Meer en meer gaat Multatuli inzien, dat Indië alleen gered kan
worden, door Nederland te redden van den leugen. Hij roept, wie nog
niet heelemaal zijn verleugend, op tot den strijd, tot het streven
naar waarheid. Indië geraakt eenigszins op den achtergrond en "de
naam Insulinde representeert voortaan (zijn) algemeen streven, als
Nasareth het Christus-idee."
In het politieke en het maatschappelijke leven, in zeden, opvoeding
en godsdienst zal hij den leugen aantoonen. Hij trekt te velde
tegen Droogstoppelarij in alle beteekenissen: d. i. "tegen al wat
op zedelijk, maatschappelijk en staatkundig gebied klein, gemeen,
bekrompen of benauwd is." (I. 403.)
Zijn levensomstandigheden blijven even onzeker; feitelijk heeft
hij vanaf 1860 van zijn pen geleefd, later ook van 't geven
van voordrachten, maar eerst tegen 1870 laat hij alle hoop op
herstel zijner carrière varen en neemt 't besluit schrijver te
worden. Verscheiden geestverwanten steunen hem met grooter of kleiner
bedragen. Maar 't is een bodemlooze put: het impulsief "weldoen"
kan hij nooit laten, als hij geld op zak heeft; zijn verblijf in
hotels kost schatten, en met de uiterste zuinigheid kan Tine niet
uit de schulden blijven. Zijn hoop is eerst gevestigd geweest op
een nationale inschrijving ten bate van Max Havelaar, op pogingen om
hem over zijn 17 dienstjaren pensioen te verleenen, maar er gebeurt
niets. Als zijn _Ideën_ opgang maken biedt hij zijn portret in 500
exemplaren voor f 10 of f 50 (met autograaph) te koop aan, om met die
som ter verwerkelijking zijner plannen een tijdschrift op te richten:
de geestverwanten laten hem in den steek.
Af en toe blijft hij enkele weken, een enkelen keer langer tijd bij
zijn gezin in Brussel. In den zomer van 1864 schieten een paar leden
van de "_Dageraad_", voor wie hij soms optrad, belangeloos eenige
kamertjes voor hem af op den zolder van zijn uitgever. Daar woont hij
anderhalf jaar, tot hij naar Duitschland vlucht, omdat hij tot boete en
gevangenisstraf veroordeeld was: hij had n.l. een schouwburgbezoeker,
die een actrice in tegenwoordigheid van haar kind bespotte, een
oorvijg toegediend! Als Tine hare wissels onmogelijk kan voldoen,
vlucht ze naar Amsterdam, naar de verlaten zolderkamertjes van haar
man en in een restaurant in de buurt bezorgde Dekker zijn vrouw en
kind het middagmaal op crediet.
In 1862 was hij begonnen aan de uitgave zijner _Ideën_; naar
aanleiding hiervan kwam hij in briefwisseling met Mimi Hamminck
Schepel, een zeer begaafd meisje uit een deftige, behoudende, Haagsche
familie. _Minnebrieven_ en _Ideën_ werden er niet geduld: van een
vriendin kreeg ze deze boeken te leen. Ze werd meegesleept en bezield
door Multatuli's strijd voor waarheid en recht: de troosteloosheid van
de geschiedenissen van gezag, het tragische van het martelaarschap
grepen haar aan, maar haar jeugdige geestdrift zette het leed om 't
onrecht om in bezielden moed. Haar begrijpend en meelevend enthousiasme
zijn voor den verkondiger der Ideën, een heerlijken troost en steun
geweest in zijn moeilijk leven. Heel spoedig groeit deze vriendschap,
uit geestverwantschap geboren, tot liefde: inniger en bestendiger is
deze liefde geworden, dan die voor Sietske en anderen. En Mimi heeft
een zwaren, moeilijken strijd te voeren gehad tusschen haar tot liefde
ontbloeide vereering voor Multatuli en haar plicht en liefde jegens
hare ouders. Deze kúnnen zich in de romantische liefdesopvattingen
