is tot de noordelijke gedeelten van Zuid-Amerika beperkt. Hier bewonen
zij hooge, droge wouden zonder kreupelhout en vermijden de nabuurschap
van andere Apen. Volgens Tschudi zijn zij schemeringdieren, welker
werkzaamheid eerst na zonsondergang begint, en tot het opgaan van de
zon voortduurt; overdag slapen zij, en zijn dan moeilijk op te jagen,
omdat zij hun tegenwoordigheid door geen gedruisch verraden, en zich
alleen, als zij vervolgd worden, vlugger bewegen. Hoewel gemakkelijk te
temmen, blijven zij toch in de gevangenschap dikwijls knorrig en
verdrietig, en als zij overdag waken, toonen zij zich traag of treurig.
„Overal, waar de boomkronen aan den oever dicht bebladerd zijn,”
schrijft Schomburgk, „vond ik troepen van Apen in de takken, en wel het
meest de werkelijk lieve Pluimstaartapen. Het fraai gescheiden, lange
hoofdhaar, de weelderig ontwikkelde baard aan kin en wang, de lang
behaarde staart, welke aan dien van een Vos herinnert, verschaffen aan
deze dieren, die zoo helder en verstandig kijken, een ongemeen
lieftallig, maar tevens een zeer grappig voorkomen.”
In de groote bosschen langs den bovenloop van den Maranon en den
Orinoko wordt de meest algemeen verbreide soort van dit geslacht zeer
veelvuldig aangetroffen. Deze is de Satan-aap, de Kuxio van de Indianen
(Pithecia satanas), een dier van 55 cM. lichaamslengte met een bijna
even langen staart. De nagenoeg volkomen ronde kop is gekenmerkt door
een soort van muts, die uit niet zeer lange, dicht aanliggende haren
bestaat, welk van een gemeenschappelijke kruin aan het hoogste gedeelte
van het achterhoofd uitstralen en op het voorste gedeelte van den kop
een scheiding vertoonen. De wangen en de kin zijn omgeven door een
dikken, zwarten baard. Geen dandy zou baard en haar beter in orde
kunnen houden dan dit schoone dier, zegt Kappler. De beharing van het
bovenlijf is dicht, maar niet lang, die van de onderzijde daarentegen
dun; de staart is zeer ruig. De volwassen mannetjes en wijfjes hebben
een zwarte, aan den rug roetkleurig-vaalgele, de jongen een
bruinachtig-grijze kleur. Velerlei afwijkingen komen veelvuldig voor.
Volgens Kappler wordt dit dier in Guyana Xiu (Schiu) genoemd; het dier
is hier niet veelvuldig, leeft in kleine familiën van 4 à 6 individuën
en verdraagt de gevangenschap zelden goed.
Een tweede soort van dit geslacht, de Witkop-aap (Pithecia
leucocephala), vertoont vele van ouderdom en sekse afhangende
afwijkingen, en draagt daarom verschillende namen. Hij bewoont Guyana
en de landen langs den Amazonenrivier, leeft meer in het struikgewas
dan op hooge boomen, is vereenigd tot gezelschappen, die in den regel
uit minstens 6 en hoogstens 10 individuën bestaan, en schijnt een vrij
traag dier te zijn. Zijn voedsel bestaat, naar men zegt, uit bessen en
andere vruchten benevens honigraten. De wijfjes brengen één jong ter
wereld en dragen dit langen tijd op den rug. Kappler bevestigt deze
berichten, en voegt er bij, dat deze Aap gemakkelijk getemd kan worden,
maar altijd vreesachtig en droefgeestig blijft.
