De 29e graad N.B. vormt ongeveer de noordelijke grens van dit gebied.
In westelijke richting is het begrensd door den Andes-keten, naar het
oosten door den Atlantischen Oceaan en ten zuiden door den 25en graad
Z.B.
Alle Breedneuzen zijn uitsluitend boomdieren en behooren dus vooral in
de oerwouden tehuis. Van waterrijke of moerassige gewesten houden zij
meer, dan van droge. Op den bodem dalen zij slechts in gevallen van
uitersten nood af; ook gaan zij niet, evenals de andere dieren dezer
orde, naar het water om te drinken; maar laten zich bij slingerplanten,
overhangende takken en dergelijke hulpmiddelen tot op den waterspiegel
zakken, zoodat zij drinken zonder de takken te verlaten. Het is wel
mogelijk, dat enkele dezer dieren honderden van mijlen afleggen, zonder
op hun weg ooit met den bodem in aanraking te komen. De boomen bieden
hun alles aan, wat zij noodig hebben; want hun voedsel bestaat
uitsluitend uit allerlei plantdeelen, Insecten, Spinnen, vogeleieren of
jonge nestvogels, en honig; slechts weinige begeven zich nu en dan naar
een plantage om haar te plunderen.
De meeste leden dezer familie zijn overdag bezig, eenige weinige
soorten zijn schemering dieren of echte nachtdieren. Zoowel deze als
gene zijn in wakende toestand vlug en behendig; toch zijn er onder hen
uiterst trage soorten, als ’t ware de Orang-Oetans van de Nieuwe
Wereld. Alle kunnen voortreffelijk klimmen, vele maken hierbij, zooals
reeds gezegd werd een uitmuntend gebruik van hun voor dit doel
uitstekend geschikten staart. Deze is in den letterlijken zin van ’t
woord onmisbaar voor vele van deze overigens zeer onhandige dieren; zij
zouden zich zonder dit orgaan niet kunnen redden. Hun onhandigheid
maakt een voortdurende beveiliging van het lichaam tegen het vallen
noodig, en deze wordt hun in alle omstandigheden door den grijpstaart
(p. 43) of den rolstaart (p. 47) verschaft. Bijna in iedere houding,
ook gedurende de diepste rust, slingeren de bedoelden Apen hun staart
om het een of ander voorwerp, zij het dan ook slechts om een van hun
eigen lichaamsdeelen. Van dit merkwaardig geschenk der natuur, welks
spierkracht die van de andere lichaamsdeelen ver overtreft, en welks
spits zich door fijngevoeligheid onderscheidt, maken zij gedurende hun
kalm leven een zeer uitgebreid gebruik; het verschaft hun eenige
vergoeding voor het gemis van de vlugheid naar lichaam en geest, die
hunne overzeesche verwanten kenmerkt. Maar toch nemen de echte boomapen
van de Oude Wereld, hoewel zij dit hulpmiddel missen, onder de Apen
zonder eenigen twijfel den eersten rang in, wat de geschiktheid tot
springen en klimmen betreft. Wanneer de Apen van de Nieuwe Wereld zich
op den grond bewegen, gaan zij bijna altijd op alle vier ledematen en
doen dit steeds waggelend en op een onbeholpen wijze.
Hunne geestvermogens zijn veel geringer dan die van hunne smalneuzige
verwanten. Over ’t geheel genomen zijn zij zachtaardig, goedmoedig en
gezellig, maar tevens dom, onhandig, onleerzaam en log. Sommige toonen
nieuwsgierigheid, dartelheid en plaagzucht, andere echter brommigheid,
eigenzinnigheid, boosaardigheid, arglist en lust tot bijten. Ook zij
zijn geil, snoeplustig, diefachtig en hebzuchtig; aan slechte
eigenschappen ontbreekt het hun dus niet;—de goede hoedanigheden van de
Apen der Oude Wereld missen zij echter. Wie te kiezen heeft tusschen de
Apen der Oude Wereld en die van de Nieuwe, en beslissen moet, welke hem
het best bevallen, zal wel nooit lang in twijfel verkeeren. In vrijen
toestand zijn de Breedneuzen in den regel schuw en vreesachtig, en niet
in staat een wezenlijk gevaar van een denkbeeldig te onderscheiden.
Daarom nemen zij voor elk ongewoon verschijnsel de vlucht, en trachten
zich ten spoedigste te verbergen te midden van het dichte doolhof van
takken en twijgen. Die, welke aangeschoten zijn, bijten verwoed naar
den jager, die hen grijpen wil. Waarschijnlijk bieden zij alleen aan
kleine Roofdieren weerstand. Het zijn krachtelooze, lafhartige wezens.
