Het Hardanger Hotel te Odde is eene uitstekende inrichting. Geheel

van hout in noorschen stijl gebouwd, maakt het een aangenamen indruk,

vooral omdat het zeer ruim is; gangen, trappen, kamers, eetzalen,

alles is groot, en de hal is van buitengewone afmetingen en loopt

tot in het dak door.

Odde is een zich sterk ontwikkelend kerkdorp; vele vreemdelingen

kiezen het als zomerverblijf; 't is dan ook heerlijk gelegen en biedt,

wat zeldzaam is, gelegenheid tot aangename wandelingen.

's Morgens bij tijds op, wandelde ik reeds vóór het ontbijt langs

de fjord, om me eenigzins schadeloos te stellen voor 't geen ik den

avond te voren door de duisternis gemist had. Na 't ontbijt ging ik

de winkels in Odde eens bekijken, die zich hier onder den invloed

van 't vreemdelingenverkeer gevestigd hadden. Verbazende keus van

photo's en briefkaarten was er, en noorsche handwerken waren in

overdaad vertegenwoordigd. Aquarellen waren ook druk geëtaleerd. Ik

veronderstel dat de mooie en goede reeds verkocht waren, want wat

ik er nog zag, was bitter treurig. Aquarelleeren schijnt daar onder

de reizigers epidemisch te heerschen, te oordeelen naar de twee

uitgebreide magazijnen van teekenbehoeften die er waren; en dan was

er, wat ik sedert Kristiania niet meer gezien had, een kapperswinkel;

maar dien dag was de kunstenaar met zijn gezin eens voor een dagje uit,

en de bediende hield nu ook maar vacantie!

Al verder in het dal opgaande, begon ik last van de warmte te krijgen;

de zon scheen onbarmhartig; gelukkig kwam ik weer spoedig voor een

meer te staan, het Sandvenvand, en trof daar juist een man met een

bootje, bereid om mij een watertochtje te doen maken; eene heerlijke

verfrissching! Na een half uur varen kwamen we tegenover den ingang

van het Jordal. Eenige woningen liggen daar aan den oever, en verder

gaat het wild in het dal op, dat afgesloten wordt door den gletscher

Buarbrae. Ik liet me aan land zetten, en trof daar eenige mannen,

die bleken tot de boerderij te behooren; we raakten aan het praten

en ik werd door hen binnengenoodigd.

De boerderij was betrekkelijk nieuw gebouwd, dus zag ik geene

oud-noorsche inrichting, waarop ik gehoopt had. Toch was het aardig

om te zien; welstand heerschte er, een zeker soort van comfort, maar

met vermijding van alle overdaad. Een boer in Noorwegen, of wat de

Noren zelf onder dien naam verstaan, is eerder een grondeigenaar

en dikwijls een groot grondeigenaar; maar zijne gronden, die voor

't meerendeel uit uitgestrekte bosschen bestaan, leveren hem niet

veel op. Hij bezit dikwijls een zeer grooten veestapel, maar ook die

werpt hem niet zooveel af als wij daarbij gewoon zijn te denken. Het

vee is onaanzienlijk, klein van gestalte en niet sterk melkgevend; de

hoedanigheid der melk is voortreffelijk; de melk kan de boer ook weer

niet verkoopen; boter in de meeste gevallen ook niet, om de groote

afstanden naar de plaatsen van uitvoer. Het plaatselijk verbruik is

gering tengevolge van de uiterst spaarzame bevolking. Behalve rundvee

worden ook varkens en schapen, maar vooral veel geiten gehouden. De

groote bron van inkomst op de landgoederen is het vellen van bosschen,

waarbij dan dikwijls niet aan gelijken tred houdend inplanten gedacht

wordt.