niet indenken, nog minder invoelen. D. D. stelt Tine steeds voor als
de alles begrijpende, meevoelende vrouw; hij spoort Mimi aan hare
liefde aan zijn vrouw te bekennen. En om haar man tegen praatjes,
als zou zij een ongelukkige, verlaten vrouw zijn, te verdedigen, reist
zij met haar kinderen naar Den Haag om Mimi's ouders gerust te stellen;
't is haar gelukt, schrijft ze aan een vriendin, die familie het nobele
karakter van D. D. te doen begrijpen, en ze ervan te overtuigen,
dat het hooge enthousiasme van hun dochter wèl geplaatst was. Ze
voelt zich gelukkig anderen gelukkig te hebben kunnen maken en zelf
was ze beloond, doordat haar man over haar tevreden was. Na den dood
harer moeder gaat Mimi naar 't buitenland, later is ze onderwijzeres
aan de Arnhemsche kweekschool; ter wille van haren vader mijdt ze
D. D. Maar als deze armer en verlatener dan ooit in Duitschland
rondzwerft gaat ze naar hem toe, om tot het einde toe met en voor
hem te leven. En terwijl Mimi zijn tweede vrouw is, blijft hij naar
Tine en de kinderen verlangen: en dat is geen "literatuur", in zijn
romantische liefdesverhoudingen is hij oprecht, ja hij suggereert zich
zelfs, dat ook Tine hierin met hem meevoelt. Dit nu is het tragische,
dat Tine wel gepoogd heeft hem te waarschuwen, maar ten slotte nooit
krachtig _hare_ opvatting heeft gesteld tegenover de zijne: ze wilde
den prikkelbaren man sparen, ze wil als vrouw van een genie alles
offeren; ze weet zich als weinig vrouwen bemind, en ze verwijt zich
soms, dat ze zich niet genoeg verheffen kan tot zijn hoogheid van
ziel. Toen hij altijd bij haar was kon ze alle moeilijkheden dragen,
maar in hare eenzaamheid overmant haar de melancholie. Haar grooten
troost vindt ze in de kinderen en in hare vriendschap voor Stéphanie,
die ze als jong meisje te Brussel leerde kennen. Stéphanie was in
den vollen zin des woords Tine's Fancy!
Maar de romantische liefdesverhoudingen keurt ze af, ze kan er zich
niet mee vereenigen. Als ze weet dat Mimi bij haar man is, neemt ze
het besluit te trachten voor zich en de kinderen te zorgen: ze vraagt
hulp aan vrienden om naar Indië te gaan.
De pogingen van Van Vloten e.a. om haar aan een vast inkomen te helpen,
mislukken. Dan komt de uitnoodiging van Stéphanie, die met professor
Omboni gehuwd is, om in Italië te komen, als een uitredding. Door eigen
arbeid als gezelschapsdame, later als onderwijzeres, heeft Tine met
hulp van vrienden voor zich zelve en de kinderen gezorgd. D. D. doet
ook wat hij kan en eindelijk, in 1869, is er hoop op hereeniging van
het gezin. Door een erfenis is Mimi in staat in Den Haag een huis
in te richten: en daar neemt het gezin met Mimi hun intrek. Door
journalistieken arbeid was D. D. van een bescheiden vast inkomen
verzekerd.
Uit Tine's brieven aan Stéphanie blijkt het, dat dit jaar in Den Haag
haar alle illusies heeft benomen: de kinderen blijken van hun vader
vervreemd, die toch zoo veel van ze houdt. Ze is niet op haar gemak:
"waar alles onnatuurlijk is, ben ik niet mezelf", de verhoudingen zijn
allerverwardst en pijnlijk voor haar, want haar hart veroudert niet. Ze
bekent aan hare vriendin, dat ze Italië niet had moeten verlaten. Als
D. D. met Mimi voor eenige weken naar Duitschland is gegaan, reist
ze met de kinderen naar Milaan. Haar kinderen ontwikkelen zich
voorspoedig, haar zoon krijgt een betrekking in Venetië, waar ze bij
hem woont: en hier is ze, verzwakt door al het leed en de ontbering,
in 1874 gestorven.
