Een beroep op 't menschelijk medegevoel is deze idylle, maar in de
vrees, dat dit niet verstaan zou worden, besluit hij met een beroep op
het welbegrepen _belang_ van den Hollander bij een dankbare gezindheid
van den inlander.
"De lyken daarginder zullen worden weggenomen. De lieve ryke natuur
zal met haar groen kleed alles bedekken wat bloot lag, alles versieren
wat verstoord werd. Gouden halmen zullen vredig ruischen op de graven
der gestorvenen. Na jaren zullen de meisjes in de dorpen byeenzitten,
en gretig luisteren naar de verhalen over den _banjir_. De ouden van
dagen zullen de ellende schetsen die ze bywoonden of vernamen van
hun ouders...
Is 't u onverschillig, Nederlanders, Christenen, beschavers, hoe het
slot zal luiden van die verhalen?
Uw kleinkinderen zullen die mede aanhooren. Want de toekomst uwer
kleinkinderen is in Indië. Is 't u onverschillig hoe zy zullen
hooren spreken over hun voorvaderen? Is het u om 't even hoe _gy_
zult genoemd worden in de _pantoens_ van het nageslacht? Wilt ge dat
er op den aanhef:
_Hard is de rots die er staat aan den ingang van het dorp_, een
weerslag volge als deze:
_Harder is 't gemoed van den blanken broeder aan de overzyde der zee?_
Wilt ge dat?
Of wilt ge dat de oude dorpspriester z'n hand zal leggen op het hoofd
van uw kind, en tot hem zeggen:
_Kom tot ons... zet u neder aan ons maal en neem uw deel van wat we
hebben... want ik heb uw vaderen gekend!_
En ten slotte, gy die zegt te weten dat er 'n onsterfelykheid is, en
'n oordeel... gy die predikt dat dit leven 'n tyd is van arbeid om
te geraken tot hooger staat... gy die beweert te gelooven dat u hier
'n veld is aangewezen ter bebouwing waarop eenmaal 'n oogst zal te
gaêren zyn, ryk of schraal naar de mate van uwen yver... u vraag ik
of ge beschaamd wilt staan op de vraag die eens zal worden voorgelegd
aan ieder Nederlander die _Indië_ zyn _eigendom_ noemde:
"WYS MY DE PLAATS WAAR GE GEZAAID HEBT."
Voor de mentaliteit van 't Nederland dier dagen is het teekenend,
dat dit stukje van den armen idealist f 1300 opbracht van de f 11000,
die ons land naar Java zond.
Dergelijke ondervindingen stemden D. D. bitter: hij vraagt zich af
of zijn woord tevergeefs heeft geklonken, of Nederland evenmin recht
wil doen als de Indische regeering. Door den geweldigen opgang, die
zijn boek had gemaakt, had hij de stemming zoowel ten opzichte van
zichzelf, als ten opzichte van den Javaan overschat.
Niet alleen de Indische regeering, ook de regeerende kringen van
Nederland, ook de burgerij, die in het onrecht berust, gaat hij
aanvallen. En hij verwacht veel van de jongeren en van de vrouwen. Hun
gezichtskring te verruimen, hun enthousiasme tot daden op te zweepen
wordt nu zijn doel. Vooral jonge meisjes ontvlammen in geestdrift
voor de idealen van Multatuli: ze bieden hem haar medewerking aan in
zijn strijd, zonder zich bewust te zijn, waarin die hulp zou kunnen
bestaan. Multatuli aanvaardt die hulp: die aanhankelijkheid doet hem
goed. Zoo ontstaan tal van vriendschappelijke verhoudingen, die in
vele gevallen amoureus getint waren. Tegenover hun omgeving is het
hun eerste taak Multatuli's persoon en denkbeelden te verdedigen en
als ze er toe in de gelegenheid waren hebben verscheidenen dezer
vriendinnetjes hem financiëel op royale wijze bijgestaan. In den
zomer van 1861 biecht hij aan Tine op dat hij vier amourettes heeft:
voor zijn werk heeft hij behoefte aan jongeren, die hem met groote
gehechtheid en overgave aanhangen.
