zijde gekomen was, en we werden slechts bij partijen tot de eetzaal
toegelaten. De bediening was langzaam; er waren nog eenige heeren en
dames, die er een soort van feestmaal hadden, en die werden altijd
het eerst bediend. Ik was buitengemeen tevreden over het middagmaal;
er was eene ongewone verscheidenheid van gerechten, en ik begon juist
te overwegen dat eene goede wandeling toch maar het beste middel is,
om smakelijk te eten, toen op eens bleek wat de oorzaak was van mijn
overvloed. Ik sloot aan tafel aan aan het gezelschap dat afzonderlijk
dineerde, en nu werd ik dubbel bediend! In de gezelschapszaal,
waar ik een gemakkelijken stoel opzocht, bediende de eigenares zelve
hare gasten van koffie, en hielp mij ook aan eene sigaar. Aangename
verrassing! Zij presenteerde mij uit een kistje van een welbekend
hollandsch merk. Op het gebied van sigaren had ik tegenspoed gehad. Ze
mede te nemen door Duitschland, Denemarken en Zweden tot in Noorwegen,
zoude ze te duur maken door viermaal inkomend recht. (De reizigers die
over zee in Noorwegen komen, hebben daar geen last aan, de douanen
in de havens zijn sigarenblind.) Ik besloot daarom te Kristiania
mijn voorraad voor de reis op te doen. 's Morgens was mijn eerste
gang naar een sigarenwinkel, om eenige monsters te koopen; toen ik 's
avonds terug kwam om den inslag te doen, was de winkel gesloten. Die
vervroegde winkelsluiting--de heeren doen het daar zonder tusschenkomst
der autoriteiten--was oorzaak dat ik ongeveer veertien dagen lang
bijna niets anders dan hemeltergende namaaksels van goede sigaren
gerookt had.
Nu had ik nog 25 kilometer tot Dalen af te leggen, maar mijn rijtuigje
was weêr bij de hand en welgemoed reed ik in den laten namiddag
verder. Een heerlijke weg langs dat frissche Bortevand, afwisselend
over open terreinen en door bosch, altijd langs de helling van een
bergrug. Toen over eene hoogte, om eindelijk onder bosch uit te komen
aan het kleine meer van Moen, waar het dorp met zijn kerkje aardig in
het water weêrkaatste. Zachtjes aan had ik de overtuiging gekregen,
dat de rit van af Haukeligraend den koetsier niet zooveel goed gedaan
had als mij de wandeling. Hij scheen aan elke gelegenheid aangelegd
te hebben en zich daar telkens een enkel of dubbel glas bier goed
te hebben laten smaken. Wat hoogst zelden gebeurt in Noorwegen, mijn
koetsier was dronken, en dat kwam minder dan ooit gelegen, want niet
ver voorbij Moen begon de weg te dalen, steeds sterker en sterker,
tot het eindelijk over tallooze slingerwegen, altijd een bergstroom
diep onder ons, telkens over bruggen waar het water onder bruiste en
loeide, steil omlaag ging. De kloof waar wij door heen renden, was
prachtig begroeid met zwaar masthout en behoort onder de mooiste punten
van de reis; maar 't genot werd vergald door het wilde rijden van den
beschonken koetsier. 't Liep goed af; we kwamen ongedeerd beneden,
en in vliegende vaart ging het nu over een vlakken weg tot aan het
hotel Dalen. Ik maakte den dronken kerel een duchtig standje, gaf hem
de kleinst mogelijke fooi en achtte daarmede de zaak afgeloopen, maar
rekende buiten den waard. De portier van het hotel had het opgemerkt
en aan zijn patroon medegedeeld, die er weêr met andere heeren over
sprak. Na tafel vervoegden zich mijne noorsche vrienden bij mij, en
verzochten mij aan een derden persoon, die eene officiëele positie
scheen te hebben, eene verklaring omtrent het geval af te leggen;
men stelde die schriftelijk op en verzocht mij haar te onderteekenen,
desgelijks ook den portier als getuige. Het gevolg van de geschiedenis
was, dat de dronken koetsier dienzelfden avond nog als skyd, dat is
postrijder, ontslagen werd. Hij bleek te Dalen te wonen en al eens
meer tot klachten aanleiding gegeven te hebben. Ik beklaagde mij over
den last die mij aangedaan werd, maar men antwoordde, dat het rijden
in Noorwegen den koetsiers groote omzichtigheid oplegde--nu, dat had
ik niet zelden opgemerkt,--zoodat men in het belang der reizigers, dat
ook het belang der bereisde streek was, dronkenschap zooveel mogelijk
moest weren. Daarenboven, zeide men, stellen wij er eene eer in, dat
zelfs eene vrouw alléén gerust en veilig in ons land reizen kan, en dat
maakt strenge maatregelen tegenover dergelijke misstappen noodzakelijk.
