Als de Mantel-Bavianen stil zitten, laten zij hun stem niet hooren,

tenzij er iets gebeurt, wat hun aandacht trekt; zoodra zich echter het

een of ander voorwerp in de verte vertoont, b.v. menschen of een kudde

vee, laat een van de Apen zeer zonderlinge geluiden hooren, die nog het

meest gelijken op het geblaf van sommige Honden, en waarschijnlijk

niets anders ten doel hebben, dan den geheelen troep tot opmerkzaamheid

aan te sporen. Wanneer er echter gevaar te duchten is door de nadering

van een mensch of van een Roofdier, worden van allerlei leden van het

gezelschap de meest verschillende geluiden vernomen. Het best kan men

het mengelmoes van stemmen van een opgewondene Hamadryas-bende met het

knorren en krijschen van een talrijke kudde Zwijnen vergelijken.

Daartusschen verneemt men klanken, die soms herinneren aan het doffe

gebrul van den Luipaard, soms aan het zware gebrom van een stier, die

voor de veiligheid van zijn gezin bezorgd is. Het geheele gezelschap

brult, bromt, blaft, schreeuwt, knort en krijscht ordeloos dooreen.

Alle voor den strijd geschikte mannetjes begeven zich naar den rand van

de rots, en kijken oplettend naar beneden in het dal om het gevaar

nauwkeuriger te leeren kennen; de jongen zoeken bescherming bij de

ouderen; de kleinen gaan aan de borst van de moeder hangen, of klimmen

ook wel op haar rug; de geheele troep stelt zich in beweging, en snelt,

op alle vier loopend en springend, heen.

Voor de inboorlingen gevoelt de Hamadryas zoo goed als geen vrees. Hij

trekt, zonder zich te bekommeren om de bruine menschen, hen op korten

afstand voorbij, en drinkt met hen uit dezelfde beek. Een blanke

boezemt hem meer wantrouwen in; ofschoon het overdreven zou zijn te

beweren, dat de Apen hem schuw ontvluchten. Meer nog dan andere leden

hunner familie toonen onze Bavianen de bedachtzame bedaardheid van

iemand, die nooit naar een uitweg behoeft te zoeken, hoe nabij het

gevaar ook moge zijn. Hun gelatenheid wordt echter op een harde proef

gesteld, als zij Honden of, wat nog erger is, Luipaarden opmerken. Dan

beginnen de oude mannetjes vreeselijk te brullen en te brommen, laten

de tanden zien, en kijken met fonkelende oogen op de rustverstoorders

neer, blijkbaar bereid om hen gemeenschappelijk aan te vallen.

De eerste bende, die ik ontmoette, was bezig uit te rusten van de

morgenwandeling. Zij zat op den kant van een naar beide zijden tamelijk

steil afhellenden rotskam. Van verre reeds had ik de hooge gestalten

der mannetjes waargenomen; ik hield ze toen echter voor op den kam

liggende steenklompen, want hiermede hebben onze Apen, zoolang zij stil

zitten, een groote overeenkomst. Ik bemerkte mijn vergissing eerst,

toen ik een geblaf hoorde, dat ongeveer geleek op den schel

uitgeschreeuwden en eenige malen herhaalden klank „koek”. Alle

mannelijke Apen keken naar ons; de jongen echter speelden nog

onbezorgd; eenige wijfjes gaven hun lievelingsbedrijf nog niet op, maar

zochten nog ijverig in de vacht van een ouden heer naar ongedierte.

Waarschijnlijk zou het geheele gezelschap in deze onderzoekende houding

gebleven zijn, als wij niet twee flinke, op avonturen beluste Honden

bij ons hadden gehad: mooie, slanke Windhonden, gewoon om Hyaena’s uit

hun leger te verdrijven, en zelfs beproefd in den strijd tegen den hier

inheemschen Wolf. Toen zij het geschreeuw der Apen met geblaf

beantwoordden, kwam dadelijk de geheele bende in opstand.