Als zij gevangen zijn, gedragen zij zich weldra lief en vertrouwelijk;
soms, doch niet altijd, worden zij op meer gevorderden leeftijd
boosaardig en bijtlustig. Hun traagheid naar lichaam en geest, hun
zwaarmoedig voorkomen, de jammerende geluiden, die zij dikwijls met
merkwaardige volharding voortbrengen, hun onzindelijkheid,
weekelijkheid en gering weerstandsvermogen tegen veranderde
levensomstandigheden: al deze eigenaardigheden en gewoonten maken, dat
zij geen aanbeveling verdienen als huisgenooten van den mensch, hem
geen aangenaam tijdverdrijf kunnen verschaffen. Op dezen regel vormen
eenige weinige soorten echter een gunstige uitzondering; deze komen
daarom dikwijls in getemden toestand voor, en loonen de zorg, die men
hun wijdt. Vele zijn zeer gevoelig voor indrukken van buiten; zij geven
hunne gewaarwordingen door vriendelijk kijken of door klagen te kennen,
en hebben daardoor de vriendschap van sommige menschen, vooral van
teerhartige dames, weten te verwerven.
Hun moederliefde is even treffend als die van de Apen der Oude Wereld.
Zij brengen bij elken worp 1 of 2 jongen ter wereld, die zij
liefhebben, koesteren, verzorgen en beschermen met een nauwgezetheid en
hartelijkheid, welke door iederen ooggetuige terecht bewonderd wordt.
Voor den mensch worden de Apen der Nieuwe Wereld niet of slechts in
enkele gevallen schadelijk. Het uitgestrekte, rijke woud is hun
vaderland; het voedt en verzorgt hen; zij hebben den beheerscher der
aarde en de voortbrengselen van zijn arbeid niet noodig. Slechts
weinige soorten doen nu en dan een strooptocht op de akkers, die dicht
bij het woud gelegen zijn; de belasting die zij heffen, is evenwel van
geen beteekenis in vergelijking met de afpersingen, waaraan de Apen van
de Oude Wereld zich schuldig maken. De mensch jaagt ze ter wille van
hun vleesch en hun pels. Menig reiziger in Amerika is gedwongen geweest
de Apen gedurende langen tijd als zeer begeerlijk wild te beschouwen,
en ze in den vorm van soep of gebraad te gebruiken. Menige schoone dame
bergt en verwarmt hare zachte handen in een hulsel, dat eertijds het
lichaam van een Aap bekleedde.
Voor de inboorlingen van Amerika is de Aap een uiterst belangrijk dier,
want hun voedsel bestaat grootendeels uit zijn vleesch. Zij maken
ijverig jacht op hem. Gewoonlijk maken zij hierbij gebruik van een
boog, niet zelden echter ook van een blaaspijp, waarmede zij kleine
pijlen schieten, die vooraf met de spits in een der vreeselijkste
vergiften gedoopt zijn. Hoewel alle Apen den pijl zoo spoedig mogelijk
uit de wonde trachten te verwijderen, baat hun dit niet; daar de
listige jager het werptuig half doorgesneden heeft, zoodat in verreweg
de meeste gevallen de vergiftigde spits afbreekt en steken blijft in de
wonde, die hierdoor gevaarlijk genoeg wordt, om zelfs aan veel sterkere
dieren het leven te benemen.
Met ditzelfde wapen maken de Indianen zich ook meester van de Apen, die
zij levend wenschen te bezitten. „Als de Arekoenas,” zegt Schomburgk,
„een ouden, koppigen Aap willen temmen, bestrijken zij het pijltje, dat
hem treffen zal, met verzwakt woerari-gif. Als hij naar beneden valt,
wordt de wonde dadelijk uitgezogen; daarna begraven zij hem tot aan den
hals in den grond, en gieten hem een sterke oplossing van
salpeterhoudende aarde of sap van suikerriet in. Als de patiënt een
weinig bijgekomen is, wordt hij uit den grond genomen en als een
bakerkind ingewikkeld. Terwijl hij in dit dwangbuis zit, krijgt hij
eenige dagen achtereen tot drank niets anders dan suikeroplossing en
tot voedsel spijzen, die in een salpeteroplossing gekookt en sterk met
spaansche peper gekruid zijn. Als na deze paardenkuur de gewenschte
gevolgen uitblijven, wordt het moeilijk te temmen dier een tijdlang in
den rook opgehangen. Weldra kalmeert zich nu zijn woede, het boosaardig
oog verkrijgt een zachtere uitdrukking en smeekt om erbarming. Dan
worden de banden losgemaakt, en zelfs de bijtlustigste Aap schijnt nu
volkomen vergeten te hebben, dat hij eertijds vrij in ’t woud geleefd
heeft.”