Zoo liep mijn tweede rit dwars door Noorwegen af; ik had in die drie
dagen weder 165 K.M. op de stolkjaerre afgelegd.
Het hotel Dalen is een tegenhanger van dat te Odde, in denzelfden
stijl gebouwd, geheel van hout, maar slechts gedeeltelijk met eene
verdieping. De verpleging was er uitstekend. Des avonds maakten we
nog een wandeling; er waren enkele huizen, een paar luxe winkels met
reisartikelen en noorsche merkwaardigheden. Maar 't meest trok onze
aandacht de groenten- en vruchtentuin van het hotel. De duitsche
vrienden waren uit Elbing; "daar waar de wolven beginnen te huilen
wonen wij", zeiden zij; de noorsche vrienden waren uit de omstreken
van Drontheim, en nu zocht ieder in den tuin op, wat ook bij hem
thuis groeide, en merkte de afwijking in de groeiwijze, en in de
vruchten op. Toen kwam ter sprake de wijze waarop groenten en vruchten
toebereid, en hoe ze gegeten werden; hoe hunne wetenschappelijke
en hoe hunne volksnamen waren; daarbij hadden de dames het hoogste
woord. Het werd later dan wij wisten, en de boot naar Skien vertrok
den volgenden morgen reeds tijdig. Met grooten spoed dus naar bed!
't Laatste noorsche ontbijt en toen naar de boot, die tamelijk bezet
was. 't Was weer een heerlijke dag. Het Bandaksvand is een prachtige
waterplas; hoewel ruim, toch blijven de beide oevers altijd in 't
zicht. Eerst is het enger en aan de noordzijde begrensd door stoute
bergen, dan een kalmer natuur, uitgestrekte weiden in het westen,
afgesloten door de bergen van Saetersdalen. Er wordt op vele stations
aangelegd, er is een druk verkeer van reizigers van station tot
station, en op al die plaatsen ziet men veel zomergasten. Nu om het
Bandaksö (ö is eiland) heen, een heerlijke plek, en dan steeds verder
over het smaller wordend meer met zijne fraaie oevers, totdat het zich
tot eene rivier vernauwt; 't is de gekanaliseerde Skarperud-Strommen,
die ons op de Hoidesjö brengt. We maken daar weder een omwegje in de
Sundkile, een prachtige bocht langs Kirkebö en om het fraaie eiland
Bubö. Aan haar einde is de Hoidesjö weder door een stroom, Tjaagesund,
verbonden aan het Flaavand, een ruimer plas dan de vorigen; we leggen
nog enkele malen aan en komen weder in eene rivier, de Lund, en krijgen
daar de eerste van eene lange reeks sluizen, het begin van een der
grootste waterwerken in Noorwegen. 't Is te Hogga, en die eerste sluis
schut ons 7 meter naar beneden. Dan de sluis van Kjeldal met 3 meter
verval, en dan die van Lunde, ook met 3 meter verval. Daar vinden we
weêr eene aanlegplaats, Lundefares, met een aardig kerkje. Nu over
den steeds breeder wordenden stroom verder tot aan den Vrangfoss,
vroeger eene sterke stroomversnelling, die het aanleggen van zes
sluizen noodig maakte. Een reusachtige sluisdam van 32 meter hoogte,
geheel van granietblokken gebouwd, houdt het water tegen, dat voor
zoover het niet voor schutten verbruikt wordt, in een 23 meter hoogen
waterval omlaag stort. Thans komen we aan den Eidsfoss, waar we met
twee sluizen weder 10 meter naar beneden geschut worden, en dan nog
door drie sluizen eer we aan den Ulefoss komen, die met eene reeks
van sluizen toegang geeft tot de Nordsjö. Men kan tusschen Vrangfoss
en Ulefoss de boot verlaten, en langs een aangenaam pad, door bosch,
op eene hoogte komen, waar een uitkijk gemaakt is. Daar heeft men
den stouten sluizentrap voor zich, waarlangs de stoomboot langzaam
afdaalt; rechts boven bij het begin der sluizen ziet men den waterval,
die de aanleiding was tot dit reuzenwerk.
