In September 1855 komt Douwes Dekker met zijn gezin te Batavia
aan. Drie maanden leven zij van een klein wachtgeld, wat tot het
maken van nieuwe schulden noopt.
In die maanden was Dekker aan het "hof" van Duymaer van Twist om zijn
origineelen, levendigen geest zeer gezien. In 't begin van 1856 wordt
hij benoemd tot assistent-resident van Lebak.
In Lebak wordt in enkele weken de tragedie afgespeeld van zijn
aanklacht tegen den regent, van zijn terechtwijzing door zijne
superieuren en van zijn ontslag, waardoor zijn gezin in de diepste
ellende wordt gestort. Uit deze ellende weet hij één ding te redden:
den droom van zijn leven. En hierdoor worden sluimerende krachten
in hem wakker: zijn mededoogen met de arme geknevelde inlandsche
bevolking, zijn verzet tegen een maatschappelijke en staatkundige orde,
die zooiets gedoogt, zullen in hem een schrijverstalent van ongemeene
kracht wekken.
De geschiedenis van Lebak heeft Dekker zelf in _Max Havelaar_ verhaald,
nadere gegevens gaf hij in de _Minnebrieven_. De officieele stukken
zijn juist weergegeven, maar overigens is het gebeurde door romantische
verbeelding gekleurd. Dat is aan zijn boek als kunstwerk ten goede
gekomen; ook aan de beteekenis van zijn boek doet het geen afbreuk,
want deze is gelegen in de warme sympathie, die het wekte voor den
inlander, voor Indië, niet in de historische betrouwbaarheid van de
feitelijke voorstelling. Zoo zal dit hoofdstuk, evenals het verhaal van
Dekkers wedervaren op Sumatra eenigszins afwijken van de voorstelling
in de _Max Havelaar_ door hem zelven gegeven.
De afdeeling Lebak behoort tot de armste streken van het rijke Java:
geen cultures van suiker of koffie hebben er den inlander een bron
van inkomsten geschapen. De bevolking kan ternauwernood in haar eigen
onderhoud voorzien, want er was geen irrigatiestelsel om de rijstvelden
tot rijke oogsten te dwingen; handelsproducten werden er niet geteeld;
het lag ver van den grooten verkeersweg in een uithoek. De bevolking
is er zeer arm en fanatiek godsdienstig: ze vereert haren regent als
een heilige, zijn graf is later een bedevaartplaats geworden, ondanks
het feit, dat deze regent zijn onderdanen op de schromelijkste wijze
knevelde en liet bestelen door zijn talrijke familieleden.
Hierdoor weken vele Lebakkers uit: zij vulden de gelederen der
opstandelingen in de Lampongsche districten, zij waren gewilde
werkkrachten op de landgoederen in vruchtbaarder streken.
Als Douwes Dekker in zijn afdeeling komt kent hij noch de taal,
noch de adat der inlandsche bevolking; maar één ding heeft hem zeker
getroffen: de slaafsche onderworpenheid der bevolking aan hare hoofden,
een verhouding, die in de buitenbezittingen, waar D. D. jaren geweest
was, niet bekend was.
In die inlandsche wereld bestonden veeten: en een inlandsch ambtenaar,
de Djaksa, inlandsch officier van justitie, die gebeten is op den
regent, tracht dadelijk den nieuw-aangekomen assistent-resident tegen
den regent op te zetten. Hij weet zich aangenaam te maken bij D. D.:
hij ontdekt bizondere teekens op 't hoofdje van zijn kleinen jongen,
die dezen tot een koningskind stempelen. En hij zendt klagers af op den
pasgekomene, die hem de knevelarijen van den regent vertellen. Geen
spontaan vertrouwen van inlanders, wat trouwens met het inlandsche
karakter niet zou strooken, maar wraakzucht van den eenen voornamen
inlander tegen een anderen, is de grond dezer klachten. Evenmin als
in Natal heeft D. D. de inlandsche intriges in Lebak doorzien, weer
is hij er de dupe van geworden.
