het volvoeren van de ellendige misdaad had meegeholpen; die de
strengste geheimhouding had moeten beloven over alles, wat hij had
gezien, daar een der heeren hem had verteld, dat het jonge meisje uit
het ouderlijke huis was gevlucht en daar heen nu zoo spoedig, mogelijk
weer moest worden teruggebracht—de man op den bok dan had, toen hij
zich weer stadwaarts spoedde, een rijtuig ontmoet, toen hij nog niet
ver verwijderd was van de plaats, waar, in het Eemskanaal, het scheepje
van schipper Harmsen lag gemeerd.
Hij had er geen acht op geslagen.
Hij zag niet, dat een paar spiedende oogen vanuit het geopende
portierraampje door de duisternis boorden.
En evenmin lette hij erop, dat de koetsier van dat andere rijtuig zijn
vurig paardje tot spoed aanzette.
Het coupétje joeg voort langs het kanaal en het hiel stil in het
oogenblik, toen schipper Harmsen de loopplank inhaalde, om daarna met
den vaarboom den tjalk van den wal te zullen stooten en op te varen
naar het noordwesten.
Maar nog voordat Harmen de breede plank had opgetild, werd het portier
van het rijtuig geopend, een slanke gedaante vloog eruit, rende de
loopplank over en stond voor het gelaat van drie onthutste mannen,
voordat deze eigenlijk wisten, wat geschiedde.
„Halt,” riep de nieuw aangekomene, „halt, wat gebeurt hier aan boord?”
De schipper keek den ander met een brutalen grijnslach aan, terwijl
Kleyston en Norwald zich aan de zijde van hun handlanger schaarden.
„Ik vraag, wat hier gebeurt,” herhaalde de vreemdeling.
„Hier gebeurt niks,” zei Harmsen, „wat heb je hier aan boord te doun!
Ik verzuik joe om joen biezen te pakken of anders!”
Harmsen wendde zich om en raapte iets van het dek op, dat hij hoog
boven zijn hoofd zwaaide.
Het was de scheepszwabber.
De lange vreemdeling greep met zijn rechterhand den opgeheven arm van
den schipper, trok dien omlaag, greep met de linker de scheepsschrobber
en slingerde het voorwerp twintig meter ver, zoodat een luide plons
weerklonk, toen het neersmakte in het Eemskanaal.
„Handen omhoog,” riep de man met den hoogen cylinder uit, „handen
omhoog, jullie alle drie, of ik schiet!”
Bliksemsnel had hij uit een zijner jaszakken een browning te voorschijn
gehaald en hij duwde het wapen onder den neus van den schipper en
daarna onder de oogen van de beide andere schurken.
Geen van drieën verroerde een vin.
Noch Kleyston, noch Norwald waren op zooiets voorbereid geweest en ze
hadden er dan ook geen oogenblik aan gedacht zich te wapenen bij deze
expeditie.
„Wijst me nu terstond, waar ge het jonge meisje in het kostuum van
Margaretha hebt verborgen. Wijst het me oogenblikkelijk, voordat het te
laat is en voordat ik alarm sla!”
De schipper antwoordde niet.
Ook Norwald sprak geen woord.
Maar Kleyston, die begreep, dat hij hier met een handig tegenstander te
doen had, een tegenstander, die hem in dit oogenblik de baas
was—Kleyston sprak:
„We zullen u met genoegen het meisje wijzen, dat wij medenamen om haar
aan haar ouders terug te brengen.
„Zij ontvluchtte het ouderlijk huis en ons, als particuliere
detectives, werd opgedragen, het zaakje weer in het reine te brengen.”
„Zóó” sprak de ander, doende, alsof hij dit sprookje geloofde, „is dat
de zaak.
„Enfin, ge zult mij hier moeten laten, totdat mijn rijtuig terug is
gekomen. Ik zond den koetsier even naar de stad. Wijs mij nu de
ontvoerde jongedame.”
Een oogenblik later zag lord Edward Lister, want hij was het, die Suze
Peepstra’s beulen was gevolgd, op een hoop wollen dekens het bleeke
gelaat van het jonge meisje.
