LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 114 RAFFLES IN GRONINGEN
RAFFLES IN GRONINGEN.
EERSTE HOOFDSTUK.
IN DE STUDENTENSOCIËTEIT.
Het zal nu zoo omstreeks tien jaar geleden zijn, dat in het mooie hooge
gebouw van de Groninger Studentensociëteit, door de leden in de
wandeling veelal „de Soos” of „de Kroeg” genoemd, een vroolijk
gezelschap bijeenzat.
Het was een zonnige dag in Mei. De Groote Markt, het ruime plein,
waarop het Stadhuis zoo statig troont met zijn deftigen gevel, baadde
in het warme zonnelicht van een vroegen middag. Troepjes
schoolkinderen, lustig zwaaiend met boekentasch of ransel, trippelden
over het breede trottoir, op weg naar school. Toen de Martinitoren het
tweede uur in den namiddag had verkondigd en het speelwerk zijn liedje
van het volle uur had doen hooren, viel een stille rust op het
Marktplein. Totdat uit de Oude Boteringestraat een drietal heeren
kwamen opwandelen naar de Kroeg. Luid klonken hun jonge, frissche
stemmen in de klare voorjaarslucht en onder luidruchtig lachen
verdwenen ze door de deur der Sociëteit, waar een niet minder
uitgelaten gezelschap hen ontving.
„Stil, jullie allemaal”, commandeerde nu een der drie heeren, die zoo
juist waren aangekomen, „allemaal je mond houen. Ik breng een paar
vrienden mee en als jullie je behoorlijk bedraagt zal ik je
voorstellen!”
De spreker was een zeer lange, breedgeschouderde jongeman van omstreeks
zes-en-twintig jaren. Zijn blauwe oogen keken met guitigen blik naar de
kameraden, waarvan de meesten jonger in jaren waren. Hij zag er
bijzonder intelligent uit. In zijn even gebruind gelaat stond de
krachtige arendsneus fier gebogen boven het zwarte snorretje en toen
hij zijn vrienden al knipoogend toe lachte, liet hij een dubbele rij
sterke, witte tanden zien.
Gerard Peepstra was de oudste zoon van een bekend Groningsch
industrieel en hij was de ziel van de studentensociëteit.
Als er feesten werden georganiseerd of als de een of andere min of meer
onschuldige studentengrap moest worden uitgehaald, dan werd eerst het
oordeel van „lange Ger” gevraagd.
Zooals hij erover dacht, zoo gebeurde het veelal en dan was men steeds
met het resultaat tevreden.
De toespraak van langen Ger werd ditmaal met een luid bravo beantwoord.
Daarna zwegen allen en schaarden zich in breeden kring om Peepstra en
zijn introducés.
Lange Ger wees naar de beide heeren, met wie hij was binnengekomen en
stelde hen voor:
„Graaf Van Lissen van Duinen! Jonkheer Brandenga!”
De voorgestelde heeren bogen en groetten daarna de verschillende
aanwezigen.
Graaf Eduard van Lissen van Duinen was de oudste van het tweetal.
Lang, slank, met groote, levendige bruine oogen in zijn fijn besneden
gelaat, uiterst correct in zijn kleeding, zonder ook maar in ’t minst
verwijfd eruit te zien, groette hij met een lichte neiging van het
hoofd de hem omringende Groningers, die met onwillekeurige bewondering
keken naar de beide elegante verschijningen.
Want ook jonker Willem Brandenga trok de blikken tot zich. Evenals zijn
oudere vriend, droeg hij een lichte overjas van onberispelijken snit.
Hij had een innemend blond gelaat, een blozende kleur en een
jongensachtige uitdrukking in zijn blauwe oogen. Hij was ruim twintig
jaren; zijn vriend was omstreeks dertig jaar oud.
Het tweetal had in Scheveningen kennis gemaakt met den vroolijken
Peepstra, die in de Kurhaus-bar op een middag zooveel goeds van
Groningen had verteld, dat bij Van Lissen het plan was opgekomen om
zich persoonlijk eens van die gezelligheid te gaan overtuigen. Toen was
Brandenga, de vriend en secretaris van den graaf, meegegaan. Dezen
morgen waren ze aangekomen. Op de Groote Spilsluizen, vlak bij de
Boteringebrug en juist tegenover de Ossenmarkt, hadden ze hun intrek
genomen op de eerste étage van een fraai huis, en Peepstra was hen
komen halen om allereerst kennis te gaan maken met wat leuke, geschikte
studenten, joviale kerels, die van een grapje hielden, zooals lange Ger
beweerde, die den kroegleden al heel veel had verteld van zijn
schatrijke, chique vrienden: Van Lissen van Duinen, verzamelaar van
oude wapens en munten, en diens secretaris Brandenga.
De heeren waren aan elkander voorgesteld, en namen nu rondom de kleine
tafeltjes plaats. Heel spoedig al was het ijs gebroken en het duurde
ook niet lang of de beide vreemde heeren waren het middelpunt geworden
van het gesprek.
„Hoe lang denkt u in Gruno’s veste te blijven?” vroeg een kleine
dikkerd.
„Onbepaald,” antwoordde Brandenga. „Al naar ’t ons bevalt.”
„Maar de lustrumfeesten blijft u toch bijwonen?”
„De lustrumfeesten? Wanneer worden die gehouden?”
„Goeie genade, heeft lange Ger u daar dan niets van verteld?”
„Neen!”
„Toch wèl,” viel Van Lissen in, „Peepstra beeft me verteld, dat in de
volgende maand heel Groningen feest viert en met de stad ook de
provincie!”
„Natuurlijk blijven jullie! De historische optocht—het gemaskerd bal—de
versierde gondelvaart—ik laat jullie niet meer los—en de Groningsche
meisjes zijn veel te blij, als we een paar knappe jongens aan ze kunnen
voorstellen. En aan knappe jongens hebben we hier gebrek!”
Van Lissen lachte eens even.
„We zullen zien,” antwoordde hij. „We zullen zien, of Groningen zóó
belangwekkend is, dat het voor mij de moeite loont om er een maand of
langer te blijven.” En toen, met een snellen blik naar zijn secretaris,
die dezen blik opving en begreep:
„Ik maak nooit langen tijd vooruit plannen!”
TWEEDE HOOFDSTUK.
HET AVONTUUR UIT BRANDENGA’S LEVEN.
De studenten, joviale gastheeren als ze plegen te zijn, waren aldra de
beste kameraden met graaf Van Lissen en zijn secretaris en deze beide
heeren, bereisd en belezen als ze waren, hadden binnen korten tijd elk
een kring van hoorders rondom zich verzameld.
Men sprak over reizen en trekken, over jacht- en andere avonturen.
Er waren er onder de Groningers die, hoe jong ook van jaren, al heel
wat van de wereld hadden gezien en die zooals ieder, die verre reizen
doet, veel konden verhalen.
Brandenga’s guitige oogen keken den kring rond.
„Ik wil u”, sprak hij, „als het niet gaat vervelen, een geschiedenis
vertellen, waarvan ik bijkans het slachtoffer ben geworden, „een
Schotsch avontuur!””