Er komen betrekkelijk niet vele soorten van deze apenfamilie in de
Europeesche diergaarden voor, en ook deze ziet men er niet algemeen.
Het meest ziet men Rolapen op onze wilde-dierenmarkt, veel zeldzamer
een Slinger-, hoogst zelden een Eekhoornaap, een Saki of een Nachtaap.
Voor zoover mij bekend is, zijn slechts weinige exemplaren van
Brul-apen in levenden toestand in Europa aangekomen.
De Breedneuzen worden verdeeld in twee onderfamiliën, waarvan wij aan
die der Grijpstaartapen (Cebidae) den voorrang geven. Door hun
grijpstaart onderscheiden zij zich van de leden der andere groep, die
der Slapstaartapen (Pithecidae).
Van de Grijpstaartapen willen wij het geslacht der Brulapen (Mycetes)
het eerst behandelen. Hun romp is ineengedrongen, hun kop hoog,
piramidevormig, de snuit vooruitstekend; de duim van de voorhand is
dun. Het dichte haarkleed is aan de kin bij wijze van een baard
verlengd. Als een eigenaardig kenmerk van de Brulapen, moeten wij in de
eerste plaats het blaasvormig gezwollen tongbeen vermelden. Alexander
von Humboldt was de eerste natuuronderzoeker, die dit orgaan ontleedde.
„Terwijl de kleine Amerikaansche Apen,” zegt hij, „die als Musschen
tjilpen, een eenvoudig, dun tongbeen hebben, ligt de tong bij de groote
Apen op een groote, beenige trommel. Het strottenhoofd heeft zes
zakken, waarin de stem blijft hangen en waarvan twee, die den vorm van
een duivennest hebben, veel gelijken op het onderste strottenhoofd der
Vogels. De jammerende toon, die aan den Brulaap eigen is, ontstaat, als
de lucht met geweld de beenige trommel binnenstroomt. Als men bedenkt,
hoe groot deze beenige doos is, verwondert men zich niet meer over de
sterkte en den omvang van de stem dezer dieren, die hun naam met het
volste recht dragen.” De staart van de Brulapen is zeer lang, met een
aan de onderzijde onbehaard uiteinde voorzien, rijk aan zenuwen en
bloedvaten en zeer gespierd; dit orgaan is dus zeer geschikt tot
grijpwerktuig.
De Brulapen zijn zeer verbreid; zij worden in bijna alle landen en
gewesten van Zuid-Amerika aangetroffen. Bij voorkeur bewonen zij
dichte, hoogstammige en vochtige wouden; in de steppen komen zij alleen
daar voor, waar de afzonderlijke boomgroepen zich vergroot hebben tot
kleine bosschen, in welker nabijheid water te vinden is. In droge
streken vestigen zij zich in ’t geheel niet, van koelere gewesten zijn
zij minder afkeerig.
De Aloeate of Roode Brulaap (Mycetes seniculus) heeft een roodachtig
bruine, op het midden van den rug goudgele vacht; de haren zijn kort,
min of meer stijf en aan hun onderste gedeelte effen van kleur; het
wolhaar ontbreekt. De lengte bedraagt 1.35 M., waarvan trouwens 70 cM.
op den staart komen. Het wijfje is kleiner en donkerder van kleur.
Bij den Caraya of Zwarten Brulaap (Mycetes niger) is het haar
aanmerkelijk langer en eenkleurig zwart, slechts aan de zijden een
weinig roodachtig, bij het wijfje ook aan de onderzijde geelachtig.
Zijn lengte bedraagt ongeveer 1.3 M., waarvan de helft op den staart
komt. Dit dier komt alleen in Paraguay voor, de Aloeate echter in het
geheele oosten van Zuid-Amerika.
De Brulaap behoort tot die Amerikaansche dieren, waarmede de reizigers
reeds sedert den aanvang van het geschiedkundig tijdperk in dit
werelddeel bekend geworden zijn. De eerste berichten waren natuurlijk
zeer onvolledig en met vele fabels vermengd. Eenige van deze fabels
zijn ook nu nog in omloop onder de Indianen en de blanken, die de
genoemde Apen alleen van hooren zeggen kennen. Wij laten deze verhalen
achterwege en bepalen ons tot de mededeelingen van ervaren
onderzoekers.