Onder de definitieve scheiding van Tine en zijn kinderen heeft
D. D. blijvend geleden. Doordat hij zijn ideaal van vrije liefde
werkelijk heeft uitgeleefd, heeft hij groot leed gebracht over de
vrouw, van wie hij is blijven houden zelf heeft hij de kinderen
er door verloren. En de tweede vrouw, Mimi, heeft ten slotte ook
geleden onder zijn telkens opvlammende nieuwe neigingen. Wat Tine
voor hem is geweest in de Indische huwelijksjaren: de vrouw, die zijn
materieele bestaan verzorgt en daardoor ook evenwicht brengt in zijn
innerlijk leven, maar die in de eerste plaats met hem opgaat in zijn
geestelijke roeping,--dat is Mimi voor hem geweest in zijn laatste
twintig levensjaren.
Het ligt in den aard der omstandigheden, dat bij een vrij huwelijk
de vrouw den meesten moed toont: zij _breekt_ met maatschappelijke
opvattingen, die haar veel sterker bonden dan den man. En ze deed het,
niet in een eerste vlaag van dwepende vereering, maar na jarenlange
gedachtenwisseling en aanvankelijke weifeling. Maar toen eens haar
besluit genomen was om ondanks wet en conventie de uitspraak van
haar hart te volgen heeft zij trouw en standvastig haar liefdestaak
vervuld. "Ik vind uw leven het ideaal van een vrouwenleven," schrijft
haar eens een onzer eerste "geëmancipeerde" vrouwen! Zij weet in zijn
rusteloos bohêmeleven weer eenige rust en huiselijkheid te brengen:
logementen, waar hij anders maanden kon blijven hangen, heeten nu
de pest in zijn brieven en hij eet voor weinig geld eigenlijk beter
dan in een logement: op spiritus kookt Mimi hun potje! Met vertalen
en journalistiek werk tracht ze ook wat te verdienen. En dat sobere,
werkzame leven wordt overstraald door een geluk, dat ze aldus heeft
beschreven: "Ja, we waren zeer arm in Coblenz; maar in weerwil van
die armoede is de indruk die mij uit dien tijd is overgebleven een
indruk van rijkdom en heerlijkheid. We woonden er in één kamer in de
Rheinstrasse boven een banketbakker, Werner. De kamer was vriendelijk
en zindelijk maar uiterst eenvoudig ingericht. We hadden haar gehuurd
voor zes thaler 's maands. Maar op dat kanapétje aan die wrakke tafel
zat hij... _Multatuli_. Zijn positie was ellendig, maar dat kon niet
zoo blijven. Als hij zeide: Jou althans kan niemand mij afnemen! dan
was ik voldaan. Ik ook had zorg en smart, maar de grootte van zijn
leed hield mij staande en maakte mij moedig. Er was iets groots in
alles. We hadden ongelukken gehad en zaten daar als schipbreukelingen
op een rots. Onze eenzaamheid, de schoonheid der natuur, de groote
geschiedenis die wij zagen afspelen als een boeiend drama, 't was alles
aangrijpend. En dan met hem! Als uit een eeuwig frissche fontein zoo
welden zijn opmerkingen, beschouwingen, boutades uit zijn hoofd, uit
zijn hart. Zij kleurden en verlevendigden voor mij de gebeurtenissen
die reeds uit zich zelf zoo merkwaardig en ook in de zijdelingsche
lichten waarin wij ze zagen zoo pikant en bijzonder waren." (Brieven
VII, 103-104).
Een jaar na Tine's overlijden is het tweede huwelijk gesloten: een
bewuste concessie aan het verachte publiek, en een verstandige daad
ter wille van de twintig jaar jongere tweede vrouw, die al bijna
een tiental jaren zijn leven gedeeld had. Zelf noemt hij het "een
verdrietige noodzakelijkheid, omdat we niet onafhankelijk zijn van
de wereld."