Het volkskarakter der Noren heeft zich niet in de steden

ontwikkeld. Die zijn meest allen van veel lateren datum, althans in den

tegenwoordigen vorm; de Noren zijn een boerenvolk; op het platteland

ziet men het type van den Noor. Dorpen zijn er niet veel, men woont er

op zeer verspreide groote hoeven, en vele van die hoeven bleven, door

vererving op het oudste mannelijke lid, gedurende eeuwen in dezelfde

familie; dikwijls komen de zeer algemeen verspreide democratische

opvattingen in strijd met de persoonlijke opvatting van zoo'n landheer,

die u zijn stamboom kan toonen van eeuwen her. De afgelegenheid der

hoeven, waar men gedurende een groot deel van den langen wintertijd

niet op of af kan, is oorzaak dat men in allerlei opzichten zichzelf

heeft leeren redden; men is er zijn eigen smid, zijn eigen timmerman,

wever of kleermaker. De vrouwen evenaren daarin de mannen, ze zijn

ervaren in velerlei handwerken: de kleeden, tapijten en sierbanden,

die uit eigen gesponnen en geverfde wol vervaardigd worden, zijn

karakteristiek en dikwijls buitengewoon smaakvol, ook kantwerk wordt

veel aangetroffen. Voorts wordt er veel werk gemaakt van versiering

van het huis- en landbouwgereedschap; men snijdt er figuren in en

kleurt die zoo sprekend mogelijk. Ik heb hooi- en mestvorken gezien,

hooiharken, schopstelen, ploegstaarten, die op deze wijze met zorg

versierd waren. Men maakt, herstelt en versiert zijn dagelijksch

gereedschap in den langen wintertijd. Daartoe was ook bij elke hoeve

een magazijn noodig, waar alle hulpmiddelen en grondstoffen en ook

eetwaren bijeen geborgen werden; want alles moet in voorraad zijn eer

de winter komt, die alle verkeer stremt. Maar die menschen, die daar

zoo stil en eenzaam leven, doen nog meer. Ze zijn zeer weetgierig

en zetten het onderwijs, dat zij als kinderen en jongelieden genoten

hebben, voort door eigen studie.

Het noorsche volk is bij nadere kennismaking zeer sympathiek; men

krijgt zelfs bij eene vluchtige aanraking op de reis den indruk

van betrouwbaarheid en eerlijkheid. Het ruwe klimaat staalt het

karakter. Daarbij zijn de menschen zacht van aard, beleefd en

bescheiden. De harde strijd om het bestaan, en de groote moeite

om vooruit te komen geven hun echter, bij al dat goede, ook andere

eigenaardigheden. Als men met een Noor eerlijk deelen moet, dan krijgt

men altijd van vier twee, maar als men vijf met hem deelen moet,

dan krijgt hij gewoonlijk drie.

Dat alles heb ik niet bij de vrienden aan het Sandvenvand kunnen

opmerken, maar het onderhoud met hen herdenkende, gaf mij dit

aanleiding tot deze verdere mededeelingen. Na een glas melk en

een stuk knikkebrod, mij vriendelijk door de huisvrouw aangeboden,

gebruikt te hebben, bracht de landheer mij een eind op weg in het

Jordal; hij wilde mij zijne boomgaarden nog toonen, die er inderdaad

zeer goed uitzagen en ditmaal veel beloofden. Men had in dezen zomer

in het gure Noorwegen meer zomer dan wij in Nederland. Eerst liep de

weg, die behoorlijk afgebakend is, nog langs een paar gerstenakkers,

toen flink hout, berken en voornamelijk iepen; dan verder tusschen

rotswanden en rotspuin omhoog; nog eene hoeve, de Buar, eene weiderij,

steeds met den gletscher en het Folgefond voor zich; eindelijk staat

men voor den gletscher de Buarbrae, te midden van eene verbazende massa

bergpuin. Het is een zeer aangename en niet te vermoeiende bestijging,

waarbij men duidelijk iets opmerkt, waarvan men zich aanvankelijk in

de noorsche bergen niet goed rekenschap geeft, namenlijk hoe dichtbij

de sneeuwgrens en het ijs het groen is. Hier was het verschil niet

meer dan 100 meter. Er zullen hoogerop in 't noorden van het land

wel grootere gletschers zijn en ook veel massaler sneeuwvelden,

maar eerlijk gezegd, wat ik tot nu toe gezien heb, en later zag,

is tegenover de gletschers en de sneeuwvelden der Zwitsersche alpen

slechts een mislukte namaak.