„Na mijn aankomst”, zegt de door zijne uitmuntende beschrijvingen
bekende Schomburgk, „had ik bij het op- en ondergaan van de zon het
verschrikkelijk gehuil van de talrijke Brulapen uit het oerwoud tot mij
hooren komen, zonder dat het mij op mijne zwerftochten gelukt was, de
dieren zelf te vinden. Toen ik mij eens op een morgen met een
jachtgeweer gewapend naar het oerwoud begaf, klonk mij van daar opnieuw
een uit de verte komend woest gehuil tegemoet, dat mijn jachtlust sterk
aanwakkerde. Ik snelde daarom door dik en dun op het gebrul af, en
bereikte na veel inspanning en lang zoeken, zonder opgemerkt te worden,
het geraas makende gezelschap. Vóór mij op een hoogen boom zaten zij,
en voerden een allerverschrikkelijkst concert uit; het was alsof alle
wilde dieren van het woud daar bijeengekomen waren, om met elkander een
strijd op leven en dood te voeren. Om billijk te zijn, mag ik echter
niet verzwijgen, dat er tusschen de zangers een soort van
overeenstemming bestond. Soms zwegen alle leden van het over den
geheelen boom verspreide gezelschap, alle tegelijkertijd, en bleven in
rust, totdat even onverwacht een van de zangers zijn onwelluidende stem
opnieuw weerklinken liet, en het gehuil van voren af begon. Het op en
neer bewegen van de beenige trommel aan het tongbeen, die door zijn
resonance aan de stem zijn merkwaardige kracht verschaft, kan men
gedurende het schreeuwen duidelijk zien. In ’t eene oogenblik geleek
het geluid op het knorren van een varken, in ’t volgende kwam het
overeen met het brullen van den Jaguar, die zijn prooi bespringt, om
kort daarna over te gaan in het zware en verschrikkelijke gebrom, dat
hetzelfde Roofdier laat hooren als het, aan alle zijden omsingeld, het
hem dreigende gevaar inziet. Hoe onbehagelijk deze muziek ook was, toch
had het gezelschap, dat zich op deze wijze vermaakte, iets grappigs
over zich. Zelfs het gelaat van den sombersten menschenhater zou op
sommige oogenblikken sporen van een glimlach vertoond hebben, als hij
gezien had, hoe stijf en ernstig deze zwaar gebaarde concertgevers
elkander aankeken. Men had mij gezegd, dat iedere bende haar eigen
voorzanger heeft, wiens fijne, piepende stem een scherpe tegenstelling
vormt met het zware basgeluid der overige zangers, en die zich
bovendien door een veel slankere en fijnere gestalte onderscheidt. Ik
vond de eerste mededeeling bij deze bende volkomen bevestigd; maar de
fijnere en schralere gestalte zocht ik tevergeefs; in plaats van deze
bespeurde ik op een der naastbijstaande boomen twee zwijgende Apen, die
ik voor uitgezette schildwachten hield;—zoo zij dit waren, vervulden
zij hun plicht slecht genoeg; want onopgemerkt stond ik in hun
nabijheid.”
Deze levendige beschrijving bewijst ons voldoende, dat de Brulapen
hoogst eigenaardige wezens zijn. Zonder eenige overdrijving kan men
beweren, dat hun geheele handel en wandel een samenvoeging van allerlei
zonderlingheden is, en daardoor aan den waarnemer een ruim
onderzoekingsveld aanbiedt; terwijl men aan den anderen kant erkennen
moet, dat de Indianen te verontschuldigen zijn, als zij de Brulapen
wegens hun droefgeestig voorkomen en vervelend gezang minachten en
haten. Zelfs de lasteringen, waaraan zij zich schuldig maakten, zijn
verklaarbaar, als men bedenkt, dat de bedoelde dieren zoomin in vrijen
als in gevangen toestand iets aangenaams voor den toeschouwer
opleveren, en dat ook hun levenswijze geen tafereelen aanbiedt, waarin
hij behagen kan scheppen.
