Stel u voor een gewonen marktwagen, een lagen eikenhouten ba

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

Door Noorwegen.

door G. Bosch.

Naar Noorwegen! Zoo klonk het besluit, na het lezen van eene

reisbeschrijving door dat land.

Zooveel moois was wel nergens ter wereld te zien, en schijnbaar in

een niet te groot bestek.

En de reis werd ondernomen; het vele schoons werd gezien--maar dat

niet te groote bestek bleek wel eene te vluchtige gevolgtrekking

te zijn geweest. Voor velen misschien volkomen juist, n.l. voor hen

die over zee in Bergen aankomen, slechts een klein deel van het land

doorkruisen, en dan overstelpt werden door 't vele moois dat ze zien.

Maar ik wilde wat meer; ik wilde zoo mogelijk van mijne reis een

indruk van het geheele Noorwegen mede thuis brengen, en begon met

het oog daarop een reisplan te ontwerpen--maar ziet dat ging niet in

den beperkten beschikbaren tijd. Het land is groot, zeer groot! Neem

eens eene kaart van Europa, zeide mij later eens een Noor, en vouw

haar om het zuiden van ons land om, dan zult ge zien dat het noorden

tot ver in Italië reikt. En inderdaad Noorwegen is zóó groot, en

bezit zoovele ver, zeer ver uiteenliggende punten, die men dan toch

er eenmaal zijnde, ook bezoeken wil--dat reizigers die over niet

meer dan 15 tot 20 dagen te beschikken hebben, eigenlijk verstandiger

doen, met er niet heen te gaan. Ik was zoo verstandig niet en moest al

dadelijk besluiten om het noordelijkste deel met Trondhjem, en van het

westelijk deel waarschijnlijk ook de stad Bergen onbezocht te laten;

en voor het overige was.... Maar ik hoop dat het u niet vervelen zal

mij van dag tot dag te volgen.

Ten 10 uur 's morgens verliet ik Amsterdam; gebruikte te Osnabrück

het middagmaal en kwam ten 9.40 uur 's avonds te Hamburg; had daar

weder den tijd tot 11 uur 30 om via Warnemunde naar Kopenhagen te

trekken. Deze trein heeft slaaprijtuigen, die men niet verlaat vóór

de aankomst te Kopenhagen. Intusschen de zeetocht van Warnemunde

tot Gredser was zeer stormachtig; 't verblijf in het slaaprijtuig

werd daardoor onderbroken en een kijkje op de boot genomen. 't

Was er vol en de reizigers waren allen in opgewekte, eenigszins

luidruchtige stemming. Het personeel der Deensche Staatsspoorwegen

bood den volgenden dag een feest aan, aan dat van de Mecklenburgsche

spoorwegen. De boot was daardoor stampvol met heeren en dames van

de spoor; overal vond men menschen, alléén de slaaprijtuigen en

de slaapplaatsen aan boord bleven onbezet, jammer voor hen die,

als ik, hunne nachtrust wilden genieten, want het inschepen der

spoorwegrijtuigen was zoo kalm gegaan, dat men er zoo midden in den

nacht maar weinig van merkte. Gelukkig was er tusschen Gedser en

Kopenhagen nog een rustig uiltje te knappen. We werden nog eens met

den geheelen trein over een zeearm gezet, en eerst te Roskilde kwam er

zooveel beweging aan de stations, dat het slapen er bij inschoot. Het

eiland Seeland is lief en blijkbaar zeer welvarend, maar niet zóó

mooi, dat het alle aandacht vordert. Ten 9 uur 43 precies stoomden

we het hoofdstation te Kopenhagen binnen; men moet dan voor de reis

naar Noorwegen van dit station naar het Havenstation; men geeft zijn

bagage aan een kruier en laat zich den weg wijzen; heel gemakkelijk,

men houdt altijd links en loopt zoodoende om het hoofdstation heen. De

terreinen van de beide stations liggen met den rug tegen elkaar aan,

maar de rechte lijn kan niet gevolgd worden, men moet den omtrek

eener ellips half afloopen om bij het havenstation te komen. Tijd

is er in overvloed, daar voor behoeft geen enkel reiziger bezorgd

te zijn--maar er is toch iets anders dat vreemd is. Vraagt men den

kruier om een rijtuig naar het havenstation, dan wil hij daar niets

van weten. De man weet hoe kort de afstand en hoe eenvoudig de weg is

en vindt het niet eerlijk om u daarvoor een rijtuig te laten betalen;

hij gaat mede buiten het station, wijst u den weg en zegt dat hij met

de bagage na komt. Ik onderging die belangstellende behandeling en

volgde de andere reizigers; zoo liepen in Kopenhagen vreemdelingen

elkander na, vertrouwende de een op den anderen, niet wetende of

misschien allen voor 't eerst van hun leven daar waren.

De man met de bagage komt nog al laat achterna, maar toch in tijds;

hij helpt u zeer dienstvaardig met het uitzoeken eener plaats en

wanneer er een politieman dicht bij is, of een conducteur, geeft hij

u zelfs geld terug, als ge hem boven het tarief betaald hebt.

De lijn naar Helsingör gaat nu langs de kust van Seeland. Het landschap

wordt spoedig na het verlaten van Kopenhagen veel belangwekkender;

men heeft er hier en daar heerlijke kijkjes op de zee; spoort langs

fraaie landgoederen en door prachtige beukenbosschen tot men te

Helsingör aankomende weêr met eene stoompont overgezet wordt naar

Helsingbörg in Zweden. Die te Kopenhagen plaats nam in het doorgaand

rijtuig naar Kristiania kan rustig blijven zitten: 't overstappen

naar en van boord heeft trouwens niets geen bezwaar.

De route door Zweden is niet fraai. Van tijd tot tijd als men de kust

wat meer nadert, heeft men wel eens fraaie kijkjes, maar over 't geheel

is het landschap eentonig, heuvelachtig, met veel waterplassen terwijl

de rotskammen, die hier en daar uit den grond opsteken, het niet beter

maken. Dan weêr eens bosch en dan weêr minderwaardig bouw- en weiland:

weer plassen enz. Aangenaam is het dat de conducteur de reizigers komt

waarschuwen als aan 't eerst volgende station avondtafel is. Men doet

dit overal in Zweden en Noorwegen op de treinen. Die eetgelegenheden

zijn zeer goed; maar aangezien men zich zelf bedienen moet van eene

groote tafel, waar alle eetgereedschap en eene goede verscheidenheid

van wel bereide spijzen gereed staan, om dan aan eene der kleinere

tafels zijn buit te gaan nuttigen, zoo is bescheidenheid hier niet

al te zeer aan te prijzen.