„Gaat alle drie naar het achterdek,” beval hij de mannen, „ik vertrouw
jullie niet in mijn nabijheid.”
Zij gehoorzaamden.
Toen boog Raffles zich voorover, luisterde naar Suze’s ademhaling en
was al gauw tot de conclusie gekomen, dat zij door chloroform bedwelmd
was, maar dat binnen korten tijd het bedwelmingsmiddel moest hebben
uitgewerkt.
Terzelfdertijd naderde in snellen draf een rijtuig van de stad, gevolgd
door een tweede.
Enkele oogenblikken later stapten uit dat tweede rijtuig een drietal
heeren, die de loopplank overgingen en zich aan dek van de turfschuit
begaven.
Raffles trad op hen toe.
„Heb ik ’t genoegen den hoofdcommissaris van politie te spreken?”
„Die ben ik,” antwoordde een heer met een bruinen baard, „ik ontving uw
telefonische boodschap en haastte mij naar hier met twee van mijn
kranigste rechercheurs!”
„Mijn naam is Van Lissen Van Duinen,” stelde Raffles zich voor, „ik
geloof, dat ik u een goede vangst bezorg. De heeren,” hij wees naar de
schurken, „hebben juffrouw Suze Peepstra van het gemaskerd bal in de
Harmonie ontvoerd om haar, met medewerking van dezen schipper over te
brengen naar de een of andere havenplaats—ik vermoed naar Delfzijl.
„Mijnheer de Hoofdcommissaris, ik hoop, dat ge hier de hand hebt gelegd
op een paar doortrapte handelaars in blanke slavinnen.”
De Hoofdcommissaris had Raffles aangehoord en terstond ook zijn eigen
gevolgtrekkingen gemaakt.
En zoo gebeurde het, dat, nadat Suze Peepstra in het eerste rijtuig was
gedragen en neergelegd, een oogenblik later drie politiemannen en drie
geboeide schurken stadwaarts reden.
De „firma” Kleyston en Norwald had ditmaal volkomen échec geleden.
Langzaam, bijna stapvoets reed het rijtuig, waarin lord Edward Lister
en Suze Peepstra zich bevonden, terug langs den waterkant.
Men had nog geen vijf minuten gereden, toen het jonge meisje de oogen
opsloeg en verward om zich heen keek.
„Waar ben ik?” fluisterde zij angstig.
„In goed gezelschap juffrouw Suze,” antwoordde de lord.
Uit zijn zak haalde bij een electrische zaklantaarn te voorschijn,
waarmede hij zijn eigen gelaatstrekken verlichtte.
„Graaf van Lissen,” fluisterde Suze, „hoe kwam ik hier—wat is er met
mij gebeurd? Ik herinner mij nu den tuin van de Harmonie—den bruine
domino—plotseling—een wee-zoete lucht—daarna niets meer!”
Toen vertelde lord Lister het meisje, wat er was gebeurd en hoe hij het
rijtuig der misdadige mannen was gevolgd.
„Ge behoeft u thans niet meer zenuwachtig of ongerust te maken,”
besloot hij, „u is geen leed geschied.
„Ik zal u thans naar uwe ouderlijke woning brengen. Rust zal u goed
doen.”
„Maar mijn broer, mijn arme broer. Gerard zal in de grootste onrust
verkeeren. En, graaf, hoe moet ik u danken voor uw heldendaad!”
„Ik wensen geen dank,” sprak Raffles, „geloof mij, juffrouw Suze, het
ging alles van een leien dakje. Ik heb wel voor heeter vuren gestaan.
„En wat uw broer betreft—dien zal ik zoo spoedig mogelijk gaan
geruststellen.”
TIENDE HOOFDSTUK.
DE ONTSTELTENIS IN DE HARMONIE.
Het liep reeds naar middernacht en nog steeds was het, alsof de dansers
geen vermoeienis kenden.
Om twaalf uur zouden alle gecostumeerden voor de jury défileeren, de
groepen moesten zich daartoe weer tot een geheel samenstellen, dan zou
de jury haar oordeel uitspreken en de prijzen vaststellen en daarna
zouden allen zich démasqueeren om het souper te gaan gebruiken.
