In de familie der Klauwapen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden,

die alle tot één geslacht (Hapale) behooren: de Leeuwaapjes, die nevens

het naakte gelaat ook onbehaarde ooren hebben, daarentegen manen op den

kop, die zich soms ook over den hals en de schouders uitstrekken, een

in een haarkwast eindigenden staart, die zoo lang is als het overige

lichaam: de Tamarins—in onze afbeelding op p. 55 vertegenwoordigd door

het Zilveraapje (Hapale argentata)—, die zich van de eerstgenoemde

alleen onderscheiden door den langeren staart en het meestal ontbreken

van de manen, en de Zijdeaapjes met een haarkwastje aan de ooren.

Van de laatstgenoemde groep komt, naar het schijnt, het Sahoei-aapje,

de Sagoeïen, Oeïstiti of Marmoset (Hapale jacchus) het veelvuldigst

voor; dit is een middelmatig groot, sierlijk gebouwd Klauwaapje van 22

à 27 cM. lichaams- en 30 à 35 cM. staartlengte. De kleur van de lange

en zachte vacht is over ’t algemeen een mengeling van zwart, wit en

roestgeel. Zij wordt veroorzaakt door de eigenaardige afwisseling van

kleuren op ieder haar afzonderlijk beschouwd: aan den voet is het

zwartachtig, verderop roestkleurig, nog hooger zwart en aan den top

witachtig. Op het voorste deel van den rug zweemt de kleur naar

roestgeel, verder achterwaarts wisselen smalle, zwarte en witte,

golvende dwarsstrepen met elkander af. Aan het onderlijf en aan de

ledematen zijn alle haarspitsen witachtig grijs en heeft deze kleur dus

de overhand. De staart is zwart met ongeveer 20 smalle, witachtige

ringen en een witten top. Een witachtige, driehoekige voorhoofdsvlek en

een schitterend wit oorkwastje steken vroolijk af bij de donkerbruine

kleur van den kop. Het aangezicht is donker vleeschkleurig en spaarzaam

begroeid met witachtige haartjes.

Oeïstitis komen vaker levend naar Europa dan eenige andere soort van de

familie der Klauwapen. Men kent ze reeds sedert de ontdekking van

Amerika, en is al spoedig begonnen ze te temmen. Men kan ze met

vruchten, groenten, Insecten, Slakken en vleesch zeer goed voederen;

ook hechten zij zich in den regel zeer spoedig aan de menschen, doch

slechts aan die, welke hen bestendig verzorgen. Tegenover vreemden

toonen zij zich wantrouwig en prikkelbaar; over ’t algemeen zijn zij

zeer eigenzinnig en gedragen zich als stoute kinderen. Hun misnoegen

geven zij door fluitende toonen te kennen. Alles wat hun vreemd

voorkomt, brengt bij hen ontroering teweeg: zij zijn zoo vreesachtig,

dat het zien van een voorbijvliegende Wesp hun grooten angst inboezemt.

Die, welke al oud waren, toen zij gevangen werden, zijn in den beginne

nog al wild en schreeuwen reeds bij de geringste toenadering; het duurt

vrij lang, voordat zij dulden, dat men ze aanraakt. Als zij eenmaal

getemd zijn, sluiten zij niet alleen met de menschen vriendschap, maar

ook met de huisdieren, vooral met de Katten, waarmede zij spelen en in

welker nabijheid zij zich gaarne te slapen leggen, waarschijnlijk ter

wille van de warmte. Voortdurend trachten zij zich zorgvuldig tegen de

koude te beschutten; zij dragen het katoen, de lompen, de vlokjes wol

enz., die men hun geeft naar een hoek van hun hok, maken zich daarvan

een leger, en hullen zich in, zoo goed zij kunnen. Het is een aardig

schouwspel, het diertje zijn sierlijk kopje uit zijn bedje te zien

steken, zoodra bekenden hem met lekkernijen naderen.

De Oeïstiti heeft in Europa reeds meermalen jongen geworpen, eenmaal in

Petersburg, en hier zelfs in zeer ongunstige omstandigheden. Men hield

daar deze dieren zelfs gedurende vrij ruwe herfst- en lentedagen in een

vertrek, waar niet gestookt werd, en gaf hun volstrekt geen vrijheid;

toch brachten zij er in twee jaren drie maal jongen ter wereld. In

weerwil van de geringe zorg, die aan deze dieren besteed werd, groeiden

de jongen voorspoedig op. Deze mededeeling danken wij aan den

natuuronderzoeker Pallas, die tevens van de levenswijze van de bedoelde

dieren een zeer uitvoerige beschrijving geeft, waaraan het volgende

ontleend is: „Even als alle langstaartige, kleine, op Meerkatten

gelijkende Apen Van de Nieuwe Wereld is ook de Oeïstiti bij wijze van

spreken veel minder „Aap” dan de grootere soorten van deze diergroep.

Wel springt en klimt hij zeer behendig, wanneer hij dit wil; hij is

echter niet, evenals de andere Apen, voortdurend in beweging, maar

toont, vooral wanneer hij verzadigd is en zich in de zon wil koesteren,

een groote traagheid; uren lang blijft hij dan stil in gezelschap van

zijne stamverwanten aan de draden van zijn kooi hangen. Hij klimt op

allerlei wijzen, dikwijls met den kop naar beneden; altijd zijn zijne

bewegingen vrij phlegmatisch: soms laat hij zich met den kop naar

beneden hangen, terwijl hij zich alleen met de achterpooten vasthoudt,

of rekt zich als een lui mensch uit, terwijl hij aan de voorpooten

hangt. Bij warm, zonnig weder reinigen deze dieren elkander op de wijze

der Apen met de voorpooten en de tanden; soms doen zij dit, terwijl zij

nevens elkander aan het traliewerk hangen, soms terwijl zij op den

bodem rusten, waarbij dan de eene lang uitgestrekt op den rug ligt.

