verschillende soorten in hoofdzaak gelijk. „Zij leven”, zegt Tschudi in
overeenstemming met andere onderzoekers, „in troepen van 10 à 12 stuks;
somtijds treft men ze ook paarsgewijs, niet zelden zelfs alleen aan.
Gedurende verscheidene maanden zagen wij een alleen levenden Aap van
dit geslacht voortdurend in hetzelfde gebied, dit was een mannetje van
nog niet hoogen leeftijd; zooals bleek, toen hij gedood werd. De
aanwezigheid van een troep Slingerapen verraadt zich door het
voortdurend ritselen der boomtakken, die zij zeer behendig ombuigen,
om, zonder gedruisch te maken, verder te klimmen. Het aangeschoten dier
laat een luid gillend geschreeuw hooren en tracht te ontvluchten. De
zeer jonge dieren verlaten hun moeder niet, zelfs wanneer deze gedood
is; zij houden haar vast omklemd, en liefkozen haar nog als zij reeds
geheel verstijfd aan een boomtak hangt; het is daarom zeer gemakkelijk
de jongen te vangen. Het kost geen moeite ze te temmen; zij zijn
goedmoedig, gemeenzaam en aanhankelijk, maar blijven in de
gevangenschap niet lang in leven. Zij lijden vaak aan uitslag en
buikloop, en maken dan zeer jammerlijke gebaren.”
Tusschen de soorten van Slingerapen, bestaat slechts een gering
verschil. Van die, welke in Guyana voorkomen, zijn vooral zeer
veelvuldig: de Koata of Coaita (Ateles paniscus) en de Marimanda of
Aroe (Ateles beëlzebuth). De eerstgenoemde is een der grootste van zijn
geslacht. Zijn lichaamslengte bedraagt ongeveer 1.35 M., waarvan meer
dan de helft op den staart komt; de hoogte in de schoften is ongeveer
40 cM. Het haar is grof, aan de schouders verlengd, op den rug over ’t
geheel dichter dan aan de onderdeelen; op het voorhoofd staat het bij
wijze van een kam overeind; het is donkerzwart van kleur, alleen op het
aangezicht roodachtig; de huidkleur is donker, op de handpalm geheel
zwart. Het goedaardige gelaat verkrijgt door een paar levendige, bruine
oogen een innemende uitdrukking.
In Ecuador (Quito), op de landengte van Panama en in Peru zijn de
genoemde soorten vervangen door den Tsjamek (Ateles pentadactylus). Hij
bereikt een lengte van ongeveer 1.3 M., waarvan de staart echter meer
dan de helft in beslag neemt, heeft een langharige, donker-zwarte vacht
en een kort stompje op de plaats van den duim.
De Miriki (Ateles hypoxanthus), dien wij voornamelijk door Prins Max
von Wied hebben leeren kennen, bewoont het binnenland van Brazilië. Hij
is ongeveer 1.4 M. lang, dik van lijf, met een kleinen kop en een
korten hals; de ledematen zijn lang; de beharing is dicht, bijna
wollig. Gewoonlijk is de vacht vaalgeel, soms echter witachtig
grauwgeel; de binnenzijde van de ledematen is gewoonlijk lichter van
kleur. Het onbehaarde gelaat is in de jeugd zwartbruin, op lateren
leeftijd donkergrijs, in het midden echter vleeschrood. De duim van de
voorhand is een kort stompje zonder nagel.
De schoonste van alle Slingerapen is waarschijnlijk die, welke eerst
onlangs door den jongen Bartlett in het oosten van Peru gevonden is, en
ter eere van zijn ontdekker Bartlett’s Slingeraap (Ateles Bartletti)
wordt genoemd. De goedgevulde, lange, zachtharige vacht heeft aan de
geheele boven- en buitenzijde een donkerzwarte kleur; een streep over
het voorhoofd is goudgeel, de wangbaard is wit; de onderzijde van romp
en staart, de binnenzijde van de ledematen en de buitenzijde van het
onderbeen zijn bruinachtig geel, een weinig lichter van kleur dan de
streep over het voorhoofd, hier en daar gespikkeld door de aanwezigheid
van enkele zwarte haren. Alle onbehaarde gedeelten van het aangezicht
en van de handen zien er bruinachtig zwart uit. De grootte van dezen
prachtigen Aap schijnt overeen te stemmen met die van de hem verwante
soorten.