In den avond komt men te Göteborg aan, en een ieder betrekt zijn

slaapcoupé. Deze zijn op de noorsche spoorwegen zeer aangenaam

ingericht; eene slaapcoupé is een ruime halve coupé, van hare

wederhelft gescheiden door eene schuifdeur, die aan beide zijden

afgesloten kan worden. Is de eene helft niet bezet, dan kan men die

ook gebruiken als zitplaats, en beschikt dan zoodoende over een ruim

slaapvertrek. De bedden en het verdere waren uitstekend in orde. Ik

had me reeds in de dubbele ruimte zeer gezellig ingericht, toen ik

opgejaagd werd door twee japanners die ter elfder uur de slaapplaatsen

in mijne zitkamer nog afhuurden. Onderweg had ik ze al een paar maal

gesproken. Zij kwamen laatstelijk uit Berlijn en de oudste stelde

zich met een hoogadelijken titel en onverstaanbaren naam voor; daar de

vriend echter slecht verzorgde werkmanshanden had, kreeg ik den indruk

met een aansteller te doen te hebben, en begon ik Japan al te beklagen,

dat zijne zonen al last kregen van europeesche hebbelijkheden.

Hoe het landschap tusschen Göteborg en Kristiania is weet ik niet,

want ik sliep er ongestoord doorheen, slechts even gewekt door eene

bescheiden vraag van een noorsch grensbeambte of ik tolplichtige

waar in mijn bagage had; hij nam genoegen met mijne eenvoudige

ontkenning. Het aankomen bij Kristiania in den vroegen morgen

was heerlijk. Een prachtig en steeds afwisselend uitzicht op de

baai met hare talrijke begroeide eilandjes; hare liefelijke oevers

bezaaid met zomer-verblijven en tal van uitspanningsplaatsen, hier

allen als badplaats aangeduid. Langzaam begint de weg te dalen;

een paar tunnels, dan een paar ravijnen en dan het overal en daar

ook min smakelijke voorstads-gedoe, en ten kwart voor zes rolden

wij het station binnen. Buiten het station gekomen herhaalde zich

het dienstbetoon der kruiers te Kopenhagen. Ik vroeg zoo'n vriend

mij een rijtuig te bezorgen, maar hij hield dat voor overbodig;

ik moest met hem mede naar de tramhalte, aan de andere zijde van

't stationsplein; hij zette mijne handkoffer op een tram en zeide

aan den conducteur waar ik heen moest. Dat kost u nog niet de helft,

mijnheer! zeide hij, zonder een spier in zijn eenvoudig gelaat te

vertrekken. Enfin! 't is precies uitgekomen, maar ik zoude andere

reizigers toch raden op een rijtuig aan te dringen, al moet men dan

soms ook nog 20 öre geven aan een jongen, om het te halen; de hotels

zijn nog al ver af, en de tram loopt er niet altijd langs.

Voor 't gemak had ik ditmaal te Amsterdam bij Thomas Cook & Son

hoteltickets gekocht, hoewel ik daarmede nog nooit gereisd had, maar er

nu toe kwam omdat ik toch plaatskaarten moest koopen voor de rijtuigen

waarmede ik reizen zoude en voor de boottrajekten. Men behoeft dan

nooit naar prijzen te vragen; men heeft voor de geheele reis zijne

biljetten in den zak, en recht om geholpen te worden. De tickets

worden overal zonder tegenspraak en zelfs bij voorkeur aangenomen. De

hotelcoupon noodzaakte mij in het hotel Continental te Kristiania te

logeeren, waarvoor ik mij in geen opzicht te beklagen had, alleen is

de ligging niet zoo fraai als die van de hotels op de Karl Johans-Gade.

't Gebruik van slaapcoupés heeft weleens kwaden invloed op de

beurs. Zes gulden per nacht is niet goedkoop,--maar nu kan ik ook

na twee nachten gereisd en na een goed ontbijt genuttigd te hebben,

reeds omstreeks 9 uur mijne wandelingen door Kristiania beginnen,

onder begunstiging van het heerlijkste zomerweder.

De Noorsche steden werden vroeger, en dat is nog zoo heel lang

niet geleden, allen van hout gebouwd. Er kwamen herhaaldelijk

groote branden voor en daar volgden dan wettelijke bepalingen op,

waarbij herbouw in hout verboden werd. Kristiania trof dit ongeluk

in 1686, 1708 en 1858; daardoor heeft het nu, al is het gedeeltelijk

van ouderen datum, een zeer nieuw uiterlijk; rechte breede straten,

groote pleinen, wandelingen en plantsoenen. De Karl Johans-Gade begint

aan het station en loopt ongeveer een half uur recht door en omhoog

tot aan het koninklijk slot. 't Is eene prachtige straat met vele

monumentale gebouwen aan weerszijden, waaronder het parlementsgebouw

met zijn strengen stijl bijzonder de aandacht trekt. Daar verbreedt

zich de straat met flinke plantsoenen, die weêr afgewisseld worden

door de statige lijnen van het nationaal theater en die van de

eenvoudige universiteit. Het koninklijk paleis met zijne fraaie

parken sluit de Karl Johans-Gade waardig af. Achter het nationaal

theater ligt eene minder aanzienlijke stadswijk, "Piperviken"

genaamd, waar veel neringdoenden wonen, en veel handelswerven en

pakhuizen zijn; zij komt uit aan de Pipervikenbaai, waar het wemelt

van grootere en kleinere stoombooten en waar op flinke ruimten eene

aardige bedrijvigheid heerscht. Aan de oostzijde der baai vindt men

de oude vesting Akershus, 't eenige oudere gebouw in Kristiania. Zij

werd gebouwd in 1310 en dient nu als tuighuis en als gevangenis. Het

is een aardige groep gebouwen. De kerken te Kristiania hadden voor

mij geene aantrekkelijkheid; de museums heb ik ook niet bezocht,

maar wel geruimen tijd doorgebracht in de houten loods achter het

universiteitsterrein, waar een oud vikingerschip bezichtigd kan

worden. Er zijn er eigenlijk twee, het schip dat in 1867 bij Thune

in het ambt Smaalene opgegraven werd, is alleen dan te zien als de

bewaarder (Vagtmester) zelf aanwezig is, en men hem een extra drinkgeld

geeft. Ik trof hem niet en zag dus alleen het schip dat in 1880 bij

Gogstad, niet ver van Sandefjord, uitgegraven werd. Het is ongeveer

1100 jaar geleden dat dit schip gebouwd is, en deskundigen die ik

er juist aantrof, maakten mij de opmerking, dat de scheepsbouwkunst

sinds dien maar weinig veranderd was. Het was een flink vaartuig,

dat zijn tuig wel gedragen zal hebben, en stellig scherp bij den wind

zeilde. Het is van zwaar gezond eikenhout gebouwd en vertoont hier

en daar in de onderdeelen wijzen van werken, die nu nog in gebruik

zijn. Die oude zeevaarders hebben ons ook nog eene uitdrukking

nagelaten, die nog steeds in zwang is. Aan de rechterzijde van het

schip werd als roer een waaiervormig getimmerte, dat om eene spil

draaien kan, uitgebracht, en daar vandaan wordt die zijde van het

schip nog altijd de stuurboordzijde genoemd.