Waarschijnlijk met de bedoeling om een nog veiliger verblijfplaats op

te zoeken, trokken de Apen langs den kam af, en verdwenen voor onze

blikken. Toch zagen wij tot onze verrassing bij de volgende ombuiging

van het dal dat geheele bende voor ons, ditmaal tegen een schijnbaar

loodrecht opstijgenden, zeer hoogen rotswand; op een mij thans nog

onverklaarbare wijze kleefden zij als ’t ware aan de rotsen en vormden

een lange reeks. Deze reeks kwam ons te aanlokkelijk voor, om haar

rustig te laten zitten. De jachtlust werd ons te machtig. Van het

medelijden, dat iederen jager bevangt, als hij kleine Apen jaagt of

jagen wil, gevoelden wij in dit geval geen zweem; wij zagen in de

Hamadryaden geen wezens, die op menschen gelijken, maar woedende,

grimmige roofdieren, die niet verdienden gespaard te worden en voor het

jachtvermaak in alle opzichten geschikt waren. Ongelukkig was de

rotswand zoo hoog, dat wij niet zeker konden zijn een van de dieren te

zullen treffen. Het ging echter niet aan, verder te trekken zonder de

rust van het gezelschap te verstoren. De knal van het eerste schot had

een onbeschrijfelijke uitwerking. Het werd door een razend gebrul,

gehuil, gebrom, geblaf en gekrijsch beantwoord, waarna de geheele stoet

in beweging geraakte, en over den rotswand verder golfde; dit

geschiedde met zulk een zekerheid van beweging, alsof het gezelschap

zich op den vlakken bodem bevond, hoewel wij niet konden begrijpen, hoe

het mogelijk kon zijn, daar vasten voet te krijgen. Een smalle lijst

werd, naar het schijnt, door de Apen als een hoogst gemakkelijken weg

beschouwd. Slechts op twee plaatsen bewoog de stoet zich langzamer en

voorzichtiger; op een van deze moest hij omstreeks 3 M. ver afdalen en

bijna evenveel weer omhoog klauteren. Wij losten ongeveer zes schoten;

het was ons echter onmogelijk goed te mikken, onder andere ook omdat

het schouwspel zoo verrassend was, dat wij de noodige kalmte niet

konden behouden. Toch waren onze kogels nog goed genoeg gericht om den

schrik der Apen tot ontsteltenis te doen toenemen. In de hoogste mate

comisch was het te zien, hoe de geheele bende na ieder schot zich

oogenblikkelijk aan de rots vastklemde, alsof het te vreezen was, dat

zij door den schok reeds in de diepte zou worden gestort. Naar het

scheen, werd geen hunner door onze kogels gekwetst. De schrik had hen

echter blijkbaar overmeesterd; het kwam ons voor, dat zij de

bedachtzaamheid, die hen gewoonlijk onderscheidt, geheel uit het oog

verloren. Toen wij de volgende kromming van het dal bereikten, zagen

wij den troep opnieuw, nu echter niet meer in de hoogte, maar op den

vlakken bodem; de Apen waren juist voornemens het dal over te steken om

op de hoogten aan den anderen kant een schuilplaats te zoeken. Een goed

deel van de bende was reeds aan de andere zijde aangekomen; de

hoofdmacht was echter nog achtergebleven. Toen onze Honden het golvende

gewemel zagen, waren zij een oogenblik als verbijsterd, maar snelden

onmiddellijk daarna onder luid geblaf op de bende toe. Dit gaf

aanleiding tot een tooneel, zooals ons nog nooit onder de oogen was

gekomen. Toen de Honden kwamen aanrennen, sprongen de oude mannetjes op

eens van de rotsen af in het dal, de vijanden tegemoet; in een oogwenk

waren de aanvallers omgeven door een kring van Apen: deze brulden

vreeselijk, sperden den met dreigende tanden gewapenden bek wijd open,

sloegen grimmig met de handen op den grond, en vestigden op hunne

tegenstanders zulke boosaardige, van woede fonkelende blikken, dat de

gewoonlijk zoo moedige en strijdlustige dieren geheel ontsteld

afdeinsden en vol angst bij ons bescherming wilden zoeken. Zooals van

zelf spreekt, hitsten wij ze opnieuw tot den strijd aan; het gelukte

ons, hun ijver weer aan te wakkeren. Er was echter in den tusschentijd

een verandering van tooneel gekomen; de Apen, die de overwinning

meenden behaald te hebben, waren de andere gevolgd.