Het geheele werk heet het Bandak-Nordsjökanaal en werd van 1889-1892
gebouwd. Het verschil in waterhoogte tusschen de beide meren is 57 M.,
dat overwonnen wordt met 17 sluizen over een afstand 17 K.M. Gewoonlijk
kan men in die streken de sluizen eenvoudig uitkappen in de rotsen,
en verkrijgt daardoor een onwrikbaar waterdicht geheel. Bij het bouwen
van dit kanaal ging het niet zoo eenvoudig, en stuitte men op rotsen
met groote spleten, of geene rotsen; en dan een onbetrouwbare bodem,
waar dan behoorlijk in gefundeerd moest worden. Het is een prachtige
waterweg voor het vervoer van goederen en voor den toerist niet minder,
om de vele fraaie uitzichten die men langs alle zijden genieten kan.
Zoo kwamen we dan te Skien, een middenpunt van houtstoffabricatie
voor de papierfabrieken. We zien de groote fabrieksgebouwen en werven
langs de oevers, maar ook tal van fraaie buitenhuizen in vriendelijke
tuinen. Te Skien al weer dezelfde moeielijkheid om van de aanlegplaats
der boot naar 't station te komen. De menschen schijnen maar niet te
begrijpen dat er iemand kan zijn, die den weg in hunne stad niet kent;
of liever de organisatie der reisbureaux heeft hier den toestand voor
de ongeorganiseerden bedorven. Die een Cooks- of Bennetts-ticket had,
behoefde dit maar te vertoonen en dadelijk kwam een rijtuig om hem naar
't station te rijden.
De reis van Skien naar Kristiania duurt per sneltrein 6 1/2 uur,
en er zijn doorgaande rijtuigen in de treinen, die men sneltreinen
noemt. De reis biedt weinig aantrekkelijks; hier en daar een aardig
uitzicht op de zee; eene vroolijke badplaats; ook wel enkele aardige
landschappen, maar niets buitengewoons. Er liggen interessante oude
steden aan de lijn, bijv. Larvik, maar de tijd ontbrak me om daar
nog te vertoeven. Zoodoende was de spoorreis, na een geheelen dag
op de boot gezeten te hebben, wel wat lang, en mocht ik werkelijk
wel dankbaar zijn onderweg een landgenoot aan te treffen, met wien
de tijd aangenaam gekort werd. Van de Noorsche en Duitsche vrienden
was afscheid genomen op de boot.
Te Kristiania bleef me nog één dag over, want de trein vertrok
eerst ten 11 uur des avonds; desverkiezende had ik denzelfden dag
nog wel door kunnen reizen, want de trein uit Skien kwam ten 10 uur
aan, en de afstand tusschen het Wester- en het hoofdstation is niet
groot. Intusschen, ik deed het niet en besteedde het eerste gedeelte
van den morgen aan eene zeer tijdroovende bezigheid, namelijk die
van eens uit te slapen. De uren in den voormiddag werden nog eens
zoek gebracht met eene wandeling door de stad, en aan 't bezoeken van
het magazijn: "Den norsche Husfledsforening" eene uitstekende plaats
om de cadeautjes te koopen, die men uit verre landen pleegt mede
te brengen. Er is daar de ruimste keuze van interessante en fraaie
voorwerpen, vanaf de eenvoudigste uit berkenhout vervaardigde en bont
met kleuren versierde, tot aan de fraaiste weefsels, aantrekkelijk
door kleur en patroon. Gouden en zilveren sieraden ontbreken ook
niet, en men krijgt zoo den indruk, dat in Noorwegen al wat gemaakt
wordt tot de huisvlijt behoort als het maar mooi is, of dat het woord
"huisvlijt" sterk misbruikt wordt. Het voorrecht om zooveel moois te
zien en er uit te kunnen kiezen, betaalt men echter in den stijven
prijs. Druk bezig met rondkijken in deze magazijnen, trof ik weder
de Elbinger vrienden; we schenen elkaar niet kwijt te kunnen raken.
Van den Husflid, die in de Karl Johann's gade gelegen is, spoedde ik
mij naar de haven, om aan de Pipervikenbrigge de boot te krijgen, die
me aan de overzijde op het eiland Bygdö bracht. 't Is eigenlijk een
schier-eiland, waar men een paar badplaatsen vindt, het fraaie Oskar
Hall, een koninklijk paleis en het noorsche volksmuseum. Dit laatste
was het doel van het tochtje. Van de landingsplaats naar het museum
is eene aardige wandeling; het eiland is overdekt met landhuizen
in tuintjes gelegen, die er spoedig in geslaagd zullen zijn om het
laatste spoor van landbouwbedrijf van het eiland te verdrijven.