De derde gang van boven af is doorboord met 16 gaten aan weêrszijde,

en is daarom ook wat zwaarder dan de andere gangen. De gaten zijn rond,

evenals de handvatten der roeispanen, maar er zijn kepen ingemaakt,

zoodat de spanen van binnen af uitgestoken konden worden. De roeispanen

zijn vrij kort voor zulk een groot vaartuig, en zijn van dennen hout.

Eene rij ronde houten schilden hing buiten tegen den bovengang,

elkaar half bedekkend; zij zijn om het andere geel en zwart geverfd;

zij dekken de openingen voor de roeispanen, en beschermden de roeiers.

Het roer hing tot beneden de kiel omlaag, maar kon bij ondiep

water met eene lijn opgehaald worden; de diepgang van het schip was

ongeveer 2 meter; de voor- en achtersteven loopen veel hooger op,

en zijn zeker gebeeldhouwd en versierd geweest; maar deze deelen van

het schip staken boven de aardlaag, waaronder het bedolven lag, uit,

en zijn daarom vergaan.

Er zijn geen teekenen van verslijten of beschadiging aan het

schip; alles is nog kantrecht en glad; de onderkant van de kiel

en de voorsteven zijn nog volkomen gaaf. Het schip moet dus juist

afgebouwd zijn geweest, toen de Viking stierf. Het is gekalefaterd

met driedraads garen, uit koehaar gesponnen, de bedoeling was dus,

dat het varen zoude, en het is blijkbaar niet gebouwd op de plaats

waar men het vond als eene reuzenlijkkist.

De grafkamer is, in tegenstelling met het overige zeer ruw ineengezet

met spaarzaam behakte zware balken en planken en gedekt met stukken

berkenschors. In die grafkamer heeft de hoofdman gerust te midden van

zijne wapens en kostbaarheden, maar voor tijden reeds heeft men in den

grafheuvel eene loopgraaf ingebracht, door den wand van het oude schip

heen. De roovers lieten alles in verwarring achter, en slechts eenige

schamele overblijfselen van pauwenvederen, goudweefsels op donkere

wollen stof, ornamenten van verguld brons en lood werden gevonden

bij de beenderen van een krachtigen grijsaard van hooge gestalte.

De noorsche sagen omschrijven verscheiden dergelijke begrafenissen,

en we kunnen ons inderdaad voorstellen, hoe dat nieuwe schip op het

strand gehaald werd door de grimmige langharige krijgers; zij zongen

onder het halen en bespraken de gevechten waarbij zij overwonnen;

de veraf gelegen landen waar zij geroofd en geplunderd hadden, waar

zij alles te vuur en te zwaard verwoestten onder aanvoering van den

hoofdman, die daar nu levenloos op de baar uitgestrekt lag, gehuld in

zijne rijkste gewaden. Lichte schoenen omsloten zijne voeten; wapens

rustten aan zijn zijde en alle gareel was om hem heen verzameld;

alles wat bij het schip behoorde, de loopplanken, de koperen ketel,

platen en spaden en drie kleinere booten met roeispanen, roer en

boomen. Het behoorde zoo, dat de held behoorlijk toegerust zijne

reis naar Odin aanvaardde. Daarom werden dan ook al zijne paarden en

honden geslacht en met hem, maar naast het schip, begraven. Daarna

werd alles met aarde bedekt, en een heuvel ontstond op die plaats.

De overblijfselen van het Vikingenschip bevestigen de juistheid dier

overleveringen.

Het woord Viking moet men vooral niet in verband brengen met het

engelsche woord King. Het wordt uitgesproken als Wiking, en beteekent

"iemand die aan eene wijk, aan een inham van het water woonde".

In den namiddag bracht ik een bezoek aan Holmenkollen, eene

uitspanningsplaats in de omgeving van Kristiania. De stadstram

bracht mij van 't hôtel naar het eindstation Majorstuen, waar men

overstapt in de tram naar Holmenkollen; een fraaie rit langs eenige

buitenplaatsen en ten laatste stijl berg aan door bosch met bij

toeneming mooie uitzichten op de omgeving. Het eindstation ligt nog

eene minuut of tien onder het hotel, dat op zich zelf een bezoek

waard is; een fraai houten gebouw met terrassen en veranda's, van

waar men een overheerlijk mooi uitzicht heeft op de stad Kristiania

en de golf, een der prachtigste panorama's die ik ooit zag, niet

alleen in Noorwegen, maar ook elders. Van Holmenkollen kan men langs

een uitstekenden straatweg nog verder omhoog gaan naar eene tweede

uitspanning Frogner Saeter. Deze straatweg is ter herinnering aan

het bezoek van den duitschen keizer in 1890, de Keizer Wilhelmsweg

genoemd. Een vreemden indruk maken hier en daar de Bauta-steenen

(herinneringssteenen, bestaande uit lange smalle granietstukken)

waarop naast den naam van Keizer Wilhelm, dien van Koning Oscar staat,

sinds dien door de Noren van de betrekking tot hun land ontheven. De

weg kronkelt langs de helling van den berg geheel door bosch omhoog;

na ongeveer 10 minuten bereikt men een lief plekje, eene uitspanning

met een waterplas, dan eene kerk, nog wat verder op een hotel, en dan

de Frogner Saeter. Een Saeter is eigenlijk eene berghut, waar gedurende

den zomer, herders en vee in huizen, overdrachtelijk wordt de naam

toegepast op eene in landelijken stijl gebouwde zomerwoning. Deze

saeter is dan ook van hout en in oud-Noorschen stijl gebouwd. Het

uitzicht is hetzelfde als van Holmenkollen, maar nog vrijer. Een

tweede, nog hooger gelegen uitzichtspunt bezocht ik niet, om voor de

duisternis nog eens te genieten van het heerlijke uitzicht vanaf den

weg. Dat was evenwel onnoodige haast, want zelfs ten 9 uur 's avonds

kan men daar nog goed zien.