Ook van het leven van den zwartkoppigen Pluimstaartaap (Pithecia
melanocephala) is nog niet veel bekend, hoewel hij zich vaak aan de
inboorlingen vertoont, naar men uit het groot aantal namen die hij
draagt, kan afleiden. De inboorlingen noemen hem Cacajao, Chucuto,
Chucuzo en Caruiri. Mono-feo of „leelijke Aap” en Mono-Rabon of
„Kortstaart.” De laatstgenoemde naam heeft sedert eenigen tijd de
voorkeur verworven; want men heeft den Cacajao (met eenige andere op
hem gelijkende soorten, die zich door hun korten, behaarden staart
aanmerkelijk van alle overige Apen van de Nieuwe Wereld onderscheiden)
tot een afzonderlijke groep vereenigd en deze Kortstaarten (Brachyurus)
genoemd.
De Cacajao is ongeveer 45 (met den staart echter 60) cM. lang. Zijn
dichte, gladde vacht heeft aan de schouder en de zijden langere haren,
maar is aan ’t onderlijf zeer dun. In den nek komt een haarkruin voor;
van waar de haren naar den kop gericht zijn. De baardgroei is aan de
wangen niet weelderig. De dunne, korte staart draagt een dikken, aan ’t
einde afgeknotten haarkwast. De vingers zijn zeer lang en sterk. Het
dier is op den rug grijsgeel, van achteren roestkleurig rood, aan ’t
onderbeen en de voeten zwart. De haren van den kop en van de voorarmen
zijn glanzig zwart, evenals de onbehaarde huid van het aangezicht. De
in gevangenschap levende dieren zijn vraatzuchtig en stompzinnig,
evenwel niet boosaardig, maar vreesachtig en onderworpen. Het zien van
een Krokodil of van een Slang veroorzaakt hun zulk een vrees, dat zij
over al hunne leden sidderen.
Het vaderland van dezen Aap is het noordwesten van Brazilië ten noorden
van den Amazonen-stroom, doch vooral de bosschen langs de oevers van de
rivieren van Nieuw-Granada en Ecuador; naar men zegt, komt hij echter
nergens veelvuldig voor. Hij is slechts éénmaal levend naar Europa
gebracht.
Een slank lichaam met slanke ledematen en een zeer langen, dunnen en
slappen staart, een ronde kop met baardeloos gelaat en korten snuit,
heldere oogen en groote ooren, vijfteenige handen en voeten kenmerken
een kleine groep van Amerikaansche Apen, die, wegens hunne vlugge
bewegingen, Springapen (Callithrix) genoemd worden.
De Springapen leven, tot kleine gezelschappen vereenigd, in de stille
wouden van Zuid-Amerika en trekken hier door hun luide stem zeer de
aandacht. Deze stem, welke na die van de Brulapen, de krachtigste en
verst hoorbare is, welke bij de daar inheemsche Apen voorkomt, verraadt
hun aanwezigheid reeds van verre aan den jager, die ze wegens hun
malsch en lekker vleesch ijverig vervolgt. Zij zijn buitengewoon
zachtaardig van natuur, en worden in de hoogste mate tam en
aanhankelijk.
Een van de fraaiste leden van dit geslacht is de Weduwen-aap
(Callithrix lugens). Zijne lengte bedraagt 90 cM., waarvan 50 cM. voor
den staart gerekend moeten worden. „Dit kleine dier,” zegt Alexander
von Humboldt, „heeft fijn, glanzig, fraai zwart haar; op zijn
aangezicht bevindt zich een witachtige, in ’t blauwe spelende,
onbehaarde plek, waarin oogen, neus en mond staan; zijn klein, goed
gevormd, bijna onbehaard oor heeft een omgebogen rand. Voor aan den
hals ziet men een witte streep, die ongeveer 2½ cM. breed is, en een
halsband vormt; de voeten zijn zwart, evenals het overige lichaam, de
handen echter van buiten wit en van binnen glanzig zwart. Deze witte
lichaamsdeelen worden door de zendelingen vergeleken met den sluier,
den halsdoek en de handschoenen van een weduwe in rouwgewaad.”