Van allen kant klonken bijvalsbetuigingen met dit voorstel en toen
verhaalde de jonker zijn nieuwe vrienden de volgende geschiedenis:
„Het zal nu ongeveer een klein jaar geleden zijn, toen ik een brief
kreeg van een vriend, Tommy Cameron.
„Hij verzocht me, over te komen om een maand bij hem te logeeren, want
het jachtseizoen, zoo vertelde hij in den brief, was dit keer prachtig.
„Op een heerlijken Septemberdag kwam ik aan en Tommy haalde me van ’t
station.
„Na een prachtigen rit van ruim een uur door prachtige streken
bereikten we Clinton.
„Toen we het huis van Tommy naderden, kwamen twee jonge dames ons
verwelkomen; het waren Tommy’s zusters, die het huishouden bestuurden.
„De ontvangst was hartelijk, ik voelde me al heel gauw op mijn gemak.
„De eerste week van mijn verblijf bracht ik door met wandelen, jagen en
visschen in Tommy’s gezelschap. Toen moest hij voor zaken op reis en ik
kon genieten van het gezelschap der beide meisjes, Madge en Mary.”
Van Lissen van Duinen keek op.
„En ben je niet verliefd geworden?” vroeg hij op nuchteren toon.
„Hou je mond”, knorde Brandenga, „anders vertel ik niet verder.”
Toen vervolgde hij:
„Ja, Madge was de jongste en de aardigste, ze deed veel aan muziek en
aan schilderen. Mary was de eigenlijke huishoudster, die kalm en
waardig haar bevelen gaf.
„Nu, ik liefhebber ook zoo’n beetje in de kunst! En toen Madge me
vertelde, dat ze van plan was, een landschapje in de buurt te gaan
schilderen, vroeg ik haar terstond, de eer te mogen hebben, haar van
dienst te zijn.
„Ze gaf haar toestemming en we begonnen dadelijk aan de schilderij.
„Niets is er, dat jongelieden nader tot elkander brengt, dan sympathie
voor de kunst en spoedig was ik dan ook tot over m’n ooren verliefd.”
„Natuurlijk”, zei Van Lissen, „nu wordt het interessant.”
„Sst!” klonk het van allen kant.
Brandenga vervolgde:
„De dagen vlogen om en eindelijk kwam Tommy terug.
Toen moest ik weer met hem gaan jagen, visschen, en wandelen en van
uitstapjes met Madge kwam niets meer.
Op een morgen, dat ik weer met Tommy aan den wandel was, ontmoetten we
een jongen man, dien mijn vriend mij voorstelde als Arthur Clisby.
Na een praatje gemaakt te hebben, verliet hij ons, belovende, daar
Tommy het hem verzocht, dien avond te komen dineeren.
Arthur Clisby was de zoon van een groot reeder uit Dundee.
Hij was student geweest aan de Universiteit te Glasgow.
Daar echter had hij niet de gewenschte vorderingen gemaakt, een
tamelijk losbandig leven geleid, schulden gemaakt, ruzie gekregen met
zijn familie.
Toen had hij zijn toevlucht genomen naar een eenzame plaats in de
onmiddellijke nabijheid van Clinton en hier wijdde hij zijn tijd aan
vraagstukken, uitsluitend op de electriciteit betrekking hebbende.
Aan het ontbijt vroeg Madge mij hoe ik den kluizenaar vond.
Ze waren gewend, hem den kluizenaar te noemen.
„O, hij lijkt mij wel een aardige jongen toe,” antwoordde ik.
„Of hij aardig is, weet ik niet, ik vind hem vreeselijk stil en
ernstig.”
Madge vertelde mij in den loop van het gesprek, dat zij hoopte, spoedig
de schilderij af te hebben. Ze wilde haar mij dan cadeau geven.
Ik zei haar, zich niet te overwerken en liever te wachten tot ik weer
eens gelegenheid zou hebben, haar te vergezellen.
Het etensuur kwam, daarmede verscheen ook de gast.
Inplaats van den vroolijken, aardigen jongen van des morgens was hij nu
stil, benauwend stil zelfs. Hij sprak alleen, als het woord tot hem
werd gericht en antwoordde dan zoo kort mogelijk.
Nog nooit had ik zulk een verandering bij iemand waargenomen.
We brachten den avond genoeglijk door, voor zoover zijn drukkende,
vervelende stilte dit toeliet.
Toen hij vertrok, verzocht hij mij, zoo spoedig mogelijk zijn woning en
werkplaats te komen zien.
„Kom dan des avonds”, zeide hij, „dan wordt de omtrek verlicht.”
Eenige dagen daarna besloot ik, aan zijn uitnoodiging gevolg te geven.
Ik begaf mij op weg naar de woning van den kluizenaar.
Ver behoefde ik niet te wandelen en bijna had ik de plaats van
bestemming bereikt, toen ik werd opgeschrikt door een stuk steen, zoo
groot als een voetbal, dat van den top van een bijna loodrechte rots,
twintig voet boven me, voor mijn voeten neerviel.
Ik ging verder en ontdekte bij een bocht van den weg in de verte den
kluizenaar, die daar stond met over elkaar geslagen armen.
Zoodra hij mij zag, kwam hij naar mij toe en nam beleefd zijn hoed voor
mij af.
„Wonderlijk,” zeide hij, „maar ik verwachtte u half en half vanavond.”
Ik antwoordde niet en hij vervolgde:
„Ik kwam hier om de zon te zien ondergaan. Elken avond toef ik hier een
poosje, dat is een groote ontspanning na de vermoeiende bezigheden in
het laboratorium.
Een poosje bleven we staan, totdat de zon achter de verwijderde heuvels
verdwenen was; toen gingen we naar zijn woning.
Het huis was merkwaardig ingericht.
De geheele bovenste verdieping was één groote kamer, die gebruikt werd
als laboratorium.
Het was als het ware een magazijn van wetenschappelijke toestellen:
Electrische en chemische apparaten vulden tafels en planken,
electrische gloeilampjes verspreidden een zacht licht en in het midden,
op een verhoogd platform, stond een groote telescoop.
Clisby leerde mij de namen en het gebruik van de instrumenten en
vertelde mij ook het een en ander van zijn welgeslaagde proefnemingen.
Hier was de zonderling op zijn plaats en toen wij samen zaten te
praten, kleurde zijn gelaat.
Zijn oogen schitterden en hij sprak vol geestdrift.
Ons gesprek werd gebracht op het gebied van terechtstellingen door
middel van electriciteit en Arthur Clisby zeide:
„Ge zult u misschien nog wel herinneren, hoe de eerste man door middel
van electriciteit werd terechtgesteld en welke ondraaglijke pijnen men
hem liet lijden.
„Ik was er bij en ik heb alles gezien! Het was doodgewoon afgrijselijk!
Het was vreeselijk!
„De dokters! bah! het zijn alle gekken!