Na mijn terugkomst in de stad wandelde ik nog wat in de Shortingsgade

en in de Karl Johannsgade, die mij van zelf bracht in het park in de

omgeving van het koninklijke slot. Het was daar vol, en men zoude

gaan denken dat er in Kristiania niets anders dan dames woonden,

en dat die allen des avonds bij mooi weer en fraai uitgedost in

dat park rondwandelden. Het was eene aardige vertooning, al die

lichte zomertoiletjes in dat bleeke avondlicht, en daarbij de groote

beweeglijkheid der wandelaarsters.

Den volgenden ochtend moest ik tijdig aan den trein zijn, want de reis

ging tot Fagernaes als begin van de zoogenaamde Valdersroute, die in

Noordwestelijke richting van Kristiania dwars door Noorwegen voert.

In den morgentrein is een doorgaand rijtuig tot Fagernaes, dat

tevens een uitzichtsrijtuig is. De banken zijn allen in eene richting

aangebracht, en de wanden zijn bijna geheel van glas. Ik was er al een

half uur voor het vertrek, maar toen ik in dat rijtuig plaats wilde

nemen, stonden er twee heeren met opgeheven armen gereed om te zeggen

dat alles bezet was. Daar mede kwam ik al dadelijk in botsing, met 't

geen het reizen in Noorwegen mogelijk maakt en het tevens belemmert. De

beide heeren waren volgens de opschriften op hunne petten tolken van

de firma Cook en van de firma Bennett. Aan deze beide kantoren komt

de eer toe, Noorwegen voor de touristenwereld toegankelijk te hebben

gemaakt. Zij hebben de tochten die men er maakt, georganiseerd;

zij hebben de hotels, die men op de pleisterplaatsen aantreft, in

het leven helpen roepen; zij frankeeren u van uw vertrek tot aan

uwe thuiskomst. Met hunne tickets betaalt gij in de hotels, ook uwe

morgen, middag en avondmalen, uwe postrijtuigen, uwe plaatsbiljetten

op spoorwegen en stoombooten, uwe rijtuigen als ge in eene stad

u verplaatsen moet tusschen een station en de aanlegplaats eener

stoomboot. Die tickets zijn eer goedkooper dan duurder dan het betalen

met klinkende munt; zij worden overal aangenomen en falen nooit. Als

gij uwe Cooks of Bennetts biljetten in den zak hebt, is uwe reis reeds

gemaakt, alles gaat als van een leien dakje en ge komt van zelf weêr

thuis--althans zoolang ge blijft op de aangewezen route. Trouwens

het is moeielijk daarvan af te wijken, want buiten de aangewezen

wegen zijn er geene, en buiten de aangewezen hôtels zijn er geene,

en dikwijls ook geene andere woningen. Dorpen zijn zeldzaamheden; de

nachtverblijven zijn gebouwd op de plaatsen waar paarden en koetsiers

moeten rusten; alleen ziet men hier en daar tegen de berghelling

nog eene boerderij. Zonder die reisbureaux zoude er voor 't groote

meerendeel der zomerreizigers geene gelegenheid zijn om Noorwegen te

bezoeken; laten wij er hun dus dankbaar voor zijn dat zij Noorwegen

exploreerden, en dat zij het zoo goed deden, al heeft men dan wel

eens last van de vertegenwoordigers dier firma's.

Het uitzichtsrijtuig toch was in het geheel niet bezet, maar men

wilde liefst ruim zitten, en de twee tolken wilden zich verdienstelijk

maken tegenover de reizigers, die zij begeleidden. Grappig waren een

drietal landgenooten, die vast overtuigd alléén onze nationaliteit

te vertegenwoordigen, zich aardigheden veroorloofden over de wijze

waarop ik weggezonden werd; 't kan toevalliger wijze voorkomen dat

zij deze regelen lezen, en zij mogen dan nog eens bedenken welk eene

dwaas figuur de hunne was, toen de stationschef zoo beleefd was eene

zeer goede plaats te mijner beschikking te stellen.

De spoorweg voerde ons over bergen en dalen, door statige bosschen,

langs groote rotspartijen; van tijd tot tijd uitzichten op bergmeren,

zooals over Eina de Randsfjord, en te Eina zelf het fraaie Einameer.

Hier begint de eigenlijke Valders-lijn, eene particuliere

spoorweg-maatschappij. Tot Eina was het Staatsspoorweg. Men spoort

geruimen tijd langs de Randsfjord tot Odnaess aan het uiteinde

van het meer gelegen. Nu langs een flinken bergstroom, de Etna-elv,

(Elv = rivier) omhoog tot Dokka. Het landschap wordt nu eentonig: van

tijd tot tijd nog wel eens een mooi boschgezicht en een paar woeste

bergkloven, maar 't geen men ziet boeit weinig. Tot overmaat van

ramp begon het te regenen; gelukkig niet lang en met het wegtrekken

der wolken bleken we ook in aardiger omgeving gekomen te zijn. Hier

en daar een kerkje; eindelijk verlaten we het dal der Eina; de trein

gaat zuchtend en steunend over een bergrug en dan komen we in het dal

der Baegna, dat ruimer is en meer afwisseling biedt. Vooruit komen

de sneeuwtoppen van Jotenheim vrij; links verwijdt de rivier zich

meermalen tot een meer; aan elke halte wordt gestopt; de reizigers

en de spoorwegbeambten hebben geen haast meer, men vertrekt als alles

klaar en de laatstaankomende reiziger goed gezeten is.

Fagernaes is eene kleine verzameling huizen met twee hotels; nu

er sedert een paar jaar een station is, komt er wat meer leven. Ik

logeerde in het Fagernaeshotel, zeer aangenaam aan het meer gelegen,

en kon dien namiddag nog een paar prettige wandelingen maken. Een

voetpad rechts van den straatweg brengt u, tegen den berg op, aan

eene belvedère met prachtig uitzicht op de Strandefjord. Na tafel

was het buiten te koud en er werd nog een gezellig uurtje in de

conversatiezaal doorgebracht; men hoort daar alle talen en 't scheen

mij toe dat de Noren het op prijs stellen, als men tracht hunne taal

te spreken. Voor 't naar bed gaan bestelde ik tegen den volgenden

morgen negen uur een rijtuig en vond het ook precies klaar staan.

Eerst nog eens een luchtje geschept langs het meer, en toen besteeg

ik mijne eerste stolkjaerre; een kariol zoude ik later nog wel krijgen.