Nu waren die klachten echter meer dan gegrond en de bewijzen vond
D. D. in zijn archief. Zijn voorganger had al gegevens verzameld
over de knevelarijen van den ouden regent. In zijn archief sluit hij
zich op, om deze te bestudeeren. Hij gaat naar den regent om dezen
te bewegen aan de misbruiken een eind te maken: wel belooft de oude
Adhipatti dit. Maar al spoedig blijkt het, dat de knevelarijen niet
hebben opgehouden: de oude regent was niet rijk genoeg om zònder de
vruchten van die misbruiken zijn vorstelijken staat te voeren, zijn
talrijke familie te onderhouden, vooral niet op het oogenblik, dat hij
het dure bezoek van zijn familielid, den regent van Tjanjor verwachtte.
Het stelen van buffels, vaak de eenige rijkdom van den inlander en
zijn bedrijfskapitaal tevens, wekte Dekkers diep gevoel van medelijden
en het vaste voornemen deze stumpers te beschermen; trouwens dit was
niet alleen zijn roeping, het was ook zijn plicht als ambtenaar. Hier
opent zich voor zijn geest een mogelijkheid om een groote daad te
volbrengen, om als weldoener der bestolen inlandsche bevolking naam te
maken. Hij voelt dat _het_ oogenblik in zijn leven gekomen is, dat het
hem _nu_ gegeven zal zijn heel de grootheid van zijn geest en gemoed
te openbaren. In deze geweldige spanning ziet hij over het hoofd, dat
zijn Westersche idealen van gerechtigheid hemelsbreed verschillen van
de opvattingen der inlanders, over rechten en plichten hunner vorsten.
Hij ziet over het hoofd, dat het verval zijner afdeeling meer aan
economische factoren moet worden toegeschreven, dan aan de misbruiken
der inlandsche hoofden. Zijn heele wezen is geconcentreerd op het
doen ophouden der tallooze kwellingen der bevolking: buffelroof en
onbetaalde heerendiensten.
Na een verblijf van enkele weken slechts in zijn afdeeling klaagt
hij den regent en zijn schoonzoon aan, en stelt voor deze inlandsche
vorsten naar Serang te voeren om zonder hun tegenwerking het onderzoek
te kunnen voortzetten. De beschuldiging luidt aldus:
"Ik gevoel mij krachtens mijn ambtseed verplicht meetedeelen:
_dat ik den Regent van_ Lebak, Radhen Adhipatti Karta Nattà Nagara,
_beschuldig_ _van misbruik van gezag, door het onwettig beschikken
over den arbeid zijner onderhoorigen, en_ _verdenk_ _van knevelary,
door het vorderen van opbrengsten_ in natura, _of tegen willekeurig
vastgestelde, onvoldoende, betaling_;
_dat ik voorts den Dhemang van_ Parang-Koedjang,--_zijn
schoonzoon_--_verdenk van medeplichtigheid aan de genoemde feiten_.
Om beide zaken behoorlijk te kunnen instrueeren, neem ik de vryheid
u voortestellen, my te gelasten:
1º _den regent van_ Lebak _voornoemd, met den meesten spoed naar_
Serang _optezenden, en zorgtedragen dat hij noch voor zijn vertrek,
noch gedurende de reize in de gelegenheid zij, door omkooping of
op een andere wijze te influenceeren op de getuigenissen die ik zal
moeten inwinnen_;
2º _den Demang van_ Parang-Koedjang _voorloopig in arrest te nemen_;
3º _gelijken maatregel toetepassen op zoodanige personen van minderen
rang, als, behoorende tot de familie van den Regent, geacht kunnen
worden invloed uitteoefenen op de zuiverheid van het intestellen
onderzoek_;
4º _dat onderzoek te doen plaats hebben, en van den uitslag te dienen
van omstandig bericht_.
