Van het hotel Burgund verder gaande, komt men langs den straatweg in

enkele minuten in de schilderachtige Svartegjelkloof, ter plaatse waar

de Laera zich een weg door de Vindhille-rotsen geboord heeft, eene

stoute, woeste rots- en waterpartij; een paar prachtige watervallen

ontbreken niet. Daar de weg spoedig het interessante verliest, slaat de

wandelaar eene andere richting in en keert achter het hotel Burgund om

langs een verwaarloosden weg terug, tusschen eenige daarbij passende

armzalige woningen door; de telegraafpalen wijzen den weg. Zoodra men

wat gestegen is, krijgt men een mooi uitzicht op de beide kerken, de

oude kerk is zoo zwart van ouderdom geworden, dat men zou denken dat

zij dik onder de koolteer zat. Eenmaal op het hoogste punt gekomen,

gaat het met slingers omlaag en heeft men tusschen rotsen door eenige

verrassende kijkjes in het dal. Te Husum vond ik mijnen koffer en vroeg

om een rijtuig naar Laerdal; de kastelein, tevens postmeester, vroeg me

beleefd en gemoedelijk of ik niet een uurtje wachten wilde, dan moest

hij zelf naar Laerdal en zouden we te zamen rijden. De Laera maakt te

Husum zulke aardige kronkels en vormt een paar prachtige watervallen,

zoodat het uurtje om was eer ik het wist. 't Ging toen verder,--ditmaal

weder eens in eene wezenlijk oude kariol. Een prachtige weg, langzaam

langs de rivier omlaag, door eene enge rotskloof, de interessantste,

dien ik nog op dezen rit aangetroffen had. Hoog van de rotsen stort

een ontzettende waterval, de Store (groote) Soknefoss, omlaag. De weg

gaat door een grooten gletscherketel, hier reuzenketels genoemd, en

daarna verbreedt zich het dal; men ziet van alle kanten boerderijen;

bij de huizen bebouwde akkers, vruchtboomen en veel menschen. Mijn

kastelein-koetsier werd onderweg dikwijls aangeroepen over zaken, en

vriendelijk klonk dan telkens bij 't afscheid, het "Fare well". Mijn

reisgezel was een beschaafd man en een aangename prater. Hij vertelde

mij veel van zijn land en het landsbestuur; van de zorg voor 't

onderwijs en de hooge kosten daarvan. Hij was een erge Zwedenvijand;

zijne motieven waren wel wat onbeduidend; men krijgt dikwijls den

indruk of die scheiding tusschen Zweden en Noorwegen eigenlijk

meer veroorzaakt is door halstarrigheden, dan door onoverkomelijk

beginselverschil. Toen ik hem opmerkte, dat men in het buitenland

eerder verwacht had, dat na de scheiding de Noren eene republiek

gekozen zouden hebben, zeide hij mij: Ja, ziet u! we zijn hier nog

banger voor de potentaten onzer eigen soort dan voor een koning; en

met dezen jongen man, die een zeer fatsoenlijk mensch is, verzekeren

wij ons den steun van half Europa. Meer positief en beter thuis was

hij in zake het vrouwenkiesrecht. Iedere vrouw, zeide hij, die voor

zichzelf, of weduwe zijnde voor hare kinderen het brood verdient en

deze opvoedt, heeft onbetwistbaar recht op stemrecht. Zij doet meer

voor de gemeenschap, dan menig man. Huwt de vrouw, of hertrouwt de

weduwe, dan verliest ze haar stemrecht, maar zoolang ze zelfstandig is,

komt het haar toe. Zoo al door pratende over de plaatselijke besturen

en nog wat, over de bedrijven, over het armwezen en over het vele,

dat de Noren nog moesten leeren, maar stellig leeren zouden, bereikten

we spoedig Blaafaten. Het dal werd steeds ruimer en meer bebouwd en

bewoond, het was er gezelliger dan ik ze tot nu in Noorwegen gezien

had. Rondom verhieven zich hooge bergen op grooteren afstand, tot

we op een rechten, vlakken weg kwamen en voor ons uit de open ruimte

zagen. We naderden het dorp Laerdal aan de Laerdalsfjord.

