Tusschen de daad van Lebak en het verschijnen van _Max Havelaar_
liggen vier jaren, jaren, waarin D. D. met zorgen en gebrek
geworsteld heeft. Alle moeite om een werkkring op Java te vinden
waren vergeefs. In zijn _Ideën_ vertelt hij hierover het volgende:
"Het lag in de rede dat ik pogingen aanwendde om in afwachting van
't herstel mijner verbroken carrière in 't leven te blijven. Terstond
alzoo meldde ik mij overal aan om werk, zonder iets te gering te
achten. Ik concurreerde met jonge lieden, met kinderen, met baren,
overal werd ik afgewezen. Men kan toch een op verzoek ontslagen
Adsistent-Resident niet aan klerks werk zetten. Bovendien ik was
te knap.
Ik geloof dat weinigen zoo bittere vruchten oogsten van hun
onbekwaamheid, als mij m'n knapte heeft opgebracht."
Ook zijn pogingen om een rijstpelmolen te huren mislukken. Zijn
brieven aan Tine worden somber en mistroostig. Het blijkt, dat de
familie van zijn vrouw hem tegenwerkt: zijn schulden zijn een welkom
wapen, vooral de schuld aan een paar tantes, die D. D. jarenlang met
belangrijke bedragen gesteund had, en van wie hij in zijn verloftijd
geld geleend had.
Zijn broeder Jan stelt hem ten slotte na een jaar vruchteloos zoeken
in staat naar Holland te reizen om daar te trachten weer in den zadel
te komen.
Om de vele schulden in Holland tijdens zijn verloftijd gemaakt
durft hij daar niet terug te keeren. Zoo reist hij langzaam: blijft
eenigen tijd te Marseille, in Duitschland onderweg beleeft hij tal van
avonturen: soms is hij slechts toeschouwer, maar vaak ook treedt hij
op als redder. In zijn later werk vinden we talrijke herinneringen
aan deze periode, o. a. de geschiedenissen van Adèle Pluribus en
de Sainte Vierge. Hij beleeft veel en hij schrijft. Indië laat hem
niet los: in Kassel sluit hij een innige vriendschap met Ottilie,
voor wie hij _Saidjah's lied_ in het Maleisch, en het Duitsche vers:
_Mein Kind da schlägt die neunte Stunde_ dicht. Later schrijft Ottilie
hem, hoeveel stukken in _Max Havelaar_ ze herkend heeft.
In het najaar van 1857 komt hij te Brussel aan. Daar leefde hij in
een kleine herberg, waar zijn broeder bij zijn terugkomst uit Indië
een maandenlangen achterstand voor hem aanzuiverde.
Daar schrijft hij in het begin van 1858 zijn langen brief aan
Duymaer van Twist, een brief, dien hij pas na de verschijning van
_Max Havelaar_ in 1860 heeft uitgegeven. In dezen brief schetst hij
uitvoerig de gebeurtenissen die tot het aanklagen van den regent
en tot zijn ontslag nemen hebben geleid: hij richt zich tot Van
Twist als mensch tot mensch, legt hem de nood van zijn gezin bloot,
deelt hem mede, dat 't hem nog niet gelukt is een ander middel van
bestaan te vinden, zoodat "de schipbreuk van m'n leven totaal is. Ik
ben armer dan de armste daglooner. Het papier waarop ik schrijf
is geborgd. Meermalen heb ik geen plaats om het hoofd ter ruste
te leggen. Mijn vrouw en kinderen heb ik moeten opdragen aan het
medelijden mijns broeders." Hij vertrouwt op Van Twist als eerlijk
man, hij moge geen Gouverneur-generaal meer zijn, hij herinnert hem
er aan dat het geweten niet afhankelijk is van verplaatsing of ontslag.
Hij eindigt zijn brief met het verzoek zijn stuk met bijdragen
(hierbij zijn stukken, die hij geweigerd had aan den resident van
Bantam over te leggen) aandachtig te lezen, om hem naar aanleiding
daarvan te steunen in zijn pogingen om _op de meest eervolle_ wijze
weder te mogen intreden in Nederlandsch-Indischen dienst. En hij
besloot den brief met de fiere woorden: "Maar, Excellentie, anders
dienen dan ik diende te Lebak, kan ik niet."