„Onmiddellijk nadat ik het vreeselijk schouwspel had bijgewoond, zette
ik mij aan den arbeid om een methode uit te vinden, die den dood ten
gevolge zou hebben zonder de minste foltering, zoowel lichamelijk als
geestelijk. Reeds een jaar heb ik aan dit plan gewerkt.
„Ik moet nog slechts enkele wetenschappelijke formaliteiten in orde
brengen, voordat ik mijn uitvinding aan het oordeel der autoriteiten
kan onderwerpen.”
Wij verlieten het huis, liepen een eind door de open lucht en kwamen
aan een deur.
Arthur Clisby ontgrendelde haar, trad binnen en tastte eenige
oogenblikken rond om den stroomsluiter te vinden.
Even daarna was de kamer hel verlicht.
Ik gevoelde ter zelfder tijd een prikkelende aandoening in mijn keel,
ik kuchte, Arthur hoorde het, lachte en zeide:
„Dat is de damp van de batterijen, die ge in de keel voelt. Dit is de
batterijenkamer; deze cellen houden voeding in voor het licht hier en
in het andere huis. Accumulatoren zijn een groot gerief, want zij maken
nachtarbeid onnoodig!”
Wij doorliepen nu een gang en kwamen in een grootere kamer.
„Dit is het turbinehuis,” zeide hij. „Dat daar is de dynamo,
uitsluitend bestemd voor het uitvoeren van terechtstellingen.”
Hij wees op een toestel, dat den vorm had van een groot, dun wiel en
voorzien was van een groot aantal fijne spaken.
„Kijk,” zeide hij, „ik zal dat toestel eens in beweging brengen en u
zijn werking laten zien.”
Hij schroefde de kleppen los, de machines begonnen te werken, de
dynamo’s te gonzen.
Ontzettend snel ging alles in zijn werk.
„Het maakt niet eens veel leven, hoort ge wel?” merkte Arthur op en
toen:
„Dat toestel daar ginds is van tweehonderd paardekracht. En laat ons
nu,” vervolgde hij, „de gevaarlijke kamer en den doodaanbrengenden
stoel eens gaan bezichtigen.”
Hij opende een deur.
Wij stonden op den drempel van een klein vertrek, waarin een
merkwaardig toestel stond in den vorm van een stoel.
Ik dacht, dat Arthur me zou voorgaan en binnentreden, toen hij
eensklaps uitriep:
„Een oogenblikje! Ik moet mijn dynamo’s een weinig tot bedaren
brengen.”
Hij ging weer terug.
Ik trad binnen en begon nieuwsgierig de uitvinding te bekijken.
Plotseling hoorde ik een doffen klank en toen ik mij omkeerde, zag ik,
dat de deur was dichtgeslagen.
Ik greep naar mijn keel, die als toegeschroefd was en viel op den grond
neer.
Een oogenblik daarna kwam ik weer bij en toen ik weer mijn
tegenwoordigheid van geest terug had, zag ik, dat ik in den
vreeselijken stoel met riemen vastgebonden zat.
Ik dacht, dat het een aardigheid was van Arthur Clisby, maar ik
gevoelde mij niets op mijn gemak, want de stoel zat zeer pijnlijk.
Ik beproefde mij te bevrijden, maar ik zat stevig vastgesnoerd, mijn
handen ieder in een soort schroef gekneld, leer van buiten, metaal van
binnen, zooals ik kon zien en voelen.
De ruimte, gevormd tusschen mijn hand en den stoelwand, was gevuld met
een vloeistof, kwikzilver, zooals ik later ontdekte.
Mijn beenen en lichaam waren met riemen aan den stoel vastgemaakt, mijn
armen gestoken in een soort buis, aan weerszijden van den zetel
aangebracht.
Al deze bijzonderheden nam ik in mij op en terzelfder tijd ging de deur
open.
Arthur Clisby trad binnen.
„Ha!” schreeuwde hij, „eindelijk ben je dan gevangen! Nu ben ik
tevreden!”
„Maak geen gekheid, mijnheer Clisby,” mopperde ik, „je helsche stoel
zal me den rug nog breken.”
„O, als ’t anders niet is,” zei Arthur, „dat kunnen we gauw genoeg
veranderen.”
Hij stapte naar me toe.
Maar inplaats van mij te bevrijden, haalde hij den riem om mijn borst
nog wat steviger aan.
Dat was meer dan ik verdragen kon en ik dreigde hem, dat ik hem de
ribben zou breken als hij mij niet dadelijk los ging maken.
Hij lachte als eenig antwoord en haalde de schouders op.
Toen zeide hij:
„Als je klaar bent met je lawaai zal ik een verstandig woordje met je
spreken.
„Je denkt, dat ik je vriend ben, nietwaar? Dat ben ik niet! Ik ben je
vijand.
„Je wilt me Madge Cameron afwinnen en je bent daar al een heel eindje
mee op streek.
„Ik heb je wel gezien in haar gezelschap, toen je zat te schilderen! Ik
heb Madge lief; versta je dat?
„Ik ben blij, dat ik je niet gewond heb met dat stuk rots, want nu ben
ik tenminste in staat om je voor mijn oogen te zien sterven!
„Een oogenblik geleden had ik je ook kunnen dooden! Ik had mijn hand
reeds op den stroomsluiter, maar ik heb je weer bijgemaakt en je in
dezen stoel gebonden om je naar hartelust te kunnen kwellen en
pijnigen.
„O, wat haat ik je! Wat haat ik je! Want je wilt mij Madge rooven.”
Toen ging hij vlak voor me staan en staarde mij aan.
„Denk je, dat ik voor niemendal een uitgestootene van de maatschappij
ben?” siste hij.
„Denk je, dat ik een jaar aan dit toestel heb gewerkt voor niemendal?
„Neen, neen!
„Er moet met iemand een proef op genomen worden en waarom niet met jou?
„Want ik haat je!
„Lang heb ik naar iemand omgezien op wien ik de proef kon toepassen.
„Nu heb ik jou daarvoor!
„Ja, ja, ik vind geen toestellen uit voor niemendal!”
Hij verliet mij met een vreeselijken lach.
Nogmaals spande ik alle krachten in om armen en handen los te rukken.
Maar helaas, vruchteloos!
Een oogenblik daarna kwam hij weer terug.
„Je hebt nog een half uurtje te leven. Het is nu half twaalf; met het
slaan van twaalf ben je een kind des doods!”
Hier hield Brandenga een oogenblik op.
Hij keek den kring zijner hoorders rond en toen hij uit aller trekken
niets kon lezen dan gespannen aandacht, vervolgde hij:
„Wederom liet Arthur Clisby me alleen ten prooi aan de vreeselijkste
gedachten.
„Was er dan geen enkel middel om te ontsnappen? Zou niemand mij
bijtijds de reddende hand komen bieden?
„De tijd ging voorbij! Ik dacht aan Madge, voor wie ik moest sterven
door de hand van dien gek.
„Eindelijk kwam Clisby wederom terug. Hij glimlachte honingzoet en
vroeg, of ik nog iets wenschte.
„Ik schudde mijn hoofd.