Humboldt, Prins Max von Wied en Schomburgk hebben ons het leven der
Slingerapen in vrijen toestand leeren kennen. In Guyana vindt men ze
slechts in de donkerste wouden, niet hooger dan 500 M. boven den
zeespiegel: zij vermijden het kale woud der hooger gelegen streken
geheel. In den regel vindt men ze tot benden van ongeveer zes stuks
vereenigd, zeldzamer alleen of bij paren en nog minder dikwijls in
grootere gezelschappen. Elk van deze benden gaat gedurende het zoeken
van ’t voedsel kalm en rustig haar gang zonder zich om andere
ongevaarlijke wezens te bekommeren. Hun beweging verdient den naam van
vlug, wanneer men haar met die der Brulapen vergelijkt. De geschiktheid
tot klimmen en loopen op de boomen wordt bevorderd door de aanzienlijke
lengte van de ledematen. Daar zij met de lange armen verafgelegen
steunpunten kunnen bereiken, snellen zij, zelfs zonder groote
inspanning, zoo vlug voort, dat de jager volstrekt geen tijd te
verliezen heeft, als hij hen volgen wil. In hunne boomtoppen bewegen
zij zich behendig: zij klauteren zeer goed en doen soms kleine
sprongen. Bij alle bewegingen werpen of slingeren zij hunne ledematen
op een zonderlinge wijze heen en weer. De staart wordt gewoonlijk
vooruitgezonden om een steunpunt te zoeken, voordat de Aap er toe komt
om den tak waarop hij zit, te verlaten. Somtijds vindt men een aantal
Slingerapen, die aan den staart hangen, tot een zeer in ’t oog vallende
groep vereenigd. Met zelden zit of ligt de familie in trage rust, op
takken en twijgen, zich behaaglijk in de zon te koesteren; de kop is
dan dikwijls achterover gebogen, de armen zijn op den rug over elkander
gelegd, de oogen omhoog gericht. Op den vlakken bodem hompelen zij met
moeite voort; men zou medelijden met hen kunnen krijgen, als men ze
ziet gaan. Hun gang is in de hoogste mate wankelend en onzeker, en de
lange staart, die, om het evenwicht te bewaren, wanhopig heen en weer
bewogen wordt, doet den indruk van onbeholpenheid, welke door deze
bewegingswijze gewekt wordt, nog toenemen. Geen der Europeesche
natuuronderzoekers heeft trouwens ooit Slingerapen op den bodem gezien.
Prins Max von Wied beweert, dat zij, zoolang zij gezond zijn, slechts
dan op den grond afdalen, als het hun onmogelijk is geworden van uit de
laagst groeiende takken het water te bereiken, om op hun eigenaardige
wijze te drinken. Men maakt ijverig jacht op hen. De Portugeezen
gebruiken hun vel, de wilden eten hun vleesch, vele Indiaansche stammen
verkiezen dit wild boven al het overige.
Men ziet deze dieren niet zeer dikwijls in den gevangen staat. Hier te
lande behooren zij altijd nog tot de zeldzaamheden. Toch zijn zij wel
in staat om de genegenheid van den mensch te wekken. Moedwil en
boosaardigheid zijn hun vreemd, en hun toorn, die zij door grimassen te
kennen geven, gaat even schielijk voorbij, als hij gekomen is. Door
hunne zonderlinge houdingen en lichaamsverdraaiingen weten zij iemand
bezig te houden. Een goede behandeling is aan hen welbesteed; zij
trachten haar te beloonen door liefkoozingen.
De Rolstaartapen of Rolapen (Cebus) verschillen van de Grijpstaartapen,
doordat hun staart tot aan den top geheel behaard is, wèl om een tak
gewikkeld kan worden, maar als eigenlijk grijporgaan niet deugt.