Toen de Honden opnieuw op de Apen afkwamen, waren er nog maar weinige

op den bodem van het dal; daarbij bevond zich een jong van een half

jaar oud. Het schreeuwde luid, toen het de Honden zag naderen, vluchtte

ten spoedigste op een rotsblok, en werd hier door onze uitmuntende

bondgenooten volgens de regels van de kunst staande gehouden. Wij

vleiden ons reeds met de hoop, dezen Aap te zullen buit maken; het kwam

echter anders uit. Trotsch en vol waardigheid, zonder zich ook maar

eenigszins te haasten en zonder acht op ons te slaan, kwam van den

anderen kant een van de sterkste mannetjes naar omlaag; onbevreesd ging

het de Honden tegemoet, wierp hun als bliksemschichten zijne stekende

blikken toe, waardoor zij volkomen in bedwang werden gehouden, beklom

toen langzaam het rotsblok, waarop het jong zich bevond, liefkoosde

dit, en aanvaardde met de hulpbehoevende kleine den terugtocht, dicht

bij de Honden langs; deze waren zoo verbluft, dat zij den redder en

zijn beschermeling ongehinderd lieten trekken. De moedige daad van den

stamvader der bende boezemde ook ons eerbied in; geen van ons dacht er

aan, zijn ontvluchting te verhinderen, hoewel hij zich zoo dicht bij

ons bevond, dat wij hem zeker hadden kunnen treffen.

Op latere jachttochten leerde ik de Hamadryaden nog beter kennen, en

was toen in de gelegenheid de taaiheid van ’t leven dezer dieren te

bewonderen. Als de kogel hen niet onmiddellijk in het hart of in den

kop had geraakt, waren wij onzen jachtbuit geregeld kwijt. Zij snelden,

zelfs na een zware verwonding, nog zoo wakker voort, dat zij ons altijd

ontsnapten. Een lading hagel werkte in ’t geheel niets uit bij zulk een

Aap. Hij betastte even de gewonde plaats, wreef er met de hand

overheen, en vervolgde zijn weg, alsof er niets gebeurd was.

Sedert ik zelf deze dieren in vrijheid gezien heb, acht ik het in ’t

geheel niet onwaarschijnlijk meer, dat zij een mensch, die niet met een

geweer gewapend is, in ’t oogenblik van ’t grootste gevaar moedig te

gemoet gaan, en hem gezamenlijk aanvallen; in dit opzicht worden de

verhalen van de Arabieren en Abessyniërs trouwens bevestigd door de

onderling overeenstemmende mededeelingen van goede waarnemers zooals

Rüppell en Schimper. Persoonlijk heb ik dit wel is waar niet ervaren,

maar wel heb ik gezien, dat de Hamadryaden zelfs voor een gewapend

mensch slechts hoogst langzaam de wijk nemen, en dat zij daarbij op een

zeer veel beteekenende wijze de tanden laten zien. Schimper verzekerde

mij, dat de Hamadryas zonder schroom den mensch aanvalt niet alleen,

maar ook hem overwint en om ’t leven brengt. Naar men zegt, hebben oude

mannetjes herhaaldelijk zonder eenige aanleiding meisjes, die naar ’t

bosch gegaan waren om hout te sprokkelen, aangevallen en gedood. Ook

Rüppell bericht, dat deze afschuwelijke Aap onder de gevaarlijkste

tegenstanders van den mensch gerekend moet worden.

In de onmiddellijke nabijheid van den Hamadryas woont een tweede

Mantel-Baviaan, de Dsjelada van de Abessyniërs (Cynocephalus gelada).