De wandeling naar den Buarbrae en terug (brae is gletscher), duurde

ongeveer 4 uur; daarbij had ik een goed half uur bij de hoeve getoefd,

zoodat ik eerst tegen twaalf uur te Odde terug was. Nu had ik op den

terugweg de zon achter mij, en kon volop genieten van het heerlijke

uitzicht op het plaatsje en de Sörfjord met zijne trotsche omgeving. Ik

rekende af in het hotel en bestelde een rijtuig naar 't Breifondhotel

aan den grooten straatweg in Telemarken; dit was het begin van de

thuisreis, die nu in zuid-oostelijke richting weêr dwars door Noorwegen

ging. Men vroeg mij of ik doorreisde naar Dalen, en ik kreeg toen

een koetsier en stolkjaerre, die mede doorgingen tot die plaats. Die

koetsier was een gezellige prater, en zijn paard was uitstekend; de

dames en heeren met wie ik sedert twee dagen gereisd had, waren reeds

vertrokken, zoodat ik, in de hoop hen in te halen, in mijn schik was

met dit flink span. De weg ging eerst langs Sandvenvand; ik had dus

nog eens het mooie uitzicht op den Buarbrae, en daarna, aan het einde

van het meer de fraaie Espelandfoss en Lotefoss, naast vele kleinen;

toen langs een wilden bergstroom in een eng dal het "Seljestadtjuvet",

een prachtig begroeid dal, dat naar mijne schatting het Naerodal

tusschen Stalheim en Gudvangen ver in schoonheid overtrof. Het was een

heerlijke rit, onder de grilligste afwisseling van woeste rotspartijen

en prachtig groen, steeds vergezeld door den dikwijls met donderend

geweld voortstuwenden bergstroom. Men bereikt aan het einde van

dit dal weder eene knappe stijging; de weg is wat minder fraai in de

onmiddellijke omgeving, maar wint door de prachtige uitzichten, vooral

stroomafwaarts in het pas verlaten Seljestadtjuvet. Verscheiden malen

heb ik mijn rijtuig verlaten, om volop te kunnen genieten van al het

schoone. Te Seljestadt, waar twee goede hotels zijn, en dan behalve

het postkantoor ook niets anders, moest ik mijn middageten krijgen,

maar mijne groote onafhankelijkheid werd gestraft. Door mij niet

aan de gebruikelijke uren van den reizigersstroom te houden, kwam

ik te laat. Er was bovendien eene Cookspartij en eene van Lissone

geweest,--deze laatste had ik al opgemerkt bij den Lotefoss, door de

luidruchtigheid waarmede zij genoot,--en al die reizigers hadden de

beide hotels ledig gegeten; 't was alsof er een zwerm sprinkhanen over

heen was gestreken. Ik dacht er al aan, mij maar met smörbrod tevreden

te stellen, toen er drie jonge dames binnenstapten, die ook warm eten

verlangden, en men zag toen de kans schoon, om vier personen voor hun

diner te laten betalen. Betalen, want genieten deden wij het niet;

't was een mengelmoes van veel wat slecht en slecht bereid was. De

fröken, eene juf in Hardanger kleederdracht, had ook de vrijmoedigheid

van te verklaren, dat het bier op was en wij dus wijn zouden moeten

drinken. Afgeschrikt door de kwaliteit der spijzen, verzochten wij

echter van den wijn verschoond te mogen blijven en dronken water. Dit

is de eenige keer in Noorwegen geweest, dat ik slecht eten kreeg

en nog afgezet werd op den koop toe. Intusschen vloog de tijd om;

mijn gezelschap bestond uit onderwijzeressen uit Kopenhagen, die een

onderhoudend gesprek wisten te voeren.