Deze in ’t zuiden van Venezuela inheemsche Aap gaat alleen als hij eet,
op de achterste ledematen staan. Zijn gemoedsaard is anders dan zijn
uiterlijk zou doen vermoeden. Schijnbaar is hij schuchter en
zachtaardig. Wanneer hij echter vrij is in zijne bewegingen, zal hij
bij ’t zien van een Vogel zeer opgewonden worden, met verbazende
behendigheid klimmend en loopend dit dier besluipen, het als een Kat
bespringen, en elke prooi dooden die hij grijpen kan.
Als overgangsvormen tusschen de Breedneuzen met slingerstaart en die
met slappen staart kan men de Saimiri’s (Chrysothrix) beschouwen. Deze
Apen zijn slank gebouwd; zij hebben lange ledematen en een zeer
grooten, sterk verlengden, vooral van achteren ontwikkelden kop met
hoog voorhoofd, kort aangezicht, groote, dicht bij elkander geplaatste
oogen en eenvoudige, groote oorschelpen. De vacht bestaat uit haren,
die met verschillend gekleurde ringen geteekend zijn en is niet zeer
gevuld.
De meest bekende soort is het Doodshoofd-aapje, ook wel Titi genaamd
(Chrysothrix sciurea); het onderscheidt zich door zijn bevallige
gedaante en fraaie, aangename kleur en evenzeer door de sierlijkheid
zijner bewegingen en door zijn vroolijkheid. Het is een der schoonste
Apen van de Nieuwe Wereld. Zijn eenigszins afschrikwekkende volksnaam
zou een zeer verkeerd denkbeeld kunnen geven van de uitdrukking van
zijn gelaat; het dier dankt dien alleen aan een hoogst oppervlakkige en
bij nauwkeuriger beschouwing dadelijk verdwijnende overeenkomst. Het
zeer slank gebouwde Doodshoofd-aapje heeft een zeer langen staart; zijn
fijne vacht is aan de bovenzijde roodachtig zwart (bij zeer oude
exemplaren echter helder oranjegeel), aan de ledematen grijs
gesprenkeld en aan de onderzijde wit. Bij sommige exemplaren heeft de
grijze kleur de overhand; bij andere is de kop koolzwart, het lichaam
kanariegeel met zwart doorsprenkeld, de ledematen goudgeel. De totale
lengte bedraagt ongeveer 80 cM., de staart is 50 cM. lang.
Dit lieve diertje heeft hoofdzakelijk Guyana tot vaderland; het bewoont
vooral de rivieroevers van dit rijk gezegende gebied. Het leeft daar
tot groote gezelschappen vereenigd. Volgens Schomburgk is het in dit
land een der meest verbreide Aap-soorten. Evenals de daar voorkomende
Kapucijner-apen bevolkt hij in talrijke groepen, uit honderd en meer
stuks bestaande, niet het hoogstammige woud, maar het struikgewas van
den woudzoom, zoowel aan de kust als in heuvelachtige gewesten tot op
600 M. hoogte boven den zeespiegel. Niet zelden komen zij te midden van
Kapucijner-apen voor. Overdag vindt men ze voortdurend in beweging. Den
nacht brengen zij in de kronen der palmen door, die hun de veiligste
schuilplaats bieden. Dit dier is zeer schuw en vreesachtig: des nachts
durft het zich niet te bewegen; overdag neemt het onmiddellijk de
vlucht, zoodra het eenig gevaar, hoe gering ook, opmerkt. Dan ziet men
de bende in lange reeksen over de boomkronen wegtrekken. De leidsman,
die de geheele optocht regelt, brengt zijne onderhoorigen, dank zij
hunne vlugge bewegingen, zeer spoedig in veiligheid.
Kappler heeft in Guyana gedurende 26 jaren altijd drie van deze Aapjes
gehouden, en als er een van stierf, steeds het getal weder aangevuld.