Veel sympathie heeft hij gevonden bij de kinderen zijner overleden
zuster. De vader en stiefmoeder maakten zich al spoedig ongerust
over de enthousiaste vereering van de negentienjarige Sietske en haar
broertje voor de revolutionnaire idealen van hun oom.
In den cirkelgang van 't eentonig meisjesleven met zijn kleine plichten
en benepen vooruitzichten, viel Multatuli binnen als een meteoor. En
op hem heeft de geestdrift van dit jonge meisje in de opwinding en
toch betrekkelijke eenzaamheid van het hotelleven een groote bekoring
uitgeoefend. Zelf klaagt de negentienjarige over haar lot in deze
woorden: "Na 't zien van zoo'n tuin voel ik eerst regt hoe prozaisch
mijn dagelijks bleekveldje is... och, je begrijpt me wel! Maar
bekommer je daarover niet, want bij al die gêne en bekrompenheid
is er iets heerlijks: ik mag denken wat ik wil, ik mag droomen wat
ik wil, ik mag hopen wat ik wil, dàt kunnen ze mij niet verwijten,
dat kunnen ze mij niet ontnemen. Dáárin kan niemand mij dwingen!" en
later getuigt ze:... "Brieven en 't levende woord brachten me onder een
begoocheling die me bezielde met een geloof, dat bergen verzetten kon."
Steeds enthousiaster schrijft hij aan Tine over dit nichtje: Siet is
mijn oogappel, Siet inspireert me. Zij is de eenige persoon die ik
gebruiken kan als hulp om te schrijven, met Siet kan ik driemaal meer
voortbrengen dan alleen. Hoewel Tine reeds aan zijn "caprices" gewend
was, en hoewel haar stelselmatig werd voorgehouden, dat zij boven
een gewoon huwelijk verheven moest zijn, heeft deze verhouding tot
Sietske haar erg gehinderd. En hij kwam in een moeilijk parket, toen
't hoe langer hoe duidelijker werd, dat Tine niet dezelfde was als het
beeld van de ideale, alles begrijpende en aanvaardende vrouw, dat hij
in zijn brieven aan Ottilie, aan Sietske van haar had ontworpen. Zijn
vriendinnetjes dwepen dan ook met Tine, verscheidenen hebben bij haar
gelogeerd, en Sietske wil niets doen, dat Tine zou afkeuren. Hoewel
vervuld van Sietske, toch blijft Tine de eerste: "Je weet heel
goed dat ik dood ongelukkig zou wezen zonder jou, en je begrijpt
heel goed het onderscheid tusschen eene caprice en de verhouding
tusschen u en mij die oneindig inniger is," schrijft hij haar als
antwoord op een verdrietigen brief, waarin ze hem verwijt, dat Siet
hoogstwaarschijnlijk meer waarde voor hem heeft dan zij. Dergelijke
bezwaren vindt hij "klein en niet in harmonie met alles." Op zijn
aansporing gaat Sietske werken voor het examen voor onderwijzeres;
zij moet zich ontwikkelen om hem van dienst te kunnen zijn.
Sietske heeft zich door hare akten onafhankelijk gemaakt: ze heeft werk
gevonden in Engeland, later in Indië. Als ze in Amsterdam is blijft
ze haar oom helpen; hare vereering bekoelt, slaat om in antipathie,
en dan is haar sympathie voor Tine, die haar geregeld had geschreven,
toen ze in Engeland was: Tine begreep hoe ze daar met vele gedachten
alleen stond.
Onder den indruk van de hartstochtelijke vereering van Sietske is
in den zomer van 1861 zijn scheppingsdrang plotseling opgevlamd: in
enkele weken schrijft hij de _Minnebrieven_. Evenals in de dagen, dat
hij _Max Havelaar_ schiep, geniet hij van zijn eigen schepping. Aan
Tine schrijft hij: "Ik heb een stijl die ik zelf niet ken. Je zult
zien, muziek en onweer. Ik maak mij tot den eersten schrijver van
Europa.--Men erkent dat ik een omkeering maak in de literatuur. Ja,
omkeeren is mijn métier!"
