de Bavianen, door andere echter tot de Makaken gerekend. In vele
opzichten komt hij met de Echte Hondskop-Apen overeen, door zijne
gestalte echter verschilt hij er van, en dit heeft aanleiding gegeven
tot het genoemde verschil in meening der natuuronderzoekers. Men moet
hem beschouwen als een overgangsvorm, die de kenmerken van twee
diergroepen vereenigd vertoont, en tusschen deze beide het midden
schijnt te houden. Wie hem tot de Makaken wil rekenen, kan gelijk
hebben; wie hem bij de Hondskop-apen voegt, eveneens.
De Zwarte, Moor- of Kuifbaviaan (Cynopithecus niger) onderscheidt zich
van de overige Hondskop-apen door zijn korten staart en door den vorm
van den snuit, die breed, plat en kort is: een eigenaardig kenmerk van
dit dier is vooral te vinden in den neus, die niet, zooals bij de
Bavianen, over de bovenlip uitsteekt, maar vrij ver achter den
bovenlipsrand eindigt. Onze Aap wordt daarom beschouwd als de
vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht, dat der Honds-apen in
engeren zin (Cynopithecus). Het aangezicht en het zitvlak zijn naakt,
alle overige lichaamsdeelen echter bedekt met een lange en wollige
vacht, die op de ledematen korter is, maar zich op den kop tot een vrij
lange kuif verheft. Het haarkleed is, evenals de naakte, fluweelachtige
huid van het aangezicht, effen donker zwart. Het zitvlak is rood. De
Kuif-Baviaan is kleiner dan al zijne verwanten. Het lichaam is 65 cM.,
het staartstompje ternauwernood 3 cM. lang.
De Zwarte Hondsaap bewoont Celebes; hij komt er vrij talrijk voor. Over
zijne levenswijze in vrijen toestand zijn de berichten schaarsch.
In den laatsten tijd werd hij dikwijls naar Europa overgebracht, en
heeft er geruimen tijd in gevangenschap geleefd. Het exemplaar, dat ik
in den Amsterdamschen dierentuin zag, scheen zich zeer wel te bevinden.
Overdag werd hij geregeld bij de Meerkatten gebracht, die in het groote
Apenhuis de toeschouwers vermaakten. De overmoedige en heerschzuchtige
Zwarte Baviaan zou alle schroomvalligere Apen geplaagd hebben, indien
de vlugge Meerkatten hem niet te rechtertijd ontvloden waren. Met de
Makaken scheen hij op vrij goeden voet te staan, met een vrouwelijke
Baboeïn was hij zelfs zeer intiem; aan deze teedere dame bewees hij
allerlei attenties, en liet zich tot loon door haar gaarne zijn vacht
doorzoeken. Onze afbeelding (p. 34) is sprekend gelijkend. In de
nadenkende houding, die hij hier heeft, zit hij dikwijls uren
achtereen; waarschijnlijk beramen zijne hersenen dan het plan tot
nieuwe dolle of lichtzinnige streken.
Volgens Broekman is geen enkele Aap zoo goed als deze voor het
Apentheater geschikt. Hij leert gemakkelijk al spelend, onthoudt het
geleerde en „werkt” met ware liefhebberij. Wegens zijn zeldzaamheid en
den hoogen prijs, die voor hem betaald moet worden, ziet men hem niet
geregeld op de planken; bovendien houdt hij het er ongelukkig niet lang
uit.