Terwijl de reeds besprokene geslachten van Breed-neuzige Apen in onze
dierentuinen tot dusver tot de zeldzaamheden behooren, ziet men deze of
gene vertegenwoordiger van de Rolstaartapen bijna in ieder beestenspel.
Deze Apen onderscheiden zich van de vroeger behandelde door hun
lichaamsbouw. De schedel is rondachtig; de armen zijn slechts
middelmatig van lengte, de handen hebben vijf vingers. Een meer of
minder ontwikkelde baard versiert het aangezicht, voor ’t overige is de
beharing dicht en kort.
Men zou de Rolstaartapen de Meerkatten van Amerika kunnen noemen. Zij
gelijken veel op deze vroolijke klanten, hoewel meer door hunne
handelingen dan door hun gestalte. Zij zijn echte Apen, d.w.z.
beweeglijke, leerzame, moedwillige, nieuwsgierige en wispelturige
dieren. Juist daarom worden zij door den mensch veel vaker getemd dan
alle overige Apen van de Nieuwe Wereld, en worden zij veelvuldiger naar
Europa overgebracht. Aan hun schreierige, zachte stem hebben zij den
naam „Huilende” Apen te danken. Men hoort deze stem echter alleen,
zoolang zij goed gehumeurd zijn. Bij de geringste opwinding schreeuwen
en krijschen zij op een afschuwelijke wijze. Zij leven uitsluitend op
boomen en zijn hier even goed thuis, als hunne overzeesche verwanten op
de mimosa’s en tamarinden. Reeds in den voortijd waren zij in Brazilië
inheemsch, ook thans is dit het geval en bevolken zij in grooten getale
de uitgestrekte wouden van de zuidelijke staten. Men vindt ze hier tot
vrij talrijke gezelschappen vereenigd en dikwijls gemengd met andere,
hun verwante soorten.
In de gevangenschap toonen de Rolstaartapen bijna alle eigenaardigheden
van de Meerkatten en menige andere bovendien. Ondanks hun (zelfs onder
de Apen buitengewone) onzindelijkheid zijn zij de lievelingen van de
Indianen, bij welke men ze in getemden staat ontmoet. Evenals de
Bavianen houden zij van bedwelmende en dronkenmakende middelen. „Als
men,” zegt Schomburgk, „een tammen Rolstaartaap tabaksrook toeblaast,
of hem een snuifje voorhoudt, wrijft hij zich het geheele lichaam met
een echt wellustige opgewondenheid en sluit de oogen. Dezelfde
verrukking geeft hij te kennen na het ontvangen van een aangestoken
sigaar. Thee, koffie, brandewijn en andere opwekkende dranken brengen
een soortgelijke uitwerking teweeg.”—A. Vosmaer (1770) zegt van een
dezer dieren, dat in Suriname Meekoê of Mico genoemd wordt: „De
bijzondere eigenschap waarom wij hem den naam van Fluiter gegeven
hebben, is aanmerkelijk. Verscheidene Apen maken een min of meer
fluitend geluid, doch deze bezit die kunst meesterlijk, zoodat men
wezenlijk dacht, dat er iemand floot. Het geluid was eentonig, zeer
hard, doch verflauwend, en dit herhaalde hij dikwijls uit zich zelf,
tot vermaak; want, als hij boos was, schreeuwde hij.—Gelijk bijna alle
andere dieren van zijn geslacht, at en dronk hij bijna alles, maar
inzonderheid was hij een groot liefhebber van eieren en van Spinnen,
die hij overal opzocht. Zeer graag dronk hij jenever, op welk een en
ander de stalknechts in des vorsten rijschool, daar hij hier
verscheidene jaren geleefd heeft, hem nu en dan al eens onthaalden.”