Aan alle dingen komt een einde, ook aan 't geduld van mijn koetsier,

en we moesten verder. De weg blijft mooi en daalt eindelijk met

groote slingers naar het Röldalsvand neer. Daaraan is het Breifond

Hotel gelegen; de koetsier had mij bepraat om niet daar te logeeren,

maar door te rijden tot Röldal, waar men even goed logeeren kan. Röldal

is een aardig kerkdorp, fraai aan het tegenovergestelde einde van het

meer gelegen. We kwamen aan het Röldal-hotel, en ik kreeg het bescheid,

dat er geen plaats meer was. De borstaren bracht mij echter naar een

kleiner hotel, waar ik dan slapen zoude, terwijl ik het avondeten en

het ontbijt in het Röldalhotel gebruiken zoude. Aan de avondtafel trof

ik de kennissen weêr en werd braaf uitgelachen over mijn te laat komen

en over de teleurstellingen te Seljestad en nu weder te Röldal, waar

ook de tafel bijna was afgeloopen. Maar ik was op Buarbrae geweest,

en dat genot was de verdere tegenvallers dubbel waard. Ik had een

zeer eenvoudig maar bijzonder netjes en zindelijk nachtkwartier;

toen ik den volgenden ochtend--de dochter des huizes had ook nog

mijne kleêren gereinigd--de gevraagde kosten (ééne kroon of f 0.675)

betaalde, wilde men niet eens een fooi aannemen.

Na een gezellig ontbijt togen de drie gezelschappen te zamen op

reis. Drie stolkjaerres en eene calèche, deze met twee paarden. Mijn

harddraver had de voorhoede en ik dus geen stof. En inderdaad de stof

op de wegen in Noorwegen is een bezwaar.

Eerst een eind langs het meer en dan langs de bruisende Vasdal-elf

al hooger en hooger op. Een flinke breede waterval, de Navlefoss;

we verliezen de boomen; de weg kronkelt al maar omhoog. Hier en

daar groote kudden vee, dat over niemandsland, dat is: over geen

particulier bezit, maar over staatsgrond, naar de meer bevolkte

omgeving van Kristiania gedreven wordt. Zoo'n tocht van dat vee duurt

een geheel seizoen en is wel geen bijzonder goede, maar toch een soort

van vetweiderij. Maar ook het gras houdt op en we komen in steeds

woester wordende, rotsachtige omgeving, altijd naast de Vasdal-elf,

die nog weinig in kracht verloren heeft. Nu weêr sterker in groote

kronkels tegen de bergruggen op; we treffen nog een paar woningen,

die daar in de eenzaamheid staan te vervallen, en eindelijk komen we

op de pashoogte, de Dyreskard, te midden van sneeuw en ijs. 't Is wel

eenzaam en woest, maar 't is een mooi berggezicht, zeer mooi vooral

voor ons uit, waar wel veel sneeuw blijft, maar toch in de verte

zich weder eenig groen vertoont. In een draai in den straatweg is

een kleine sneeuwtunnel; onder de zonnewarmte was hij evenwel aan 't

doorlekken gegaan, en ik riep de dames achter mij toe haar parapluiën

op te zetten. Nu nog een uur omlaag, over bruggen, langs watervallen,

altijd door een eenzaam berglandschap; geen mensch, geen vee, geen

vogel; en ten laatste hielden we stil voor Haukelisaeter, aan het

Staavand gelegen.