De _Minnebrieven_ zijn in opzet en vorm ongelijk aan _Max Havelaar_,
en evenzoo zullen ook de _Ideën_ en de _Millioenenstudiën_ weer een
eigen vorm hebben. Ook in dit opzicht is Multatuli aan het _omkeeren_
geweest. Na al de geijkte genres geeft hij aan iedere uiting van
zijn geest een nieuwen vorm; _Max Havelaar_ was een roman, waarin
't romantisch verhalen met 't satirisch schetsen en pathetische
pleidooien voor recht met fellen hoon afwisselen.
De _Minnebrieven_ bestaan uit een reeks brieven, parabelen, politieke
stukken en beschouwingen, soms zeer persoonlijk, dan weer zeer
objectief van karakter: geen zijner werken beantwoordt zoozeer aan
Multatuli's ideaal van methode, n.l. de afwezigheid van alle methode
als dit boekje. Ieder onderdeel is de zuivere uitdrukking zijner
stemming geworden: deze wisselingen van stemming in zijn strijd om
recht, om vrijheid, die meer en meer een strijd werd tegen alle vormen
van gezag, waarin de levende geest ten doode toe bekneld was, spiegelen
zich in vorm en rhytme der minnebrieven af. De volle rijkdom van zijn
geest en van zijn taalgenie is hier ontplooid in hooge ernst, bitter
sarcasme en in zwevende, speelsche phantasieën. In dit schijnbaar
onsamenhangende en grillige geschrift zit toch lijn, het is beheerscht
door een gedachte: het vinden, verliezen en herwinnen van Fancy.
De scherpe tegenstellingen tusschen 't zachte en 't bittere in
zijn gemoed, zijn streven naar recht en zijn hoonen van alle gezag
vinden in Fancy, in zijn dichterlijk schouwen hun hoogere eenheid
en verzoening. Fancy geeft hem de kracht om de disharmonie in zijn
innerlijk leven te overwinnen.
De _Minnebrieven_ zijn geen _minne_brieven, of liever, 't zijn
vergeestelijkte minnebrieven. De liefde voor Sietske, de briefwisseling
met Sietske, de afkeer van haar stiefmoeder, zoowel als de liefde
voor Tine en de kinderen en zijn Indisch streven vormen er den
achtergrond van. Sietske is geïdealiseerd tot Fancy, maar Fancy doet
zich in haar brieven aan Max voor als een gewoon meisje, dat voor
haar examen leert, omdat hij anders te wolkerig schrijft, om begrepen
te worden door meisjes, die _niet_ in de wolken wonen. Daarom vraagt
Fancy aan Max om haar iets te _leeren_. Max biecht zijne zonderlinge
liefdesgeschiedenis aan Tine op en zij moedigt hem aan, want Fancy is
ook de steun in haar zwaar en moeilijk leven. Geboren uit de bekoring
door Sietske op hem uitgeoefend, is dit boekje toch een apotheose
voor Tine geworden: Tine wordt boven Max door Fancy tot vertrouwde
uitverkoren. En in de inleidende bladzijden blijkt het, dat Tine
Max' waarachtige Fancy is uit deze schoone passage: "Eene _vrouw_ is
niets. Niets bij de optelling van lasten, maar veel, oneindig veel,
ja _alles_, zoodra er sprake is van hulp en steun! Ik zou volstrekt
geen pleizier hebben in gebrek lijden, als ik m'n vrouw niet had...
O, ge weet niet hoe 'n vrouw liefheeft... ge kunt niet begrijpen,
met hoe groote woekerwinst zij den man de indrukken weergeeft, die
hij neerschreef in haar ziel! Kunnen de vrouwen het helpen dat zoo
vele mannen daarin niets wisten neer te schrijven? Kan men oogst
verwachten, waar niet gezaaid is... baring, zonder bevruchting?" En
als het lot den man neerbuigt door smart, dan toont de vrouw de
oogst van haar huwelijk als ze zegt: "Waarom weent ge? Hebt ge mij
niet een schat te bewaren gegeven? Zie, hoe ik gewoekerd heb met het
talent dat ge neerlaagt in mijn schoot. We zijn rijk, rijk in liefde,
rijk in adel! _Ik_ heb bewaard wat gij weggaaft! _Ik_ heb gespaard
en uitgezet met groote winst, wat door u werd verkwist! _Ik_ ben uw
_huishoudster_ geweest, ja, de huishoudster uwer _ziel_!"