Van de eigenlijke Bavianen, en meer bepaaldelijk van die, welke geen
haarmantel dragen, heb ik den Gewonen Baviaan of Baboeïn (Cynocephalus
babuin) het best leeren kennen, hoewel ik alleen de levenswijze van dit
dier in gevangenschap heb kunnen nagaan. Met den zooeven beschreven
stamgenoot of met de Mantel-Bavianen kan hij niet licht verward worden,
wel echter met andere Hondskop-apen, vooral met den in Zuid-Afrika
levende Tsjakma of Kaapschen Baviaan (C. porcarius) of met de
West-Afrikaansche Sphinx (C. sphinx, ook wel Bruine Baviaan genoemd),
die veel op hem gelijken. De gladharige, gelijkmatige vacht is aan de
rugzijde olijfgroenachtig geel: op ieder haar wisselen gele en
zwartachtige ringen met elkander af; de onderdeelen zijn lichter, de
wangen witachtig geel behaard. Het aangezicht en de ooren zijn
zwartachtig loodkleurig, de bovenste oogleden witachtig, de handen
bruinachtig grijs, de oogen lichtbruin. Volwassen mannetjes bereiken
bij 65 à 70 cM. hoogte in de schoften een totale lengte van 1.50 M.,
waarvan echter ongeveer een derde gedeelte op den betrekkelijk dunnen
staart valt. De Tsjakma is aanmerkelijk grooter, plomper gebouwd en
donkerder van kleur, de Sphinx eer kleiner, maar kennelijk krachtiger
ontwikkeld, haar snuit is korter, en onderscheidt zich zeer door een
vreemdsoortige verdikking der wangbeenderen; haar vacht, welker haren
zwartachtig grijze en roodachtige bruine ringen vertoonen, is niet
geelachtig bruin, maar roodachtig bruin met een oliegroene tint.
Daar de levenswijze en de gewoonten van deze drie Bavianen nagenoeg
geen verschil aanbieden, zal ik mij van nu af vooral tot den Gewonen
Baviaan bepalen.
Deze Aap bewoont nagenoeg dezelfde gewesten als de Hamadryas, maar
dringt verder in Centraal-Afrika door dan deze. In Abessinië, Kordofan
en andere Middel-Afrikaansche landen is hij inheemsch, en waar hij
voorkomt, vindt men hem in grooten getale. Volgens Böhm en Reichard is
hij ook in Duitsch Oost-Afrika algemeen, en strekt zijn
verbreidingsgebied zich nog ver ten zuidwesten van het Tanganjika-meer,
tot aan den bovenloop van den Loealaba, uit—tenzij men hier met een
verwisseling van twee soorten te doen heeft.
In zijne bewegingen en houding gelijkt de Baboeïn volkomen op de andere
Bavianen; door zijne geestesgaven onderscheidt hij zich echter in zijn
voordeel van hen. Het is een zeer schrander dier, dat zich, als het
jong gevangen is, zeer gemakkelijk aan den mensch gewent, zich zonder
moeite tot allerlei kunstverrichtingen laat dresseeren, en, ondanks
slechte behandeling, met groote trouw aan zijn meester hangt. Het
wijfje is zachtaardiger en lieftalliger dan het mannetje, dat dikwijls
kuren en onhebbelijkheden toont zelfs tegenover zijn meester, terwijl
het wijfje met dezen op een zeer vertrouwelijken voet verkeert.