Dit was het eindpunt van mijn eersten tocht door Noorwegen; het waren

151 K.M. in drie dagen per stolkjaerre en kariol.

Laerdal of Laerdalsören heeft maar 850 inwoners 't is eene opkomende

plaats, gelegen aan de uitmonding der Laera en de fjord, een arm van

de Sognefjord. Het dal der Laera is verbreed tot een ruime vlakte,

bestaande uit zand en berggruis, door de Laera van de bergen afgevoerd

en op de fjord veroverd. Er zijn enkele goede huizen in het dorp, dat

overigens zeer onregelmatig gebouwd is; de kerk, weder eene nieuwe kerk

met modern materiaal gebouwd in den ouden stijl, is minder gelukkig

dan die te Burgund; ze is te bont en maakt geenszins den indruk van

eene kerk.

Den volgenden ochtend had ik eerst eene wandeling van ongeveer een

kwartier te maken van af het hotel Lindstrom tot aan de aanlegplaats

der boot, en weder onder het aangenaamste zomerweêr voeren we de

fjord af. Een vreemd gezicht die steile bergen, die zonder oever

hunne steenmassa's uit het water doen oprijzen! Eén van vorm en

ook meestal één van kleur, met prachtige spiegeling in het stille

water. De fjord werd langzaam wijder, en gaf hier en daar aardige

kijkjes, bijv. op de haven Haugene, met een vriendelijk uitzicht

in het Eierdal. Daar waar de Laerdalfjord uitmondt in de Sognefjord

heeft men een heerlijk bergpanorama over het ruime watervlak. Niet

lang daarna, aan een paar huizengroepen voorbij, draait men, indien

men met mij naar Gudvangen reist, de Aurlandsfjord in. Het tafereel

wordt nu oneindig grootscher. De fjord is slechts 1/2 kilometer

breed en aan weêrszijden gaan de rotsen in zware, strakke massa's

900 á 1200 M. omhoog. Stort zich soms een riviertje in de fjord uit,

dan vormen zich aan die uitmondingen bezinkingen, waar men dan ook

woningen en eenige kultuur vindt. Voor we de Aurlandsfjord invoeren,

kwamen we een andere boot tegen en draaiden bij, om van haar een

aantal passagiers over te nemen, allen mannen, waaronder militairen;

dat was een vroolijk en druk gezelschap, dat me uitlokte om eens op

het voorschip te gaan kijken. Het waren allen mannen, die de laatste,

ik meen veertiendaagsche, periode van den algemeenen dienstplicht te

Vossevangen gingen vervullen. Er waren verscheiden gehuwden onder;

ze waren welgemoed en opgewekt. Onder het vijftigtal waren er twee

die hunne opgewektheid wat te krachtig met bier steunden; voor

ze ongeschikt werden voor het algemeen gezelschap, werden ze door

kameraden achteraf gebracht en gehouden; natuurlijk was er onder

dat gezelschap ook een met eene viool, die er dapper op losstreek;

er werd ook gedanst; eerst heel aardig en kalm, toen het langzaam

te wild en ongemanierd werd, was een enkel woord van den kapitein

der stoomboot voldoende om er een eind aan te maken. De mannen in

uniform waren onderofficieren; het dragen der uniform is een voorrecht

voor hen die de onderofficiersschool doorloopen, maar men maakt geen

gebruik van dat voorrecht. In die onderofficiersscholen wordt meer

uitgebreid lager onderwijs gegeven en vooral veel werk gemaakt van

het leeren spreken en verstaan van vreemde talen. Dat is het lokaas om

onderofficieren te krijgen, want de Noren, zoowel vrouwen als mannen,

zijn zeer tuk op het leeren van vreemde talen. De meerderheid der

mannen maakt van de gelegenheid tot leeren in de onderofficiersschool

gebruik, al is het dan ook niet om onderofficier te blijven.

Gedurende dien cursus op het voordek was de stoomboot verder

gevaren. Er was niet veel te zien. Hier en daar een huis als een

kraaiennest, tegen een rotswand geplakt, en tal van watervallen,

die echter weinig indruk maken, omdat ze te ver af zijn.