Men treedt het tentoonstellingsterrein binnen door een groote poort,
een kolossaal gebouw, eene copie van een der oude stadspoorten van
Bergen; als geschiedkundige herinnering stellig erg merkwaardig,
maar niet mooi. Rondom een vierkant plein zijn eenige gebouwen
geschaard, waarin oudheden bijeengebracht zijn. Er zijn daar vele
prachtige en hoogst interessante voorwerpen. De meeste aandacht trok
de inrichting der huizen, door de eeuwen heen. Van tijd tot tijd kon
men denken in eene nederlandsche oudheidkamer te zijn, zooveel bekende
en op gelijke wijze versierde voorwerpen trof men er aan, maar in 't
algemeen wilde het mij voorkomen, dat er te veel van alles en nog wat
verzameld was. De bedoeling is een beeld te geven hoe 't vroeger was;
maar de aandacht wordt steeds afgeleid door allerlei curiositeiten,
die niets met de hoofdzaak te maken hebben. De passie van te verzamelen
dreigt ook hier den oudheidkenner te verschalken. Er is ook een groote
ruimte ingenomen door kerkorgels, preekstoelen, altaren en velerlei
kerksieraden. Daar was veel eenerlei bijeen en veel onbelangrijks. Dan
is er nog een gebouw, waarin zich eene verzameling van ijzeren kachels
bevindt, stellig een zaak van gewicht voor Noorwegen; er waren er
dan ook heel veel.
In de zalen waren overal fröken in nationaal costuum: bijv. in de
afdeeling Telemarken eene dame in Telemarksche dracht; die dames
hielden zich, zittend, staand of loopend, altijd door bezig met breien
van buitengewoon lange kousen; zij waren zeer bereid een vriendelijk
praatje met den bezoeker te maken, maar inlichtingen geven konden
zij maar weinig.
Op de terreinen van het museum vond men oude gebouwen staan, uit
verschillende deelen van het land overgebracht, en daarbij was zeer
aardig gebruik gemaakt van de golvingen in het terrein en van de
boomen die er toevallig voorkwamen. In die gebouwen waren ook weder
gecostumeerde bewaaksters met breikousen; de huizen waren meestal
volkomen leeg, op één na, eene herberg, waarin zeer eigenaardig
de restauratie gevestigd was; men vond er ook de nabootsing eener
Stavekerke; dat is nog een geschenk van den Zwedenkoning Oscar,
zijn naam staat er met groote gulden letters op. Dan is er nog eene
verzameling van oudere noorsche landbouwwerktuigen. Als geheel is
het museum zeer interessant en leerzaam; ik heb er opgemerkt dat
de versieringen, die men thans ten plattelande op werktuigen en
gereedschappen aanbrengt, nog altijd dezelfde zijn als die men op de
daar bewaarde oudheden vindt.
Den namiddag besteedde ik aan eene rondvaart op de golf van Kristiania;
een alleraangenaamste tocht met de meeste afwisseling. Men vaart om
en langs talrijke eilanden en eilandjes, kaal, begroeid en dikwijls
ook bebouwd met een of meer aardige landhuizen; hier en daar
eene visscherswoning, en dikwijls heerlijke uitzichten op de zich
amphitheatersgewijze verheffende kusten. Niemand die een namiddag te
Kristiania vrij heeft mag dezen tocht verzuimen.
De trein vertrok ten 11 uur 's avonds. Slaapcoupé tot Göteborg. Van
daar af allerprettigst gezelschap van drie amerikaansche dames, die
alleen hoofdsteden in Europa bezochten! Te Kopenhagen had ik drie uur
tijd en maakte ik nog eene wandeling door de stad; aan het station
trof ik waarlijk weer de Elbinger vrienden, die van Kristiania met
eene boot naar Kopenhagen gekomen waren. Wij besloten nu maar bijeen
te blijven. Zij hadden hunne slaapplaatsen in het rijtuig naar Berlijn;
ik in dat naar Hamburg, maar een welwillend conducteur bezorgde ons een
coupé, waar we nog een gezelligen avond doorbrachten tot Gedser, waarna
ieder in zijn eigen coupé moest plaats nemen, om het douanebezoek af
te wachten en te gaan slapen. Te Hamburg had ik weêr een oponthoud van
drie uren, en daarop te Osnabrück nog eens van trein te verwisselen,
om verder ongestoord Amsterdam te bereiken.