Haukelisaeter is een hotel in oud-Noorschen stijl gebouwd, en ook

inwendig in dien stijl versierd, waardoor het zeer huiselijk is

geworden; de eetzaal vooral is zeer aangenaam ingericht. Tegenover

het hotel zijn de post-, telegraaf- en telefoonkantoren en een aardig

gebouwd voorraadshuis of stabbur, ook ingericht voor het herbergen van

reizigers. Dit hotel is nog een der weinige door den staat ondersteunde

fjeldstuen, waartegenover de verplichting staat dat het 's winters

open moet blijven. Het is dan ook in het hart van Telemarken op het

onherbergzame Haukelifjeld gelegen, en de eenige plaats waar men des

winters in die streek een onderkomen kan vinden. De eigenaar van het

hotel is ook al een boer, die wat verderop nog een aardig gelegen

zomerhotel Nystöl, aan het Arrebuvand gelegen, bezit. Ik vermeld dit

overigens onbelangrijk feit, om er nog eens de aandacht op te vestigen,

dat een boer in Noorwegen heel iets anders is dan overal elders. Er

zijn veel hotels in het bezit van boeren, en zij exploiteeren die

zelf, waardoor zij genoodzaakt zijn zich in vele, aan hun hoofdbedrijf

geheel vreemde zaken in te werken, onder anderen zich ook weêr voor

deze ondernemingen vertrouwd te maken met vreemde talen. Maar dat

kunnen we hier wel, zeide mij een Noor. Onze tegenwoordige minister

van buitenlandsche zaken is ook een boer; in zijne jonge jaren had

hij veel leerlust en legde zich dan ook op de vreemde talen toe, en

nu hij minister is, weet hij zelf niet meer hoeveel talen hij spreekt!

Dat de Haukelisaeter ook 's winters open blijft, heeft er wederom

aanleiding toe gegeven, dat de groote sportclub te Christiania daar

hare groote wedstrijden voor wintersport houdt, stellig een goed veld,

want zelfs in den zomer verdwijnt de sneeuw er niet, en 's winters

ligt hij er meters hoog.

Voorbij Haukelisaeter wordt het landschap nog eentoniger; het blijft

geheel onbewoond; zelfs de boomen sterven er af, men ziet overal

half vergane boomstruiken staan. Gelukkig komen we spoedig aan het

schilderachtige Voxlivand, waar we even stilhouden in het Voxli-hotel,

ook nog eene exploitatie van den eigenaar van Haukelisaeter. We rijden

nog altijd langs hetzelfde meer, en naderen Botten, waar een zeer

eenvoudig hotel staat, met een keurig gebouwden Stabbur, zoo iets als

een oud kabinet in de open lucht; natuurlijk is dit een proefje van

architectuur en geen ernstig gemeende ouderwetsche stabbur. Nu krijgen

we weer een gezelligen bergstroom langs den straatweg, wat weer eenige

levendigheid geeft; deze rivier vormt van tijd tot tijd meer of minder

uitgebreide plassen, totdat het terrein wat ongelijker wordt en er hier

en daar aardige rotsvormen opduiken; de plassen worden nu watervallen;

de grootste daarvan is de Lille Rjukanfos, die evenals zijn beroemde

naamgenoot, na zijnen val, een groote wolk van waterdamp omhoog stuwt,

waar hij zijn naam "rokende waterval" aan ontleent. We rijden steeds

omlaag en de stroom is krachtiger geworden; Flaathyl-elv is nu zijn

naam; de verwachting dat we weer in mooier streek zouden komen wordt

teleurgesteld, 't is weder troosteloos eenzaam. Arme, natte weiden,

traag groeiende bosschen, nog een paar kleine watervallen en dan het

Hotel Haukeli Graend.

Er waren weinig gasten in het hotel, en dientengevolge bleef ons

clubje wat meer bijeen. Dat is trouwens eene eigenaardigheid van dat

gelijkmatig voortbewegen op die afgeteekende banen zonder zijwegen;