Bij eene vooruitstekende rots, de Bejteln, vaart men de Naerofjord

in. Die invaart is prachtig; het water is 8 à 900 meter breed; de

rotsen aan weerszijden zijn even hoog en even steil, en naar voren is

het uitzicht afgesloten door eene statige groep van sneeuwbergen. Denk

eens hoe mooi dat was, toen de zon schel begon te schijnen en alles

met gloed en licht overgoot, waardoor ook de donkere partijen in de

rotsen meer tot haar recht kwamen. De watervallen zijn nog talrijker

dan te voren, en worden levendiger en duidelijker, nu de fjord maar

steeds door enger wordt. Op eene eeuwen geleden van de hooge wanden

in het water gestorte rotsmassa ligt het kleine kerkje van Bakke,

omgeven door eenige houten woningen; de achtergrond wordt gevormd door

den steilen fjordwand, waarvan de rivier de Bakke, nu goed zichtbaar

en hoorbaar, als waterval omlaag stort. Op het water hier en daar

visschersvaartuigen in hun bedrijf; wat dichterbij Gudvangen ook

pleiziervaartuigjes en een zeer fraai engelsch jacht; deze vormden

eene alleraardigste stoffeering, alleen overtroffen door het fraaie

gezicht op Gudvangen zelf. Eenige huizen, eenige hotels, alleraardigst

door elkaar geworpen en vooral veel boomen, en als achtergrond het

beroemde Naerodal met zijnen trouwen wachter de Sjaerpennut, eene

reusachtige rots uit wit graniet.

Die aankomst te Vossevangen is eenig in haar soort. De landingsplaats

is vol nieuwsgierigen en een aantal hotelbedienden, die in bedwang

worden gehouden door een tweetal heeren, de vertegenwoordigers der

reiskantoren! Deze heeren maakten groot lawaai, daarin gesteund

en overtroffen door een aantal koetsiers, die met hunne rijtuigjes

langs den weg gereed stonden. 't Scheen wel of die drukte gemaakt

werd als imitatie van grootere plaatsen; ze is namelijk geheel

overbodig. Die agenten der reiskantoren weten precies op welken dag

en hoeveel reizigers zij krijgen, en welke rijtuigen die reizigers

hebben moeten en waar heen. Zij weten ook welke reizigers in de hotels

afstappen, want dat wordt hun alles van dag tot dag uit het hoofdbureau

gemeld. Alléén die weinigen, die, zooals ik, met zoogenaamde vrije

tickets reizen, moeten naar hunnen tot nu toe onbekenden wensch

vervoerd worden.

Het was nog vroeg en mooi weer, zoodat ik veel lust had om dien avond

wat later te Voss aan te komen, en stellig wenschte ik niet in den

grooten sleep van rijtuigen opgenomen te worden; daarom bleef ik tot

het laatst aan boord, gaf mijn koffer tot nader order aan den agent

van "Cook" en liep Gudvangen in, om eens te zien wat daar te koop

was. Het is niet veel meer dan eene groep boerderijen, waar hier

en daar een hotel tusschen staat en eenige winkels met plaatselijke

merkwaardigheden, meest handwerken, photo's en briefkaarten.

De rotsen die Gudvangen omgeven, gaan zoo steil omhoog, dat men er

gedurende de wintermaanden de zon niet te zien krijgt. Een prachtige

waterval, de Killefos, komt daar van eene hoogte van 560 M. omlaag

met een vrijen val van 150 M. 't Was merkwaardig, maar te hoog om

het mooie er van goed in oogenschouw te kunnen nemen.

Nadat mijne medereizigers een goed eind vooruit waren, nam ik ook

een rijtuigje en reed het Naerodal in;--tot Voss is het een rit van

5 à 6 uur.

Gewoonlijk wordt gezegd dat het Naerodal, als voortzetting van de

fjord, zijn zelfde woeste karakter behoudt. Het was echter zoo'n

heerlijke zonnige dag, dat de woestheid tot lieflijkheid werd. 't Was

er niet woest, evenmin als op de fjord; de landschappen waren trotsch,

krachtig in lijnen en tinten; het groen hier en daar, op de bergen en

beneden in het dal, de huizen die er in verscholen lagen, het lachende

stille watervlak, alles zag er vriendelijk uit. Misschien was het te

danken aan 't heerlijke heldere weder, maar mijne herinneringen aan de

Naerofjord en aan het Naerodal zijn doorgaand vriendelijk en opgewekt.