„Hij bood mij brandewijn, ik knikte van ja en hij hield mij een glas
voor den mond, waarvan ik den inhoud geheel opdronk.
„Toen begon hij om me heen te springen als een waanzinnige en met
zenuwachtig vertrokken gelaat lachte hij, gillend:
„„Nog een minuutje, dan zend ik je naar de andere wereld.”
„Hij ging naar den stroomsluiter om me te dooden—ik zat daar,
onmachtig, iets te doen.
„Plotseling zag ik, dat hij struikelde over de draden, die voerden van
den stroomsluiter naar mijn hand.
„Hij viel.
„In zijn val sloeg hij met de handen in de lucht en deze kwamen terecht
op den stroomsluiter.
„Een vreeselijke kreet kwam van zijn lippen; hij werd zes voet in de
hoogte geworpen en kwam ruggelings op het midden van een groote, platte
distributietafel te vallen.
„Toen zag ik een opvolging van blauwe vonken en een dunne kolom rook
steeg op naar den zolder.
„Onmiddellijk daarop sprong de band van het dynamo-wiel en het gonzen
hield op.
„De brandewijn begon nu bij mij te werken—mijn hoofd stond als in vuur,
maar mijn hersens waren uitstekend.
„Ik keek nog eens naar het lichaam op de tafel.
„Het bewoog zich nog.
„De stroom had opgehouden, de reactie was ingetreden.
„Het lichaam kromp hoe langer hoe meer in elkaar, totdat het er ten
slotte uitzag als een afzichtelijke hoop vodden; het sidderde een
oogenblik en toen vielen de armen en beenen als lood op de tafel neer,
en het lichaam bleef roerloos liggen.
„Een krassend geluid deed mij de oogen naar de turbines wenden; een
ervan stond rood-gloeiend.
„De machine was vernield, het wiel begon weer te draaien met een
snelheid, die ieder oogenblik grooter werd.
„Ik hoorde een knal en toen een gekraak en ik zag den stalen band om de
dynamo vaneen scheuren als papier en het water drong de kamer binnen
met hoeveelheden van wel duizend liter per minuut.
„Wat had ik aan Clisby’s dood, als ik verdrinken moest als een rat?
„Langzaam rees het water.
„Toen het ongeveer zes voet hoog stond, gingen de lichten aan.
„Ik dobberde in mijn stoel heen en weer, maar was vastgeankerd aan den
stroomsluiter door de draden.
„Het water steeg aldoor—hoewel zeer langzaam, daar het ook de andere
kamers en gangen moest vullen.
„Beneden mij kon ik nog de onbeschadigde turbine hooren werken en ik
steeg, totdat het bovenste gedeelte van mijn stoel tegen den zolder
schuurde.
„Toen voelde ik, dat ik plotseling viel en vlug naar de deur werd
gedreven.
„De draden hielden me voor een oogenblik nog vast, maar door het rukken
braken ze en ik zeilde door de gang naar de batterijkamer en zoo in de
open lucht, waar ik na eenige minuten op en neer gedobberd te hebben,
gered werd.
„Het gewicht van het water had de buitenste deur geopend. Vandaar mijn
plotselinge val.
„Ik was ontzet uit mijn netelige positie door Tommy Cameron zelf, die,
ongerust over mijn lang uitblijven, mij was komen halen.
„We vonden den armen krankzinnigen Arthur Clisby bijna op dezelfde
plaats, waar hij gestorven was, gewikkeld in de draden en met
denzelfden spookachtigen glimlach op zijn gelaat.
„Niemand dan Tommy en ik hebben geweten, wat er op die vreeselijken
Septemberavond is gebeurd.
„We vertelden de meisjes, dat Clisby een ongeluk was overkomen en dood
was.
„Een week lang nog moest ik het gebruik van armen en beenen ontberen,
ten gevolge van de ongemakkelijke houding in dien vreeselijken stoel.”
Brandenga zweeg.
Hij veegde luchtigjes met den even geparfumeerden zijden zakdoek over
zijn voorhoofd.
„Wel, kerel,” zei Gerard Peepstra, „op zoo jongen leeftijd heb jij ook
al heel wat achter den rug.
„Dat is een geschiedenisje om niet licht te vergeten. En heb je er
verder heelemaal geen beroerde dingen van ondervonden?”
Ook de anderen betuigden hun deelneming. Brandenga lachte.
„Niets, niemendal! Alleen heb ik Tommy nadien niet meer bezocht.”
„En de mooie Madge?” vroeg Van Lissen van Duinen.
„Die is een maand geleden in het huwelijk getreden met een schatrijken
leerlooier!”
„Dus ze heeft je versmaad?”
Brandenga haalde de schouders op.
„Versmaad? Neen, Eduard, dat heeft ze niet. Ik had haar nog niet van
liefde of trouwplannen gesproken.”
„Hadt je dan zóó jong al willen trouwen?”
„Ik? Misschien! Maar nu ik hier van de nieuwe vrienden heb gehoord, dat
de Groningsche jongedames zoo bijzonder mooi zijn, ben ik maar heel
blij, dat m’n hart nog niet in rozenketenen is geklonken.”
„Onze meisjes?” sprak nu student Andringa, „ja, die mogen er wezen. En
vooral lange Ger’s zuster. O, ik ben er van overtuigd, dat juffrouw
Suze Peepstra u wel heel spoedig de mooie Madge uit Schotland zal doen
vergeten.”
„Ik ben nieuwsgierig,” beweerde Brandenga en met een hoffelijk gebaar
legde hij beide handen op zijn hartstreek. „Ik ben zéér nieuwsgierig,
heeren, maar— —ik kan wachten, tot de tijd van kennismaken gekomen is.”
Het verhaal van jonker Brandenga had de tongen der jongelui
losgemaakt—nog losser dan die doorgaans reeds zijn.
Ieder wist, was het ook al niet uit zijn eigen leven, dan toch wel uit
dat van een bloedverwant of van een goeden bekende een of ander
waagstuk of belangwekkend avontuur mede te deelen en dan werd de
geschiedenis steeds onderworpen aan de critiek der omzittenden.
„Ik had,” zei Deelma, „vlak bij Groningen, in Hoogezand, bijna eens een
adelaar onder schot gehad.”
„Wat zeg je?”
„Een adelaar?”
„Deelma, je bent dronken!”
„Zoo vroeg op den dag en al zoo grove leugens!”
„Kerel, wat heb jij een vruchtbaren duim!”
De spreker werd van allen kant uitgelachen en bespot. Hij wachtte
echter bedaard, tot de storm van spot en verontwaardiging een beetje
was bedaard en toen zeide hij:
„Wat ik zeg, is waar. Een arend, een adelaar onder schot—in Hoogezand.”
„Maar hoe kan dat?” vroeg nu Brandenga.
„Och, heel eenvoudig, het beest moest van de kermis van Groningen, waar
het in een kooi te kijk had gestaan, verder getransporteerd worden. In
Hoogezand brak het door woest het hok rond te fladderen, een vleugel.
De eigenaar was razend van wanhoop, want het dier was voor hem een
groot verlies—de attractie uit zijn menagerie.