men vindt altijd de menschen weer terug, die men al eens ontmoet

heeft. Voor mij was dit nu een genot, maar 't kan ook wel eens anders

zijn. Dikwijls had ik op deze laatste tochten het oog op een eenvoudig

echtpaar, blijkens hun dialekt uit Holstein afkomstig, en die maar

niet vrij konden geraken van een heer, reizende met drie kinderen, een

aankomenden jongen en meisje, beiden in de vlegeljaren, en een jonger

meisje, dat de rol van enfant terrible vervulde. Het was een Semitisch

veehandelaar uit Posen, een zeer luidruchtig heer. Hij had stellig het

voornemen opgevat, zich op reis eens bijzonder netjes voor te doen,

en droeg daarom van den morgen tot den avond een laag uitgesneden

vest en een smoking. Mijne duitsche vrienden waren doodsbang om met

hem in aanraking te komen. De Noren hadden altijd plezier in hem,

en wisten hem door allerlei leuke zetten dikwijls tot nog grooter

luidruchtigheid te prikkelen. Eens verzekerden zij hem, dat al waren

zijne manieren onberispelijk, en al was zijn uiterlijk zóó, dat men

hem ook in Noorwegen, waar weinig zijner stamgenooten voorkomen, niet

licht zou onderkennen, niettemin zijn dieët hem moest verraden. Dat

was aan geen doove gezegd! Een der volgende dagen op eene stoomboot,

ging de fröken, zooals daar gebruikelijk is, rond om te vragen

of men wat gebruiken wilde, en onze man uit Posen bestelde heel

kalm voor zich en zijne kinderen broodjes, maar riep toen de fröken

met verheffing van stem na: "maar alles met ham"! Deze ongelukkige

manifestatie had tengevolge, dat ieder die misschien nog twijfelde,

nu overtuigd was. Al de reizigers keken elkander glimlachend aan.

Des avonds in de veranda ontwikkelde zich in het clubje een eenigszins

dieper gaand gesprek over de reis. 't Was vooral naar aanleiding

van de belangstellende vragen der Noren, en curieus was het, dat

de duitsche vrienden geheel mijne opvatting deelden. We hadden

prachtige natuurtafereelen gezien; dat zij wat ver en dikwijls wat

heel ver uit elkaar lagen was niet prettig, maar alléén aan de groote

uitgestrektheid van het land te wijten. Somber vonden wij het geen van

allen; en dat in tegenstelling met de litteratuur, ook in Duitschland,

over het reizen in Noorwegen, dat meestal als somber, als melancholiek

afgeschilderd wordt! Dat niet, wij hadden altijd zonnig weêr gehad,

en men mag dan al eens bij het rondvaren op de fjorden stilstaan bij

de bergvorming en haar statig noemen, somber vonden wij het nooit. Maar

we vonden iets anders. Wij vonden over 't algemeen gesproken de lijnen

van het landschap op de hoogvlakten en fjorden, die wij bezochten,

eentonig. Ze waren allen dezelfden, en de coulissenvormige voorsprong,

dien de eene rots op de andere had, was op de fjorden bijna altijd

van dezelfde afmetingen. Op de hoogvlakten, waar in den grauwen

voortijd niets dan ijs was, heeft het verplaatsen en kruien van

het ijs, de rotsen glad geslepen en afgerond, en daardoor zijn de

omtrekken eenvormig geworden. Dat alles geeft aan het landschap iets

eentonigs en kan misschien voor reizigers, die het land met regenweêr

doorkruisten tot somberheid geworden zijn. Deze Noren, die ook veel

in het buitenland gereisd hadden spraken onze eenstemmige beweringen

niet tegen, integendeel zij erkenden dat het noorsche landschap de

bekoorlijkheid miste, die de zwitsersche Alpengroepen ontleenden

aan de grootere afwisseling in de lijnen, ook veroorzaakt door meer

verschil in geologische vormingen. Daarentegen waren de Duitschers

het ook weder met mij eens, dat van de bescheidenheid en zachtheid

van de bewoners niet genoeg goeds gezegd kan worden; opgemerkt werd

daarbij hoe zij bij alle terughoudendheid toch zeer opgewekt waren,

en overvloeiden van schalksche opmerkingen, die nooit nalieten sterk

op de lachspieren te werken.