Daarbij laten zij een zacht getjilp en een kirrend geluid hooren.

Gewoonlijk kruipen zij met hetzelfde gekir des avonds bijna altijd op

klokslag van zessen in een van hunne alleen met stroo gevoerde

slaapplaatsen, die aan de zijde van het hok aangebracht zijn; zij

vertoonen zich vóór ’s morgens 6 of 7 uur niet weder: in den

tusschentijd hoort men geen geluid van hen. Zelden kwam het voor, dat

een van hen gedurende den voor ’t slapen bestemden tijd zijn leger

verliet, om aan een natuurlijke behoefte te voldoen; toch bevuilen zij

nooit hun nest. Gedurende de overige 11 of 12 uren waren zij steeds

wakker, en buiten de nesten bezig; soms maakten zij veel, soms minder

beweging, in den regel kon men ze duidelijk hooren. Behalve hun gewoon

gekir, vernam men van hen, vooral als hun aandacht op het voedsel

gevestigd werd, een sterker geluid, dat door hun naam „oeïstitie” vrij

goed nagebootst wordt; dit riepen zij dikwijls meermalen achtereen. Als

zij verzadigd waren en uitrustten, of zich in de zon koesterden, lieten

de oudste dieren soms met wijd opengesperden bek een langdurig,

eentonig gefluit hooren. Door ze op te jagen of toe te roepen, kon men

dit geluid, dat buitengewoon doordringend was, zoodat de ooren er zeer

van deden, niet doen ophouden. Als zij iets ongewoons zagen, b.v.

Honden, Kraaien enz., vernam men van hen een gesnater, dat bijna als

dat van den Ekster klonk; daarbij bewogen zij het bovendeel van het

lichaam met den teruggetrokken kop telkens heen en weer, evenals een

mensch die loerend naar iets kijkt en het juiste gezichtspunt zoekt.

Een soms knarsend, soms knorrend gekijf hoorde men van de oude

mannetjes, als zij geplaagd werden, b.v. door hun van verre iets aan te

bieden en het dan niet te geven. Daarbij rekten zij hun gelaat uit,

zooals de andere Apen doen, als zij toornig worden, stotterden op

ongewone wijze en zochten den plaaggeest met de voorpooten te grijpen

en te krabben; zij werden echter zeer angstig, als de poot intusschen

door iemand buiten het hok gegrepen en vastgehouden werd.

„Omdat zij in Zuid-Amerika thuis behooren, had men mogen verwachten,

dat de Oeïstitis veel kouwelijker zouden zijn, dan werkelijk het geval

is. Gedurende de koude herfstdagen, waarop ik ze bij mij had,

verdroegen zij in het niet verwarmde vertrek, voor welks venster zij

zich ophielden, een temperatuur, die steeds dicht bij het vriespunt

gelegen was. Wel zochten zij er den zonneschijn op, of kropen zoo dicht

mogelijk bij den vuurpot, die naast het hok geplaatst was; uren lang

warmden zij zich hieraan, terwijl zij aan het traliewerk van hun hok

hingen. Zeer vreemd is het, dat zij de groote hitte van den zomer hier

in Petersburg niet aangenaam vonden. Hun meester verzekerde, dat hij ze

op heete zomerdagen dikwijls met krampachtige stuiptrekkingen had zien

neervallen, hetgeen in andere tijden zelden gebeurde. Roerend was het

te zien, hoe ijverig de gezonde dieren zich oogenblikkelijk met hun op

deze wijze ziek geworden kameraad bezig hielden, en hoe zij trachten

hem hulp te bieden”.

Het Penseelaapje of Witbandaapje (Hapale penicillata, vergelijk de

afbeelding 3 op p. 55), komt bijna even veelvuldig voor als de

Oeïstiti, en is ongeveer even groot als deze; ook de kleur verschilt

niet veel.

De tot de Tamarins behoorende Pinche (Hapale oedipus) wordt zeer zelden

naar Europa gebracht, en verdraagt de gevangenschap nog minder lang dan

zijne geslachtsgenooten. Deze kleine, fraai geteekende diertjes zijn

vooral merkwaardig door hun stem, welke bedriegelijk gelijkt op die van

een Vogel en nu eens uit zuivere, langgerekte, fluitende toonen, dan

weer uit trillers bestaat.

AANTEEKENING

[1] Zeer interessante mededeelingen over het leven van den jongen

Orang-Oetan in gevangenschap komen voor in een opstel van H. A. A.

Niclou, getiteld „Jacob, mijn Orang-Oetan. (Dier of meer?)”, geplaatst

in het „Album der Natuur”, 1882, pp. 195–211, en in een pas verschenen

werk van Dr. Emil Selenka („Sonnige Welten. Ost-Indische

Reiseskizzin”), waarvan een uittreksel onder den titel: „Een jonge

Orang-Oetan, door Dr. T. C. Winkler” voorkomt in het „Album der

Natuur”, 1896, p. 71.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 01: De Apen · 第 13 / 13 段