„Ik logeerde toevallig in het dorp en vlak voor het huis waar ik
vertoefde bleef de groote verhuiswagen staan.
„Ik bood aan, het beest voor den kop te schieten—ik had een revolver in
m’n koffer, maar mijn oom, die veearts is, ried den man van het
beestenspel den adelaar niet te dooden. De vleugel kon nog best in orde
komen.
„Ziedaar mijn avontuur.”
Ze scholden allen Deelma voor een flauwen vent, maar hij had de lachers
op zijn hand en noodigde zijn vrienden uit, dan maar gevaarlijker en
even betrouwbare jachtavonturen te verhalen.
DERDE HOOFDSTUK.
DE WEDDENSCHAP.
„We krijgen honderd man marechaussées extra in de stad tijdens de
lustrumfeesten,” vertelde, wat later in den middag, het kroeglid
Jansman, „de kerels zullen er zeker de orde wel in houden!”
„Onze politiemannen zijn anders niet voor een kleintje vervaard,” kwam
de magere Emmius daar tegen op. „Bij een bezoek aan andere steden ben
ik steeds tot de conclusie gekomen, dat de Groningsche politie een
kranig korps vormt. Maar over politie gesproken—ik las vanmorgen, dat
de Rotterdamsche recherche al vier weken vergeefs zoekt naar den
moordenaar van de 80-jarige weduwe en haar 50-jarige dochter. ’t Blijft
een hopeloos werkje.”
„Nederland moest een Sherlock Holmes onder z’n bewoners tellen,” zei
Peepstra lachend.
„In ernst Ger,” ging Emmius hier op door, „jij maakt er een grapje van,
maar zulke kerels zijn toch maar een geruststelling voor een groot deel
van het volk!”
„Geloof jij dan aan het bestaan van zulke mannen, die zijn geschapen
door de fantasie van een of anderen schrijver?”
„Ik weet niet”, verklaarde Emmius, „of Sherlock Holmes ooit heeft
geleefd, maar aan het bestaan van den grooten, onbekenden Raffles
geloof ik zeker. Ik ben ervan overtuigd, dat die lord Lister, waarover
zooveel geschreven wordt, wel degelijk in Londen woont en leeft en
arbeidt en dat hij daar al heel wat lugubere zaakjes aan het licht
heeft gebracht, waar politie en justitie geen gat in zagen, en geen weg
mee wisten.”
Emmius wond zich àl betoogende op. Een hoogroode blos gloeide op zijn
wangen toen hij voortging:
„Ik heb herhaaldelijk gehoord en gelezen van dien gentleman, die er
werk van maakt, de verdrukten en onrechtvaardig bejegenden te helpen en
hunne belagers te straffen! ’t Is waar, hij doet dat op een andere
wijze dan de justitie het zou doen; hij straft op zijn manier, doch op
geen onrechtvaardige! Ik bewonder hem en ik stel vertrouwen in hem en
ik kan het voor ons land slechts betreuren, dat wij niet prat kunnen
gaan op zoo’n man!”
Toen, zich wendend tot de beide vreemdelingen:
„Ik zou in dezen uw oordeel wel eens willen hooren, mijne heeren, want
ik geloof, hier alleen te staan!”
Op het blozende gelaat van Brandenga verscheen een verlegen trek. Hij
zweeg en keek even naar zijn vriend.
Graaf Van Lissen van Duinen tipte de asch van den sigaar, die hem zoo
even door Jansma was geboden.
„U vraagt mijn meening in dezen?” vroeg hij en in zijn oogen tintelde
een uitdrukking vol spot, „ik ben het volkomen met u eens, meneer
Emmius. Want ik hoorde en las niet alleen van Lord Lister verhalen, ik
had ook het voorrecht—ik althans noem het een voorrecht—om hem
persoonlijk te leeren kennen. Lord Edward Lister, alias John C.
Raffles, is mijn vriend en mocht ik uw aller misnoegen misschien mij op
den hals halen, ik moet hier ronduit verklaren dat Lord Listers
praktijken mijn volle sympathie hebben!”
Eenige oogenblikken heerschte stilte in den vriendenkring.
Toen echter stond lange Ger op en, zijn glas hoog houdend, waarin de
Bourgogne purper fonkelde, stiet hij aan met Van Lissen en riep uit:
„Ik drink op Lord Edward Lister!”
Dat was voor de andere Groningers het sein ook hun glas te ledigen op
den Grooten Londenschen Onbekende. Vroolijk klonk het nu dooreen:
„Op den gentleman-dief!”
„Op Raffles!”
„Hoera voor dien kranigen Engelschen lord!”
En allen stieten aan met den slanken edelman.
„Wel,” lachte nu Emmius, „het verbaast me eigenlijk geenszins, graaf
Van Lissen, dat ge zooveel sympathie gevoelt voor dien Londenschen
gentleman. Al zou die toegevendheid alleen maar voortvloeien uit de
treffende gelijkenis van uwe namen. Eduard van Lissen—Edward
Lister!—Aardig is dat!”
„Nietwaar?” Graaf Van Lissen van Duinen keek den spreker even aan met
z’n innemenden glimlach en Emmius voelde zich onweerstaanbaar
aangetrokken tot den sympathieken Lord.
„U neemt mijn scherts toch niet kwalijk?” vroeg hij, „ik bedoelde het
louter als een grap!”
„Ik drink op uw gezondheid,” repliceerde de jonge man, wederom
glimlachend.
„Hoe ziet die gentleman-dief eruit?” informeerde Jansman, „inderdaad
als een gentleman—of als een dief?”
„Daarover zoudt ge zelf eens moeten oordeelen. Ik raad u een reisje
naar Londen aan!” viel Brandenga in en hij wierp een snellen blik naar
zijn vriend, dien deze opving—maar negeerde.
„Zou Raffles niet eens naar Groningen kunnen komen?” informeerde
Jansman.
„Kerel, je bent gek,” viel Peepstra in, „Raffles vertoont zich toch
nergens onder zijn naam. Dat zou hem, om zoo te zeggen, z’n kop
kosten!”
„Ik zal mijn vriend naar Groningen nooden,” sprak Van Lissen, „dan kunt
ge hem zien en leeren kennen!”
Allen lachten.
„Graaf Lissen is een onverbeterlijke grappenmaker,” piepte een mager
roodharig studentje, „ik wed met hem, dat hij ons een valschen
gentleman-boef onder den neus draait. Ik wed om een mooi ding!”
De slanke, lenige gestalte van den lord verhief zich uit zijn stoel en
met zijn groote, bruine oogen keek hij den kleinen, nietigen spreker
aan.
„Ik ben niet gewoon, onder valsche voorspiegelingen het een of ander te
beloven,” begon hij. „Maar u stelt mij voor met u te wedden! Ik neem uw
weddenschap aan, meneer Smitten. Hoe veel zet ge?”
„Duizend gulden!”
Met een minachtend schouderophalen wendde Van Lissen zich af.
„Laat ons zeggen, duizend pond, meneer Smitten! Voor duizend gulden zal
ik den lord zeker niet naar Nederland krijgen. Afgesproken?”