Fancy is echter ook een verheerlijking van Sietske: maar Fancy is
nog meer, ze is het beeld van Multatuli's dichterlijke genius, ze is
het droomwezen, dat hem bezielt. Zijn dichtergemoed ziet dan ook in
meisjes, die hem enthousiast tegemoet komen, verschijningen van de
eeuwige schoonheid, van de poëzie. Maar als de betoovering breekt,
dan is weer een andere zijne Fancy, die hem inspireert: het is de
telkens terugkeerende ontgoocheling van een dichterliefde. Maar naast
die vluchtige Fancy-verschijningen heeft hij vasten steun voor zijn
ziel gevonden in de trouw van Tine, die in hem gelooft, en die in
hare groote liefde alles verdraagt. En Tine is in de _Minnebrieven_
geïdealiseerd tot de vrouw, die alles begrijpt en meevoelt en
goedkeurt, tot de vrouw, die Fancy smeekt haren Max te blijven steunen.
Uit de werkelijke brieven van D. D. aan Tine blijkt echter, dat
zij zich over deze "caprice" ongerust maakt, nu hij haar onomwonden
verklaard heeft, dat Sietske zijn Fancy is. Tot troost schrijft hij
haar: "Zonder dat ik er aan dacht ben jij in de M. B. de hoofdpersoon
geworden. Faber, de advocaat, merkte mij dat op (hij is heel fijn)
hoe ik door de dichterlijke verheffing van Fancy, ù in de hoogte
stak. (Dat is geheel natuur geweest en ik heb de waarheid gezegd als
een kind of dronken man.) Weet je hoe dat blijkt? Fancy is met u eigen,
intiem, identiek. Zij (de wil, de kracht, de energie, de fantasie)
zij is met u vertrouwelijk en mij fopt zij. Voor u is zij bondgenoot,
voor mij meesteres. U zegt zij de waarheid, met mij speelt ze." Maar
't is het tragische lot van de vrouw van den dichter geweest, dat Fancy
zich telkens voor hem openbaarde in andere, jonge vrouwen, terwijl
_zij_ voor hem de blijvende Fancy was... op den achtergrond. Deze
tweeledigheid in zijn liefdeleven tracht hij telkens haar te doen
begrijpen, maar ze kàn er niet in meeleven, ze kan het hoogstens uit
groote liefde... dulden.
De humor en de geestigheid der Minnebrieven hebben een tragischen
ondergrond. Ook in dit opzicht vinden we een scherpe tegenstelling
in de motieven.