Eene kariol heeft maar eene zitplaats, de stolkjaerre heeft er twee;

heeft men grooter gezelschap, dan kan men ook vierwielige rijtuigen

met twee paarden krijgen; die rijtuigen zijn allen oud en hebben

allen den vorm van calèches.

Stel u voor een gewonen marktwagen, een lagen eikenhouten bak op

veeren, van 't zelfde soort als hier gebruikt worden om groenten

of visch langs de straten te verkoopen, waarop ook zooals hier voor

verdere ritten een ijzeren stoel wordt aangebracht, waarop weder eene

bank met lederen kussen; het voertuig heeft ook een lederen schoot,

dien men bij regen of koude over zijne knieën op kan trekken. De

koetsier zit achter den reiziger of reizigers op een krukje dat aan den

ijzeren stoel is aangebracht, zooals ook bij arrensleden gebruikelijk

is. Zijt gij alleen dan komt de koetsier dikwijls naast u zitten, zit

hij achter u, dan houdt hij de teugels rechts van u. Uit den aard der

zaak is in den bak weinig plaats voor bagage; de koetsier heeft ook een

regenmantel, een paardendeken en een haverzak bij zich, zoodat men ook

om de zwaarte, niet meer dan eene gewonen handkoffer kan mede nemen.

De kariol staat op hetzelfde onderstel, maar heeft den vorm van een

schulp, naar voren spits toeloopende, inderdaad veel overeenkomende met

den vorm van sommige onzer oude sjeezen; vroeger heeft de schulp ook in

riemen gehangen. Als men zich met de beenen lang uit in zoo'n kariol

plaatst, dan is het rijden er mede lang geene onaangename beweging,

die men goed kan verdragen zonder vermoeienis. De stolkjaerre stoot

weleens als ze niet goed op de as staat. Bij de kariol zit de koetsier

natuurlijk altijd op het achterbankje. De koetsiers zijn gewoonlijk

gedienstige, bedaarde lui, dikwijls zijn 't ook maar jongens, ik

heb eens op een rit een menner van dertien jaar gehad, een vlug

kereltje met eene grappige vrijmoedigheid, maar hij was lang de

slechtste niet, van de vrienden die ik al zoo naast mij heb gehad; hun

rijtuigen behooren alle tot een soort van postrijtuigen verband, skyds

genaamd. De koetsiers en reizigers zijn allen aan bepaalde reglementen

onderworpen, waarvan men echter weinig bemerkt en niets geen last

heeft. Heeft men een skyds genomen bijv. van A naar B en komt men

onderweg een skyds tegen, vol of ledig, van B naar A, dan verwisselt

men van rijtuig, en elk rijtuig keert weêr op zijn weg terug; of wel

men spant alleen de paarden om; voor den reiziger een gering bezwaar,

voor de koetsiers en de paarden natuurlijk besparing van den halven

weg en tijd. Het is mij herhaalde malen gebeurd als ik me eens door

eene wandeling had verpoosd, of eene boerderij had bezocht, of wat

verder van den weg iets van meer nabij had op willen nemen, dat ik

dan ter afgesproken plaats wel een rijtuig, paard en koetsier vond,

maar geheel andere dan die ik verlaten had. De bagage, jas of mantel,

verrekijker of wat dan ook, waren altijd met zorg overgebracht.

Men kan die koetsiers in alles vertrouwen, al begint hun eenvoud al

sterk te ontaarden onder den invloed van het vreemdelingenverkeer;

wanneer men aan 't einde van zijn rit den koetsier ontslaat, betaalt

men hem volgens tarief of met het Cooks-ticket, en geeft hem een

fooitje in verhouding tot het aantal afgelegde kilometers.

De wegen in Noorwegen zijn in perfekte orde; alleen treft men hier en

daar nog zoogenaamde oude wegen, die aangelegd zijn, altijd volgend

de golvingen van het terrein, zoodat men bij korte tusschenpoozen

steeds stijgt en daalt. In het noorsch heet zoo'n oude weg "bakket",

dat is bultig, en dien naam draagt hij met eere. Voorbij rijden doet

men zelden, en wisselen geschiedt niet anders dan in den stad; is de

weg langs een bergstroom of langs eene diepte, dan houdt het rijtuig

aan dien kant stil, terwijl het andere voorbij stapt.

Zoo vertrok ik dan van Fagernaes met het plan om tot Grindaheim door

te gaan. Een heerlijke zonnige morgen; even voorbij het hotel over

eene brug over de Naes, die stroomopwaarts aardige kijkjes gaf op

stroomversnellingen, afgesloten door een kleinen waterval, waarbij

een schilderachtig groepje van houten gebouwen, een houtzaagmolen met

houtwerf. Links had ik al dadelijk de Strandefjord aan weêrszijden

tusschen lage oevers, heerlijke groene weiden; vooral het punt

waar men het kerkdorp Vennaes nadert, is zeer lief. De kerk is van

hout en witgeverfd, dat is een vast model voor de nieuwere kerken;

