het waardevolle stukje papier uit de

hand van den Amerikaan. Toen nam hij uit een der zakken van zijn

pilowbroek een platte, koperen tabaksdoos en borg het geld daarin weg.

Nadat hij de doos zorgvuldig weer gesloten had, begroef hij haar in een

van zijn diepe broekzakken, stopte er zijn grooten rood en witten

zakdoek bovenop, en sprak:

„De heeren zellen tevreden over mie wezen.”

„Een van ons komt nog wel bij je om een paar kleinigheden te

bespreken,” sprak Kleyston.

„Bestig meneer. Dan ken meneer metain zain, woar ik met de schuut bin

goan liggen. Dat is makkelijker veur de heeren.”

Toen zette de schipper zijn glimmende zwarte pet op het kroeze, roode

haar en verliet het vertrek.

ZESDE HOOFDSTUK.

DE LUSTRUMFEESTEN.

Eindelijk dan was de feestweek aangebroken; de week, waarnaar de

gansche Provincie al maanden en maanden reikhalzend had uitgezien.

Met boerenhuifkarren en op sjeezen, in sport- en dogcarretjes, per

stoomtram en per paardentram, met de trekschuit en den trein, per

stoomboot, fiets en automobiel waren ze gekomen, de bewoners van de

Ommelanden, uit Drente en Friesland.

Want als Groningen feest viert—als de studenten uit Gruno’s veste een

groote gebeurtenis gaan herdenken, dan weet men wel, dat een bezoek aan

„de stad” der moeite waard is.

De hotels, de logementen, kroegen en pensions waren niet toereikend om

de gasten te herbergen.

Zoodat velen, die zich niet weken van te voren tegen grof geld, hadden

voorzien van logies, genoodzaakt waren, elken avond naar de plaats

hunner inwoning terug te keeren, als ze al niet den ganschen nacht

bleven doorjoelen en pretmaken. Want van zulk slag werd een groot

aantal aangetroffen onder de boerenjongens en -meiden.

Het Groningsche volk is een stevig ras en aan zoo’n paar uurtjes slaap

zouden ze zich niet laten kennen—waarempel niet!

Geen student, die op kamers woonde, of hij had minstens vijf

logeergasten te herbergen.

Veldbedden werden opgeslagen op zolders en in de gangen der huizen—tot

zelfs op de veranda’s toe, waar de kans niet was buitengesloten, dat

een verdwaalde vleermuis de zoete droomen van een Minerva-zoon zou

komen storen.

Door de straten der stad bewoog zich reeds vroeg in den morgen een

dichte, bonte menigte en vroolijk speelden de warme zonnestralen op de

lichte japonnetjes der dames.

Datzelfde Juni-zonnetje verhoogde de warme tinten der versierde gevels

en balkons en blikkerde op het schelle wit der vlaggen, die in lange

banen neerhingen uit bijna alle huizen.

De grootste drukte heerschte op de Vischmarkt, vóór de Korenbeurs.

Want vandaag, de eerste dag der feesten, zou de historische optocht

worden gehouden; de opstelling geschiedde in de Beurs en verder op het

plein voor de kerk, die grenst aan de Korenbeurs.

Korven vol bloemen werden aangedragen en met vaardige hand aangebracht

tusschen bloemslingers en andere versiering. Spanjolen, Geuzen, schout

en schepenen, Rembrandtieke verschijningen, Vlaamsche edelvrouwen en

zedige boerinnetjes liepen dooreen om nog te zorgen voor een laatste

toiletbenoodigdheid.

Om tien uur zou de opstelling beginnen; om twaalf uur zou de stoet

vertrekken.

In een vergulde statiekaros kwam een wonderschoone landsvrouwe

aanrijden.

De karos hield stil voor de hooge stoep der Korenbeurs.

Een edelman van prinselijken bloede, prins Maurits, trad de stoep af en

opende het portier der statiekoets.

De edelvrouw lachte en stak den ridder haar klein geganteerd handje

toe.

„Dag Gerard! Ben je al klaar?”

„Maar Suze—wat een vraag! Ik was hier om vijf uur!”

„De eerste dus?”

„O, neen! De eerste làng niet. Willem de Zwijger was nòg vlugger!”

„Och, natuurlijk! Van Lissen van Duinen is altijd de eerste. Dà’s nog

eens een vluggerd, Ger!”