De eerste Baboeïn, dien ik bezat, werd Perro genoemd. Het was een
aardige, vroolijke Aap, die reeds na 3 dagen geheel aan mij gewoon was
geraakt. Ik stelde hem als deurwachter aan, door hem vast te leggen aan
een plek boven onze tuindeur. Hier had hij zich spoedig een geschikt
plaatsje uitgekozen, van waar hij de deur op de zorgvuldigste wijze
bewaakte. Alleen wij en onze kennissen mochten binnengaan; aan
onbekenden werd standvastig de toegang ontzegd; daarbij stelde hij zich
zoo woest aan, dat hij altijd vastgehouden moest worden, tot de
bedoelde persoon binnengetreden was, dien hij anders als een dollen
Hond aangevlogen zou hebben. Bij elke opwinding toonde hij zich een
Baviaan van top tot teen, met alle gebruiken en gewoonten,
eigenschappen en onhebbelijkheden van de leden van dit geslacht, welker
gebaren over ’t geheel een zeer groote overeenstemming vertoonen. Als
hij toornig was, stak hij den staart omhoog, en, op de beide achterste
ledematen en één hand rustend, sloeg hij met de andere hand heftig op
den grond, zooals een woedend mensch op de tafel slaat, zonder evenwel
den vuist te ballen, gelijk deze doet. Zijne oogen fonkelden en
schitterden; hij liet een gillend geschreeuw hooren en schoot woedend
op zijn tegenstander toe. Niet zelden huichelde hij met onovertroffen
arglistigheid geheel andere gevoelens, nam een zeer vriendschappelijke
houding aan, smakte verscheidene malen snel achtereen, wat bij hem
altijd voor een vriendschapsbetuiging gold, en strekte vol verlangen de
handen uit naar den persoon, dien hij beetnemen wilde. Als deze hem ook
de hand toestak, greep hij die schielijk en trok zijn vijand naar zich
toe, om hem te krabben en te bijten. Hij leefde in vrede en vriendschap
met alle dieren, behalve met de Struisvogels, die wij hadden. Deze
droegen echter de schuld van de gespannen verhouding, die er tusschen
hen en onzen Aap bestond. Perro zat, als zijne portiersdiensten
onnoodig waren, gewoonlijk rustig op zijn muur, en hield zich een
stroomat als een parasol boven ’t hoofd, om zich tegen de verzengende
zonnestralen te beschutten. Intusschen lette hij niet bijzonder op zijn
langen staart, en liet dezen bij den muur naar beneden hangen. Nu moet
men weten, dat de Struisvogels de onhebbelijkheid hebben, om naar alles
wat niet spijkervast is, te happen. En zoo gebeurde het dan zeer
dikwijls, dat de een of andere van deze Vogels waggelend naderbij kwam,
zijn dommen kameelkop naar den apenstaart toeboog, en hierin den niets
kwaads vermoedenden Perro onverwachts een flinken beet toebracht. Den
stroomat wegwerpen, luid schreeuwen, den Struis met beide handen bij
den kop pakken en hem duchtig door elkander schudden, was het werk van
een oogenblik. Dikwijls duurde het wel een kwartier, voordat de Aap na
zulk een onverhoedschen aanval van zijn gemoedsaandoening bekomen was.
Het was dus niet te verwonderen, dat Perro den Struis, telkens als hij
hem raken kon, een slag of een stomp gaf.
Al onze Bavianen waren, evenals de inboorlingen, hartstochtelijke
liefhebbers van merisa, een soort van bier, dat de Soedanezen uit hun
doerrha- of dochankoorn weten te bereiden. Dikwijls gingen zij zich aan
dezen drank te buiten, en bewezen mij daardoor, dat de Soedanezen mij
de waarheid hadden verteld, toen zij mij mededeelden, op welke wijze
zij gewoon zijn Bavianen te vangen. In geheel Afrika geldt het voor een
bekende zaak, dat de Bavianen dol veel houden van alcoholische dranken
en zich zeer gaarne een roes drinken. Men zet daarom potten met zulke
dranken voor hen neer, en als de Apen dronken geworden zijn, maakt men
zich van hen meester.—De Bavianen hielden ook wel van rooden wijn, maar
lieten den brandewijn steeds staan. Eens goten wij hun met geweld een
glaasje brandewijn in de keel. De gevolgen waren weldra zichtbaar, daar
de dieren vooraf reeds volop merisa hadden gedronken. Zij werden
volslagen dronken, trokken allerafschuwelijkste gezichten, werden
overmoedig, hartstochtelijk, dierlijk, kortom zij leverden een
afschrikwekkende carricatuur van dronken menschen. Den volgenden morgen
vertoonden zich bij hen alle verschijnselen van katterigheid.