Op ongeveer een kwartier rijdens van Gudvangen loopt de weg door eene

groote "ur", eene opeenhooping van bergpuin; dat is werkelijk woest;

men ziet echter spoedig eene fraaie boerderij tegen de berghelling;

die hoeven hebben daar allen namen; deze heette Sjaerping. Een

weinig verder vertoont zich de prachtige grauwe syenietkop van den

Jordaelsnut, een heerlijke bergformatie, die het geheele enge dal

blijft beheerschen. 't Gaat langzaam omhoog; men gaat over de rivier,

dan langs een paar boerderijen en komt vervolgens aan den voet der

ontzettende Stalheimsklev, die het dal geheel afsluit. Daar verkondigt

u een groot bord, dat de reizigers worden verzocht den steilen weg

naar boven te voet af te leggen, ter wille van de paarden. Dat is over

tal van slingerwegen een klim van drie kwartier; voor zich uit en ten

laatste aan weêrskanten heeft men echter twee zeer schilderachtige

watervallen, de Silvlefoss en de Stalheimsfoss, zoo frisch en dartel,

dat men de warme zon gaat vergeten. Bij het rusten van tijd tot tijd

is vooral het uitzicht naar beneden in het dal wondermooi. Stellig een

der heerlijkste punten in Noorwegen. Ook hier wordt steeds gesproken

van het uitzicht in het donkere dal en in 't bijzonder aangeraden dit

's namiddags te nemen. Ik zag het onder vollen zonneschijn; vooral

de prachtige Jordaelsnut op den voorgrond werd prachtig beschenen,

zoodat ik van een donker dal niet spreken kan en zeer dankbaar ben

het zóó getroffen te hebben.

Boven op de klev vindt men het ruime Stalheim's Hotel, een goede

inrichting, met eene pretensie van voornaamheid, die het maar slecht

afgaat. Er was eene uitgebreide toko in, waar men allerlei noorsche

bijzonderheden kon koopen; het hotel ligt hoog en de prijzen der

uitgestalde voorwerpen zijn nog hooger boven het niveau; er waren

echter prachtige noorsche weefsels tentoongesteld, in patroon en vooral

in kleuren zeldzaam fraai. De table d'hôte zoude juist beginnen, maar

't was mij nog te vroeg, en ik liet mijn rijtuigje voorkomen om in

het Opheimdal af te dalen. Aanvankelijk geeft deze weg niet veel;

de grond is slecht, zelfs elzenhout wil er niet behoorlijk groeien;

het water is bruin en pappig van het veen. Gelukkig duurt dat niet lang

en komt men door flinke bosschen en uitgestrekte weiden langzamerhand

in eene meer bewoonde streek. Op eenmaal verandert het landschap van

karakter; men ziet haast geen rotsformaties meer; de kultuur neemt de

overhand, met vele boerderijen. Vooral is de rit lief langs het kalme

meer van Opheim, waaraan het aardige kerkdorp van dien naam gelegen

is; wanneer daar nu maar niet weêr zoo'n witte houten kerk van het

algemeen model stond! Aan het einde van het meer een groote draai,

en door een oprijlaan reden wij voor het Framnesshotel. Daar nam ik

het middagmaal en zat er heel rustig in eene kalme omgeving, meest

Noren, met wie spoedig een gezellig gesprek aangeknoopt werd; vooral

de dames zijn gaarne bereid den vreemdeling zijne kreupele sprongen

in de noorsche uitspraak te vergeven. Van uit den tuin van het hotel

genoot ik nog van het schilderachtige, vreedzame uitzicht op het meer.

In den avond reed ik verder. Het landschap wordt hoe langer hoe

vriendelijker, het dal wordt enger; hier en daar eene brug over

de rivier. Voor het eerst zie ik hier rotsen van een anderen vorm;

het is lei, tot nu toe was het altijd graniet, en die afwisseling

doet aangenaam aan. Bij het gehucht Tvinde een prachtige bruisende

waterval; men komt nu op vlakken bodem, de grond is keurig bebouwd;

overal akkers tusschen de weiden, veel en weelderig hout en dan de

stad Vossevangen (meestal Voss genaamd) aan uwe voeten in een dieper,

ruimer dal. Men daalt langzaam neêr en verlustigt zich in het heerlijk

uitzicht. De stad is om eene oude, fraaie steenen kerk gebouwd en

heeft een prachtig, niet te groot meer tot achtergrond.