Van alle Rolstaartapen is de Gay of Sai, de Kapucijner-aap (Cebus
capucinus) waarschijnlijk de meest bekende. In de taal der Guaranen
beteekent „Gay” „bewoner van het woud”; dit woord is echter door de
Europeanen dikwijls verkeerd gebruikt en thans minder algemeen bekend
geworden dan de genoemde, Nederlandsche, met het oog op het haarkleed
werkelijk zeer toepasselijke naam. De Kapucijner-aap behoort, naar men
zegt, tot de grootste soorten van de groep; zijn staart kan 35, het
overige lichaam 45 cM. lang worden; in den regel zijn de exemplaren,
die naar Europa komen, kleiner. Hun duidelijkste kenmerk is het reeds
in de vroegste jeugd naakte, gerimpelde of geplooide, licht
vleeschkleurige voorhoofd. Grootendeels is de huidkleur meer of minder
donkerbruin; de dun behaarde slapen, de bakkebaard, de keel, de borst
en de buik alsmede de bovenarm zijn lichtbruin.
Het verbreidingsgebied van den Kapucijner-aap strekt zich tot beneden
den Zuider-Keerkring en tot over de Andes uit. Van Bahia tot Columbia
is hij overal gemeen. Hij geeft de voorkeur aan bosschen, waarvan de
bodem niet met struikgewas begroeid is. Het grootste deel van zijn
leven brengt hij door in de boomen; want deze verlaat hij in den regel
alleen, wanneer hij drinken of een maïs-veld bezoeken wil. Hij heeft
geen vaste woonplaats. Over dag zweeft hij van boom tot boom om voedsel
te zoeken, des nachts rust hij uit tusschen de dooreengekronkelde
boomtakken. Gewoonlijk ontmoet men deze dieren vereenigd tot kleine
familiën van 5 à 10 individuën, die voor ’t meerendeel wijfjes zijn.
Soms, doch zelden vindt men oude mannetjes, die alleen leven. Men kan
de levenswijze van het in vrijen toestand verkeerende dier moeielijk
nagaan, omdat het zeer schuw en vreesachtig is: Rengger zegt, dat hij
slechts door een toeval in de gelegenheid kwam hierover waarnemingen te
doen. Eens werd zijn aandacht getrokken door welluidende, fluitende
tonen; opziende, zag hij een oud mannetje op de naastbijgelegen
boomkruin nader komen; hem volgden 12 of 13 Apen van beiderlei
geslacht; de wijfjes droegen ieder een jong gedeeltelijk op den rug,
gedeeltelijk onder den eenen arm. Plotseling merkte een der Apen een
nabijstaanden sinaasappelboom met rijpe vruchten op; hij liet eenige
geluiden hooren en sprong op den boom toe. Weinige oogenblikken later
was het geheele gezelschap daar verzameld, en hield zich bezig met het
plukken en eten van de zoete vruchten. Toen de boom half geledigd was,
trachtten de sterkste Apen de zwakkere hun eigendom te ontrooven; zij
trokken de vreemdsoortigste gezichten, lieten de tanden zien, pakten
elkander bij ’t haar en waren duchtig aan ’t kibbelen. Andere
doorzochten een dood gedeelte van den boom, lichtten de droge schors
behoedzaam op en verslonden de hieronder huizende larven van Insecten.
Toen zij zich verzadigd hadden, gingen zij in de houding, die reeds bij
de Brulapen (p. 44) is aangegeven, lang uit liggen op een horizontalen
tak om uit te rusten. De jonge dieren begonnen met elkander te spelen
en gaven daarbij bewijzen van groote behendigheid. Zij schommelden zich
aan hun staart, of klommen hierbij als langs een touw omhoog.
In Januari werpt het wijfje één jong; gedurende de eerste weken draagt
zij het aan de borst, later evenwel op den rug. Nooit verlaat de moeder
haar kind, zelfs niet wanneer zij gewond is. Wel merkte Rengger op, dat
een wijfje, welker onderbeen verbrijzeld was door een kogel van zijn
jachtgezel, haar zuigeling van de borst nam en op een tak zette;
waarschijnlijk evenwel geschiedde dit meer met het doel om de zuigeling
buiten gevaar te brengen, dan om zichzelf verlichting te verschaffen.
De Kapucijner-aap wordt dikwijls gevangen en getemd. Oude dieren raken
niet licht aan de gevangenschap gewoon; zij beginnen te treuren, willen
niet eten, laten zich nooit temmen en sterven gewoonlijk na weinige
weken; de jonge Aap daarentegen vergeet licht zijn vrijheid, sluit zich
bij de menschen aan, en gebruikt, evenals vele andere dieren zijner
orde, na korten tijd dezelfde spijzen en dranken als de mensch. Hij
heeft, evenals alle leden van zijn geslacht, een zachtaardig voorkomen,
dat niet in overeenstemming schijnt met zijne groote behendigheid en
slimheid.