Volgens hem worden zij Akalimas en Kaboeanamas genoemd. „Zij zijn zeer
wakker en altijd in beweging, hoewel zij ook over dag een slaapje doen;
zij zijn echter zeer gevoelig voor koude. Ik kreeg ze altijd zeer jong,
en kon ze spoedig aan melk, brood en rijpe bananen gewennen. In den
eersten tijd liet ik ze vrij in de kamer rondloopen, waar zij dan uren
achtereen als kleine kinderen op hun duim zogen. Wegens hun aardig, wit
gezichtje, met het scherp begrensde kophaar, den zwarten mond, de
groote, heldere oogen, en wegens hun opgewekten, vertrouwelijken aard
waren zij ieders lievelingen. De valschheid, die aan vele Apen eigen
is, komt bij hen niet voor; wel wordt hun toorn licht opgewekt, maar
even spoedig herkrijgen zij hun goed humeur. Zonder aanleiding trachten
zij nooit te bijten; bij goede behandeling zijn zij de onschuldigste,
vroolijkste diertjes, die men zich denken kan. Dikwijls, als zij vrij
rondliepen, gingen zij op de Zwijnen zitten, en lieten zich door de
savannahs ronddragen. Iederen avond om 5 uur, nadat de luiken der
besten vertrekken gesloten waren, werden zij los gelaten. Dan begon een
dol jagen en stoeien op den broodvruchtenboom en de kokospalmen achter
het huis; dit duurde, totdat het donker was, dan kwamen zij uit zich
zelf terug, om in hun huisje opgesloten te worden. Ofschoon zij
Insecten eten, kunnen zij, naar het schijnt, de vergiftige niet van de
andere onderscheiden; drie van mijne dieren stierven, omdat zij de
Vlinders van de Kokosrups opgegeten hadden. Leerzaam zijn zij niet; hun
verstand is veel geringer dan dat van den Kapucijner-aap. Als zij zich
prettig gevoelen, spinnen zij als jonge Katten; bij schrik laten zij
een kort afgebroken gehemeltegeluid hooren, bij toorn schreeuwen zij
als Eksters. De meeste werden mij van ’t zeestrand gebracht, waar zij
vlug op de awarra-palmen rondspringen, ofschoon deze over en over met 8
cM. lange, naaldscherpe stekels bezet zijn. De Indianen schieten de
moeders, als zij hunne jongen nog op den rug hebben, of schudden de
jongen van de boomen af, wanneer zij daar door de moeders neergezet
zijn, Zelden krijgt men een mannetje in handen; bijna alle exemplaren,
die mij gebracht werden, waren wijfjes.”
De Nachtapen zijn vertegenwoordigers van een geslacht (Nyctipithecus).
Aan Azara danken wij de eerste berichten over dit geslacht, een der
merkwaardigste van de geheele Apen-orde. Kort na hem werd het door
Humboldt, later door Rengger en Schomburgk, eindelijk ook door Bates
beschreven. Deze dieren vormen in zekeren zin den overgang van de
Eigenlijke Apen tot de Half-Apen, die evenals zij een nachtelijke
levenswijze hebben en ook in andere opzichten op hen gelijken. Aan den
kop en de uitdrukking van het gelaat zijn zij dadelijk te onderscheiden
van alle tot dusver genoemde Apen; deze eigenaardigheden
karakteriseeren hen zeer goed. De kleine rondachtige kop heeft groote
oogen, welke aan die van Uilen herinneren; de snuit steekt weinig
vooruit en is breed en groot; de neusgaten zijn benedenwaarts gericht,
de ooren klein. Hun romp is langgerekt, zacht en los behaard; de
eenigszins ruige staart is langer dan het lichaam. De nagels zijn
samengedrukt en gebogen.
Het schrale lichaam van den Mirikina (Nyctipithecus trivirgatus) is 35
cM., de staart 50 cM. lang. De kleur van de vacht is aan de bovendeelen
grijs-bruin, meer of min roestkleurig; de staart heeft een zwarte
spits. Op de kruin komen drie even breede, zwarte, onderling
evenwijdige streepen voor; van den nek tot aan het begin van den staart
strekt zich een breede, helder geelachtig bruine streep uit.