Deze is de grootste van de geheele familie; hij is zelfs aanmerkelijk

grooter dan de Hamadryas, hoewel dit door den Duitschen reiziger

Rüppell, aan wien de eerste berichten over den Dsjelada te danken zijn,

ontkend wordt. Schimper, die meer dan 30 jaren in Abessynië doorbracht,

en Heuglin zeggen beiden, dat het bedoelde dier soms de grootte van een

mensch bereikt. Van den Hamadryas onderscheidt hij zich op den eersten

aanblik. De zeer dicht behaarde vacht, die zich op het achterste

gedeelte van den hals, in den nek en op den rug tot een mantel

verlengt, is zwartachtig bruin, vooral aan ’t aangezicht, aan de kin en

aan de keel; de mantel en de lange staartkwast zijn geelachtig bruin;

het haar op de keel, het voorste deel van den hals, de borst, het

midden van den buik en de voorarmen is bruinachtig zwart; het gelaat is

zwart. De beide kale plekken op het voorste deel van den hals en de

borst zijn driehoekig, en hebben gezamenlijk, daar zij met de toppen

naar elkander toegekeerd zijn, ongeveer den vorm van een zandlooper;

zij zijn omgeven door grijs en wit gespikkelde haren. Geheel anders dan

de Hamadryas, heeft de Dsjelada slechts zeer kleine eeltplekken, die

volkomen van elkander gescheiden en zwartachtig grijs van kleur zijn.

Niet zonder reden heeft men de beide afschuwelijkste Bavianen, die tot

dusver bekend geworden zijn, van de overigen leden van dit geslacht

afgescheiden, want in belangrijke opzichten verschillen zij van deze,

hoewel zij er door den bouw van den romp mede overeenstemmen. Bij de

twee soorten, die nu aan de beurt komen, is de kop, en meer

bepaaldelijk de schedel, onevenredig groot; de zeer kleine oogen staan

dicht bijeen; de rand van den oogkas verheft zich tot een soort van

lijst. Aan weerszijden van den neus bevindt zich een overlangsche

verhevenheid, die sterk opzwellen kan. De ledematen zijn zeer krachtig,

de staart is een kort, rechtopstaand stompje, de eeltplekken breiden

zich over het geheele achterste uit. Ook het haarkleed is eigenaardig:

aan het achterste gedeelte van den kop en in den nek is het eenigszins

verlengd; bovendien komt, althans bij de eene soort, een zeer levendig

gekleurde, spits toeloopende kinbaard voor. De beide bedoelde

Bavianen-soorten bewonen het westen van Afrika en komen reeds sedert

300 jaar niet zelden levend tot ons.

Wij noemden den Guereza de schoonste van alle Apen, met hetzelfde recht

kunnen wij den Mandril (Cynocephalus mormon) als den leelijksten

aanwijzen. Als hij oud geworden is, verdient hij in alle opzichten,

zoowel om zijne lichamelijke eigenschappen als wegens zijn gemoed, een

afschuwelijk beest genoemd te worden. Zijn lichaam is zeer krachtig,

men zou haast zeggen eenigszins plomp gebouwd; de kop is afzichtelijk

leelijk, het gebit werkelijk vreeswekkend, de beharing eigenaardig ruig

en borstelig; de kleur van de onbehaarde lichaamsdeelen is in den

hoogsten graad schel en afstootend. Ieder haar is zwart en olijfgroen

geringd, waardoor de beharing van de rugzijde een donkerbruine,

olijfgroen getinte kleur verkrijgt; de haren aan de borst zijn

geelachtig, die aan den buik witachtig, die van de zijden licht

bruinachtig; de kinbaard is hel citroengeel; achter het oor bevindt

zich een grijsachtig witte vlek. De handen en de ooren zijn zwart, de

neus en hare omgeving zijn vermiljoenrood, de opzwellingen langs de

wangen korenbloemen-blauw, de hierin voorkomende groeven zwart; de

eeltplekken en andere achterdeelen zijn rood en blauw. De oude

mannetjes bereiken een lengte van 1 M. en meer, bij ongeveer 60 cM.

hoogte in de schoften, het staartstompje daarentegen is weinig langer

dan 3 cM.

De Dril (Cynocephalus leucophaeus) is een weinig kleiner dan zijn

stamgenoot; de vacht is aan de bovendeelen olijfbruin, van onderen en

aan de binnenzijde witachtig, de wangbaard is vaal witachtig, het

aangezicht zwart; de handen en voeten zijn koperkleurig bruinachtig.