Op dezen brief kwam geen antwoord.
In het voorjaar van 1858 komt Tine met de twee kinderen in Europa:
een paar maanden na Dekkers vertrek uit Indië was Nonnie geboren. Zij
ontmoeten elkaar in Luik, maar het wordt een kommervol samenzijn. Ten
einde raad aanvaardt Tine met de kinderen van uit Antwerpen de reis
naar Den Haag, naar hare zuster, zonder een cent op zak. Een herbergier
in Rotterdam, dien haar man uit zijn verloftijd kende, schiet haar 't
geld voor om de boot vanaf Antwerpen te kunnen betalen, haar zuster
scheept haar af met een maal eten en f 20, waarvoor ze kan reizen
naar haar zwager Jan, die te Brummen een buiten had betrokken. Daar
vindt ze voorloopig een thuis. Het rampzalige leven vol armoede en
onzekerheid is ook voor háár begonnen; voor haar was dit nog moeilijker
dan voor haar man, omdat op haar de zorg voor de twee jonge kinderen
rustte. Maar alle ontberingen en zorgen en het ontzenuwende wachten
op het slagen van zijn pogingen, heeft ze met heldhaftig vertrouwen
op zijn goed recht, op zijn genialiteit gedragen. In de eerste jaren
van Dekkers literair succes, als uitzicht op herstel zijner carrière
telkens wordt gewekt om weer te worden teleurgesteld, worden beider
financieele zorgen verlicht door de hoop, dat weldra recht gedaan
zal worden, zoodat ze hun schulden betalen en onbezorgd zullen
kunnen leven.
Van het vertrek van Lebak af heeft Tine een vast vertrouwen gehad in
de groote begaafdheid van haar man. Eéns vertrouwde zij, zou hij zich
uiten, zou openbaar worden _wie_ haar man is.
Maar de familie deelt dit geloof niet: hare zuster dwingt haar tot
het schrijven van een brief, waarin ze verklaart zich van hem af te
scheuren en dat ze als vreemde menschen ieder hun weg moeten gaan. En
haar zwager Jan juicht het plan toe, dat zij in Indië zal trachten
zich een positie te scheppen. Dekker trekt weer naar Brussel, diep
terneergeslagen door hare brieven: in een herberg, waar hij een jaar
tevoren had gewoond en zich goede vrienden had gemaakt wordt hij met
open armen ontvangen. Om geld wordt hij er niet lastig gevallen. Hij
koopt een lampje om 's avonds te schrijven: vele brieven schrijft
hij er aan Tine, en dan neemt hij zijne schrijverij weer op. _De
Eerlooze_ wordt overgewerkt: hij hoopt een contract om stukken te
leveren als het slaagt. Daar hij later misschien weer in betrekking
zou kunnen komen, wil hij zijn naam niet op de affiches hebben en
hij noemt zich _Multatuli_. Het stuk moet dien naam bekend maken,
want hij wil zich een kring scheppen, die zijn partij zal opnemen in
de kwestie van Lebak.
Dit plan neemt einde September vaster vormen aan. Hij zal een boek
maken en dat boek moet er hem bovenop helpen: hij "zal de lezers
aangrijpen, zooals ze nooit aangegrepen zijn." Het is in den vorm van
een vertelling, een roman, schrijft hij aan Tine, maar de regeering
"zal het moeten opvatten als een beroep aan het Nederlandsche volk
tegen alle de beroerdheden van het bestuur."
Van den beginne af is zijn bedoeling tweeledig: zichzelf er boven op
helpen en tevens opkomen voor het recht van den inlander. Dit was ook
de grondtoon van zijn brief van 1858 aan den Gouverneur-Generaal in
ruste, het zal de grondtoon blijven van _Minnebrieven_ en _Ideën_. Hij
vereenzelvigt zich met den inlander; door zijn principieele ontslagname
heeft hij _zijn_ zaak en die van den inlander onverbrekelijk verbonden:
te "strijden voor die arme verdrukten (heeft hij zich) voor roeping
gekozen."