Men kan te Voss eene aardige wandeling maken naar een aan de

overzijde van het meer op de bergen gelegen koffiehuis "Breidablik";

de uitzichten vanaf de stad, die men uit de meeste hôtels genieten kan,

wedijveren met die van af Breidablik over het meer; Vangsvand is zijn

naam; beiden zijn in hooge mate schilderachtig en komen overeen met de

uitzichten op Opheimsvand; ze zijn onderscheiden van wat ik tot nu toe

zag, evenals de geheele omtrek van Voss; daar is minder rots, al komen

hier en daar nog wel eens grimmige partijen te voorschijn; meer bebouwd

land en vooral prachtige weiden tegen de zachtere hellingen der bergen.

Het stadje zelf is zeer levendig; er zijn in 't oogvallend veel

winkels, al staan ze niet gelijk met grootsteedsche magazijnen, maar

onder meer zag men bijv. bananen uitgestald tegen lageren prijs dan te

Amsterdam. Men kon aan de winkels zien, dat er meer welstand is in de

omstreken van Vossevangen, dan in de streken waar ik tot nu toe geweest

was. De stad ligt trouwens ook aan den spoorweg die vanaf Bergen,

aangelegd wordt en gedeeltelijk dient, om over de Skandinavische

Alpen verbinding te krijgen met de oostelijke lijnen en met Kristiania.

Buiten de stad wandelende, kwam ik aan het militaire kamp, waar ik ook

weder de reisgenooten van de Naerofjord trof, ditmaal allen in hun

pakje, dat zeer eenvoudig, maar opvallend onzindelijk was. Ze waren

daar gehuisvest in kleine houten barakken, waarvan er een aantal in

dubbele rijen op een middenpunt uitkwamen, waar de bevelhebber en

de officieren hunne gelijksoortige barakken hadden. Dit kampement

was gelegen op een ruime hoogvlakte; later heb ik er nog gezien,

die geheel uit tenten bestonden.

In Noorwegen is elk welgeschapen, gezond man dienstplichtig, behalve

wanneer hij loods of geestelijke is, en hij wordt aangewezen voor den

dienst waarvoor hij het meest geschikt is. Zeelieden en visschers

dienen op de vloot, handwerkslieden bij de genie en de artillerie;

studenten in de medicijnen in de veldhospitalen; de landlieden gaan

zooveel mogelijk bij de kavalerie. De dienstplicht begint op 22

jarigen leeftijd en duurt 10 jaar, met afloopende diensttijden en

naar gelang het wapen waarbij men ingedeeld is.

Voorbij het Fleischer's Hotel te Voss brengt een zijweg, door

wegwijzers voldoende aangeduid, u naar het Finneloftet, op de

wegwijzers het oudste wereldsche gebouw in Noorwegen genoemd. Het is

een oud boerenhuis; de naam der boerderij is Fin, en loftet beteekend

een huis met eene verdieping, in tegenstelling met stue, dat een huis

is zonder verdieping. In dergelijke huizen is de ruimte gelijkvloers

tot berging en bediendenhuisvesting aangewezen, terwijl de in- en

uitwendig met meer zorg gebouwde verdieping door den boer met zijn

gezin bewoond wordt. Er is in dit gebouw eene verzameling van oudheden,

of liever eene opeenhooping van oud huisraad en landbouwgereedschappen,

waarvan ik geloof dat veel in de afgelegen boerderijen nog zoo

heel lang niet geleden buiten gebruik is gesteld. Er zijn wel

aardige dingen onder, en curieus was te zien hoe men zich bij het

samenstellen van vele voorwerpen had moeten voegen naar het eenige

beschikbare materiaal--hout. Als museum heeft Finneloftet maar eene

zeer beperkte waarde; het was evenals de oude vrouwelijke conciërge,

die mij rondleidde door de enkele kamers, erg primitief.