Het is opvallend genoeg, dat van het leven in vrijen toestand van deze

beide Apen, die reeds sedert zoovele jaren in gevangenschap zijn

waargenomen, niets zekers bekend is. Beide soorten zijn van de kust van

Guinea afkomstig, en worden hoofdzakelijk van de Goudkust naar Europa

vervoerd. Naar gezegd wordt, leven beide soorten tot troepen vereenigd

in bergachtige bosschen, deels op rotsen, deels op boomen; zij verlaten

echter niet zelden hunne gewone verblijfplaatsen om de nabijliggende

volksplantingen te bezoeken en hier naar hartelust te plunderen. Men

zegt ook, dat benden van deze dieren de dorpen overvallen en, bij

afwezigheid van de mannen, de vrouwen en kinderen mishandelen. Men

verhaalt, dat de inboorlingen den Mandril meer vreezen dan den Leeuw,

nooit een strijd met hem wagen, ja zelfs niet eens de bosschen durven

bezoeken, waarin deze Aap zich ophoudt, behalve wanneer de mannen in

grooten getale en met goede wapens voorzien, een echten kruistocht

tegen hunne vijanden ondernemen.

Een jonge Mandril is een allerliefst dier, dat op uitstekende wijze de

rol van komiek vervult te midden van een uitgelezen gezelschap van

stamgenooten in het apenhuis; hij is een liefhebber van potsen en dolle

streken van allerlei soort, met een onverstoorbaar goed humeur begaafd,

en in weerwil van zijn onverbeterlijke onbeschaamdheid geenszins

afkeerwekkend. Maar al te spoedig komt hierin verandering, veel vroeger

dan bij andere Bavianen; reeds na verloop van weinige jaren vertoont de

Mandril zich in al zijn afschuwelijkheid. De toorn van andere Apen is,

volgens de woorden van een Engelschen schrijver, „het zachte suizen van

den wind in vergelijking met de woede van den Mandril, die op een van

de ontzettende, alles vernielende orkanen, der keerkringslanden

gelijkt”. Zijn hartstochtelijkheid is grenzeloos. Als hij toornig

wordt, geraakt hij in een vreeselijken toestand van opgewondenheid,

vergeet alles om zich heen, en werpt zich als zinneloos op zijn vijand.

Een waarlijk duivelsche glans straalt dan uit de oogen van het wilde

beest, dat met demonische kracht en boosaardigheid begaafd schijnt te

zijn. Slechts één gedachte bezielt hem nu: hij wil zijn tegenstander

verscheuren, en alles wat hem verhindert dit te doen, uit den weg

ruimen. Hij bekommert zich niet in het minst om de zweep, zelfs niet om

het blanke wapen. Zijn aanval is geen bewijs van stoutmoedigheid meer,

maar van ware dolzinnigheid. De opzichters in een dierentuin hebben

geen dier meer te vreezen dan een woedenden Mandril. De Leeuw en de

Tijger zijn lammetjes bij hem vergeleken; zij schikken zich althans op

een verstandige wijze in de omstandigheden; de Hamadryaden en andere

Bavianen zijn nevens hem slechts kindertjes of stumpers.

Over de aard der Mandrillen, die Pechuel-Loesche jaren lang te

Tschintschotso op de Loango-kust heeft nagegaan, schrijft deze

onderzoeker het volgende: „Wij hielden drie Mandrillen op ons erf; zij

waren met touwen vastgemaakt aan staken, waarop hun woning stond; zij

ontvluchtten niet, wanneer zij zich nu en dan in volle vrijheid mochten

bewegen. Het waren echte Bavianen, vol list en sluwheid, ongemanierd,

uitgelaten, altijd zinnend op kattekwaad, en wel bewust, dat zij ons

met hunne handelingen vermaakten. Toch was bij alle drie een verschil

in karakter op te merken. Pavy, een mannetje, was zeer lieftallig,

vleiend en buitengewoon aan ons gehecht. Jack, een zwak wijfje, was een

volleerde humorist, maakte gekheid met alle menschen (met uitzondering

van vrouwen, daar zij aan dezen een hekel had), was echter niemand

bijzonder genegen. Isabella, een zeer sterk wijfje, dat reeds geheel

volwassen was, toen het ons geschonken werd, daar het wegens haar

boosaardigheid niet meer geduld kon worden in de factorij, waar het

vroeger gehuisvest was, viel woedend op alle menschen aan, die in haar

nabijheid kwamen, zonder op sekse, leeftijd of huidkleur te letten. Het

duurde lang, voordat zij—door een doelmatige, vriendelijke behandeling

tot kalmte gebracht—ons, Europeanen, althans niet meer als vijanden

beschouwde. Haar karakter was bedorven: zij liet zich al het goede

welgevallen, maar toonde geen erkentelijkheid er voor.”