Binnen een maand is het boek af: wel bekroop hem dikwijls twijfel
aan de waarde van zijn werk, maar tenslotte houdt de vreugde in zijn
werk de overhand. Juichend schrijft hij 13 October 1859, dat zijn
boek af is!
D. D. heeft een goeden kijk op zijn boek gehad: inderdaad maakte het
hem in enkele maanden tot een beroemd man. Het viel niet alleen buiten
alle in Holland beoefende genres, ook de strekking was nieuw. Tendens
romans waren ook in ons land tot vervelens toe geschreven; nooit
echter was uit verontwaardiging en geestdrift een kunstwerk geboren
van zoo zuiver gehalte als de _Max Havelaar_. Het houdt in geen
enkel opzicht verband met de Hollandsche letterkunde van den dag;
het beteekent een nieuw tijdperk in onze letteren. Geen wonder. Waar
de schrijver zich geestelijk buiten Hollandsche invloeden om had
gevormd en bij voorkeur genoot van de groote geesten der Europeesche
Romantiek. Geen slaafsch navolger werd hij van Rousseau noch van Heine,
van Scott noch van Victor Hugo. Het typisch Hollandsche leefde ook
in hem: de geest van Wolff en Deken is verwant met den zijne. Maar
hij had in Indië ruimer leeren voelen en denken, dan in het Holland
dier dagen gewoonte was. Zijn scherpe satire, zijn fonkelende humor,
zijn gloeiende verontwaardiging klonken als ongekende klanken in de
aan bezadigder uitingen gewende Hollandsche ooren. Koloniale kwesties
waren nog nooit tot het terrein der letteren doorgedrongen. En nu
deed dit meesleepende boek alle Hollandsche harten opeens opengaan
voor de arme Javaansche bevolking.
_Max Havelaar_, evenals alle werken van Multatuli, is een boek
van scherpe tegenstellingen: met meesterlijken humor weet hij
deze tegenover elkaar te stellen, zoodat de eigenaardigheden van
beide kanten elkander scherp belichten. In het eerste hoofdstuk al
Droogstoppel en Sjaalman. Het heele boek is gebouwd op de tegenstelling
tusschen den nuchteren zakenman, voor wie Indië met zijn cultures
louter een complex geldelijke belangen vertegenwoordigt, en den
mensch, Max Havelaar, die in de bevolking van Insulinde menschen en
broeders heeft gevonden, die onder bitter onrecht gebukt gaan en die
hij helpen wil.
Batavus Droogstoppel is het kostelijk type van den nuchteren Hollander,
voor wie niets bestaat buiten zijn zakenwereld en geldmaken, dan een
stel conventioneele begrippen over fatsoen, moraal, godsdienst en
politiek. Door zijn nuchterheid is hij ongevoelig voor geestelijk
en artistiek genot, maar ook het onechte en opgeschroefde van
sentimenteele romans en verzen, van rhetorische vaderlandsliefde
bespeurt hij onmiddellijk: zoo kan zijn kritiek soms goed raak
zijn. Hij waardeert zijn medemensch naar zijn materieel succes in de
wereld: geestelijke rijkdom kan hij niet waardeeren. Als hij zijn ouden
schoolmakker Sjaalman ontmoet, heeft hij spijt over de hernieuwde
kennismaking als hij diens kale kleeren te laat opmerkt. Zijn
ouden rijken schoolmakker vraagt Sjaalman om hulp voor het uitgeven
van een boekdeeltje: makelaar in verzen, zucht Droogstoppel. Hulp
hierbij komt opdagen in den persoon van een Duitsch volontair op
zijn kantoor: Ludwig Stern. Deze is romantisch en sentimenteel; hij
brengt Droogstoppels dochter 't hoofd op hol met verzen van Heine,
waarvan Droogstoppel een vermakelijke analyse zal leveren. Stern zal
een boek samenstellen uit de gegevens van Sjaalman's pak en om de
soliditeit te verhoogen lascht Droogstoppel af en toe een hoofdstuk in.