Het verbreidingsgebied van den Mirikina omvat het oosten van tropisch
Zuid-Amerika, waar hij echter slechts in enkele gewesten voorkomt.
Rengger beweert, dat dit dier in Paraguay alleen aan den rechteroever
van den stroom (en daar niet verder zuidwaarts dan 25° Z.B.) gevonden
wordt, zich aan den linker oever echter niet ophoudt. Van zijn leven in
vrijen toestand is slechts weinig bekend. Hij brengt zijn leven op en
in de boomen door, gaat gedurende den nacht voedsel zoeken, en
verschuilt zich des morgens in een gat van een boom om hier overdag te
slapen. Bij het brandhout inzamelen vonden de lieden van onzen
natuuronderzoeker eens een paartje van de Apen, die in een hollen boom
sliepen. De uit hun slaap opgeschrikte dieren trachtten dadelijk te
ontvluchten, waren echter door het zonlicht zoozeer verblind, dat zij
geen juisten sprong maken en ook niet goed klimmen konden. Zij werden
daarom zonder moeite gevangen, ofschoon zij zich met hunne scherpe
tanden zochten te verdedigen. Het leger bestond uit bladen, belegd met
een soort van mos, dat op de boomen groeit; hieruit schijnt te blijken,
dat deze dieren op een bepaalde plaats leven en geregeld in hetzelfde
leger gaan rusten. Rengger beweert, dat men altijd slechts één paar van
deze dieren vindt, dat zij nooit grootere gezelschappen vormen; Bates
bericht echter, dat dit wel gebeurt.
De jonge Mirikina laat zich licht temmen, de oude daarentegen blijft
altijd wild en bijtlustig. Met zorg behandeld, verdraagt hij de
gevangenschap goed; bij onzindelijke verzorging leeft hij echter niet
lang. Men houdt hem in een ruim hok of in de kamer; men laat hem vrij
rondloopen, daar hij licht in het touw verward raakt, wanneer men hem
vastlegt. Gedurende den geheelen dag blijft hij in den donkersten hoek
van zijn verblijfplaats zitten slapen. Hij zit met opgetrokken pooten
en sterk voorover gebogen rug en verbergt het gelaat tusschen de over
elkander gekruiste armen. Als men hem wekt, en niet door aaien of
dergelijke liefkoozingen wakker houdt, slaapt hij onmiddellijk weer in.
Op heldere dagen kan hij geen voorwerp onderscheiden; zijn pupil is dan
nauwelijks zichtbaar. Als men hem uit de duisternis plotseling in ’t
licht brengt, toonen zijne gebaren en klagende geluiden, dat het licht
bij hem een pijnlijke gewaarwording teweeg brengt. Zoodra echter de
avond valt, wordt hij wakker; zijn pupil vergroot zich al meer en meer,
naarmate de duisternis toeneemt, en wordt ten slotte zoo groot, dat men
het regenboogvlies nauwelijks meer waarneemt. Zijn oog licht in ’t
donker, evenals dat van de Katten en Nachtuilen. Als de schemering
aanvangt, begint hij zijn hok rond te gaan en naar voedsel uit te zien.