Smitten keek zuinig.
Hij was de zoon van een schatrijken heereboer uit het Noorden der
provincie. Hij was de rijkste van alle korpsleden, maar hij was niet
heel royaal. Smitten had alleen héél veel geld over—voor zichzelven en
hij stond bekend als een eerste-klas doordraaier.
„Twaalfduizend gulden,” begon hij, „da’s veel graaf, da’s een
heeleboel!”
„Maar kerel, je kunt ze toch winnen,” viel Emmius bij, „en dan geef je
een gloeiende fuif. Vooruit, ga de weddenschap aan!”
Smitten keek Peepstra eens aan.
„Wat denk jij ervan, Ger?”
„Ik zou ’t doen, kerel, ik zou ’t vast en stellig doen!” zei lange Ger.
„Dan moet ik precies weten, hoe de weddenschap luidt,” zei Smitten met
een vrij benepen stem.
Het liefst had hij maar van de heele weddenschap afgezien, maar voor
z’n vrienden durfde hij nu niet meer terugkrabbelen.
„Kijk,” zei graaf Van Lissen, „ik stel me de zaak zóó voor. Ik zorg
ervoor, dat John C. Raffles, de Groote Onbekende, binnen den tijd van
zes weken een bezoek van een week brengt aan de stad Groningen. Ik zal
verder er voor zorgen, dat hij, geïntroduceerd op de „kroeg” met u
allen kennis maakt en dat hij, als bewijs van zijn aanwezig zijn in de
stad, het een of andere sterke stukje moet uithalen op politioneel
gebied. Onder welken naam lord Lister hier zal worden geïntroduceerd en
welk waagstuk hij zal bedrijven, kan ik u nu nog niet meedeelen. Ge
zult dat echter vernemen, als daartoe de tijd gekomen is. Maar als de
maand Juli is aangebroken, (dus op den eersten van die maand) en
Raffles heeft in Groningen geen sporen van zijn arbeid achtergelaten,
dan heb ik de weddenschap verloren. Gij allen hier zijt getuigen van
mij en van den heer Smitten!”
„Me dunkt Smitten,” zei nu Peepstra, „dat je tegen dit voorstel niets
kunt hebben. Bovendien is het idee van het aangaan van een weddenschap
van jou uitgegaan.”
Smitten moest nu wel toegeven, en zoo werd tusschen den vreemden graaf
en den kleinen rijken boerenzoon uit Warfum in de Groninger
Studentensociëteit een weddenschap van twaalfduizend gulden aangegaan
op... John C. Raffles.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE APPARTEMENTEN AAN DE GROOTE SPILSLUIZEN.
„Charly, kijk niet zoo sip en schenk me een kop thee in! ’t Schijnt
wel, dat je humeur vandaag niet in goede orde komt.”
De toegesprokene stond uit den wijden leunstoel op. Een diepe plooi
trok samen tusschen zijn oogen, die in dit oogenblik hun jongensachtige
uitdrukking hadden verloren.
Hij vulde uit een zilveren theepot twee koppen met thee en zette een
daarvan neer op het rooktafeltje van den heer, die hem zoojuist een
aanmerking had gemaakt op zijn minder aangenaam humeur van dezen dag.
„’t Is allemaal jouw schuld Edward,” begon hij toen, mokkend en
pruilend als een klein kind, „jij doet de dolste dingen en je sleept
mij onwillekeurig mee in je drieste avonturen!”
„Wat is er nou weer, m’n jongen?”
„Wat er is? vraag je dat nog?”
„Ja—wat er is!!”
„Er is, Edward, dat jij maar heel goedsmoeds in de studentenkroeg een
weddenschap aangaat op twaalf mille!”
„Zitten die twaalfduizend gulden je dan zoo hoog?”
„Och nee, kerel, maar dat je je hier in een kleine stad van niet meer
dan een dikke zestigduizend inwoners durft bloot te stellen aan zoo’n
waaghalzerij! Je wilt Raffles hier laten komen en hem een of ander
stout stukje laten uithalen. Jij zelf, jij, lord Edward Lister, wilt
dus nu in het stille Groningen aan ’t werk gaan, alsof je in ’t hartje
van Londen zit, waar het je niet moeilijk valt. Baxter, dien
aartsdommen politie-inspecteur te verschalken, Marholm, de „vloo”,
Baxters secretaris, op je hand te krijgen en al de mannen van Scotland
Yard een hak te zetten. Dat zal hier toch heel anders gaan! Hier zal nu
de heele studentenwereld niet alleen, maar heel Groningen je komst
verbeiden en je zult natuurlijk de politie in handen vallen, want
iedereen zal op je letten. Ik dacht hier nu eens een prettigen tijd te
gaan doorbrengen en de Groningsche schoonen het hof wat te maken.
Natuurlijk steek jij weer een spaak in het wiel en begint hier het
spelletje, waar je in Londen nooit genoeg van hebt gekregen en dat jou
en mij nog eens tegen de lamp zal doen loopen.”
Zonder een woord te zeggen, een ironischen glimlach om de lippen,
haalde de ander een gouden sigarettenkoker te voorschijn, waarvan het
deksel was ingelegd met kostbare robijnen en diamanten.
Nadat hij zelf een sigaret met gouden mondstuk had aangestoken, hield
hij ook zijn vriend den koker voor en lachend sprak hij:
„Kom, steek ook eens op, Charly!”
Charly Brand, de secretaris en boezemvriend van den Grooten Onbekenden
John C. Raffles, keek met vragenden blik den lord aan.
„Wenscht lord Edward Lister mijn vraag van zooeven niet te
beantwoorden?” vroeg hij, terwijl hij een sigaret uit het kostbare étui
nam.
„Ik zou toch zoo heel graag willen weten of ik ditmaal voor jonge dame
of voor een oude tooverkol moet fungeeren en onder welke vermomming jij
zelf van plan bent, hier op te treden.
„Denk er aan, Edward, dat ik dien Gerard Peepstra voor een schranderen,
klaren kop beschouw. Ik geloof niet, dat hij gemakkelijk om den tuin
zal zijn te leiden.”
Weer lachte de Groote Onbekende.
Maar ditmaal verbrak hij toch het stilzwijgen.
„Jouw hulp, Charly, heb ik dezen keer waarschijnlijk niet noodig, ik
zal alleen alle risico op mij nemen. Beschouw jij ons verblijf in
Groningen maar als een vacantiereisje, als een ontspanning, die je wel
noodig hebt. Ik zal je in het minst niet beletten, de Groningsche
schoonen te bewonderen en het hof te maken.
„Met je opmerking omtrent de intelligentie van „langen Ger” ben ik het
volkomen eens; ik maak je mijn compliment over je opmerkingsgave, mijn
jongen!
„Des te grooter zal mijn voldoening zijn, als ik ook hem het bewijs heb
geleverd, dat een Engelsche lord nog snuggerder kan zijn dan een
Groningsche student.