Het had des nachts hard geregend; we hadden den vorigen dag ook

eene korte maar krachtige donderbui gehad, de stof was weg en een

heerlijk zonnetje scheen; ik was vroeg op, vergenoegde mij met een

koud ontbijt, verzocht mijn koetsier later te vertrekken en mij op

te wachten in het hotel Börte, want ik had besloten nog eene flinke

wandeling te maken. En het werd niet alleen een flinke, maar zelfs

een prachtige. Spoedig na het verlaten van het hotel draaide de weg

en naderden wij een prachtig meer, het Grungedalsvand. De hellingen

der bergen aan weêrszijden waren met berken begroeid; van tijd tot

tijd schitterden de zilveren stammen door het groen heen, als de

zon er juist langs gleed; de kammen der bergen waren met donkere

pijnbosschen getooid. Het was matig warm en bladstil, en de gladde

watervlakte weêrspiegelde alles helder en klaar. Aan de overzijde was

de oever steiler, aan de zijde van den straatweg waren de hellingen

zeer flauw; dichter bij het meer prachtig groene weiden. Hier en daar,

waar de weg naar het meer toekronkelde eene visschershut; visschers

op het kalme water met hunne netten doende; van tijd tot tijd bij het

ophalen de mooie forellen, tusschen de mazen der netten te vergeefs

worstelend en spartelend om de vrijheid te herwinnen. Hoogerop

aan mijne zijde goed bebouwde akkers; gerst en aardappelen waren de

vruchten; ook enkele kleine maar zeer welvarende hoeven. Ik kwam niet

vooruit, elk oogenblik stond ik stil, om het prachtige landschap nog

nauwkeuriger op te nemen. 't Was een bijna ongestoord genot; bijna,

want ik liep op een ouden noorschen weg, voortdurend elke glooiing in

het terrein volgend: eene onafzienbaren reeks van bulten, die mij,

zoolang ik niet telkens op een top kwam, alle uitzicht voor mij uit

benamen. De oude geelbruine kerk van Grungedal voorbij, een draai in

den weg en over eene brug, dan nog een blik over het Grungedalvand in

zijne gansche heerlijke lengte en het Grungedalsbro-hotel noodigt mij

tot rusten uit. Een klein hotel, maar vroolijk en aangenaam gelegen;

als ik niet verder moest, zoude ik hier willen overnachten. Nog altijd

blijft de weg hobbelend, en hoewel het landschap zeer mooi blijft,

vermoeit toch dat aanhoudend klimmen en dalen, en ben ik ten slotte

blijde aan een driesprong te komen, waar eene landhandleri staat,

en een nieuwe beter aangelegde weg naar Börte afdraait.

Eene landhandleri is een winkel ten platten lande, waar alles en nog

wat te krijgen is; een voorbijganger kon mij geene goede verklaring

van het woord geven; de slotsom van zijne omschrijving was altijd

"eene landhandleri, wel, dat is eene landhandleri"! Eenvoudig naar

binnen gaan, naar iets onmogelijks vragen, en onderwijl rondkijken,

ziedaar de oplossing. Juffrouw hebt u wat engelsche pleister voor

mij? 's Morgens had ik een vinger gekneusd. En ik had nauwelijks

tijd om rond te kijken en te zien, dat er koloniale waren, veevoeder,

eenvoudige ellegoederen, kramerijen en licht landbouwgereedschap te

koop was, toen de juffrouw, na eenige laadjes open en dicht gedaan te

hebben, weer bij mij kwam en zeide: "als 't u blieft, mijnheer." Het

was hetzelfde gevouwen papiertje waarin men jaren geleden, en misschien

nog, ook thuis zijne engelsche pleister kocht! "60 öre mijnheer".

De weg gaat nu weêr langzaam omhoog; van tijd tot tijd fraaie

berggezichten, maar meestal dichte bosschen, tot men op de Bortheia

(hoogte van Borten) gekomen is en een mooi uitzicht krijgt op het

Bortevand, een lang en smal meer. Nu door weiden en akkers omlaag;

eenige hoeven tot een gehucht bijeen gebouwd; hier en daar reeksen

van akkers, en dan het hotel juist aan 't begin van het Bortevand. Een

verrukkelijke omgeving!

Door Noorwegen De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 3 / 4 段