Tot grappige misverstanden geeft Fancy's dubbelzijdig wezen
aanleiding. Ze is een huishouderig meisje èn tevens 't wezen van poëzie
en schoonheid, aan wie Max vraagt: "Wie zijt gij eigenlijk? Hoe heet
gij? Waar woont ge? Moet ik u zoeken in de wolken of in de straten
eener stad? Moet ik vragen aan de schildwachten die de poort bewaken:
hebt gij gezien wat mijne ziel liefheeft? Moet ik 'n tooverspreuk
uitvinden, om u te doen nederdalen van omhoog? Om u op te zweren uit
de diepte? Woont ge op 'n ster die stof is? Draait en slingert uwe
woning als de mijne, die onder heeft noch boven? Kunt gij de zon
zien, Fancy? Of, Fancy, _zijt_ gij de zon? Zijt gij 't middelpunt
der aarde, dat alles aantrekt... Maar, Fancy, dan is elke regendrup
een boodschap aan u! Dan is elke bliksemstraal die wegschiet in den
grond, een minnebrief aan u! Ja, ja, ik zal dezen brief neerwerpen
op de straten, en de voorbijganger zal meenen dat er onderschepping
mogelijk is, door 'n koperstuk te geven voor de bladzij... maar hij
zal zich vergissen... de bliksem zal 't niet toelaten... Schrijf
mij of hij terecht is gekomen? En zend mij 'n lok uwer haren,
Fancy... wanneer ge haren hebt als anderen... wat ik niet hoop!" En
dan komt het grappig contrasteerende antwoord van Fancy: "Ja, haren
heb ik wel, maar ik woon... neen, ik woon niet. M'n ouders wonen,
en ik ben bij hen. Doe in 't vervolg een postzegel op uw brieven. Ik
ben somwijlen schraal bij kas, en ge begrijpt dat er op onze begrooting
geen gelden worden toegestaan voor port aan minnebrieven." En ze klaagt
over haar huishoudelijke plichten, het rekken van lakens, die lang
genoeg zijn, het maken van anti-makassars, tegen haarolie, die ze niet
gebruiken. En Max antwoordt verdrietig dat hij met haar huishouderij
niet wil concurreeren. Tine dringt hem om Fancy vergeving te vragen,
want zonder Fancy kan hij niet leven. En weer schrijft Fancy hem:
ze _is_ een meisje, maar ze wil de zijne zijn... geheel-en-al, ze zal
hem aanhangen en hem doen overwinnen. "Maar vergeef mij intusschen,
dat ik maar een meisje ben, en leer mij een en ander, als het waar
is tenminste dat ge meer weet dan ik. Ik weet zeer weinig, en dit is
natuurlijk... door al die beddelakens. Is het waar dat kousenweven
is uitgevonden door de liefde? Hebt ge mij niet genoeg lief om 'n
machine uit-te-denken die _huishoudt_? Ach, m'n moeder is dood! Er
is geen poëzie in ons huis, alles is dor en droog en fatsoenlijk
en vervelend. Ik ben geestig maar kan hier niets uitvoeren met m'n
geest. En m'n hart is overkompleet."
Als Max haar iets zal leeren, begint hij haar de fout aan te wijzen,
die aan de gangbare wereldbeschouwing ten grondslag ligt: in "een kort
begrip van de leer der zaligheid" laat hij een scherp licht vallen op
al de ongerijmdheden in de leer van schepping, zondeval en verlossing.
Maar wie wil leeren, moet _zelf leeren begrijpen_: de grond van alle
misstanden steekt hierin, dat _gezag_ en _traditie_ heerschen in den
staat, in de samenleving, in den godsdienst, inplaats van redelijkheid.
Dat licht hij toe in een negental Geschiedenissen van Gezag: en
dit Gezag berust op kracht, list, bedrog, onwetendheid, geloof. Dit
zijn de bronnen van 't gezag van vorsten, opvoeders en ouders, van
priesters, van de publieke opinie en van den man over de vrouw. Overal
waar de redelijkheid, de gerechtigheid, de liefde uit menschelijke
verhoudingen verdwijnt, daar treedt onrechtmatig gezag in de plaats. De
verleugening van 't maatschappelijk en geestelijk leven zal Multatuli
ontmaskeren, door alle geüsurpeerd gezag te ondermijnen. In de eerste
plaats tast hij conventioneele deugd en Godsdienst aan. En als Fancy
dit troosteloos vindt wijst Max haar op _gezag_ door _liefde_,
op _welvaart_ door _rechtvaardigheid_, op _geluk_ door _deugd_:
_mensch zijn_ dat is alles!