Ik neem de vryheid u voorts in overweging te geven, de komst des
Regents van _Tjanjor_ te kontramandeeren.
Ten-slotte heb ik de eer--ten-overvloede voor u, die de Afdeeling
Lebak beter kent dan my nog mogelyk is--de verzekering te geven
dat uit een _politiek_ oogpunt de streng rechtvaardige behandeling
dezer zaak geen het minste bezwaar heeft, en dat ik eer voor gevaar
zou beducht zyn als ze _niet_ tot klaarheid gebracht werd. Want ik
ben geïnformeerd dat de geringe man die, naar een getuige my zeide,
_poessing_ is van de vexatie, reeds lang naar redding uitziet.
Ik heb de kracht tot den moeilyken plicht dien ik door het schryven van
dezen brief volbreng, gedeeltelijk geput uit de hoop dat my vergund
zal wezen ter-zyner-tyd een en ander bytebrengen ter verschooning
van den ouden Regent, met wiens pozitie, hoezeer door eigen schuld
veroorzaakt, ik evenwel diep medelyden gevoel.
_De Adsistent-resident van Lebak_, Douwes Dekker.
Er was nog een oorzaak voor de spoed, waarmede deze aanklacht werd
verzonden: de mededeeling van de weduwe van zijn voorganger, dat ze
overtuigd was dat haar man vergiftigd was door den schoonzoon van den
Regent [9]. Vrees voor de veiligheid van zijn gezin heeft hem bizonder
strenge maatregelen tegen den regent doen voorstellen. Want lukte het
den regent zijn aanklagers te nopen de aanklachten in te trekken,
dan zou hijzelf een mal figuur slaan, maar wat erger was, hij zou
met machteloosheid geslagen zijn om de inlanders verder te beschermen.
Door het gevoel van eigen onveiligheid was zijn opwinding nog
gestegen. Dan komt eerst een briefje van den resident, om hem tot
kalmte te vermanen, daarna de resident in hoogsteigen persoon. Deze
ambtenaar was een karakter juist tegengesteld aan dat van zijn
assistent-resident. Kalm, zakelijk was hij en in alle opzichten voelt
hij zich _ambtenaar_. Hij voelt zich verantwoordelijk voor de daden
van zijn ondergeschikte ambtenaren, en hij duldt geen zelfstandig
optreden. Wel erkent hij de nobele gevoelens, die D. D. bezielen, maar
hij ziet ook de practische moeilijkheden om dit idealisme in daden om
te zetten. Hij is nuchter man van de praktijk; in Dekkers oogen is hij
de incarnatie van het verfoeilijke ambtenarendom. Wat hij met heel
zijn ziel verfoeit is het ambtelijk _schipperen_, met de bedoeling
in de gunst te komen te Batavia. Wat ongunstig is wordt niet gemeld
of verzacht: een gekunsteld optimisme wil de wantoestanden niet zien
of vergoelijkt ze, omdat 't altijd zoo geweest is, omdat 't elders
nog erger is! D. D. doorzag dit stelsel en wil er niet aan meedoen.
Als de resident hem verzoekt de aanklacht in te trekken, weigert
hij. Als de resident er dan toe overgaat om de gegrondheid der gedane
klachten nader te onderzoeken en hem verzoekt de getuigen op te roepen,
opdat deze gehoord kunnen worden, weigert hij wederom, omdat hij de
arme lieden, die hem zijn vertrouwen schonken, wil sparen.
Hij spreekt de fiere woorden uit:
"Resident, _ik_ ben adsistent-resident van Lebak, _ik_ heb beloofd
de bevolking te beschermen tegen afpersing en geweldenarij, _ik_
klaag den regent aan, en zijn schoonzoon van Parang-Koedjang, _ik_
zal de gegrondheid mijner aanklacht bewijzen zoodra me daartoe de
gelegenheid wordt gegeven die ik voorstelde in mijn brieven, _ik_
ben schuldig aan laster, als mijn aanklacht valsch is!"