De tegenstelling Sjaalman--Droogstoppel beheerscht zoodoende het
heele boek: de tegenstelling Hollandsche rijkdom--Javaansche ellende
wordt steeds scherper belicht. De schuld hiervoor treft de regeering,
die het uitzuigen der inlandsche bevolking door inlandsche grooten
en Hollandsche ambtenaren en industriëelen duldt. Het optreden van
Havelaar is een doorloopende aanklacht tegen het koloniaal bewind. De
voorschriften, de reglementen zijn voortreffelijk, maar de toepassing
bederft alles. Tegen den ambtelijken leugen komt Havelaar op. Hij
brengt de tegenstelling aan het licht tusschen theorie en praktijk
in koloniaal bewind, tusschen den _ambtenaar_ en den _mensch_: en
hij is het slachtoffer, de martelaar zijner overtuiging.
De geschiedenis van Havelaars ambtenaarsloopbaan en van 't gebeurde
te Lebak wordt meegedeeld door Stern, een bewonderaar van Heine:
niet de nuchtere, kritische Droogstoppel, maar de romantische Stern
verhaalt de gebeurtenissen.
Dit is een bekentenis, zij het dan een ongewilde: Havelaars carrière
is die van D. D., maar romantisch getint wat de bizonderheden aangaat:
het ravijn achter Havelaars erf bestaat niet, de toespraak tot de
hoofden van Lebak is nooit gehouden, de verre nachtelijke tochten
heeft D. D. niet ondernomen. Daar hij in die streek onbekend was met
de wegen, zoowel als met de taal, terwijl hij zich buitengewoon slecht
kon oriënteeren, is dat een onmogelijkheid.
Bovendien, zoo hij werkelijk zoo'n tocht had gemaakt, alléén in den
tropischen nacht, dan zou de beschrijving er van zeker niet ontbroken
hebben in Sjaalman's pak! Zijn voorganger echter maakte wel zulke
excursies: het was een volkomen geoorloofde dichterlijke vrijheid,
om ze op Havelaars rekening te stellen.
Slijmering is niet het portret van Brest van Kempen, den resident van
Bantam: Slijmering is geworden tot het type van den door D. D. gehaten
_ambtenaar_, ook is Dekkers voorganger niet vergiftigd, al was
hij zelf vast overtuigd van het tegendeel. En zelf erkent onze
schrijver, dat Saïdjah geen historische persoon is, dat hij die
inlandersliefde sterk idealiseerde. Deze idylle berust niet op diep
meeleven met den inlander, het is "literatuur": deze aandoenlijke
geschiedenis van de verstoorde liefde van twee reine jonge kinderen
in de tropen behoort tot de sfeer van _Paul et Virginie_. Zoo dicht
de van conventie afkeerig geworden Europeaan zijn liefdesverlangen
om tot de geschiedenis van _natuurmenschen_. Saïdjah's lied onder
den ketapan heeft D. D. gedicht onder den indruk van zijn romantische
liefde voor Ottilie te Cassel, niet in de tropen! Maar al blijkt het
uit allerlei gegevens, dat _Max Havelaar_ nauw samenhangt met de
Europeesche literatuur, dat allerlei episodes verdicht zijn, toch
tast dit in geenen deele de strekking van het boek aan. Hiertegen
waarschuwt de schr. in deze woorden:
"En aan sommigen die misschien beweren dat ik _Saïdjah_ en zyn liefde
heb geïdealiseerd, moet ik vragen hoe ze dit weten kunnen? Slechts zeer
weinig Europeanen immers achten het de moeite waard zich neertebuigen
tot waarneming der aandoeningen van de koffi- en suikerwerktuigen die
men 'inlanders' noemt. Doch al ware hun aanmerking gegrond, wie zulke
bedenkingen aanvoert als bewys tegen de hoofdstrekking van mijn boek,
geeft mij een groote zegepraal. Want ze luiden, vertaald, 'het kwaad
dat gij bestrydt, bestaat niet, of niet in zoo hooge maat, _omdat_
de inlander niet is als uw _Saïdjah_... er ligt in de mishandeling
der Javanen geen zoo groot kwaad als daarin liggen zou wanneer ge uwen
_Saïdjah_ juister geteekend hadt. De Soendanees zingt zulke liederen
niet, bemint zoo niet, gevoelt zoo niet, en dus...'