Hij beweegt zich gemakkelijk, hoewel hij op den vlakken bodem niet zeer
behendig is, omdat zijne achterste ledematen langer zijn dan de
voorste. In ’t klimmen is hij zeer bekwaam; het springen van den eenen
boom op den anderen verstaat hij meesterlijk. Rengger liet zijn
gevangen Mirikina soms bij helder sterren- of maanlicht in een met
sinaasappelboomen bezetten, maar aan alle zijden ingesloten hof vrij
rondloopen. Dan ging hij vroolijk van den eenen boom op den anderen en
het was onmogelijk het dier ’s nachts weder op te vangen. Eerst des
morgens kon men hem grijpen, als hij, door ’t zonlicht verblindt,
rustig in de dichtste gedeelten van de boomkroon zat. Gedurende zijne
nachtelijke zwerftochten maakte hij bijna elken keer een op de boomen
slapenden Vogel buit. Andere Nachtapen, die door Rengger nagegaan zijn,
toonden een buitengewone geschiktheid tot het vangen van Insecten. Des
nachts hoorde men dikwijls een sterk dof geluid van den Mirikina; hij
herhaalde dit altijd verscheidene malen achtereen. Door sommige
reizigers werd dit geluid vergeleken met het gebrul van den Jaguar in
de verte. Zijn toorn geeft hij te kennen door herhaaldelijk „Grr, grr,”
te roepen.
Van alle zintuigen is waarschijnlijk dat van ’t gehoor het volkomenst
ontwikkeld. Het geringste gedruisch trekt onmiddelijk zijn aandacht.
Des nachts, bij ’t licht der sterren is zijn gezichtsvermogen het
scherpst. Zijne geestvermogens schijnen gering te zijn. Nooit leert dit
dier zijn meester kennen, het volgt diens roep niet en is onverschillig
voor zijne liefkoozingen.
Dat er een groote genegenheid tusschen mannetjes en wijfjes bestaat,
werd door Rengger opgemerkt. Als van een gevangen paar er een sterft,
kniest de andere zich dood. De vrijheid gaat bij deze dieren boven
alles; van iedere zich aanbiedende gelegenheid om te ontsnappen maken
zij gebruik, zelfs wanneer zij jong gevangen zijn en reeds jaren in
gevangenschap geleefd hebben.
Enkele natuuronderzoekers brengen de dieren, die wij hier tot een
afzonderlijke familie vereenigen, nog tot de vorige afdeeling; de
punten van verschil tusschen hen en de vroeger behandelde Apen zijn
echter belangrijk genoeg, om een scheiding, zooals die, welke wij
voorstaan, te rechtvaardigen.
De Klauwapen of Eekhoornapen (Arctopitheci) onderscheiden zich van alle
tot dusver genoemde leden der Apen-orde hoofdzakelijk hierdoor, dat zij
aan alle vingers en teenen, met uitzondering van den duim of binnenteen
van den voet, smalle klauwen, aan den bedoelden duim echter een
dakpanvormigen, platten nagel hebben. Andere kenmerken van deze dieren
zijn: de rondachtige kop, met kort, plat aangezicht, kleine oogen en
groote, dikwijls in een haarkwast eindigende ooren, de slanke romp, de
korte ledematen; de staart is lang en ruig, de beharing zijdeachtig
zacht. De handen gelijken op de voorvoeten van andere Zoogdieren, daar
de duim niet van de overige vingers verwijderd staat en ook niet aan
deze tegenovergesteld kan worden, terwijl dit met den duim van de
achterhand wel kan geschieden. De handen zijn dus bij hen voorvoeten
geworden; alleen de eigenlijke voeten hebben nog een soortgelijk
maaksel als die der overige Apen.
Het verbreidingsgebied van de Klauwapen omvat alle noordelijke landen
vau Zuid-Amerika, en strekt zich noordwaarts tot Mexico uit, terwijl
het in zuidelijke richting ternauwernood voorbij Brazilië reikt. Het
laatstgenoemde rijk, benevens Guyana en Peru bevatten de meeste
soorten; in Mexico komen er, voor zoover men thans weet, slechts twee
voor. Hoe ver zij zich in ’t gebergte omhoog begeven, is tot nu toe
niet met zekerheid uitgemaakt; Schomburgk ontmoette ze nog op een
hoogte van 500 M. boven de oppervlakte der zee; in de Andes komen zij
echter ongetwijfeld op nog grootere hoogte voor.