alle komen zij zoo naar vaste maten uit de timmerfabrieken; men

vindt ze overal. Goedkoop waarschijnlijk; leelijk stellig! Een uur

verder krijgt men de kerk van Ulnaes. De fjord wordt hier smaller,

en er is eene houten brug over geslagen; links vooruit ziet men de

sneeuwtoppen nabij het Vangsmjösen, dat we straks bereiken, en die

van Jotunheim, die steeds in het verschiet blijven. Te Fosheim is

weder een poststation; de Strandefjord die nu van naam verandert, en

Graneimfjord heet, wordt steeds nauwer en eindelijk weer rivier, de

Baegna; we komen nu te Vestre Slidre, dat eene fraaie oudere steenen

kerk heeft, mooi op eene hoogte aan 't water gelegen; die kerk past

in hare omgeving en versiert het landschap; de Baegna is weer een

meer geworden, de Slidrefjord, en vormt fraaie landschappen. 't Kwam

zoo met de dagverdeeling uit, dat ik te Löken stil hield voor het

middagmaal. Behalve de nieuwe houten kerken, zijn ook de kleinere

hotels op de poststations overal van denzelfden bouw, ook zij werden

kant en klaar uit de timmerfabrieken afgeleverd. Is de plaats wat

meer bezocht, dan wordt de eetzaal van het hotel tot gezelschapszaal

ingericht, en eene eetzaal naast het hoofdgebouw gesticht. De

eenvormigheid van die hotels werkt wel eens op de lachspieren, maar

heeft vóór, dat men zich spoedig thuis gevoelt; men verplaatst zich

wel, maar komt telkens weêr in eenzelfde huis terecht. Na het eten was

het mij te warm om dadelijk verder te gaan. Ik bestelde later, toen de

zon achter de bergen was, mijn rijtuig aan den Lo-foss (foss beteekent

waterval) en wandelde langzaam op. Die waterval was een geweldig

natuurtooneel; bij een kronkeling in de rivier had een rotsbrok,

ongeveer in het midden van den stroom, tot nu toe aan den drang van

het water weêrstand kunnen bieden, maar vormde juist daardoor bij een

val van 20 en 25 meter een waren heksenketel. De zon scheen helder op

de bruisende watermassa, die na den val als damp weder omhoog stoof

en een heerlijk kleurenspel veroorzaakte. De oude vervallen gebouwen

van een zaagmolen droegen het hunne bij tot versiering van het geheel

en eenige mannen, die aan de overzijde op den hoogen kant stonden te

werken, deden de verbazende afmetingen nog te sterker uitkomen. We

kruisen een paar wilde bergbeken, die zich in de Baegna uitstorten;

rijden door het gehucht Oilo en naderen Vangsmjösen, een der schoonste

bergmeren van Noorwegen. De straatweg loopt aan de zuidzijde in

de lengte langs het meer; eene reeks van vriendelijke uitzichten

over de kalme watervlakte, voor 't meerendeel donker gekleurd door

de spiegeling der dichtbegroeide berghellingen langs zijne oevers;

in de verte kan men dikwijls niet zien waar het water eindigt en de

helling begint. De weg is gedeeltelijk in de rotsen uitgekapt, die

vooral bij Kvamsklev een geweldig aanzien verkrijgen. Aardig zijn de

drinkbakken, die overal langs den weg staan, en den paarden steeds

stroomend versch drinkwater aanbieden. Die zorg voor de paarden vindt

ook nog hare uitdrukking in velerlei opschriften, bijv. "Wees goed

voor uw paard", "Trek uw paard niet in den bek", en bij het opgaan

van eenigszins belangrijke hoogten in een bord met uitnoodiging tot

den reiziger, om de steilte te voet te beklimmen. Aanvankelijk heb ik

aan die uitnoodiging eerlijk gevolg gegeven, maar spoedig zag ik hoe

de koetsiers, die geen reizigers bij zich hadden, doodbedaard bleven

zitten als er zulk eene klauterpartij kwam; na die ervaring heb ik

de koetsiers maar voorgesteld, dat zij zouden wandelen en ik blijven

zitten. Ze gaven er altijd lachend gevolg aan. Overigens moet ik

erkennen dat de koetsiers, oud en jong, veel zorg voor hunne paarden

hebben. De paarden zijn eene soort van dubbele hitten, gewoonlijk

isabelkleurig met zwarte manen en staarten; de manen kort afgeknipt,

zoo dat ze als een borstel op den nek staan, en op het hoofd in een

paar flinke blessen uitloopen. 't Zijn driftige beestjes; men noemt

ze daar Fjord-paarden; ontmoet men eens een grooter paard, dan weet

de koetsier u te vertellen, dat 't een deensch paard is, maar voor

de wegen daar niet half zoo geschikt als zijn beestje.

Het uitzicht op het meer blijft prachtig; rechts en links vooruit zijn

de bergruggen bedekt met sneeuw. Dit was nu het eerste echte noorsche

berglandschap dat ik zag; het gaf mij een zeer bijzonderen indruk;

reusachtige afmetingen, frisch groen daar waar de berghelling wat terug

trad en uiterwaarden gevormd waren; sterk begroeide berghellingen,

krachtige rotspartijen met statige lijnen; veel zon en licht met

sterke tegenstelling in het donker loof; warme kleuren. Men noemt

het noorsche landschap somber; dat kan ik niet beamen; maar er is

toch iets bijzonders aan; iets dat geene hoogere bekoring geeft en

dat ik tot nu toe geen naam kan geven.

Aan de zijde van het meer, waarlangs de straatweg loopt, wijken de

rotsen meer en meer terug; we rijden wat lager langs den waterspiegel,

aan weêrszijden weiden, met hier en daar vee, en ook een akkertje;

enkele huizen beginnen zich te vertoonen, nog over een heuvelrug heen

en daar in eens ligt het vriendelijke kerkdorp Grindaheim voor ons;

eerst weder de witte, houten kerk en pastorie en dan een dertigtal

woningen, twee hotels, waarvan een zich Sanatorium noemt. Ik koos

veiligheidshalve maar het tweede, het Grindaheim hotel, dat tevens

poststation is.

Des avonds na het eten, ('t was negen uur en nog goed dag) maakten

de gezamenlijke gasten nog eene wandeling; onder tafel hadden we in

de verte onweer gehoord en 't had wat geregend. Opmerkelijk was de

verbazende afkoeling; 't was bepaald koud geworden en de bedienende

juffrouw in het hotel voorspelde ons voor den volgenden dag een

kouden noordenwind, tevens de voorbode van daaropvolgend aangenaam

helder weder. Zoo'n wandeling heeft daar een eigenaardige beteekenis,

men kuiert er namelijk den straatweg op en neer, want van zijwegen,

van landwegen, is geen sprake, van bergpaden is ook geen spoor te

zien; te Grindaheim waren ook de boerenhoeven aan de overzijde, de

noordzijde van het meer gelegen, dat is aan den zonnekant. Het gure

winter- en voorjaarsklimaat noodzaakt de menschen, daar nauwkeurig

op te letten; men bouwt altijd aan den noordkant.

Vindt men aangenaam gezelschap in de hotels, dan gaat men laat naar

bed; 't blijft te lang licht, en men raakt daardoor de rekening

kwijt. Dien ten gevolge is ook niemand 's morgens vroeg bij de hand

en men kan zelden voor 's morgens acht uur zijn ontbijt krijgen.

De landelijke hotels in Noorwegen zijn hier en daar wel eens

weelderiger ingericht, maar overal zijn ze zindelijk en eenvoudig. De

bediening geschiedt door meisjes, die bijna overal de hardanger

dracht dragen, die zeer flatteert. Een hotelier heb ik alleen maar

in de grootere hotels ontmoet; gewoonlijk wordt men ontvangen door

een huisknecht, die tevens zoowat voor portier speelt, 't is de

"borstaren", misschien wel de hotelhouder zelf en na het toewijzen

der kamer heeft men verder alleen met die dametjes in het hardanger

costuum te doen. Treedt men de eetkamer binnen, dan maakt de kellnerin

eene aardige buiging voor u, of liever 't is geen buiging maar een

soort van danspas, die allerbevalligst is. De bediening is kalm

en gewoonlijk goed; slechts bij uitzondering treft men "fröken"

(kellnerinnen) aan, die trachten de aandacht op zich zelf te vestigen.