"Neen, Minister van Koloniën, neen, Gouverneur-generaal in ruste,
niet dàt hebt gij te bewijzen! dat de bevolking niet mishandeld
wordt, onverschillig of er sentimenteele _Saïdjahs_ onder de bevolking
zyn. Of zoudt ge durven beweren buffels te mogen stelen van lieden die
_niet_ beminnen, die _geen_ droefgeestige liedjes zingen, die _niet_
sentimenteel zijn?"
Havelaar komt in Lebak met het vaste voornemen met de ambtelijke sleur
te breken en zijn ideaal van rechtvaardig bestuur door te voeren;
hij zal de redder zijn van de geknevelde inlanders, die zich aan
hem toevertrouwen. En als hij genoodzaakt is zijn ontslag te nemen,
dringen de stumperds zich om hem heen, met moeite beweegt hij ze rustig
naar hun dessa's terug te keeren, al zijn welsprekendheid is noodig
om oproer te voorkomen... Ook dit is fictie, al meende D. D. vast
en zeker dat het werkelijkheid was; nooit heeft hij begrepen, dat
hij het tragisch slachtoffer van de veete tusschen regent en djaksa
geworden is. Hij _voelde_ in zich den drang den inlander te bevrijden,
en hij meende, dat deze dat besefte, hem daarom aanhing en vertrouwde;
zijn idealisme, zijn ijdelheid waren hierdoor gestreeld. Ook deze
menschelijke zwakheden hebben meegedaan, maar wie deze alléén wil
laten gelden, doet èn aan het boek en aan den persoon van D. D. groot
onrecht. Menschelijke daden moeten als een mengeling van het groote
èn kleine begrepen worden. Dekker heeft zich de beschermer der
bevolking _gevoeld_; dat is de realiteit, waardoor de daad zijner
ontslagname gedragen wordt. De inlanders hebben hier niets van beseft,
't is totaal aan hen voorbijgegaan. D. D. is in Lebak vergeten,
maar de regent wordt er als een heilige vereerd. En desondanks,
omdat zijn gevoel zuiver en zijn verontwaardiging echt waren, is zijn
aanklacht verstaan en tot hart en geweten van het Nederlandsche volk
doorgedrongen, zuivere menschenliefde overstraalt alle menschelijke
zwakheden, en stempelt de daad van Lebak tot iets groots.
Het machtig idealisme van Havelaar is boven de tegenstelling
van Hollandsche geldzucht en inlanderslijden uit; hij ziet de
verzoening. Maar dan moet Holland zich herzien: 't enghartig fatsoen,
het conventioneele geloof moeten tot menschelijker opvattingen worden
vernieuwd. De uitbuiting van mensch door mensch, van volk door volk,
moet plaats maken voor het besef van recht en rechtvaardigheid, door
de Fransche revolutie in Europa gewekt; de uitbuiting zal verdwijnen
wanneer de verteedering des harten en de verbroedering aller menschen
door Rousseau en de romantici gepredikt, ook het Hollandsche volk in de
ziel zullen grijpen. Deze wereldbeschouwing heeft Havelaar in praktijk
gebracht: hij is in Indië gestuit op de ambtelijke sleur, in Holland
op droogstoppelig eigenbelang, op conventioneele levensbeschouwing.
D. D. de eervol ontslagen ambtenaar, heeft geen succes gehad, toen
hij zijn zaak bracht voor het Nederlandsche volk, maar _Max Havelaar_
heeft het op den duur gewonnen. Dit gloedvol geschreven boek opent
niet alleen een nieuw tijdperk in onze letteren, maar ook in onze
koloniale geschiedenis.