Maar Max blijft twijfelen aan Fancy's meisjesschap: en hij vraagt
Tine, wie ze is, en Tine kent haar ook, al jarenlang. "Zij heeft
mijn leven heerlijk schoon gemaakt en ik wijt de schrale voeding
onzer kinderen niet aan haar, zooals gij meermalen deedt in buien
van onrechtvaardigheid." En Fancy geeft aan de kinderen dichterlijke
gedachtetjes en ze leert ze ook jokkentjes, en ze fluistert hun
moeder het juiste woord in, om hun hartjes te treffen, als ze uit
speelschheid een ander leed berokkenden. Maar Fancy beknort Tine,
omdat ze haar heeft verklapt aan Max: "Lààt hem zoo dom als-i is. 't
Is maar een _man_, hij die altijd roept: Ze is maar 'n _meisje_!" En
dan schrijft Fancy deze woorden aan Tine: "Ik zal u blijven steunen
in uw moeilijke taak, edele moedige verhevene vrouw... trouwe dappere
echtgenoot... sterke moeder... heldin! Ik zal blijven bij u, naast u,
in u! Ik zal u begeleiden tot de laatste ure, en die ure zal ik u zoet
maken door 't vóórhouden eener schilderij van uw rein leven, dat het
u zij als 'n spiegel van gelukkiger toekomst! Want ik zegge u hier,
wat ik nooit zeide tot _hem, U zeg ik dat gij onsterfelijk zijt_!"
Op Fancy's noodkreet, dat ze om de ontvangen minnebrieven gedreigd
wordt met 't verbeterhuis volgt een reeks brieven van nijdige
vaders, stiefmoeders, dominee's, kappellieden en ooms, die allen
even verbolgen zijn over Max' verdorvenheid. Door de aanvallen en de
laster van publiek, de armoede van zijn gezin en den tegenspoed met
zijn Indische plannen komt hij onder den druk der ellende, waardoor
hij de voeling met Fancy verliest. Zijn brieven aan Tine worden
zakelijk en als hij zich boven de sfeer van het proza verheft, wordt
hij cynisch. Hij zendt haar zijn brief aan den gouverneur-generaal,
allerlei gegevens ten bewijze dat de Javaan wordt mishandeld, en
een brief aan de kiezers te Tiel, waarin hij het stichten van een
derde partij aanbeveelt, die de meening zou voorstaan, "dat men den
Javaan niet moet mishandelen.". Ondanks Tine's noodkreten blijft
Fancy zich schuilhouden. Max blijft moedeloos: voor publiek kan hij
niet schrijven, maar wel voor Tine. Voor haar dicht hij drie bitter
cynische sprookjes: evenzoovele aanklachten, dat het publiek den
schrijver van _Max Havelaar_ niet _wil_ begrijpen, hem hoogstens prijst
om zijn mooien stijl: in de eerste parabel biedt een impresario aan de
moeder, die zoo mooi _gilde_ toen ze haar kind in 't water nasprong
om het te redden, een engagement aan bij 't theater; in de tweede
parabel wordt Chresos, die de beroovers van zijn dorp aanklaagde,
veroordeeld door den magistraat die met de roovers heult; en in de
_Kruissproke_ bereikt de verbittering zijn hoogtepunt. De tragedie
van Christus' dood is een feest geweest voor de Joden te Jerusalem,
een feest voor kinderen, die kruismannetje speelden, nog wekenlang,
een feest voor volwassenen belust op sensatie. Het lijden van den man,
die wèl deed, is een schouwspel, een amusement voor 't domme publiek,
dat van zijn streven geen flauw besef heeft. Maar tot dit domme publiek
hooren niet alleen de Joden uit Christus' dagen, Multatuli roept er ook
de mannen van handel en beurs en industrie, burgers en theologen bij:
ook voor hen is de kruistragedie slechts een vermaak, een schouwspel;
immers Christus _woorden_ praten zij na, zonder er naar te _handelen_.
De verbittering over de miskenning der zuiverste en hoogste bedoelingen
verjaagt Fancy uit zijn gemoed, zoodat hij verzinkt in het proza der
politieke propaganda. Maar dit kan hij niet verdragen, hij wordt ziek
en in ijlende koorts schrijft hij een brief aan Tine, waarin alle
motieven der Minnebrieven rhapsodisch verward terugkeeren, maar _in_
die dooreenhaspeling zit toch zin: "Ben je de moeder of de vrouw? Waar
zijn de kinderen? Zijn de kleertjes al verkocht? Hu, huup... waar is
je tulband? Zingt, kinderen, zingt, uw vader draagt het kruis! Dag
Schmoel... dag Nathan... dag Judas! Heb je Fancy gezien? Mee, mee,
allen mee... Jochébed, (in de Kruissproke tilde zij haar kind omhoog,
om het goed te laten genieten) wil je dien gouverneur-generaal wat
omhoog houden? Zwaar is hij niet! Geef hem 'n buffel... één, hoort
ge?" Max' herstel beteekent Fancy's terugkeer: hij herinnert zich de
keeren, dat hij Fancy in zijn leven ontmoet heeft: Fancy's goedkeuring
lichtte hem toe uit de oogen van een voorbijgangster, toen hij als kind
een goede daad verrichtte, hij vond haar terug in het jonge meisje,
dat hem om voorlichting vroeg, in de oogen van een werkman, die langs
zijn venster klom. En hij heeft nu van haar de zekerheid, dat zij
hem zal geven "den wil, later de kracht, in 't eind de overwinning."