Over dag houden de Brulapen zich bij voorkeur op in de hoogste boomen
van het woud; bij ’t begin van de schemering trekken zij zich in het
dichte, met slingerplanten doorvlochten loover van de lage boomen terug
en gaan hier slapen. Langzaam, bijna kruipend klauteren zij van tak tot
tak, zoeken bladen en knoppen uit, die zij langzaam met de hand
afplukken en even langzaam naar den mond brengen. Als zij verzadigd
zijn, hurken zij neder op een tak en blijven hier bewegingloos zitten;
zij gelijken dan op stokoude, slapende aardmannetjes. Ook gaan zij wel
languit op den tak liggen, laten de vier ledematen naar beide zijden
stijf afhangen, en houden zich alleen met den grijpstaart vast. Wat de
eene Aap doet, wordt door den anderen langzaam en gedachteloos
nagedaan.
Weinige dieren zijn zoo geheel aan de boomen gebonden als de Brulapen.
Zij komen hoogst zelden op den grond, waarschijnlijk dan, als het hun
onmogelijk is te drinken op de gewone wijze, n.l. door te gaan hangen
aan de takken en slingerplanten, die het dichtst bij den oever groeien.
Humboldt zegt, dat zij niet in staat zijn om reizen of zelfs
wandelingen over den vlakken bodem te doen. De Indianen beweren, dat de
Brulapen menigmaal breede stroomen overtrekken. Rengger houdt dit
bericht voor een sprookje, dat den vreemdeling op de mouw wordt
gespeld. „Zij zijn,” zegt hij, „zoo bang voor het water, dat zij eerder
verhongeren zullen, dan pogingen aan te wenden om zwemmend een anderen
boom te bereiken, wanneer zij na een snelle rijzing van den waterstand
in den stroom door het hun antipathische element op een boom zijn
ingesloten. Zoo ontmoette ik eens zulk een bende Apen in een boom, die
aan alle zijden door ’t water omringd was; deze dieren waren uiterst
vermagerd en konden zich uit zwakte nauwelijks meer bewegen. Zij hadden
niet slechts alle bladen en jonge takken, maar zelfs een deel van den
schors van den boom verslonden. Om het naastbijgelegen woud te
bereiken, zouden zij slechts 18 à 20 M. ver hebben moeten zwemmen.”
Dezelfde natuuronderzoeker verzekert, dat hij nog nooit een Brulaap op
het vrije veld gezien, of zijn spoor ergens op den bodem aangetroffen
heeft.
Kappler zegt van den Rooden Brulaap in Guyana: „Hij leeft in kleine
troepen, die zelden uit meer dan tien individuën bestaan, waarbij zich
echter altijd een volwassen mannetje bevindt, dat op de boomen een
hoogere zitplaats inneemt dan de anderen; dit dier fungeert als
kapelmeester bij het afschuwelijk concert dat de Apen geven. Telkens
als ik in de gelegenheid was om de schreeuwers van zeer nabij na te
gaan, zat er een oud mannetje boven in den boom, dat zich met de
voorpooten vast hield en den langen grijpstaart om een tak geslingerd
had, terwijl de andere mannetjes met de wijfjes en de jongen in
verschillende houdingen iets lager zaten. Plotseling begon de oude met
een afgrijselijk rochelende stem „Rochoe, rochoe” te schreeuwen, en
liet, nadat hij dit vijf- of zesmaal achtereen gedaan had, hierop een
gebrul volgen, waarmede alle overigen zoo krachtig instemden, dat men
vreezen moest er doof van te zullen worden. Dit geluid is zoo sterk,
dat men het in stille nachten wel 2 uren ver (?) hooren kan. Toen
Pichegru en zijne gezellen van Cayenne naar Suriname vluchtten, joeg
het gebrul van de Tijgers hun veel schrik aan; blijkbaar is dit gebrul
niets anders geweest dan het geschreeuw van den Brulaap; stellig zal
iedereen, die dit geluid voor de eerste maal hoort, en niet weet, dat
het van onschadelijke Apen afkomstig is, er door met vrees vervuld
worden. Waarom deze dieren zoo schreeuwen, weet men niet. In de kolonie
gelooft men, dat zij het alleen doen, als de vloed komt opzetten; dit
is echter een dwaling, want men hoort het schreeuwen op elken tijd van
den dag. De Brulaap is traag en droefgeestig; hij springt alleen, als
hij vervolgd wordt; in alle andere gevallen klautert hij behoedzaam op
de boomen rond, terwijl hij zich met den staart vasthoudt. Jong
gevangen dieren worden zeer tam en gezellig; zij spelen wel met Katten
en Honden, maar zijn meestal treurig. Als de persoon, waaraan de
Brulaap zich gehecht heeft, voor eenigen tijd afwezig is, dan hoort men
den Aap aanhoudend rochelen en schreeuwen, hetwelk hoogst onaangenaam
is. Bovendien verbreidt hij een eigenaardigen walgelijken reuk, die zoo
sterk is, dat men de nabijheid van Brulapen in het woud gemakkelijk
door den reuk kan gewaar worden. Zij brengen slechts één jong ter
wereld. Hun voornaamste vijand is de „Kuif-Arend.”