In de zaak van Lebak is recht gedaan, al is 't dan niet gebeurd op
de eclatante wijze, als D. D. gewenscht had. Eenige mindere hoofden,
w.o. de dief van Saïdjah's buffel, werden afgezet en de regent kreeg
een scherpe vermaning: de man was _te_ gezien bij de bevolking,
dan dat de regeering hem krasser dorst aanpakken!
"Het zal als een donderslag in het land vallen," voorspelt hij aan
Tine. En hij draagt het op aan zijne trouwe lieve Tine met enkele
ontroerende Fransche zinnen, over het zware lot van de vrouw van
een dichter.
Onder het overschrijven, op een onverwarmd kamertje in October-en
Novemberkou, krijgt hij hoe langer hoe meer pleizier in zijn boek:
"'t is een geheel nieuw genre, dat op niets lijkt,--'t lijkt: op mijn
toasten. Humor, gevoel, scherpte, alles dooreen, men weet niet of men
lachen of schreien moet." Zijn tooneelstuk vindt hij heel kinderachtig,
maar door het boek zal hij in drie maanden de held van den dag zijn.
In schrijven krijgt hij pleizier: hij hoopt van letterkunde te
kunnen leven!
Door bemiddeling van een broeder van het rozekruis, een tak van de
orde der Vrijmetselaars, kwam het manuscript in handen van Jacob van
Lennep, den toen zoo populairen romanschrijver. Als hij het gelezen
heeft is hij vol geestdrift over _Max Havelaar_. Door zijn broeder Jan
wordt D. D. in staat gesteld in Holland te komen om over de uitgave te
onderhandelen. Hij is in tweestrijd welken kant uit te gaan: in Holland
schrijver te worden, of een betrekking in Indië te aanvaarden. Maar
dan wil hij minstens resident worden en de Ned. Leeuw krijgen! Zijn
hart gaat uit naar het auteurschap--hij heeft wel honderd boeken
in zijn hoofd, zijn schulden wijzen hem naar Indië! Maar dit zijn
voorloopig nog vage toekomstverwachtingen.
Van Lennep vindt het boek "bliksems mooi", maar ook zéér
gevaarlijk. Hij wil trachten de uitgave te voorkomen. En D. D. blijkt
hiertoe te vinden, mits hij weer benoemd wordt, zoodat zijn benoeming
een rehabilitatie is: ze moet een politieke beteekenis hebben.
Al zijn invloed van conservatief kamerlid wendt Van Lennep bij
den minister aan om D. D. een betrekking te bezorgen ten einde het
verschijnen van het opzienbarende boek te voorkomen. Hij gebruikt zelfs
dit boek, om het ministerie te dwarsboomen met zijn spoorwegplannen,
die voor Amsterdam niet voordeelig zijn. Door de politieke besprekingen
en het enthousiasme van Van Lennep, begon Dekker hooger eischen te
stellen: niet resident, neen Raad van Indië wil hij worden: en Van
Lennep ondersteunt zijdelings ook dezen eisch bij den minister. Meer
dan een eervolle, onafhankelijke en winstgevende betrekking in
West-Indië wil de minister echter niet aanbieden en dit wijst
D. D. hooghartig van de hand.
Door de politieke actie van Van Lennep gesterkt, meent hij iets beters
te kunnen krijgen, als zijn boek verschijnt. De minister is minder
bang hiervoor, dan Van Lennep, die het veiliger vindt, dat D. D. in
Indië handelt, dan in Holland spreekt.