Met de andere levende dieren, die ik destijds bezat, verdroegen zij
zich zeer goed. Een tamme Leeuwin boezemde wel aan de Meerkatten groote
vrees in, niet echter aan de moedige Hondskop-apen. Zij vluchtten ook
wel, als het gevreesde dier naderde, hielden echter dapper stand,
zoodra de Leeuwin werkelijk een poging deed om een Baviaan aan te
vallen. Hetzelfde heb ik later telkens weer opgemerkt. Mijne tamme
Bavianen gingen b.v. aan den loop, als ik Jachthonden op hen aanhitste,
dreven ze echter oogenblikkelijk op de vlucht, als een van de Honden
het in ernst waagde, hen aan te pakken. De vluchtende Aap sprong dan
onder vreeselijk gebrul bliksemsnel achteruit, greep den Hond met
ongelooflijke behendigheid vast, sloeg hem op den kop, beet en krabde
hem zoo erg, dat zijn tegenstander totaal verbluft en gewoonlijk
droevig huilend, zich uit de voeten maakte. Des te grappiger was hun
alle perken te buiten gaande vrees voor Kruipende Dieren en Amphibiën
van allerlei soort. Een onschuldige Hagedis, een onnoozele Kikvorsch
brachten hen in den vollen zin van ’t woord tot wanhoop! Zij werden
letterlijk razend, trachtten een hoog gelegen plaats te bereiken, en
klemden zich krampachtig vast aan balken en muren, zoover hun touw dit
toeliet. Toch waren zij zoo nieuwsgierig, dat zij het nooit laten
konden, de voor hen zoo verschrikkelijke dieren van nabij te bekijken.
Ik bracht onder anderen meermalen vergiftige Slangen in blikken doozen
mede. Zij wisten uit ervaring, welke gevaarlijke wezens er in deze
doozen waren, konden echter geen weerstand bieden aan de begeerte om de
geslotene gevangenissen der Slangen open te maken, en verlustigden zich
dan als ’t ware in hun eigen ontsteltenis.
Een van deze dieren nam ik mede naar mijn woonplaats in Duitschland.
Het onderscheidde zich door merkwaardige verstandelijke ontwikkeling,
maar voerde ook vele looze en dolle streken uit. Onze Huishond had
jaren lang als dwingeland den hof beheerscht, en was op zijn ouden dag
zoo brommig geworden, dat hij eigenlijk met geen enkel schepsel in
vrede leefde, en, als hij boos was, of gestraft zou worden, zelfs naar
zijn eigen meester beet. In Atila, zoo heette onze Baviaan, vond hij
echter een tegenstander, die tegen hem opgewassen was niet alleen, maar
zelfs baas over hem wist te worden. Atila schiep er behagen in, den
Hond op allerlei wijzen te kwellen. Als deze buiten in den hof zijn
middagslaapje hield, en zich zoo gemakkelijk mogelijk op het groene
gras had uitgestrekt, sloop de plaagzieke Apin zachtjes naar hem toe,
zag met welgevallen, dat hij vast sliep, vatte hem voorzichtig bij den
staart en wekte hem uit zijne droomen door een plotselingen ruk aan dit
eerwaardig aanhangsel. Woedend sprong de Hond overeind, en schoot
blaffend en knorrend op de Apin toe. Deze nam de meest uitdagende
houding aan, klopte met de eene hand herhaaldelijk op den grond, en
wachtte onbezorgd haar verbitterden vijand af. Deze kon tot zijn
grenzenlooze ergernis nooit bij haar komen. Zoodra hij namelijk naar
haar hapte, wipte zij met één sprong over den Hond heen, en had hem in
’t volgende oogenblik weer bij den staart beet. Het is te begrijpen,
dat de Hond door zulke beleedigingen ten slotte letterlijk razend werd,
en werkelijk schuimbekte van woede. Het baatte hem echter niets; hij
moest eindelijk steeds met den staart tusschen de pooten het veld
ruimen.