„En laat ons nu eens over wat anders praten. We zijn nog te kort in de
hoofdstad van deze Noordelijke provincie om reeds een oordeel te kunnen
vellen over haar bewoners. Dat komt later.
„Lees liever dit bericht eens uit de „Times”. Het zal je zeker goed
doen, te vernemen, hoe onze vriend Baxter van mijn afwezigheid gebruik
heeft gemaakt om wat op verhaal te komen na de vele teleurstellingen,
die ik hem in de laatste jaren heb berokkend.”
Raffles overhandigde zijn vriend de krant, terwijl hij nog opmerkte:
„Het schijnt, dat de zenuwen van onzen politie-inspecteur totaal in de
war waren!”
„De arme!” riep Charly lachend uit.
De jonge secretaris nam het blad en las het volgende bericht:
„Londen, Scotland Yard.
Hedenmorgen is de inspecteur van politie James Baxter voor den tijd
van drie weken naar het eiland Wight vertrokken.
Den inspecteur is dit extra-verlof verleend, omdat hij in den
laatsten tijd leed aan zware hoofdpijnen en slapeloosheid, een en
ander een gevolg van overspanning, veroorzaakt door het
vruchtelooze opsporen van den gentleman-dief John C. Raffles.
Nu Londen den laatsten tijd bevrijd schijnt te zijn van het telkens
onverwacht optreden van lord Edward Lister, heeft de lord mayor
gemeend, dat de politie-inspecteur wel voor korten tijd gemist kan
worden.
De secretaris van den politie-inspecteur, de heer Marholm, zal
zoolang de functies van den heer James Baxter waarnemen.
Men hoopt, dat de afwezigheid van onzen bekwamen politiechef niet
van al te grooten invloed zal zijn op het Londensche boevengilde.”
„Wat zou ’k mijn goeden vriend Marholm graag eens willen zien fungeeren
in het „heilige der heiligen!” riep Raffles met vroolijken spot uit.
„Ik stel me voor”, vervolgde hij, „hoe hij zijn waardigheid weet op te
houden, hoe hij ontelbare pijpjes per dag stopt en zich hult in dikke
rookwolken. Hoe hij af en toe de kistjes sigaren van zijn afwezigen
chef aanspreekt en herhaaldelijk te kampen zal hebben met den onwil der
detectives.”
„Ik denk”, beweerde Charly, „dat „de vloo”, zooals wij den kleinen,
dikken secretaris immers altijd noemden, de zaak heel kalm zal
opvatten. De fluweelen sofa van den politie-inspecteur zal ook op diens
plaatsvervanger wel een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen.”
„Ik gun Marholm die extra-rust van harte, al was het alleen maar
daarom, dan zou ik voorloopig nog een poosje uit Londen wegblijven,
want met mijn terugkeer zouden Baxter’s uitstapje en Marholm’s
rustuurtjes heel spoedig een eind nemen.”
„Je bent toch een nobele kerel, Edward, dat je zooveel over hebt voor
je medemenschen.”
Raffles verhief zich uit zijn gemakkelijken fauteuil, wierp het
overblijfsel van zijn sigaret in een aschbakje, stak een nieuwe op en
trad naar het venster.
Over het water van de Spilsluizen had hij een ruim uitzicht op het
groote plein, dat aan twee kanten is begrensd door deftige
heerenhuizen, in wier gevels hier en daar nog kostbare overblijfselen
uit vroeger eeuwen zijn te bewonderen.
Tegenover de onbeplante Ossenmarkt wuifden de hooge boomen van het
Guyotplein en onder het lommer stoeiden en speelden de kleine
verpleegden uit het Doofstommen-Instituut, dat zoo rustig in dit
gedeelte der oude stad is gelegen.
Uit de Nieuwe Boteringestraat marcheerde een troep soldaten de groote
boogbrug over, om zich door de stad naar de Infanteriekazerne aan den
Heereweg te begeven.
„Kom, Charly!” sprak Raffles, „kleed je en vergezel mij op een
wandeling door de stad. Ik ben zeer benieuwd om deze provinciestad,
waarop de bewoners zoo trotsch schijnen te zijn, in bijzonderheden te
leeren kennen.
Na zijn kopje thee te hebben geledigd, stond Charly op en verliet het
vertrek om zich naar zijn slaapkamer te begeven.
Een kwartiertje later verlieten de beide jonge mannen het huis en
begonnen hun eerste wandeling door de academiestad van het Noorden.
Raffles had, zooals hij dat steeds gewend was, zich ook hier
onmiddellijk een gids en plattegrond van de stad en omgeving
aangeschaft en, nadat hij dien morgen een uurtje hierin ijverig had
gestudeerd, voelde hij zich reeds zoo zeker van het terrein en zoo
thuis op het vreemde grondgebied, dat hij Charly beloofde, hem tot
betrouwbaren geleider te zullen dienen.
Door de Oude Ebbingestraat wandelden zij in de richting van de Groote
Markt, waar zij den vorigen middag kennis hadden gemaakt met het clubje
studenten en waar zij, van achter de ramen van het sociëteitsgebouw,
reeds belangstellende blikken hadden geworpen over het ruime plein.
Vóór het breede, massieve gebouw, geheel uit hardsteen opgetrokken en
toebehoorende aan een der grootste Nederlandsche industrieelen, bleven
zij even staan en lord Lister vertelde zijn vriend iets van de
levensgeschiedenis van den schatrijken, alom bekenden fabrikant, die,
nu reeds lang gestorven, als doodarme jongen was begonnen en wiens
lijfspreuk was geweest: „Help u zelven!”
Toen begaven zij zich naar den Martinitoren dien zij beklommen om, op
een hoogte van bijna honderd meter gekomen, te genieten van het mooie
panorama, dat zich aan hun blikken vertoonde.
Het Stadhuis, eenige mooie gevels uit de zeventiende eeuw of van nog
ouder datum, trokken hun belangstelling en ook het tweede ruime plein
in het midden der stad, de Vischmarkt, met op den achtergrond de
Korenbeurs en Akerk, maakten een gunstigen indruk op de beide
vreemdelingen.
Toen keerden zij langs de huizenrij aan de Zuidzijde terug en liepen
Groningens voornaamste winkelstraat in, de Heerenstraat, en bereikten
zoo het kleine plantsoen aan het einde dier straat, dat aan weerszijden
is ingesloten door groote, statige gebouwen en vanwaar naar beide
zijden de mooie singels en de breede grachten loopen, gedeeltelijk de
oude stad insluitende.
Over het viaduct bereikten zij den Heereweg, die Groningen met Drente
verbindt. Zij wandelden door tot aan den Watertoren en keerden toen
terug om voor een der aardige café’s vlak bij het Sterrebosch een
oogenblik plaats te nemen.
Het was daar nog rustig in dat vroege uur, maar de spraakzame kellner
vertelde hun, dat er op mooie zomermiddagen en vooral des Zondags
meestal geen tafeltje onbezet was.