Rochussen zinspeelt echter op diens minder goede reputatie, maar
Van Lennep weerlegt flink al deze lasterpraatjes: het is hem bekend,
dat zijn broeder hem steunt, hij heeft de aandoenlijkste bewijzen,
dat zijn vrouw hem innig aanhangt, en de tantes, aan wie hij geld
schuldig is, had hij te voren mildelijk geld gegeven. Er blijft dus
niets over van de verhalen, dat hij tantes oplicht en dat zijn vrouw
van hem wil scheiden; het eenige, wat men tegen hem kan inbrengen is
zijn excentriciteit en zijn schulden. Van Lennep was zeer onder de
bekoring van D. D.'s boek en persoonlijkheid, maar dit verhinderde
niet, dat hij als behoudend, aristocratisch Hollander het gevaar,
dat hij van een openlijk optreden duchtte, wilde neutraliseeren. Wel
wil hij de regeering inlichten en aansporen om recht te doen, maar van
volksopwinding is hij afkeerig. Als de minister niet geneigd is een
post in Oost-Indië aan te bieden zal de _Max Havelaar_ gedrukt worden.
Als de gevreesde spoorwegwet is afgestemd, heeft Van Lennep het boek
niet meer noodig als politiek wapen. Hij vreest voor de uitwerking van
dit geestelijk buskruitvat en hij doet wat hij kan om de uitwerking
te verzachten. Hij stelt D. D. door een ruim voorschot in staat zich
met zijn gezin in Brussel te vestigen en zorgt zelf voor de uitgave.
In Mei 1860 verschijnt _Max Havelaar_ en maakt een buitengewonen
opgang. De schitterende litteraire vorm wekt bewondering--de
geschiedenis der mishandelde inlanders ontroering.--D. D. reist naar
Holland. Uitgevers, journalisten, politici verdringen zich om hem. En
hij merkt spoedig, dat aan de uitgave te weinig publiciteit wordt
gegeven, dat de prijs te hoog is, dat er veel te weinig exemplaren
naar Indië worden gestuurd. Voor zijn _zaak_ acht hij een volksuitgave
dringend noodig, maar hiervoor is Van Lennep niet te vinden en nu
blijkt het hem, dat Van Lennep zich als eigenaar van zijn boek
beschouwt. Op handige wijze had deze aan den niets vermoedenden
schrijver een briefje weten te ontlokken met de verklaring dat
hij "het kopyregt over _Max Havelaar_ aan Mr. J. van Lennep had
afgestaan." D. had alleen _bedoeld_ zijn weldoener in staat te
stellen met een uitgever te accordeeren, maar Van Lennep meende aan
de rust van het land verplicht te zijn op grond van het briefje in
vol vertrouwen geschreven _zijn_ eigendomsrecht op D. D.'s boek te
handhaven, tot zelfs voor het gerecht toe, en D. D. te verhinderen
een volksuitgave het licht te doen zien. Deze eigengerechtigde
handelwijze kwam voort uit vrees voor onrust, voor volksbewegingen:
zeer merkwaardig is het, dat Van Lennep dezelfde volksuitingen vreesde,
die D. D. hoopvol verwachtte van zijn boek. Van het eerste oogenblik
af heeft Van Lennep D. D. als "een gevaar" beschouwd, dat hij zal
trachten te neutraliseeren. Onder zijn enthousiasme verborg hij een
dubbelhartigheid die hem tot de onverdedigbare daad heeft verleid,
zich tusschen een auteur en zijn werk te plaatsen. De tegenwerking
van den man, in wien hij zijn eersten helper had meenen te vinden
heeft D. D. diep gegriefd en bitter gestemd.
Als de regeering laks blijkt, is juist al zijn hoop op een
volksbeweging gevestigd: en in het algemeen enthousiasme meende hij
het begin daarvan te beleven. Van Lennep's tegenwerking heeft deze
illusies vernietigd en een verbittering in zijn gemoed gewekt, die
zijn verder leven vergiftigd heeft. Uit zijn houding tegenover Van
Lennep blijkt zijn onevenwichtigheid: eerst weigert hij hooghartig
geld voor _Max Havelaar_ in ontvangst te nemen, maar gebogen door
geldgebrek, vraagt hij enkele jaren later om die som: "Mijne vrouw en
kinderen lijden gebrek!" En Van Lennep is dadelijk hiertoe bereid,
mits D. D. openlijk de beschuldiging terugtrekt, als zou hij, Van
Lennep, op zijn boek hebben gespeculeerd. En hij doet het en dankt
Van Lennep nog voor den innemenden toon van zijn brief... Op meer
dan gerechtvaardigde verontwaardiging volgde een onware en daarom
onwaardige beschuldiging in de _Ideën_, in _Over Vrijen arbeid_, en
daarop dit haast onderworpen-vriendelijke briefje. Wel is D. D. een
vat vol tegenstrijdigheden.