Onder de zintuigelijke vermogens van het dier staat het tastgevoel
bovenaan; de overige zintuigen zijn zwak. Hij is bijziende en kan des
nachts in ’t geheel niet zien; hij hoort slecht, want men kan hem
gemakkelijk besluipen. Nog zwakker schijnt de reuk te zijn: hij houdt
ieder voorwerp, dat hij besnuffelen zal, dicht bij den neus en wordt
toch vaak genoeg door den reuk bedrogen: verleid om voorwerpen te
proeven, die, zooals het smaakzintuig hem later leert, oneetbaar zijn.
De geluiden, die men van den Kapucijner-aap hoort, verschillen naar
gelang van zijn gemoedstoestand. Het meest hoort men van hem een zacht
gefluit, dat, naar het schijnt, als een bewijs van verveling moet
worden beschouwd. Hij steent, als hij iets hebben wil. Verwondering of
verlegenheid geeft hij te kennen door een eenigszins scheller gefluit;
als hij toornig is, schreeuwt hij met zware en grove stem herhaaldelijk
„hoe, hoe!” Bij vrees of smart wordt krijschen, bij vroolijke
gebeurtenissen daarentegen grinniken vernomen. Door dezelfde geluiden
deelt de apenhoofdman in vrijen toestand aan zijne onderhoorigen zijne
gewaarwordingen mede. Deze worden trouwens niet alleen, door geluiden
en bewegingen geopenbaard, maar ook door een gebaar, dat op lachen of
weenen gelijkt. In het eerste geval worden de mondhoeken
teruggetrokken, doch geen geluiden gemaakt. Bij het weenen vullen zich
de oogen met tranen, die echter nooit over de wangen vloeien.
Niet zelden komt het voor, dat de Kapucijner-aap in de gevangenschap
jongen werpt. De genegenheid voor de jongen schijnt in deze
omstandigheden nog grooter te zijn dan bij het leven in de vrije
natuur. De moeder bemoeit zich gedurende den geheelen dag met haar
kind, duldt niet, dat een mensch het aanraakt, toont het alleen aan
lieden, waarvan zij veel houdt en verdedigt het moedig tegen ieder
ander.
Onze Aap is zeer gevoelig voor koude en vochtigheid. Uit eigen beweging
gaat hij nimmer te water. Ook heeft men nimmer waargenomen, dat hij
zich door zwemmen tracht te redden. Wel weet men, dat hij spoedig naar
de diepte zinkt, als hij in ’t water wordt geworpen. In de
gevangenschap is hij onderhevig aan vele ziekten, vooral aan
verkoudheid en hoesten; evenals zijne verwanten uit de Oude Wereld
lijdt hij maar al te vaak aan tering. Volgens de schatting van Rengger
zou de ouderdom, die dit dier bereiken kan, omstreeks 15 jaar bedragen.
De geestes-eigenaardigheden van den Kapucijner-aap zijn ten volle onze
aandacht waard. Reeds in de eerste dagen van zijn gevangen leven leert
hij zijn meester en verzorger kennen, zoekt bij hem voedsel, warmte,
bescherming en hulp, vertrouwt hem volkomen, verheugt zich, als hij met
hem mag spelen, laat zich al zijne plagerijen welgevallen, toont na een
scheiding bij het wederzien een uitgelatene vreugde en geeft zich ten
slotte zoozeer aan zijn heer over, dat hij zijn vrijheid geheel vergeet
en half een huisdier wordt. Hij sluit trouwens niet alleen met den
mensch vriendschap, maar ook met de kinderen, waarmede hij opgevoed
wordt. In Paraguay wordt hij niet zelden opgevoed met een jongen Hond,
die hem als rijpaard moet dienen. Als hij van dezen gescheiden wordt,
begint hij luid te schreeuwen; bij het wederzien overlaadt hij hem met
liefkoozingen. Zijn genegenheid gaat ook met zelfopoffering gepaard;
bij vechtpartijen met andere Honden verdedigt hij zijn vriend met
grooten moed.