Buitengewoon groot was haar scherpzinnigheid. Meesterlijk verstond zij
de kunst van stelen; zij maakte deuren open en dicht, en was bijzonder
knap in ’t losmaken van knoopen, wanneer zij meende hierdoor iets, wat
dan ook, meester te kunnen worden. Doozen en kisten opende zij
eveneens, en plunderde ze daarna altijd schoon leeg. Wij plachten haar
dikwijls verschrikt te maken door een hoopje kruit vóór haar op den
grond te strooien, en dit dan met zwam aan te steken. Gewoonlijk begon
zij hard te schreeuwen, zoodra het kruit in brand vloog, en deed een
zijsprong, zoover als haar touw dit toeliet. Toch liet zij zich een
dergelijke bangmakerij slechts eenige malen welgevallen. Later was zij
loos genoeg om het glimmende zwam met de handen uit te knijpen, en zoo
het ontbranden van het kruit te voorkomen! Dan vrat zij in den regel
het kruit op, waarschijnlijk, omdat de salpetersmaak haar aanstond.
Haar genegenheid voor mij ging alle grenzen te buiten. Wat ik ook deed,
haar gehechtheid aan mij verloochende zich niet. Naar het scheen, hield
zij mij altijd voor volkomen onschuldig aan al het leed, dat haar
wedervoer. Als ik haar kastijden moest, werd zij nooit woedend op mij,
maar altijd op hen, die toevallig aanwezig waren, waarschijnlijk, omdat
zij meende, dat deze schuld hadden aan de afstraffing, die zij
ondergaan had. Mij gaf zij in alle omstandigheden de voorkeur boven al
hare kennissen: als ik naderde, werd zij oogenblikkelijk een vijand van
ieder, dien zij zooeven nog geliefkoosd had.
Door vriendelijke woorden gevoelde zij zich zeer gevleid; gelach bracht
haar uit haar humeur, vooral als zij bemerkte, dat het haar gold.
Telkens als wij haar riepen, antwoordde zij; ook kwam zij bij mij,
zoodra ik dit wenschte. Ik kon verre wandelingen met haar maken, zonder
haar aan een touw te houden. Zij volgde mij als een Hond, hoewel zij
naar eigen verkiezing links en rechts van den weg afweek.
De reeds meermalen genoemde Baviaan, die zoowel wegens zijn gestalte
als wegens zijn uitmuntend verstand, en misschien ook op grond van
minder beminnelijke eigenschappen, bij de oude Egyptenaren een groote
rol speelde, is de Hamadryas of Mantel-Baviaan (Cynocephalus
hamadryas). Hoe het komt, dat hem de eer te beurt gevallen is, naar een
oud-grieksche boom-nymf genoemd te worden, weet ik niet; in zijne
gestalte en in zijn wezen ligt waarlijk niets van „das ewig Weibliche,
das uns hinanzieht”. Van de volken der oudheid heeft hij dezen naam
niet gekregen. Herodotus, Plutarchus en Plinius noemen hem
Cynocephalus, bij Strabo heet hij Cebus, bij Juvenalis Cercopithecus,
bij Agatharchides Sphinx. Bij de hedendaagsche Abessiniërs is Hebe, bij
de Arabieren Robah en in Egypte eindelijk Khird de naam, waaronder hij
bekend is. Bij al die namen is er geen, die aan de een of andere nymf
herinnert, tenzij men „sphinx” als zulk een naam aanmerken wil.