Het had mij bij het opmaken van mijn reisplan leed gedaan, dat ik het

niet zóó had kunnen inrichten, om Zondags te Odda te zijn, waar men

dan volgens de Baedekers en consorten de merkwaardige kleederdrachten

van het Hardangerlandschap bewonderen kan bij het uitgaan der kerk;

maar 't ongeluk werd prettig vergoed, doordat ik Zondagsmorgens te

Voss was, en daar de bevolking uit den omtrek van alle kanten op hare

stolkjaerre en cariolen naar de kerk zag komen. Dat was inderdaad

in hooge mate schilderachtig. Veel wit, veel kleur en veel levendige

gouden versieringen. Natuurlijk kan ik niet beoordeelen in hoeverre

die kleederdracht al meer of min gemoderniseerd is, maar toch, naar

de stoffen en den snit te oordeelen, geloof ik het niet. Ik geloof

eerder dat de nieuwere modes veel van dat oude overnemen. De vrouwen

en meisjes waren alleen in het costuum, dat zich nog wel lang zal

handhaven, omdat het zoo uiterst kleedzaam is. De vrouwen op 't land

zijn, evenals de mannen, van groote gestalte en daarbij niet bijzonder

slank; zij hebben bijna zonder uitzondering een goed figuur en een

statigen, sierlijken gang. De gelaatskleur is frisch, gezond en blank;

handen en armen zijn daarentegen gewoonlijk verbrand en verweerd;

de oogen zijn licht staalgrijs en het haar wit blond. Zooals gelukkig

overal, zijn er ook daar veel bepaalde schoonheden onder de vrouwen;

het is een bijzonder knap soort van menschen. Eene uitzondering

maakten daarop de oude vrouwtjes, die men dikwijls de woningen ziet

bewaken. Naar kleeding, meestal zwart, en naar uiterlijk, met hunne

sterk gebogen gestalte, kwamen me die schepseltjes inderdaad voor

als de juiste personificatie van 't woord "heks".

't Was een levendig tafereel daar op dien zonnigen Zondagmorgen

tusschen half tien en tien uur te Voss. Die lange rijen van lichte

wagentjes, getrokken door die lichtgekleurde driftige paardjes, beladen

met twee en drie keurig uitgedoste personen. De mannen allen in het

donker; de vrouwen met donkere rokken en wit bovenlijf en daarover

een donker, met kleuren afgezet corsage; het front met bontgekleurde

koralen geborduurd en behangen met goud. De mouwen en de groote,

wijd uitstaande mutsen wit. Het deed me leed, dat ik niet wachten

kon tot de kerk uitging, om die optochten nog eens te zien.

Dien voormiddag vertrok ik weer per stolkjaerre naar Eide, om van

daar de Hardangerfjord te bereiken. Een bezoek aan Bergen moest

ik, zooals reeds van te voren te voorzien was, uit gebrek aan tijd

achterwege laten.

Men verlaat Voss over eene lange houten brug over de Rindal, en komt

spoedig in boschrijke omgeving; ditmaal is alles loofhout, pijnbosschen

ziet men alleen in de verte, keurige kijkjes vanaf den hoogen weg;

langzaam hooger; de woningen worden zeldzamer en blijven spoedig

achterwege; 't landschap verliest zijne bekoorlijkheid. Plotseling

komt men aan eene diepte; het dal gaat hier loodrecht omlaag, en in

dien steilen rotswand is met vele kronkels een weg uitgekapt. Wanneer

men ongeveer halverwege beneden is, krijgt men het uitzicht op den

prachtigen "Skjervetfoss", een der mooiste watervallen die ik zag. Hij

bestaat uit twee deelen; 't bovenste valt loodrecht omlaag en de

sluiervormen van het water teekenen zich keurig helder af tegen den

donkeren achtergrond der rotsen. Dan stort de watermassa zich over

eene hellende rotsbedding en onder eene brug in den straatweg door,

verder in dichte massa's voort het dal in. In de nabijheid van den

waterval heeft zich een frisschen levendigen plantengroei ontwikkeld,

en de grasplekjes hier en daar waren vroolijk met kleurige bloemen

bezaaid. Een verrukkelijk tafereel! Het is eene eigenaardigheid in

Noorwegen, dat de enge dalen, de verlengden of voortzettingen der

Fjorden, altijd met steile reuzentrappen omlaag gaan, in stede van

meer glooiend af te loopen, zooals elders.