Toen het critieke oogenblik was aangebroken, klonk door de ruime zaal
een luid trompetgeschal, het teeken, dat men zich in een lange rij
moest opstellen.
De Zigeunerbende vormde reeds weer een schilderachtig geheel, Pierrot
en Pierrette liepen arm in arm te keuvelen, een plaatsje zoekend in de
lange, bonte rij, een zestal van de meest bekende Europeesche vorsten
stelde zich achter hen op, terwijl het Tyrolerpaartje nog geheel
vervuld scheen te zijn van het genot van den dans.
Tenminste, het boerinnetje met haar zwartfluweelen keursje, rood rokje
en vilten Tyrolerhoedje, kon nog bijna niet stilstaan.
Met haastige bewegingen liep de rijzige gestalte van Faust tusschen de
menigte door.
Zijn heldere blauwe oogen keken zoekend om zich heen, doch schenen niet
te vinden.
„Is Gretchen niet op haar tijd?” riep Martha hem toe. Zij had haar arm
weer door dien van den langen, mageren Mefisto gestoken en hield dezen
met een vroolijk lachje haar reusachtigen zonnebloem onder den neus.
„Ik ga even in den tuin kijken!” antwoordde Faust en reeds verdween hij
door een der glazen deuren.
Eenige oogenblikken later kwam hij echter alleen terug.
De Romeinsche krijger, die den eersten dans met het blonde Gretchen had
gedaan, naderde hem.
„Is Suze er niet bij?” vroeg hij op fluisterenden toon, en toen Gerrit
Peepstra, de kranige Faust, hem antwoordde:
„Kerel, ik begrijp er niets van, ik kan haar nergens vinden, ik zoek
haar al meer dan een kwartier!” kwam een bezorgde trek op het gelaat
van den Romein.
Het was Charly Brand, die zich in het gewaad van een krijgsman had
gestoken en wiens hart onstuimig klopte voor de bekoorlijke blonde
zuster van den student.
Hij was dien avond te zamen met Faust en Margaretha, Mefisto en Martha
naar het gemaskerde bal gegaan, zonder zijn vriend lord Lister.
De Groote Onbekende had geheimzinnig geglimlacht, toen Charly hem had
gevraagd, in welk costuum hij dacht te verschijnen.
„Daarover kan ik me niet uitlaten, mijn jongen,” had de Groote
Onbekende geantwoord, „misschien kom ik in ’t geheel niet.”
In den loop van den avond had Charly in den rijzigen zwarten domino
zijn vriend en meester herkend, maar toen deze, die het costuum van
Charly kende, geen enkele beweging maakte om hem te naderen of toe te
spreken, had de jonge secretaris begrepen, dat lord Lister alleen
wenschte te blijven... ... ... ... ... ...
Faust had zich weer van den Romeinschen krijger verwijderd en nadat hij
nogmaals een toekenden blik langs de lange rij der gecostumeerden had
laten gaan, verliet hij weer de zaal, doch nu niet naar de tuinzijde.
Hij doorliep de aangrenzende vertrekken, informeerde bij de
garderobevrouwen, vroeg de kellners, doch niemand kon hem iets
meedeelen omtrent de dame met de lange blonde vlechten in de
lichtblauwe japon met langen sleep.
Hij kwam de zaal weer binnen met bleek gelaat en begaf zich nu
regelrecht naar de jury.
„Heeren,” sprak hij tot hen, „ik verzoek u nog een oogenblik te willen
wachten met het défilé.
„Ik zoek reeds geruimen tijd tevergeefs naar Margaretha en, daar zij
mijn zuster is, begin ik mij ernstig ongerust te maken.”
Verbaasde blikken werden gericht op den jongen man, wiens mondhoeken
zenuwachtig trilden.
De krijgshaftige Romein was weer naderbij gekomen en toen hij hoorde,
wat Peepstra tot de juryleden zeide, keerde hij zich om en keek met
scherpen blik langs de lange bonte rij der bal gasten.