Van de vereering, die den Hamadryas van wege de oude Egyptenaars ten
deel viel, heeft Duméril ons op de hoogte gebracht. Op de Egyptische
oudheden wordt onze Baviaan als ’t ware als opperhoofd van zijn
geslacht aangeduid. Het heilige hiëroglyphen-schrift bevat dikwijls
afbeeldingen van Apen; alleen de Hamadryas, en dan nog wel steeds het
oude mannetje komt er in voor, gezeten op het altaar, de eerbewijzen
der menschen ontvangend. Herhaaldelijk ziet men hem ook afgebeeld als
rechter, die over de goede werken en misdrijven der menschen oordeelt;
hij heeft een weegschaal voor zich, en beschouwt met ernstigen blik den
stand der schalen. Een hooge achting voor de godheid, welker zinnebeeld
hij was, spreekt uit alle oud-Egyptische afbeeldingen. Waarschijnlijk
had de vereering van den Hamadryas en die van den Krokodil denzelfden
grondslag: zij vloeide voort uit vrees; want toen reeds waren er
menschen, die hun God vreesden, in plaats van hem lief te hebben.
Merkwaardig is het, dat niet alleen de Egyptenaars aan dezen Aap
achting betoonden, maar dat ook bij andere volken een dergelijk gevoel
wordt waargenomen. Alle bewoners van de steppen van Centraal-Afrika en
ook een groot deel van de Abessiniërs dragen hun haar precies op
dezelfde wijze gekamd en gescheiden als de Hamadryas; hij heeft
klaarblijkelijk deze menschen als model gediend, al hebben zij ook meer
het afgebeelde dan het levende dier voor oogen gehad. In den
tegenwoordigen tijd wordt den Hamadryas in deze landen geen eer meer
bewezen. De schade die hij aanricht, is te groot, dan dat hij zich de
vriendschap van den mensch zou hebben verworven.
In onzen tijd vindt men dit dier in Egypte nergens meer in ’t wild.
Prosper Alpinus, die in ’t jaar 1580 in Egypte was, zegt uitdrukkelijk,
dat daar geen Apen gevonden worden, maar dat deze uit Arabië worden
ingevoerd. „Zij zijn zoo talentvol,” zegt hij verder, „dat men hun het
verstand niet ontzeggen kan. De dierentemmers leeren hun zeer
gemakkelijk wat zij willen, soms hoogst vernuftige spelen, waarmede zij
de toeschouwers vermaken. Zulke afgerichte Apen ziet men dikwijls in
Kaïro, Alexandrië en op andere plaatsen.”—Ik ontmoette den
Mantel-Baviaan gedurende mijn eerste reis in Afrika nergens in wilden
staat, des te vaker overkwam mij dit echter gedurende mijn, ongelukkig
maar zeer kort, uitstapje naar Abessinië in de lente van 1862; ik kan
dus op grond van eigen ervaring over hem spreken.
De Hamadryaden bewonen in vrij groot aantal het geheele kustgebied van
Abessinië en Zuid-Nubië, noordwaarts zoover er regen valt. Hoe rijker
aan planten de bergstreken zijn, des te beter bevallen zij hun. De
nabijheid van water is een noodzakelijke voorwaarde voor het welzijn
van een apenbende. Soms begeven de gezelschappen van Apen zich van de
hoogere bergen naar de lagere heuvelrijen van de Samchara (de
woestijnstrook langs de zeekust); de meeste echter blijven altijd in
het hooge gebergte. Hier bewoont elke bende een gebied van misschien 1½
à 2 mijlen middellijn. Kleine gezelschappen ontmoet men veel zeldzamer
dan groote. Een enkele maal zag ik een troep van 15 à 20 stuks,
overigens echter altijd benden, die volgens de laagste schatting uit
150 exemplaren bestonden. Daarbij zijn dan ongeveer 10 à 15 geheel
volwassen mannetjes (echte monsters van aanzienlijke grootte en met een
gebit, dat door de sterkte en lengte der tanden veel meer indruk maakt
dan dat van den Luipaard) en omstreeks dubbel zooveel volwassene