De straatweg volgt nu de rivier, die zorg draagt altijd uwe aandacht

gaande te houden door het wilde bruisen en het donderend geweld,

wanneer zij zich hier en daar door eene engere rotsbedding heen

wringt. Het bovengedeelte van den Skjervetfoss kan men nog lang in

al zijn glorie waarnemen. We rijden door een gehucht Ovre Vasenden,

en bereiken den top van het Gravensvand; rondom verheffen zich

vervaarlijke bergmassa's. Verder gaat het langs het Gravensvand,

wel wat eentonig, en na 3 uur rijdens stapte ik uit te Eide voor het

voortreffelijke Maeland's hotel. Daar werd het middagmaal gebruikt,

daarna nog eene wandeling terug naar 't Gravensvand gemaakt, waar ik

zeer opmerkelijke inrichtingen voor de zalmvangst vond, en eindelijk

de aanlegplaats der stoomboot opgezocht, om de vaart op het Sörfjord

te aanvaarden.

Een tegenslag met zeer onaangename gevolgen. De boot kwam twee uur te

laat. Er waren bij het mooie weer en met den Zondag zooveel reizigers,

dat men onderweg overal aanleggende, veel tijd verloren had; wachten

was de boodschap, en ten laatste van wal, op eene stampvolle boot. Het

begin der vaart op de Gravensfjord geeft hetzelfde te zien als bij 't

verlaten van bijna alle fjorden, maar als men op de breede Utnefjord

komt en deze overvaart, dan verandert het tafereel. De Utnefjord is

ongeveer het middendeel van de Hardangerfjord; een breede waterplas,

omgeven door steile en hoog uit het water oprijzende rotsgevaarten,

met veel schakeering van licht tot donker. De avondzon werd nog niet

geheel door de bergkammen onderschept, en stortte een gouden gloed

over water en land; de tegenoverliggende sneeuwvelden werden helder

en schitterend verlicht. 't Was boven alle beschrijving heerlijk mooi,

levendig en toch majestueus. Alle reizigers waren onder den indruk van

't schoone tafereel.

Bij Utne voeren we de Sörfjord in, een vaarwater dat aanvankelijk nog 2

kilometer breed is, maar over eene lengte van 40 kilometer ten laatste

maar enkele honderde meters tusschen de rotswanden meten kan. Langs

de oostelijke oevers liggen vele dorpen en gehuchten. De bergstroomen

hebben hier, nog meer dan elders, lagere landstrooken gevormd, die

eene zeer beschutte ligging hebben en eene uitstekende vruchtenkultuur

mogelijk maken. Langs het middengedeelte van de fjord, waar deze

ook nooit bevriest vindt men tal van kersen en appelboomgaarden; de

plantengroei is zeer weelderig en er heerscht groote welvaart. Aan de

oostzijde openen zich ook verscheiden dalen, die fraaie uitzichten

opleveren; aan de westzijde is de doorloopende bergrug getooid met

tal van watervallen en op den top bedekt met eeuwigdurende sneeuw en

hier en daar een gletscher. Natuurlijk was dit alles beschreven in

verschillende reisboeken, en wij allen--ik was in nadere aanraking

gekomen met eene duitsche en een noorsche familie--spitsten ons zeer

op de heerlijkheid, die wij nog aanschouwen zouden. Maar 't was buiten

het daglicht gerekend. De vertraging, die we reeds te Eide hadden,

zette zich om dezelfde reden voort en nam toe, en weldra was van al

de veelgeprezen schoonheden van de Sörfjord niets meer te zien dan

donkere silhouetten. De sneeuw en de gletschers daar boven op het

Folgefond kwamen er wel des te meer door uit, maar die gletschers

waren op zich zelf niet zeer belangrijk.

We kwamen 's nachts om 12 uur te Odde aan. 't Was in dat enge dal

zeer donker; de vele reizigers maakten ook, dat men moeite had om

onder dak te komen.

Ik kan reizigers in Noorwegen niet genoeg aanbevelen, de fout die ik

bij het bevaren der Sörfjord beging te vermijden. Toen te Eide de

boot volle twee uur vertraging had, had ik daar tot den volgenden

ochtend moeten blijven, en me de vaart op de Sörfjord niet door de

duisternis moeten laten bederven.

Ik moest doorreizen, want anders kwam ik over den mij toegestanen dag

thuis, maar juist daardoor kom ik tot de vernieuwde gevolgtrekking,

dat Noorwegen geen land is, om in een kort zomerverlof te bereizen. Die

minder dan drie weken te zijner beschikking heeft, doet inderdaad

beter niet naar Noorwegen te gaan.

Door Noorwegen De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 2 / 4 段