Zijn zenuwgestel is door deze geschiedenis zeer geschokt: eerst de
afwachting, daarna de opwinding over het succes van zijn boek en toen
de woedende verontwaardiging over den afloop van het proces over 't
auteursrecht, hebben zijn zenuwen tot het uiterste gespannen. Daarbij
komt, dat hij de rust zijner huiselijke omgeving mist, daar hij
steeds meer een zwervend leven gaat leiden. Het geregeld verblijf in
hotels en koffiehuizen en het impulsieve weldoen verslinden bovendien
veel geld, zoodat geldzorgen, ook in tijden, dat hij met schrijven
verdient, aan de orde van den dag blijven. Met korte tusschenpoozen
van enkele maanden, soms slechts van enkele weken, leeft hij van
Tine gescheiden. In den verloftijd en later op de langzame terugreis
uit Indië ontwikkelt zich bij hem een onweerstaanbare drang tot
het bohême-leven. Vast werk heeft hij niet; de pogingen tot herstel
zijner carrière, de besprekingen voor de uitgave zijner werken en de
propaganda zijner denkbeelden houden hem telkens vast in Holland. Door
geldgebrek, spanning en teleurstelling wordt herhaaldelijk zijn
stemming om te schrijven gebroken.
Tine blijft in Brussel, daar kan ze goedkooper leven, daar verbergt
ze liever haar armoede. Maar hierdoor ontglipt haar ook den zachten,
maar heilzamen invloed, dien ze op haar man uitoefende. Uit
beider brieven spreekt een roerende liefde, die sterk blijft in
allen tegenspoed. Met een heftig temperament als het zijne, zijn
botsingen niet uitgebleven: hij kan haar soms bittere verwijten
doen, als hij in een slechte stemming is. Maar door haar zachtheid,
haar enthousiasme voor zijn denkbeelden en zijn levenstaak, wordt
hij telkens ontwapend. Hij biecht haar alles op: ook zijn amoreuse
avonturen. Zijne bekentenissen, dat hij "verliefd" is, gaan echter
steeds gepaard met de warmste verzekeringen zijner trouwe liefde
voor haar. Hij wil zichzelf èn haar suggereeren, dat ze boven een
gewoon huwelijk staan, dat zij boven jaloezie verheven is. Maar Tine
valt het moeilijk in deze verhoudingen mee te voelen met haar man:
hare afkeuring is tusschen de regels harer brieven door te lezen. Het
is dat rotsvaste vertrouwen op zijn genie, dat haar geduld en moed
heeft gegeven gedurende de moeilijke jaren te Brussel. Tine heeft
niet alleen met geldgebrek te kampen, maar ook met de lasterlijke
praatjes harer rijke, orthodoxe familieleden. Deze vinden haar man
met zijn schulden en zijn avonturen, die sterk vergroot en verdraaid
worden rondverteld, compromittant. Dit temeer, als hij in geschriften
vrije opvattingen over godsdienst en zedelijkheid gaat verkondigen.
En deze laster verbreidt zich snel: de ongeloofelijkste verhalen
doen de ronde. Zelf steekt hij hiermede den draak en geeft Tine deze
boodschap aan broer Jan:
"Zeg aan Jan dat ik gister een portemonnaie heb gestolen, een kind
doodgetrapt, dat ik vanavond naar een hoerenhuis ga, en morgen
mijn vader en moeder ga vermoorden, zeg hem dat ik bovendien, o
gruwel! personeel ben, maar dat dit alles de vraag niet is. De vraag
is of ik regt heb in de zaak van Lebak enz."
Ook door deze lastercampagne tegen haar man wordt Tine's afkeer van
Holland hoe langer hoe sterker.