Als men op Brulapen schiet, loopen zij zoo schielijk mogelijk weg;
zelfs ongewonde dieren laten soms gedurende hun vlucht uitwerpselen
vallen; dit is geregeld het geval bij zwaar gewonde dieren, die zich
niet meer redden kunnen, vooral als zij van den eenen boom op den
anderen willen overgaan, en in den hoogsten angst geraken. Een hoogst
vermakelijken indruk maakt het, te zien hoe een van de bijna half
volwassene jongen in den eersten schrik een van de oude mannetjes op
den rug springt, om spoediger voort te kunnen komen; maar door een
krachtige oorvijg van den vertoornden man onderricht wordt, dat het
bewijzen van dezen ongevraagden liefdedienst niet tot de plichten van
den familievader behoort.
Onze beste geweren kunnen trouwens niet concurreeren met de blaaspijp,
het vreeselijk en toch zoo eenvoudig wapen der Indianen. Daarom valt
het den Roodhuiden veel gemakkelijker dan ons, om Brulapen te dooden.
In weerwil van de onovertroffen behendigheid, waarmede zij hun wapen
weten te gebruiken, beklimmen zij, om zeker te zijn van hun schot, toch
gaarne een naburigen boom en zenden uit diens top het doodelijk
werptuig naar de argelooze bende.
In een groot deel van Paraguay wordt op de Brulapen ijverig jacht
gemaakt. Hun vel is als pelswerk gezocht en het vleesch wordt door de
Indianen gaarne gegeten.
Slechts zelden geeft men zich de moeite een Brulaap te temmen;
bovendien biedt de opvoeding van deze dieren eigenaardige moeilijkheden
aan. Rengger zag er slechts twee tam, die beide meer dan een jaar oud
waren. Zij werden met allerlei boombladen gevoederd, en gaven hieraan
de voorkeur boven ieder ander voedsel. Van verstand was bij hen weinig
te bespeuren: zij gaven niet veel meer om hun oppasser dan om
vreemdelingen en lieten zich niet tot iets africhten.—Van andere
getemde Brulapen verhaalt Von Wied, dat zij voor hun heer een
buitengewone genegenheid gevoelden, en dat zij jammerlijk begonnen te
schreeuwen, als deze zich slechts voor een oogenblik verwijderde. Hun
traagheid, droefgeestigheid en knorrigheid, benevens de knersende,
rochelende stem, die de jongen dikwijls laten hooren, maakt ze echter
voor iedereen, zelfs voor hun meester, onaangenaam en afkeerwekkend.
Een uiterst slank lichaam met lange, zeer schrale ledematen, kenmerkt
de Slingerapen (Ateles). De natuuronderzoeker, die ze het eerst
„Spin-Aap” noemde, heeft ze den naam gegeven, die het meest overeenkomt
met den indruk, dien zij wekken;—zelfs de leek komt onwillekeurig tot
zulk een vergelijking. Om de dieren duidelijk te omschrijven, willen
wij er alleen nog maar aan toevoegen, dat de kop zeer klein, het
aangezicht baardeloos, en de duim van de voorhand zeer kort en
gebrekkig ontwikkeld, bij sommige soorten zelfs in ’t geheel niet
zichtbaar is. A. Vosmaer (1768) zegt van den Slingeraap (Ateles
paniscus), die door hem Boschduivel wordt genoemd: „Eenige jaren
geleden zag ik dezen Aap voor de eerste maal te Amsterdam in de
diergaarde van den heer Bergmeier. Het was met een ketting en ring
vastgemaakt aan een lang gespannen koord, en wist zijn staart om dat
koord zoo vast te slaan, dat hij, zonder zich verder vast te houden,
daaraan hing, allerlei grimassen maakte en verwonderlijk slingerde.
Wanneer men hem den staart om de hand liet slaan, kneep hij daar zoo
vast mede, dat het zeer deed.”
Zuid-Amerika tot den 25en Z.-B.-graad is het vaderland van de
Slingerapen, de kroon van de hoogste boomen hun plaats van verblijf.