„Pavy en Jack waren bijna zoo waakzaam als Honden. Op hunne hooge

huisjes gezeten, keken zij oplettend rond; ongewone verschijnselen in

de omgeving en het naderen van bezoekers kondigden zij altijd aan. Daar

wij voor hen, evenals voor de andere huisdieren, van onze uitstapjes

gaarne eenige zeer door hen gewaardeerde snoeperijen—lekkere vruchten,

zoete grashalmen, bladen, Kevers, Sprinkhanen, enz.—medebrachten,

hadden zij de gewoonte aangenomen, om onze terugkomst in spanning af te

wachten, en ons reeds op een afstand van eenige honderden schreden met

vroolijk kakelen en kraaien te begroeten, waarbij zij den kop op een

grappige wijze naar boven staken, of de meest gewaagde kunstsprongen

vertoonden. Zij deden dit nog veel meer, als wij hen aanriepen. Daar

ook de Zwarte Baviaan zijn eigenaardige redevoering begon te houden, en

de overige dieren (de Cimpanzees met hun oorverdoovend geschreeuw niet

uitgezonderd) eveneens drukte begonnen te maken, zoodra zij onze

stemmen vernamen, was het dikwijls, alsof ons geheele erf in opstand

kwam.

„Het was voor mij een geheel nieuw verschijnsel, dat de Bavianen zich

het een of ander levenloos voorwerp tot speelgoed uitkozen, en dit (op

gelijke wijze als de kinderen hunne poppen naar bed medenemen) in hunne

slaaphokken medevoerden en het hier ook overdag bewaarden. Zoo hield

Isabella gedurende langen tijd zeer veel van een klein, blank, blikken

doosje, Pavy van een krom stukje hout, dat hij onder de vroolijkste

kapriolen van den bodem in de lucht liet springen, door er met de hand

op te slaan. Eens vloog het te ver, zoodat Jack zich er meester van

maakte. Hierover ontbrandde tusschen de beide Apen een grimmige

vijandschap. Daar echter de lange lijnen waaraan de beide kampioenen

vast lagen, zoo ingericht waren, dat zij niet bij elkander konden

komen, schoot hun niets ander over, dan zoo dicht mogelijk bij elkander

te gaan staan, de woedendste grimassen te maken en onderling te kijven.

De plotseling uitgebarsten vijandschap bleef onverminderd voortduren,

nadat ik Pavy zijn houtje teruggegeven had. Later vermaakte hij zich

ook zeer lief met een geweerkogel. Jack daarentegen had een hartstocht

opgevat voor mijn insolatie-thermometer: als hij vrijgelaten werd, en

wist, dat men niet naar hem keek, sprong hij op dit voorwerp toe en nam

het weg. Hij had blijkbaar schik in het glinsteren van het glas, ging

er echter zoo zorgvuldig mede om, dat het instrument geen schade leed,

zelfs als hij het medegenomen had boven in een boom of op een dak, en

het hem afgevleid moest worden.”

Een der meest afwijkende soorten van het geheele geslacht en tevens een

der fraaiste Apen, is de Nilbandar, Schiabander, Wanderoe enz. van de

Indiërs, onze Zwarte Baard-Aap (Cynocephalus silenus). Hij is

gekenmerkt door den gedrongen lichaamsbouw, door een zwaren ringbaard,

die het geheele aangezicht omsluit, en door een middelmatig langen, in

een kwast eindigenden staart. De zeer dichte, langharige vacht is

glanzig zwart, aan de onderzijde licht bruinachtig grijs; de bij wijze

van manen verlengde ringbaard daarentegen is wit, gedurende de jeugd

grijsachtig; de handen en voeten zijn dof van kleur; de goedaardige

oogen hebben een bruin regenboogvlies. In volwassen toestand is deze

Aap iets minder dan 1 M. lang.