„En we zullen het dit jaar nog veel drukker krijgen dan gewoonlijk!”
vervolgde de zwartgerokte bediende, „want, ziet u, heeren, de
studentenfeesten trekken altijd een massa vreemdelingen hierheen. Dan
komen de rijke boeren, wier zoons hier studeeren, allemaal met hun
vrouwen en dochters naar stad en—ik weet niet of de heeren zoolang hier
blijven—maar dan moet u zoo in den namiddag hier komen zitten! Knappe
meisjes kunt u dan bij massa’s zien......”
Glimlachend beloofde Charly den goeden raad van den kellner te zullen
opvolgen.
Door het Sterrebosch wandelden Raffles en zijn vriend naar de stad
terug, nu den deftigen Heeresingel volgende.
Zonder veel moeite vond lord Lister den weg naar het plantsoen aan het
andere gedeelte der stad, het Noorderplantsoen. Zijn zeer uitgebreide
gids, welke hij dien morgen bestudeerd had, vertelde hiervan, dat het
een zéér uitgestrekt plantsoen was, dat kon wedijveren met de
wandelparken in andere groote hoofdsteden.
Zij dwaalden een kwartiertje door de aardige lanen van dit
wandelplantsoen, dat gedeeltelijk is aangelegd op de oude stadswallen
en lachend sprak Charly tot zijn vriend:
„Inderdaad, Edward, je zult evenals ik moeten constateeren, dat het
Bois de Boulogne en Hyde Park hierbij in het niet verzinken.”
„Hou je spot maar gerust voor je”, sprak lord Lister, „mij bevalt het
hier bijzonder wel.”
Tegen den middag eindigden de beide vrienden hun wandeling en gingen
zij den lunch gebruiken in een der restaurants in het hartje van de
stad.
„Ziezoo,” sprak Raffles, toen de kellner, die het bestelde had
gebracht, zich weer van hun tafeltje had verwijderd, „ik heb mij nu
vrijwel georiënteerd in Groningen en moet eerlijk bekennen, dat de stad
een prettigen indruk op mij maakt. Nu stel ik je echter voor om de
eerstvolgende dagen wat uitstapjes te gaan maken.”
„Waar wil je het eerst naar toe?” vroeg Charly, die op het oogenblik
meer belang stelde in zijn malschen biefstuk met aardappelen dan in
Groningens omstreken.
„Eerst de beide lustoorden van de Groningers eens gaan zien,”
antwoordde lord Lister, terwijl hij het wijnglas van Charly nog eens
vulde.
„Lustoorden?” vroeg de jonge secretaris, even van zijn bord opkijkende.
„Ja, vanmiddag gaan wij per tram naar Zuidlaren, een dorp dat zeer
schilderachtig moet zijn en vanwaar wij heel gemakkelijk een mooie
wandeling kunnen maken over de Drentsche heide. Ik wil namelijk eenige
van die beroemde hunnebedden gaan bezichtigen en hoop, dat je mijn
belangstelling in deze eeuwenoude monumenten deelt.”
„Ja zeker!” riep Charly nu vol vuur uit.
Ook hij had meermalen, eerst in de Engelsche, later ook in de
Hollandsche geïllustreerde tijdschriften over deze merkwaardige
graftombes gelezen.
„En dat andere lustoord, hoe heet dat?” informeerde Charly verder.
„Daarover hoorde ik gisteren de studenten spreken,” antwoordde lord
Lister. „Het is ook een klein dorpje, Paterswolde, waarheen men veel
gaat om er op het meer wat te roeien of te zeilen en daar wij deze
sport langen tijd hebben moeten ontberen, lijkt mij de gelegenheid zeer
gunstig om hier ons hart weer eens op te halen.”
Charly was zeer ingenomen met de plannen van zijn vriend en op
schertsenden toon sprak Raffles:
„Het doet me genoegen te zien, dat langzamerhand je goede humeur is
teruggekomen, ouwe jongen!”
Onder het genot van een kopje koffie en een geurige sigaar bleven de
beide heeren nog wat zitten praten, totdat het tijd werd om de tram te
gaan opzoeken, die hen naar Drentschen bodem zou brengen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE HANDELAAR IN BLANKE SLAVINNEN.
Aan den Radersingel, een der stille buitensingels van Groningen, zaten
in een ruime achterkamer twee mannen bij elkaar.
De kamer, waarin het tweetal zich bevond, was slechts voorzien van de
hoognoodige meubelen. Een stevige vierkante tafel stond in het midden
onder de helder brandende gaslamp, een viertal stoelen met eenvoudige,
rieten zittingen, een schrijftafel met bureaustoel en een breede
boekenkast, waarvoor een groen gordijn aan ringetjes was opgehangen,
voltooiden het ameublement.
Aan de muren hingen eenige landkaarten. Naast een groote wandkaart van
Europa hing een even groote van Amerika en de muur daartegenover werd
gedeeltelijk bedekt door een kaart van Nederland.
Op de tafel lagen boeken, reisgidsen en papieren verspreid, schijnbaar
zonder eenige orde en regel, terwijl op het geopende schrijfbureau een
stapeltje brieven lag, welke blijkbaar pas waren aangekomen, want de
couverts waren nog gesloten.
De heer, die aan het schrijfbureau had plaats genomen, had juist de
verstelbare gaslamp aan zijn rechterhand aangestoken en haalde nu uit
een zwartleeren portefeuille eenige portretten te voorschijn.
Nadat hij op twee ervan een vluchtigen blik had geworpen, legde hij ze
met onverschillig gebaar op de schrijftafel neer.
Het derde portret scheen meer zijn belangstelling op te wekken.
Met kennersoog bekeek hij lang het mooie vrouwenkopje, dat erop was
gefotografeerd en een roofdierachtige uitdrukking verscheen op zijn
gelaat.
Toen stond hij op, begaf zich naar de tafel en legde, zonder een woord
te zeggen, het portret vóór den ander neer.
De man, die daar ijverig had zitten bladeren in een groote, zeer
uitgebreide reisgids in rooden omslag, af en toe aanteekeningen makende
in bijna onleesbare geheimzinnige teekens, keek zijn vriend aan.
Doch toen deze, nog steeds zwijgend, naar zijn schrijfbureau
terugkeerde, wierp ook hij een langen, onderzoekenden blik op het
portret.
Een grijnslach verscheen op zijn lippen.
Hij was een man van een forschgebouwde, gezette gestalte, met een
vaalbleeken tint.
Zijn dunne, vast opeengesloten lippen en zijn scherpe, grijze oogen
gaven zijn gelaat een uitdrukking van sluwheid en wilskracht.
Harry Kleyston was in New-York geboren.
Zijn moeder was een Hollandsche geweest, die op zeer jeugdigen leeftijd
met haar ouders naar Amerika was getrokken en daar getrouwd was met den
schapenhandelaar James Kleyston.
Haar eenige zoon Harry was reeds als jongen een deugniet.
Hij had een wreed karakter en, niet tevreden met het eenvoudige kalme
leven zijner ouders, had hij hun woning verlaten en was op
achttienjarigen leeftijd met een paar kameraden naar Argentinië
getrokken.
Daar begon hij zeer bescheiden als kellner in een groot koffiehuis,
waar in een achterkamer veel werd gespeeld.