Grindaheim verliet ik 's morgens ongeveer 10 uur weder. De

weêrsvoorspelling was uitgekomen. Het was helder weêr zonder zon;

er woei een ijskoude noordenwind. Er waren nog al reizigers, en als

men dan niet 't eerste klaar kan zijn en weg kan komen, dan is het

verkieslijk, dat men wat langer wacht en bijv. een half uur nadat

het laatste rijtuig vertrekt, anders heeft men gedurende den geheelen

rit last van het stof der voorrijdenden.

Na anderhalf uur rijden en loopen, want er was een stuk oude weg in,

dat bij niets anders te vergelijken was dan bij eene rutschbaan,

bereikten wij het einde van Vangsmjösen bij het kerkdorpje Oije,

waar de Baegna zich met een grooten mooien waterval in het meer

uitstort. Nu gaat het met een grooten boog in het dal omhoog; straks

nog steiler; gelukkig dat de wind nu wat meer van achter is, want

hij is snijdend koud; de streek wordt eenzaam, woningen ontbreken,

vee of menschen zijn nergens meer te zien; eindelijk iets omlaag en

men bereikt Skogstadt, een tegen de helling van een berg aanleunend

gehucht, waar men weder van paard en rijtuig verwisselt. Maar dit

is ten minste weêr een ruim dal, waar wat groen te zien is; waar

zelfs dicht bij de rivier struiken groeien en waar menschen en vee

zijn. Hier en daar gaat men over de rivier en over woeste bergbeken,

men ziet nog al veel watervallen van de bergen afstorten; ze zijn

als zilveren banden, die er langs afhangen, want door den afstand

ziet men geen beweging in het water. Een bergmeertje, het Sutrovand,

geeft eene prettige afwisseling, en men komt te Nystuen, de plaats

waar gemiddagmaald zal worden. Het hotel Nystuen was vroeger eene

door de regeering ondersteunde zoogenaamde Fjeldstue. Fjeld is eene

berghoogvlakte, en stue beteekent houten huis. Toen er nog weinig

gereisd werd onderhield de regeering hier en daar op die kale,

verlaten hoogvlakten herbergen voor de zeldzame reizigers. Nystue was

de stue op het Fillefjeld. Het hotel kwam achter aan het meer uit,

en men had van uit de veranda's aardige kijkjes op dat watervlak,

wat verder op stonden een paar visschershutten aan den oever, en dan

was er nog een post-, telegraaf- en telefoonkantoor, verder zoo ver

't oog reikte niets.

Geen wonder dat de fröken aan mijne uitspraak merkte dat ik geen

Noor was, en dat gaf haar aanleiding tot het uitpakken van een

flink engelsch. Zij was, en velen van hare soort waren in gelijk

geval, als kind met hare ouders, naar Amerika getrokken, en konden

nu teruggekeerd wat meer verdienen omdat zij engelsch sprak. De juf

was verder ook nog mededeelzaam en vertelde me dat ze naar Noorwegen

teruggekomen was, in de hoop te zullen trouwen en dan met haren

man terug te gaan naar Amerika, waar men volgens haar beter leven

kon. 't Gesprek was nog niet uit, want ziende dat ik vrij wat moeite

had om mijn vleesch te snijden, en nog meer om het in den mond fijn

te krijgen, terwijl ik waarschijnlijk ook wel een zuur gezicht trok

over den flauwen zoeten smaak, vertelde ze al verder, dat ze mij op

rendiervleesch onthaalde. Men had op die afgelegen plaatsen maar een

beperkten voorraad van versch rund- en kalfsvleesch, en kwamen er

dan meer gasten, dan waarop gerekend was, dan schoot dat vleesch te

kort en dan werd maar een rendier geslacht. Maar uit economie werden

daar altijd de oudste dieren voor genomen, en dus kregen de gasten

onuitsprekelijk taai vleesch van minder aangenamen smaak. Een rendier

wordt wel meer dan twintig jaar oud! We doen dat allemaal, zeide mijne

praatzieke fröken, u moet maar eens opletten als u bij een hôtel komt,

daar hangen dikwijls rendiergewijen ten toon aan de schuttingen,

ter verkoop, maar bij nader toezien ziet ge het bloederige vleesch

der pas geslachte dieren er nog aanzitten. Nu--deze waarschuwing

heeft me goede diensten bewezen, want als ik voortaan bij een hotel

die koppen zag tentoongesteld, dan heb ik maar liever eene dubbele

portie visch genomen. Visch is toch daar overal het hoofdgerecht;

de tallooze rivieren, beken en meren zijn zeer rijk aan heerlijke

visch, en zoo krijgt men 's morgens aan zijn ontbijt al dadelijk eene

forel uit 't water of eene portie zalm; dan volgt ham en eieren of een

schamel stukje vleesch en verder staan er op tafel een aantal schotels

met bereide vleeschspijzen, koude ham, worst, enz. en met visch in

allerlei gedaante, gerookt, gedroogd, gezouten, in het zuur. Die

vischspijzen zijn allen voortreffelijk; slechts voor eene soort moet

ik mijne medemenschen waarschuwen. 't Ziet er uit als kleine gebakjes,

bleek gebakken, en 't bestaat uit fijngemaakte gekookte visch met

een meelkorstje er om heen. Zelfs met behulp van alle beschikbare

specerijen en met kracht van zout, heb ik dat nooit tot een smakelijk

gerecht kunnen maken. Verder vindt men er gewoonlijk een puik edammer

kaasje, en noorsche kaas; de gewone kaas--Myse ost--zijn flinke

vierkante blokken, die een gewoon bord geheel vullen en er uitzien

als een licht gekleurd blok mahoniehout. Deze kaas heeft een zuiveren

vetten smaak, maar is zoet. Daarnaast hebben de Noren nog eene soort

kaas, die zij "gammle Ost" of oude kaas noemen; zij staat nooit op

tafel, en wordt slechts op verzoek aangeboden. Als ik u mededeel dat

hij van dezelfde eigenaardige soort is, maar in overtreffenden trap

den smaak en reuk heeft van Limburgsche kaas, dan zal wel iedereen

begrijpen, waarom hij nooit op tafel staat.