Alle Klauwapen zijn boomdieren in den eigenlijken zin van ’t woord. In
de uitgestrekte bosschen van de landen waar zij inheemsch zijn, komen
zij in grooten overvloed voor; niet alleen in de hoogstammige, vochtige
bosschen langs de kust of van de vlakten, maar ook in de lagere, minder
welige wouden van het binnenland. Wat aard en gewoonten betreft,
gelijken zij minstens evenveel op Eekhoorntjes als op de eigenlijke
Apen. Een opgerichte houding zooals bij deze komt bij hen niet voor:
zij rusten op handen en voeten, of liggen zelfs plat op den buik, in
welk geval de lange, dicht behaarde staart recht naar beneden hangt;
ook houden zij er niet van om zich, evenals hunne verwanten—de
bekwaamste klimmers die ons bekend zijn—te midden van de dunne twijgen
te bewegen, maar blijven liever op de dikken takken; zij gedragen zich
hier geheel op de wijze van de Eekhoorntjes en gebruiken hunne lange
klauwen als deze Knaagdieren. Altijd laten zij de geheele zool op den
grond rusten. Nooit ziet men ze op twee voeten gaan; evenwel richten
zij, als zij iets naar den mond willen brengen, bij uitzondering het
voorste deel van ’t lichaam omhoog: de houding, die zij dan aannemen,
komt trouwens ook bij de Eekhoorntjes voor.
Ook in andere opzichten gelijken zij veel op Eekhoorntjes; zij zijn
even ongedurig en rusteloos, even schuw en vreesachtig als deze. Zij
houden hun kopje geen oogenblik stil; de donkere oogen richten zich nu
eens naar het eene dan weer naar een ander voorwerp, altijd echter met
een zekere haast; naar het mij voorkomt, heeft de werkzaamheid van hun
geest niet veel te beteekenen, terwijl zij hunne blikken van de eene
plaats naar de andere laten zwerven, hoewel het den schijn heeft, dat
zij intusschen nu eens aan de eene, dan weer aan de andere zaak denken.
Ik geloof niet, dat men aan de Klauwapen een diep nadenken mag
toeschrijven; integendeel, volgens mijn overtuiging staan zij wat hunne
geestvermogens betreft, beneden alle overige Apen; het zijn zeer
bekrompen wezens, welker verstand waarschijnlijk niet grooter is dan
dat van de Knaagdieren van gelijke grootte. Vreesachtig, wantrouwend,
terughoudend, kleingeestig en vergeetachtig van aard, handelt de
Klauwaap als ’t ware zonder zelfbewustzijn, laat zich, zonder dat zijn
wil invloed schijnt te oefenen op zijne daden, door de indrukken van
het oogenblik beheerschen, let niet meer op hetgeen hij zooeven heeft
nagejaagd, zoodra een andere prikkel, van welken aard dan ook, op hem
werkt. Hij bezit alle eigenschappen van een lafaard: de klagende stem,
de duidelijk merkbare ongeschiktheid of onwil om te berusten in iets,
wat hij niet keeren kan, de neiging om alle gebeurtenissen van de
ongunstigste zijde te beschouwen, de ziekelijke zucht om iedere
handeling van een ander aan te merken als tegen hem gericht, het vurig
verlangen om te schitteren, gepaard met de neiging om zich op den
achtergrond te houden, de veranderlijkheid van de uitdrukking van ’t
gelaat zoowel als van de houding van ’t lichaam, de onstandvastigheid
in ’t willen zoowel als in ’t volbrengen.
Allerlei vruchten, zaden, jonge bladen, bloemen vormen de
hoofdbestanddeelen van het voedsel onzer aapjes; bovendien echter maken
zij met den grootsten ijver jacht op allerlei kleine dieren; aan
Insecten, Spinnen enz. geven zij stellig de voorkeur boven kleine
Gewervelde Dieren, die zij echter ook niet versmaden. In allen gevalle
zijn zij meer dan alle overige Apen roofdieren, d.w.z. zij eten meer
dan de overige leden hunner orde dierlijk voedsel naast het
plantaardige.