wijfjes. De andere zijn jongen en halfvolwassen. De oude mannetjes
onderscheiden zich door hun geweldige grootte en den langen haarmantel;
bij een door mij geschoten mannetje van middelbaren leeftijd waren de
mantelharen 27 cM. lang; de wijfjes zijn korter behaard en donkerder,
n.l. olijfbruin, van kleur; de jongen gelijken op de moeder. Onze
afbeelding ontslaat mij van de moeite een beschrijving te geven van de
haren op den kop van den Hamadryas, welker zonderlinge stand bij de
Afrikanen zoo grooten bijval vond; van de kleur moet ik echter
opmerken, dat ieder afzonderlijk haar afwisselend groenachtig bruin en
geelachtig geringd is; hierdoor wordt het zeer moeilijk den totalen
indruk van de kleur van het haarkleed te beschrijven: het meest gelijkt
het op verdord gras. De zijden van den kop en de achterpooten zijn
altijd lichter van kleur, meestal aschgrauw. Het zitvlak is vuurrood,
het onbehaarde gelaat vuil vleeschkleurig. Hoe ouder de mannetjes
worden, des te lichter wordt de kleur van hun mantel. Het komt mij
echter waarschijnlijk voor, dat er minstens twee verschillende soorten
van deze Bavianen zijn: een kleinere, met aschgrauwen mantel, die Azië
bewoont, en een aanmerkelijk grootere, Afrikaansche soort, bij welke de
kleur van den mantel tot in den hoogsten ouderdom nog altijd
groenachtig blauwgrijs is. Onze afbeelding stelt de eerstbedoelde soort
voor. De lengte van het volwassen mannetje bedraagt 0.9 à 1 M., waarvan
20 à 25 cM. op den in een kwast eindigenden staart komen; de hoogte van
de schoften bedraagt 50 cM.
In den vroegen morgen en als het weder regenachtig is, vindt men de
geheele bende op hare slaapplaats, n.l. in groote en kleine holen van
onbeklimbare rotswanden en op rotsterrassen, die door overhangende
steenmassa’s gedekt zijn. De Apen zitten hier zoo dicht mogelijk
bijeengehurkt; de jongere en zwakkere leden van het gezelschap vleien
zich tegen het lichaam van hun moeder en ook wel van hun vader aan. Bij
goed weder verlaten de Apen hunne slaapplaatsen in den loop van den
voormiddag, om langzaam en op hun gemak een wandeling over de rotsen te
doen; hier en daar trekken zij een plant uit, waarvan de wortel, naar
het schijnt, hun voornaamste voedsel uitmaakt; iedere niet al te groote
steen wordt omgewenteld, omdat de hieronder verborgen Insecten, Slakken
en Wormen als buitengewone lekkernijen worden beschouwd. Na het
nuttigen van dit ontbijt klauteren allen naar de hooge kammen van het
gebergte. De mannetjes gaan hier ernstig en vol waardigheid met den rug
naar den wind gekeerd op de steenen zitten; de wijfjes houden toezicht
op de onverpoosd stoeiende en spelende jongen, en bewegen zich te
midden van deze. In de late namiddaguren begeeft de troep zich naar het
naastbij gelegen water om daar te drinken; vervolgens gaan de Apen
nogmaals voedsel zoeken, waarna zij een geschikte slaapplaats
uitkiezen. Als deze bijzonder gunstig gelegen is, ziet men de Bavianen
iederen dag tegen den avond er heentrekken, natuurlijk slechts zoolang
zij zich hier veilig achten, en niet, als zij er herhaaldelijk
vervolgingen hebben te verduren. Gunstig gelegen achten zij hun
woonplaats ook, wanneer er in de nabijheid doerra-akkers voorkomen. De
eigenaars van deze akkers mogen ze wel zorgvuldig bewaken, om er nog
van te kunnen oogsten; daar zij iederen dag een bezoek hebben te
duchten van de brutale roovers die op de rotsen verblijf houden; deze
vernielen nog meer dan zij opeten, zoodat dikwijls de geheele oogst
verloren gaat.