De resident tracht tevergeefs hem van zijn verkeerde grondbeginselen
af te brengen en zei dat hij zich genoodzaakt voelde de brieven onder
de aandacht der regeering te brengen.
Een maand lang wacht Dekker in uiterste spanning het antwoord van
den Gouverneur-Generaal af.
De Raad van Indië is niet te spreken over een ambtenaar, die alle
ambtelijke vormen overboord gooit. Zoowel de resident, als de Raad
van Indië, als de Gouverneur-Generaal zijn overtuigd van zijn goede
bedoelingen, van zijn edele aandrift. De resident is er verre van de
grieven tegen den regent vooruit als onmogelijk te verwerpen.
De Raad van Indië vindt het echter onduldbaar, "dat het gezag van
de hoofden van inlandsch en gewestelijk bestuur door het eigenzinnig
opvolgen van dusdanige, zelfs edele aandrift worde in gevaar gebracht
ten nadeele van het algemeen." Dit college wil hem ongeschikt voor den
dienst verklaren, maar Duymaer van Twist redt hem met de overweging
dat om zijn goede bedoelingen, zijn onvoorzichtige handelingen voor
een verschoonende beoordeeling vatbaar zijn en wil trachten hem voor
't binnenlandsch bestuur te behouden.
Het vertrouwen van D. D. op dezen Gouverneur-Generaal bleek dus
niet misplaatst; hij was een man, die al getoond had er niet tegen
op te zien hoofden en regenten te ontslaan, die zich aan knevelarij
schuldig maken.
Maar de regeering heeft ook rekening te houden met de gevoelens der
inlandsche bevolking: de knevelende regent van Lebak, werd als Heilige
vereerd door zijn mishandelde onderdanen. Maar D. D. heeft dit niet
ingezien, hij werd door den Djaksa, den vijand van den Adhipatti, op
een dwaalspoor geleid en geloofde vast, dat de bevolking op uitbarsten
stond: westersche vrijheidsidealen, past hij toe op een oostersche
bevolking: een tragisch misverstand! De overtuiging dat de bevolking
zou opstaan vergrootte weer de spanning, waarmede hij het antwoord
van den Gouverneur-Generaal afwachtte.
Als dat antwoord komt is het een terechtwijzing: de Gouverneur-Generaal
mist in hem "bezadigd overleg, beleid en voorzichtigheid", hij
mist ook "begrippen van ondergeschiktheid aan zijnen onmiddellijken
superieur". Vooral het feit, dat hij geen bewijzen heeft overgelegd
en aan den resident volle opening van zaken geweigerd heeft, wordt
streng gelaakt. Om deze redenen wordt D. D. ontlast van zijn functie
te Lebak en voorloopig overgeplaatst naar Ngawi: daar zal het van
zijn verdere handelingen afhangen of hij bij het binnenlandsch bestuur
geplaatst zal kunnen blijven. Maar in het officiëele stuk geen woord
van waardeering voor zijne edele gevoelens en goede bedoelingen!
Dit koele ambtelijke oordeel over een zaak, die voor hem in de eerste
plaats gemoedszaak was, heeft hem smartelijk getroffen, heeft hem
tot het uiterste geprikkeld. Zijn eigenliefde, zijn ijdelheid waren
gekwetst: 't is hem onmogelijk op proef te dienen alsof hij zich
slecht gedragen had. Zijn overijling--hij was nauwelijks een maand
te Lebak toen de aanklacht verzonden werd--zijn negeeren van den
ambtelijken weg, erkent hij niet als fouten; integendeel hij ziet
nu duidelijker dan ooit, dat, wil hij zijn levenstaak volbrengen,
hij geen _ambtenaar_ kan blijven: "En eindelijk ik zie in dat ik om
een eind te maken aan al dat geknoei, geen ambtenaar moet wezen. Als
ambtenaar staan er tusschen de Regeering en mij te veel personen die
belang hebben bij 't loochenen der ellende van de bevolking".