Wat was dat? Ook de zwarte domino, dien hij als zijn vriend, den
Grooten Onbekende, had herkend, was niet meer onder de aanwezigen, en
zonder dat hij er zichzelf rekenschap van kon geven, verminderde zijn
gevoel van ongerustheid.
Wat zou er zijn gebeurd?
Waar was lord Lister gebleven?
Of zou hij zich dan toch vergist hebben dien avond, toen hij zoo zeker
meende, onder het zwarte masker de intelligente oogen en den
vastberaden mond van zijn vriend te herkennen?
Een angstig gefluister liep nu door de lange rijen der gasten en van
mond tot mond ging de mededeeling, dat Margaretha plotseling verdwenen
was.
„Wie is zij?”
„Kent u haar?”
„Men zegt, dat het de beeldschoone zuster van den student Peepstra is!”
„Een dochter van den schatrijken industrieel?”
„Ja, Suze Peepstra.”
Daar kwam uit een groepje van drie Zeeuwsche boerinnetjes een van het
drietal naar voren.
Het jonge meisje liep haastig naar Faust, die nog steeds rusteloos heen
en weer liep, toe en sprak tot hem:
„Ik zag zooeven, dat er een dame bewusteloos werd weggedragen. Kan dat
uw zuster misschien zijn geweest?”
„Hoe zag die dame er uit? Zag u haar van dichtbij? Wanneer was het?”
Gejaagd kwamen deze vragen van de lippen van „lange Ger”, wien de
emotie te machtig was geworden en die het roodsatijnen masker had
afgenomen.
Met zijn zakdoek veegde hij zich het klamme voorhoofd af en vol
spanning keken zijn trouwhartige blauwe oogen de spreekster aan.
„Ik denk, ongeveer een uur geleden: een heer in avondcostuum en zonder
masker droeg de bewustelooze dame weg.”
„Was zij gekleed als Margaretha?”
„Dat weet ik niet. Zij was geheel gehuld in een donkerbruinen domino,
haar hoofd was verborgen in een witten avonddoek.”
„Kon u niets van haar gelaat zien? Zag u het goudblonde haar dan niet?”
„Neen, ik heb verder niets kunnen onderscheiden. Het geval leek ook
niet belangrijk, want de heer vertelde, dat zijn vrouw plotseling een
flauwte had gekregen en dat hij nu met haar naar huis terug ging.”
„Neen, dan was het mijn zuster niet. Suze is niet getrouwd,” antwoordde
Gerrit Peepstra.
De feeststemming was nu geheel verdwenen.
De meesten der gasten dachten niet meer aan een défileeren om in
aanmerking te komen voor een prijs.
Angstige ontsteltenis had zich van velen der aanwezigen meester
gemaakt.
Verschillende groepjes hadden zich gevormd; velen drongen om Peepstra
heen en ook Charly had zich bij hen gevoegd.
Allerlei veronderstellingen werden gemaakt.
Per telefoon was reeds geïnformeerd naar het woonhuis van den student,
waar men, om geen noodelooze ongerustheid te wekken, de dienstboden had
ondervraagd, maar het antwoord, dat juffrouw Suze nog niet thuis was,
vermeerderde nog de angst en ontsteltenis in de balzaal... ... ... ...
... ... ... ... ... ....
Daar verscheen plotseling aan den ingang der groote zaal een heer,
gekleed in donkere demi, den cylinder in de rechterhand.
Zijn gelaat was bleek en zijn oogen zochten in de opeengedrongen,
bontgekleurde schare de figuur van Faust.
Toen hij dezen ontdekte te midden van de druk fluisterende en
gesticuleerde menigte, trad hij haastig naar voren.
„Peepstra! Je zuster is thuis. Er is geen reden om je ongerust te
maken!”
Kreten van verrassing en menige zucht van verlichting werden gehoord.
Lange Ger haastte zich weg uit de hem omringende belangstellenden en
ook de Romeinsche krijger spoedde zich naar den brenger van het goede
nieuws.
Het drietal verwijderde zich uit de danszaal, waar na enkele
oogenblikken de jolige stemming van te voren was teruggekeerd en de
gemaskerden zich weer en file schaarden om voor de juryleden te
défileeren.