Over het vaderland van den Baard-Aap heeft men tot in den laatsten tijd

in dwaling verkeerd, daar men meestal Ceylon hiervoor gehouden heeft.

Volgens latere berichten is het dier niet op het genoemde eiland, maar

in Malabar inheemsch; hij bewoont hier uitsluitend de dichte bosschen

van hooggelegen gewesten en leeft in troepen van 12 à 20 stuks. Zijn

verbreidingsgebied strekt zich van ongeveer 14° N.B. tot aan Kaap

Comorin uit.

Wegens het in ’t oogloopend verschil tusschen de tropische gewesten van

het oostelijke en die van het westelijke halfrond, zou hij, die lust

tot reizen heeft, en wien het geluk ten deel valt, zijn reislust te

kunnen bevredigen, bij een bezoek aan Zuid-Amerika zich in een

tooverwereld verplaatst wanen, waar de bekoring van het nieuwe hem

geheel bevangt. De overweldigende rijkdom der natuur zou hem zelfs

allicht voor eenigen tijd de talrijke voorrechten van het oude

wereldhalfrond uit het oog doen verliezen. Met weinig dragen de

Zuid-Amerikaansche diervormen tot dezen indruk bij; ook die, welke nu

behandeld moeten worden—de Apen van de Nieuwe Wereld—, kunnen dit

gevoel wekken of versterken, daar zij in belangrijke opzichten afwijken

van de Smalneuzen, die in het oostelijk halfrond de orde der Apen

vertegenwoordigen.

Hoewel de Breedneuzen of Apen met breed neusmiddelschot (Platyrrhini)

zeer merkwaardige wezens zijn, kunnen zij echter niet, of althans

slechts bij uitzondering schoon genoemd worden; bijna alle zijn

onbeholpener, trager, droefgeestiger en geesteloozer dan de Apen van de

Oude Wereld; terecht noemt men ze veel onschuldiger, goedaardiger en

onschadelijker dan deze; maar juist daarom zijn het geen echte Apen.

Want deze zouden ons niet voldoen zonder hunne kenmerkende

eigenschappen, zonder hun vroolijkheid, dartelheid, overmoedigheid,

onbeschaamdheid, ja zelfs, zou ik er bij willen voegen, zonder hun

nutteloosheid. Wij zijn er nu eenmaal aan gewoon, in deze merkwaardige

wezens caricaturen van ons zelf te aanschouwen, en gevoelen ons

onbevredigd, als zij dit alleen naar het uitwendige en niet tevens naar

het inwendige zijn.

Alle Breedneuzen verschillen door den bouw van den stam en van de

ledematen, alsook door het tandenstelsel, van hunne verwanten in het

oostelijk halfrond. Hun lichaam is gewoonlijk rank; de ledematen zijn

slank; de staart ontbreekt nooit en wordt ook nooit geheel rudimentair;

daarentegen doet hij dikwijls dienst als een vijfde hand, daar hij aan

den top door krachtige spieren opgerold en derhalve als grijporgaan

gebruikt kan worden. De duim van de voorhanden kan niet zoo goed aan de

overige vingers tegenovergesteld worden als die van de achterhanden.

Het gebit bestaat niet uit 32 tanden, zooals bij de Menschen en bij de

Apen van de Oude Wereld, maar uit 36. Deze vermeerdering komt vanwege

het aantal valsche of kleine kiezen, waarvan er in elke kaakhelft (in

plaats van 2) 3 zijn. Wangzakken en eeltplekken aan het zitvlak komen

bij hen nooit voor. Het neusmiddelschot is breed. Geen enkel lid van

deze familie bereikt een voor de Apen aanzienlijke grootte, geen van

hen heeft een vooruitstekenden snuit. Hun kleur, hoewel bij

verschillende soorten zeer uiteenloopend, is nooit zoo bont als die van

vele Aziatische en Afrikaansche Apen.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 01: De Apen · 第 9 / 13 段