Geheel anders wordt het karakter van dezen Aap, wanneer hij
mishandelingen heeft te verduren. Als hij zich sterk genoeg acht,
tracht hij geweld met geweld te keeren, en bijt den mensch, die hem
kwaad doet. Als echter zijn tegenstander hem vrees inboezemt, neemt hij
zijn toevlucht tot huichelarij en zoekt zich te wreken, door zijn
vijand te overvallen.
Ook de Kapucijner-aap is zeer snoeplustig; wanneer zijne dieverijen
ontdekt worden, leert hij spoedig in ’t geheim te stelen en daarbij
allerlei listen en knepen in toepassing te brengen. Op heeter daad
betrapt, zal hij uit vrees voor straf dadelijk luid schreeuwen; wanneer
daarentegen zijn misdrijf verborgen blijft, gedraagt hij zich zoo
argeloos en onbekommerd, alsof er niets gebeurd is. Kleine voorwerpen
worden ingeval van nood in den mond verborgen en eerst later opgegeten.
Zijn hebzucht is zeer groot. Wat hij bezit, laat hij zich zoo licht
niet weer ontnemen, hoogstens kan zijn meester dit doen, ingeval deze
zich zeer bemind heeft weten te maken. Behalve deze eigenschappen merkt
men zoowel nieuwsgierigheid als vernielzucht in hooge mate bij hem op.
Slechts noode onderwerpt hij zich aan den wil van den mensch.
Daarentegen beijvert hij zich, andere wezens, zelfs menschen, nu eens
door liefkoozingen, dan weer voor dreigementen naar zijn hand te
zetten. Op zijn leerlust heeft dit een zeer verkeerden invloed: hij
leert alleen datgene, wat hem voordeel oplevert, b.v. doozen openen, de
zakken van zijn meester doorzoeken enz.
De Apella of Bruine Rolstaartaap (Cebus apella) leeft in Guyana. Zijn
kleur is niet gemakkelijk te beschrijven, daar deze zeer verschillend
is. Zijn lichaamsbouw is tamelijk gedrongen; de betrekkelijk goed
gevulde vacht bestaat uit glanzige haren, die boven het voorhoofd en
aan de beide zijden van den kop zich tot een hooge kuif verheffen, en
in ’t aangezicht een baard vormen; hun over ’t algemeen bruinzwarte
kleur gaat op den rug, den staart en de dijen in zwart over; het
aangezicht en de keel zijn gewoonlijk lichter en op de kruin komt
geregeld een donkere streep voor. Dikwijls zijn ook de zijden van den
romp en de pooten helder kastanjebruin van kleur. In grootte komt deze
Aap met den Kapucijner-aap overeen.
Van het leven van den Apella in de vrije natuur geeft Schomburgk de
volgende uitvoerige beschrijving: „Dicht tegen een boom aangedrukt,
wachtten wij de apenbende af. De voorhoede verscheen voor ons; het
hoofdleger volgde spoedig; ongeveer een kwartier later kwam de laatste
troep, dien ik trouwens door een uitbundig gelach, dat ik niet meer
inhouden kon, spoedig in wilden haast de vlucht deed nemen. Wie zou
hier dan ook het lachen hebben kunnen laten, bij het zien van de
overdreven haast en bewegelijkheid waarmede de vlugge dieren zich op de
takken voortbewogen, bij het hooren van het klagen, fluiten en zingen
van de zwakkere leden van het gezelschap, bij het opmerken van de
boosaardige blikken, die zij op hunne sterkere gezellen wierpen, omdat
zij, deze in den weg komend, door hen gebeten en geslagen werden. Men
kon zich niet bedwingen bij het zien van de oude mannetjesachtige
gelaatstrekken van de op moeders rug als ’t ware vastgelijmde jongen,
en bij het waarnemen van den ernst, waarmede gedurende de reis op ieder
blad, in iedere spleet naar Insecten gezocht werd terwijl nu en dan een
vliegende Vlinder of een vluchtende Kever met de grootste behendigheid
gevangen werd. Met zulke grimassen waren misschien ongeveer 400 of 500
Apellas over ons weggeijld (want een andere beweging schijnen zij in ’t
geheel niet te kennen), toen ik aan den drang tot lachen niet langer
weerstand kon bieden. Als door den donder getroffen bleven de vlak
boven ons aanwezige Apen een oogenblik bewegingloos staan, lieten toen
een eigenaardig geschreeuw hooren, dat vóór, achter en naast ons zijn
echo vond; alle keken angstig in alle richtingen, totdat zij ons
bemerkten; toen keken zij ons een oogenblik aan, herhaalden hun
geschreeuw nog schriller dan de eerste maal, en vlogen nu met dubbel
zoo groote sprongen in den letterlijken zin van ’t woord over ons heen,
zonder dat eenige andere toon dan het vermeerderde gedruisch in de
takken gehoord werd.”