Al heeft D. D. de laatste 20 jaar van zijn leven in Duitschland
geleefd, toch bleef hij in geregeld contact met Holland. Een enkele
maal tracht hij invloed uit te oefenen op de politiek; in 1867 "weert
(hij) zich als een oud konijn" om het ministerie te laten vallen,
maar in hoofdzaak tracht hij invloed te oefenen op den geest van
zijn volk. Verschillende vrienden zijn hem bijgevallen. Vosmaer is
vol bewondering en sympathie, met Van Vloten (die hem later bitter
zal grieven met zijn "Onkruid onder de tarwe", een scherpe kritiek
op D. D. als mensch en schrijver), Busken Huet, Tiele, den Vlaming
De Geyter, met Mina Krüseman e. a. is hij in schriftelijk verkeer.
Tusschen 1866-1869 bezorgde Huet hem een vast medewerkerschap aan
de _Opregte Haarlemmer Courant_: hij moest geregeld "kleurlooze"
berichten geven. Om eigen beschouwingen toch te kunnen plaatsen,
gaf hij deze als citaten uit een door hem gefingeerd blad de
_Mainzer Beobachter_. Toen dit den uitgever ter oore kwam, hield
zijn medewerking op. In verschillende bladen heeft hij bijdragen en
feuilletons gegeven; zoo verschenen _De Japansche gesprekken_, _De
Millioenenstudiën_: maar de lezers ergerden zich of begrepen het niet,
zoodat de redacties voortzetting niet aandurfden.
De vriendschappelijke relatie sedert 1871 met den uitgever Funke is
zoowel aan zijn werk als aan zijn financiën ten goede gekomen. Wel
was d'Ablaing, de eerste uitgever van de twee eerste bundels _Ideën_
een vriend en geestverwant, maar hij kon D. D. financieel niet genoeg
steunen, omdat hij zelf herhaaldelijk krap zat; zoo moest hij op
honorarium wachten, of kon geen voorschot krijgen, dat onmisbaar was,
om aan 't werk te kunnen komen. De verstandhouding met d'Ablaing,
die zoowel voor den schrijver als voor zichzelf voordeel beoogde
uit diens _Ideën_, leed hieronder: 't liep uit op wederzijdsche
beschuldigingen en verwijdering.
Funke daarentegen verlichtte door voorschotten en ruime honoraria
de geldzorgen, en verschafte D. D. "loisir" om te schrijven. Hij
waardeerde hem niet alleen als schrijver, maar wist ook zijn
eigenaardigheden te eerbiedigen. Zoo verschenen tusschen 1871 en 1877
herdrukken met aanteekeningen van de twee eerste bundels _Ideën_, die
in 1862 en 1864 waren verschenen. Tusschen 1870 en 1873 kwamen daar nog
bundel III-VI bij; bundel VII werd onderbroken door de zenuwspanning
na Tine's overlijden en kwam eerst drie jaar later gereed.
D. D. bleef in Duitschland wonen; eerst te Wiesbaden, na 1880 te
Nieder-Ingelheim waar de vader van hun pleegkind _Wouter_ ze in
staat stelde een huisje te koopen. Hier sleet hij zijne laatste, nu
zoo rustige levensjaren en overleed er den 19den Februari 1887. Ook
door de bemoeiingen van de aanbieders van het _Huldeblijk_ waren de
financiëele zorgen verlicht. Een som van f 20.000 werd bijeengebracht
en daarvoor werden lijfrenten voor D. D. en zijn vrouw gekocht. Ook
dit bewijs van Hollandsche waardeering heeft den grooten man bitter
gestemd bij alle dankbaarheid aan warme vrienden. "Het is die armzalige
taxatie die me grieft.--Ik ben wel voor een millioen uitgescholden
aan den eenen kant en voor even zoo veel in de hoogte gestoken aan
den anderen kant. Vrome tijdschriften verklaren dat ik God onttroond
heb.--Ik heb nu 't zelfde inkomen als toen ik 43 jaar geleden als
negentienjarig jongetje klerk bij de algemeene Rekenkamer te Batavia
was.--We weten nu wat toejuiching, opgang en Godonttroonen _in Holland_
waard is!" (Brieven X. 192-193).