Suze Peepstra, de oudste en tevens de lievelingszuster van „lange Ger”

zag er bekoorlijk uit.

Zij was een lang, slank meisje van even twintig jaren.

Haar statiekleed van het zwaarste goudbrokaat en glanzend bruin fluweel

vervaardigd, was nog afkomstig uit de zestiende eeuw.

Suze Peepstra had enkele weken geleden kennis gemaakt met de beide

nieuwe vrienden van „lange Ger.”

Sindsdien had ze, met een paar vriendinnen, al menig roei- en

fietstochtje gemaakt in gezelschap van haar broer, een paar Groningsche

studenten en de beide adellijke heeren, die zoo’n opgang maakten in

Groningen.

„Stel je voor,” bespraken de jonge dames, „nu heeft Van Lissen een auto

laten komen, een pracht-auto gewoonweg. Blauw gelakt!”

„En van binnen heelemaal gecapitonneerd!”

„Een wapen is erop geschilderd!”

„Natuurlijk! Hij is toch een lord!”

„Ben je al meegeweest, Suus, in de auto!”

„Ja, zalig, zeg. We hebben gisteren een tocht naar Zuidlaren gemaakt en

zijn over Paterswolde terug getuft!”

„Heeft de lord een chauffeur?”

„Welneen—hij stuurt zelf!”

„Gunst, wat knap!”

„Knap,” zei Suus, „alles wat Van Lissen doet, is knap?”

„Hoor Suus eens!”

„Suus is verliefd!”

„Verliefd op den knappen lord!”

Suze bloosde en lachte, maar ze ontkende niet!

Willem de Zwijger trad op de schoone landsvrouwe toe.

„Heeft juffrouw Suze wel gerust?”

„O, ja, graaf! En u waart hier al weer zoo vroeg?”

„Zóó vroeg! Ik was hier om vier uur vanmorgen!”

„Lieve hemel!”

„Vindt u dat zóó vroeg? Hebt u dan in den zomer nooit de zon zien

opgaan? Zoo over de bergen—of uit zee?”—

„Ja—eens! Op den Rigi! En u?”

„Ik? In Nice en op Shetlandsche eilanden—en aan Kaap de Goede Hoop en

in Astrakan en ja, waar niet al!”

„Hebt u zóóveel gereisd?”

„Nog veel meer! Maar ’t is nu niet de tijd, juffrouw Suze, om daar over

te praten. Later vertel ik u eens een heeleboel van mijn zwerven over

de aarde!

„Mag ik u nu vast naar binnen geleiden en u een verfrisschenden drank

aanbieden?”

„Kerel”, viel nu „lange Ger” in, „ik vind het toch zoo verdraaid

gezellig van je, dat je je hebt laten overhalen om mee te doen aan den

optocht. En je zult furore maken, Van Lissen, je zult bepaald de

aandacht trekken tusschen ons, boerenkinkels! ’t Is voor den eersten

keer, dat we hier ook anderen dan studenten en reunisten laten meedoen

aan den optocht. In dat opzicht heb je dus alweer geboft!”

Er moest nog heel wat worden afgewerkt, vóórdat de optocht gereed was,

maar dank zij het flinke optreden van Peepstra en zijn helpers vlotte

alles uitnemend en om twaalf uur vertrok de stoet van de Korenbeurs om

allereerst over de Vischmarkt en Groote Markt door de oude

Ebbingestraat en vandaar langs de Singels te trekken.

Het was een fraaie stoet.

Aller oogen werden geboeid door de mooie kleurschakeering, door de

schoone groepeering der wagens en door de bekoorlijke gezichtjes der

jonge vrouwen, die haar medewerking verleenden.

De slanke, elegante figuur van den persoon, die Willem de Zwijger

voorstelde, trok de aandacht der Groningers in sterke mate.

Wie was hij?

Men kende dezen jonge prins niet als een figuur uit de Groningsche

studentenwereld.

Men herinnerde zich niet, hem bij vroegere studentenfeesten te hebben

gezien.

En de enkelen, die in het fijne aristocratische gelaat boven de breede

plooikraag de trekken herkenden van graaf Van Lissen van Duinen maakten

vergelijkingen tusschen hem en de studenten uit de hoofdstad.

Lord Lister No. 0114: Raffles in Groningen · 第 2 / 4 段