In de maanden van inspiratie en van succes verwacht hij niet alleen
herstel van carrière, maar ook een volksbeweging, die hèm aan 't hoofd
van 't koloniale bestuur zal plaatsen: hij droomt met Sietske van het
keizerschap van Insulinde en Sietske beleefde in hare verbeelding al
de kroning te Buitenzorg. In deze stemming slaat hij den raad van een
goed vriend in den wind, om zijn eischen niet te hoog te stellen: door
de openbare sympathie zal het bestaan van zijn gezin nooit verzekerd
zijn en nu hoofd en richting van 't koloniaal bewind van richting
veranderd zijn, zou ieder 't in hem prijzen, zoo hij weer in dienst
trad. Zijn droomen van macht en hervorming hadden hem echter zoo in
beslag genomen, dat hij dezen practischen raad niet meer kon opvolgen.
Het succes van de _Minnebrieven_ was lang zoo groot niet als dat van
zijn eerste boek: dat leek nog op een roman, maar de kritiek wist met
de _Minnebrieven_ geen raad: enkele bladen prijzen de "verhaaltjes",
vele zwijgen.
De hoop om op Indische zaken invloed te oefenen geeft hem in datzelfde
jaar een brochure _Over vrijen arbeid in Nederlandsch-Indië_ in de
pen. Hij hoopt op den val van het ministerie en op de benoeming van
Rochussen, zijn beschermer, tot minister van koloniën; deze hoop is
verijdeld. Zeer helder zet hij uiteen, dat vrije arbeid van inlanders
moet leiden tot teugellooze exploitatie door industrieelen. En dat
deze veel meedoogenloozer zal zijn dan de knevelarijen onder het
Cultuurstelsel. Beide stelsels verduidelijkt hij door een teekenend
beeld: De _teugel_ door den gouverneur-generaal vastgehouden, die
onderverdeeld is in lijnen en koorden, die ten laatste elk individu
bereiken en in toom houden, is het beeld van het _gezag_. "Verander
al die lijnen in _buizen_, zet de twaalf-millioen dunne, twintigmaal
onderverdeelde bij-buisjes op de borst van twaalf-millioen Javanen,
breng 'n zuiger, 'n Hinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en
daarna...
_Pomp,_ _pomp_, _pomp_, zeg ik u. _Pomp_ voor den duivel... en voor
Nederland.--Dat is 't kultuurstelsel. Geef elken avonturier toegang
tot de machine, tot de hoofdbuis, tot de onderbuis, tot de kleine
nevenbuisjes... Vergun hem z'n eigen buizen, de buizen van de WelEdele
Heeren Droogstoppel en Consorten, te plaatsen op de borst van twaalf
millioen Javanen...
Laat hem boren dóór die borst, tot hij 't hart raakt... En dan... ja,
dan...
_Pomp_... _pomp_... _pomp_... voor den duivel... en voor de _vrije
arbeiders_..."
Niet in het stelsel zit de fout, maar in baatzuchtige toepassing. Het
liberale denkbeeld van vrije arbeid past niet in het inlandsch
gezagsysteem: het zal geen vrijwilligheid van den arbeid scheppen of
waarborgen. Nadrukkelijk waarschuwt Dekker zijn landgenooten, dat
Indië voor Nederland verloren zal gaan, "als Nederland niet zorgt,
dat den Javaan recht wordt gedaan".