Bij het ontbijt wordt in Noorwegen ook een smakelijk wittebrood

aangeboden, soms ook roggenbrood, en de boter is overal zeer

goed. Behalve dat alles kan men zich te goed doen aan beschuitjes met

allerlei soort van uitstekende compôtes, alles inlandsch en dikwijls

huis-fabrikaat. Verder maakt het "knikkebrod" eene delicatesse uit;

het is ongerezen meelkoek, juist als het Jodenpaaschbrood, ook in

vorm, maar er is bovendien anijszaad in gebakken. De middagtafels

zijn gelijksoortig, maar hebben ook nog soep, en tweemaal vleesch,

of eens vleesch en eens gevogelte. Ook worden er veel eieren gegeten,

die zeer smakelijk zijn, al zijn het wel eens zeevogeleieren. Men

geeft dat niet gaarne toe; ik vroeg wel eens aan de fröken: waar

krijgt gij toch al die eieren vandaan, want ik zie hier nooit kippen,

en kreeg dan altijd eene eenigszins verwarde verklaring van bij de

boeren in het gebergte. Maar op die boerderijen vond ik wel eieren

van kippen tot huishoudelijk gebruik, maar niet voor verzending! Bij

't ontbijt drinkt men koffie, thee of melk, alles van goede kwaliteit;

aan tafel en door den dag bier; wijn wordt hoogst zelden gebruikt. Het

bier is bereid op duitsche wijze en zeer smakelijk. Spiritualiën kan

men nergens krijgen; enkele reizigers hebben hunnen cognac of whisky

in den koffer. 't Is ontwijfelbaar zeker dat men door de strenge

maatregelen tegen den verkoop van sterken drank het gebruik in het

openbaar en de openbare dronkenschap zeer tegengegaan heeft--maar er

wordt veel gezondigd, en dan in diep geheim. Intusschen, dronkenschap

is iets waarover men zich in Noorwegen schaamt.

Mist men hier of daar zijn maaltijd, dan neemt men smörbrod,

d. w. z. gesmeerde sneden brood met kaas of allerlei soorten van koud

vleesch. Dit met een glas bier genoten, vervangt dikwijls op aangename

wijze het driemaal daags wel goed bereide, maar toch eentonige menu

der gemeenschappelijke maaltijden.

In den namiddag verliet ik Nystuen met zijne spraakgrage fröken; de

weg liep steeds omhoog over de kale onherbergzame hoogvlakte, tot we

na een paar uur rijdens de waterscheiding van oost- en west-Noorwegen

bereikten. Na een nieuwe stijging kwamen we aan den Brusesaeter,

eene armzalige woning met groote stalling en tal van geiten die daar

graasden en rondsprongen. Niettegenstaande ik zooveel mogelijk in de

achterhoede gebleven was, kwam ik daar toch ten slotte te gelijk met

het groot gezelschap aan, en als een bewijs hoe allen onder den indruk

waren van het troostelooze landschap, dat we gedurende den ganschen dag

gezien hadden, dient wel dat al wat fotograferen kon onmiddellijk onder

uitroepen van: "wat is dat hier lief!" zich haastte om die geiten,

die stallen en een paar zeer vierkante noorsche boerenvrouwen, die aan

't melken waren, aan de vergetelheid te ontrukken.

Maar van nu aan werd het beter; al was het terrein nog hoog, we waren

aan de wester helling, en onder den invloed der vochtige zeewinden

kwamen we te midden van struiken en onder boomen; berkenhout vooral

met zijn sierlijk loof. De weg begon snel te dalen, en spoedig waren

we te Maristuen, waar 't eenig belangrijke gebouw een fraai hotel

was, heerlijk aan de Laera, die daar woest en wild hare schuimende

wateren omlaag stuwt, gelegen. Ter plaatse waar nu het hôtel staat,

stond in 1300 een kerkelijk hospiz, dat later een Fjeldstue werd en

nu een flink ingericht hotel is, waar Knut Maristuen als eigenaar op

flinke wijze de honneurs waarneemt.

Den volgenden ochtend weder ten 9 uur op de stolkjaerre; ik had nog

niet op een kariol gezeten! Een heerlijke weg in een tamelijk ruim en

met veel berken en essen begroeid dal, waar de Laera maar steeds in

woeste drift den reiziger vooruit snelt. Spoedig, te spoedig zelfs komt

men te Hegg, een arm, maar zeer schilderachtig gelegen gehucht, een

der hoofdplaatsen voor liefhebbers van forellenvisscherij. Men zag er

hengelaars aan alle kanten langs de rivier en in de plassen. Na er een

half uurtje rond gewandeld te hebben en hier en daar een gesprek met

amateurhengelaars gehouden te hebben, liet ik weder een rijtuig komen,

en kreeg ditmaal een kariol; maar o spot! dit antiek rijtuigje was

splinternieuw, netjes gelakt en achterop prijkten in vergulde letters

de woorden: Thos. Cook Sons London. De reisbureaux zorgen niet alleen

voor goed vervoer, maar houden ook de oude gebruiken als sport in eere!

De weg blijft even mooi en het dal breed; er staan opmerkelijk veel

boerderijen; een uurtje verder ligt het hotel Burgund, dat zijn naam

draagt naar de in de nabijheid gelegen oude kerk. Ik zond mijn koetsier

met koffer en kariol door naar Husum, om zelf den weg daarheen te voet

af te leggen. De oude kerk van Burgund is waarschijnlijk omstreeks

1150 gebouwd; men leidt dit af uit den vorm van een runenopschrift,

dat in een der portalen met het mes is ingesneden. Ze is geheel

van hout, en maakt door haren grilligen vorm en met de heidensche

versieringen, die er naast het kruis op de gevelpunten voorkomen,

een vreemden indruk. Het is eene "Stavekerke" d. w. z. zij is,

zooals oorspronkelijk ook voor alle woningen gebruikelijk was, van

boomstammen gebouwd. De hoofdruimte heeft drie schepen met 12 kolommen;

aan het koor bevindt zich een halfronde apsis, waarschijnlijk later

aangebouwd. Er valt alleen licht in de kerk door kleine openingen

boven in de wanden; vensterglas was toen in Noorwegen nog niet bekend,

en de godsdienstoefening bestond alleen in het hooren van de mis,

waarbij de gemeente in het duistere koor, of zelfs buiten voor de

deur knielde. De klokketoren in ouden stijl en op de oorspronkelijke

plaats hersteld, staat naast de kerk en een paar schreden verder

een nieuwe kerk in ouden stijl, maar nu behoorlijk gemetseld en van

vensterglas voorzien. Boven de overdekte portalen der oude kerk vindt

men interessant snijwerk.

Door Noorwegen De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 1 / 4 段