ELFDE HOOFDSTUK.
DE WEDDENSCHAP GEWONNEN.
Het was in den avond van 30 Juni.
Voor de geopende ramen van de studentensociëteit zat een aantal
jongelui in druk gesprek bijeen.
Ditmaal was de magere roodharige Smitten het middelpunt van het
gesprek.
Op een luidruchtigen toon en hevig gesticuleerend, zat hij te betoogen
en menig glas koppigen Bourgogne had hij geleegd.
„Kerel,” zei Jansman, „ik geloof nu toch, dat je gelijk begint te
krijgen.”
„Een reuzenboffie, Smitten!” lachte Emmius, „en dat net na de feesten,
nu je zoo’n hoop duiten hebt stukgeslagen. Ik wou, dat ik in jouw
schoenen stond!”
„Jullie bent kerels van niks!” snoefde Smitten.
„Wie was de eenige, die de weddenschap aandurfde met graaf Van Lissen?
Toen ik hem vanmorgen sprak en hem aanmaande om vanavond, als hij hier
komt, zijn beurs te spekken, keek hij heel zuinig en een zuurzoet
lachje vertelde mij, dat hij al zeker was van zijn verlies.”
„Een zuurzoet lachje?” herhaalde Peepstra, „dat is niets voor graaf Van
Lissen. Dien man hebben we van zoo’n heldhaftigen kant leeren kennen,
dat ik hem niet aanzie te kniesooren voor een paar duizend gulden.”
„Ja, dat was een kranig stukje,” beweerde Emmius, „die redding van je
zuster!”
„Hij heeft onze politie een prachtige vangst bezorgd en tegelijkertijd
een lesje in het opsporen gegeven.”
„En van eenigen dank wil hij niet hooren,” vertelde Peepstra.
„Die schipper Harmsen,” zei Jansman, „zal voor heel wat jaren de kast
indraaien.
„Het is nu gebleken, dat hij een oude bekende van de politie was. Hij
heeft zich jaren geleden al schuldig gemaakt aan koppelarij.”
„Wat denk je met de twaalf duizend pop te doen, Smitten?”
„Ik denk, een reis naar Tunis en Algiers te gaan maken. Dat is allang
mijn ideaal, maar de pipa weigerde de dubbeltjes.”
„Je kost hem toch al genoeg!”
„Kan wel,” zei Smitten op onverschilligen toon. „’t Zal mijn ouwen heer
niets hinderen als hij per jaar vijf mille voor me uitgeeft.”
De kleine, roodharige haalde z’n horloge te voorschijn.
„Elf uur,” zei hij, „nog zestig minuten en de twaalf duizend gulden
zijn mijn!”
„Als het jou maar niet gaat als de clubleden, die indertijd de
weddenschap aangingen met wijlen Phileas Phogg. Ook zij meenden, dat
het geld reeds hun was, maar jawel, in het laatste oogenblik kwam de
ontgoocheling”, zei Jansman.
„Die vergelijking van jou gaat mank,” grinnikte Smitten. „Raffles zou
al een heel sterk stukje moeten uithalen als hij in dit ééne uur nog
even in onze stad kwam werken!”
Nauwelijks had de kleine Smitten deze woorden uitgesproken of een
kruier trad het sociëteitslokaal binnen.
„Meneer Smitten!” zei de man.
„Present!” piepte de roodharige.
„Een brief voor u, meneer!”
En de man overhandigde den kleinen Smitten een groote vierkante, witte,
stevig verzegelde enveloppe.
„Van wien?” informeerde de kleine student.
„Weet ik niet, meneer. Goeien avond, heeren!”
De man verdween.
„Dat ziet er interessant uit,” zei Emmius. „Maak open, Smitten!”
Smitten keek eerst nog eens langdurig naar de flinke mannenhand,
waarmee het adres was geschreven.
Toen eindelijk verbrak hij de zegels, die het dooreengeslingerde
monogram E. L. vertoonden.
„E. L.?” fluisterde Smitten.
„Ik heb het gevonden, jongens, het is het geld van de weddenschap. Net
zooals ik dacht.