Maar hij blijft gelooven in den Gouverneur-Generaal, hèm wil hij
spreken, "om nog tijdig voor dat arme volk iets te verrichten." Want
Duymaer van Twist stond op het punt te vertrekken, en van zijn opvolger
weet hij dat er niets te wachten valt.
Onmiddellijk vraagt Dekker eervol ontslag uit 's lands dienst en
vertrekt naar Batavia. Door ziekte en drukte van zijn aanstaand vertrek
heeft Duymaer van Twist geen audiëntie meer verleend aan den eervol
ontslagen assistent-resident, ondanks een zeer dringenden brief, dien
Dekker hem nog den avond voor zijn vertrek deed toekomen: een klacht,
dat Z. E. geen "tijd heeft kunnen vinden _om recht te doen_!
Dit is zoo niet geweest! Een deftig gezin is daardoor tot den bedelstaf
gebracht...
Maar Uwe Excellentie heeft _gesanktioneerd_: HET STELSEL VAN MISBRUIK
VAN GEZAG, VAN ROOF EN MOORD, WAARONDER DE ARME JAVAAN GEBUKT GAAT,
en daarover klaag ik.
Dat schreit ten hemel!
Er kleeft bloed aan de overgegaarde penningen van uw dùs ontvangen
indisch traktement, Excellentie!
Nog éénmaal vraag ik om een oogenblik gehoor, zy het dezen nacht, zy
het morgen vroeg! En alweder vraag ik dit niet voor my, maar voor de
zaak die ik voorsta, de zaak van rechtvaardigheid en menschelykheid,
die tevens de zaak is van welbegrepen politiek.
Als Uwe Excellentie het met haar geweten kan overeenbrengen, van
hier te vertrekken zonder my te hooren, het myne zal gerust zyn by
de overtuiging al het mogelyke te hebben aangewend om de treurige,
bloedige gebeurtenissen te voorkomen, die weldra 't gevolg zullen
wezen van de eigenwillige onkunde waarin de Regeering wordt gelaten
ten-opzichte van hetgeen er omgaat onder de bevolking."
In dezen brief vinden we _twee_ dingen aangeroerd: het lot van eigen
gezin èn het stelsel, waaronder de inlander gebukt gaat: maar het
tweede is voor D. D. _hoofdzaak_. Dat _stelsel_ omver te werpen zal
voortaan zijn levensdoel zijn en hij weet: als ambtenaar van het
geldende régime kan hij niets bereiken.
Zoo heeft Eduard Douwes Dekker in de weken in Lebak doorgebracht zijn
levenstaak gevonden; en als we zijn Indische jaren overzien, dan valt
het op, dat hij zich telkens de vraag stelde: welke grootsche taak
is voor mij weggelegd, maar ook, dat hij in den inlander steeds _den
mensch_ heeft geëerd. In Natal waren inlandsche hoofden zijne vrienden,
hij komt op voor de hongerende arbeiders in de pepertuinen en geeft den
raad hun werklust aan te wakkeren, door een meer "lachend verschiet"
voor ze te openen.
Toch ging in Menado zijn hart er naar uit: de armen van Europa
wel te doen, alle arme kinderen in Europa St. Nicolaas te doen
houden. Daarvoor had hij toen duizenden, neen millioenen noodig. Aan
arme, laat staan geknevelde en mishandelde oosterlingen dacht hij
niet, al _wist_ hij, dat ze er waren. Telkens opnieuw hoopt hij als
_schrijver_ naam te maken; ook bij zijn komst te Lebak maakt hij
plannen om geregeld zijn denkbeelden op papier te ontwikkelen en
Tine meende, dat dat eens gedrukt zou worden en dan zou men zien,
wie haar man was!
Maar nu is dit alles verdrongen door het alles overheerschende,
in enkele weken hem bewust geworden doel: het regeeringsstelsel van
Insulinde ten bate van den Inlander om te zetten.