De Apella wordt zeer veelvuldig naar ons werelddeel overgebracht, en is
daarom in dierentuinen en beestenspellen vaak genoeg te vinden. De
Savoyaarden, die het geheele zuiden van Europa doorwandelen, gebruiken
hem, evenals sommige Meerkatten, om het hart van gegoede lieden met
beter gevolg te verteederen, dan met hunne draaiorgels kan geschieden.
De muziek van deze dikwijls erbarmelijk ontstemde werktuigen is in de
straten van Frankrijk, Spanje en Italië zoo gewoon, dat geen mensch
meer let op den armen smeekeling, die de vroolijke muze te hulp roept,
en met klanken en liederen de harten wil roeren. Ach! juist deze tonen
sluiten de harten voor hem; zij wekken wrevel op, en de beurs blijft
gesloten. Nu gaat op bevel en in ’t belang van den toonkunstenaar de
tamme Meerkat, Apella, of Apollo-aap aankloppen aan de gesloten harten
der menschen. Het dier is gebonden aan een lang, dun touw, dat
grootendeels om de hand van zijn meester gewikkeld is; deze laat het
touw vieren, en op de klanken van de Marseillaise of van ’t een of
ander straatdeuntje klimt de kleine bedelaar bij regenwaterpijpen
omhoog, loopt langs dakgoten en kroonlijsten, gaat van de eene
verdieping naar de andere, tot hij de dakkamers bereikt heeft. Hij
verschijnt aan ’t venster, een kind merkt hem op, een luide juichkreet
wordt gehoord, het regent suikergoed en ander gebak in zijn
nabijheid—ach, had hij maar wangzakken;—maar er valt ook menige sou,
menige cuarto, menige soldo voor zijn beneden wachtenden meester: de
Aap heeft het hart van ’t kind geopend en het kindermondje den
geldbuidel van de ouders losgeknoopt. Het dier werpt ieder geldstuk,
dat het ontvangt, zijn meester toe; deze zamelt beneden vroolijk in,
zoolang hem van omhoog nog iets wordt toegeworpen, en trekt dan verder
met zijn helper in ’t bedelen, om eenige weinige huizen verderop het
spel te hervatten.
De Faun-aap (Cebus fatuelles) onderscheidt zich voor een in twee
bundels verdeelde kuif. De oostkust dan Brazilië is zijn vaderland.
In de tweede onderfamilie van de Breedneuzen vereenigen wij de
Slapstaarten (Pithecidae), voor ’t meerendeel kleine of middelmatig
groote Apen, welke van die der vorige onder-familie verschillen door
hun slappen, geheel en al behaarden, voor ’t grijpen ongeschikten
staart, welks wervels van voren naar achteren gestadig in dikte
afnemen.
De Pluimstaartapen (Pithecia) hebben ineengedrongen lichaamsbouw, die
door de lange en losse beharing nog plomper schijnt, dan hij werkelijk
is, betrekkelijk krachtige ledematen en een dikken, ruigen staart, die
naar den spits toe meestal met langere haren bezet is. Het haar van ’t
bovenste deel van den kop is mutsvormig gescheiden, dat van de wangen
en van de kin vormt een meer of minder langen, dichten volbaard.