„Kijkt maar naar het cachet: E. L.—Eduard van Lissen! Daar zal je dus
de twaalf duizend pop hebben!”
Uit de groote enveloppe kwam een brief te voorschijn.
„Voorlezen!” commandeerde Peepstra.
„Doe jij ’t maar,” zei Smitten, die „Lange Ger” graag in alles de
leiding gaf.
„Met plezier, kerel! Geef maar op!”
En met luide stem las Gerard Peepstra het volgende voor aan de
verbaasde, ontstelde, maar tevens ook ten zeerste verraste Groningsche
studenten:
Groningen, 30 Juni 19...
tien uur ’s avonds.
Groote Spilsluizen.
Aan Herman Smitten,
De weddenschap luidde:
„John C. Raffles, de Groote Onbekende, moet binnen den tijd van zes
weken een bezoek van minstens een week aan de stad Groningen
brengen.
John C. Raffles, de Groote Onbekende, moet op „de Kroeg” worden
geïntroduceerd, met de clubleden kennis maken en als bewijs van
zijn aanwezigheid in de stad het een of ander sterke stukje
uithalen op politioneel gebied.
Onder welken naam lord Lister hier zal worden geïntroduceerd en
welk waagstuk hij zal bedrijven, kan nog niet worden meegedeeld.
Ge zult dat echter vernemen, als daartoe de tijd gekomen is.
Is de maand Juli aangebroken (dus op den 1en van die maand) en
Raffles heeft in Groningen geen sporen van zijn arbeid
achtergelaten, dan is de weddenschap door mij verloren.
Inderdaad heeft Raffles een bezoek van zeven weken aan Groningen
gebracht.
Hij is geïntroduceerd op „de Kroeg”, hij heeft met u allen kennis
gemaakt.
Het waagstuk, door Raffles in Groningen uitgehaald, was het
bevrijden van mejuffrouw Suze Peepstra uit de handen van een paar
gevaarlijke en bekende slavenhandelaren.
De weddenschap werd door mij dus gewonnen.
Uw twaalf duizend gulden aanvaard ik echter niet.
De helft daarvan moet gij storten in de kas van het
Doofstommeninstituut.
De kroegleden mogen beslissen, wat met het overige geld zal
geschieden.
Ik groet u allen zeer.
Met mijn secretaris heb ik, als gij dezen ontvangt, de stad uwer
inwoning reeds lang verlaten.
Ik neem de aangenaamste herinneringen mede aan mijn verblijf in
Groningen.
Een extra groet voor „lange Ger.”
Lord Edward Lister, alias John C. Raffles,
de Groote Onbekende, alias graaf
Van Lissen van Duinen.”
„Heilige Minerva!” kreet de kleine Smitten met doodsbleek gelaat,
terwijl groote zweetdroppels op zijn voorhoofd parelden.
„Ik dacht het wel,” zei Emmius.
„Wat dacht jij, snoever?” schreeuwde Jansman.
„Ik dacht wel, dat Smitten te vroeg had gejuicht,” vulde Emmius aan.
Peepstra was een oogenblik stil.
„In ieder geval,” zei hij, „merkte je toch, dat een bijzonder persoon
hier heeft vertoefd. Het spijt me, dat hij er vandoor is.”
„Mij niet!” snauwde Smitten, „zeven weken hebben we met een misdadiger
omgegaan. Mooi gezelschap voor ons!”
„Als je met mij goede vrienden wilt blijven,” dreigde lange Ger, en
zijn gelaat kreeg een sombere uitdrukking, „dan spreek je nooit meer op
dien toon over mijn besten vriend.”
„Laat ons drinken op de gezondheid van den Grooten Onbekende,” stelde
Emmius voor, „en dan beraadslagen, wat Smitten met de andere helft van
zijn verloren kapitaal moet doen.”
Lange Ger was de eerste, die den roemer vulde en die het glas hoog hief
om te klinken op de laatste nobele daad van
John C. Raffles.
AANTEEKENING
[1] Het devies van het Groningsche Studentenkorps luidt: Vindicat atque
polit: Deze wreekt, gene beschaaft. (Het zwaard en de vijl.)