De Markat bereikt een lengte van 50 à 60 cM., en heeft een staart van

ongeveer 25 cM. Zijne gestalte is krachtig en gedrongen. Zijn vacht is

van boven groenachtig of vaal grijs, met een geelachtigen weerschijn

aan de dijen en het zitvlak; de buikzijde is wit, de staart van boven

groenachtig van onderen grijsachtig. Het aangezicht, de ooren en de

handen zijn licht koperkleurig, de eeltplekken helder rood van kleur.

Het wijfje laat den staart gewoonlijk hangen, het mannetje draagt hem

boogvormig naar beneden en naar binnen gekromd.

Nauw verwant aan den Markat, maar met een nog korteren staart voorzien,

is de Bangoer (Macacus erythraeus) die op de Oost-Indische eilanden

leeft. Een nog korteren staart heeft de eveneens daar voorkomende

Laponder-aap (Macacus nemestrinus), die door de Maleiers wel voor het

plukken van kokosnooten wordt afgericht.

In zekeren zin is de Magot of Staartlooze Aap (Inuus ecaudatus), ook

wel Turksche, Barbarijnsche en Gewone Aap genoemd, de belangrijkste van

alle Makaken. Hij is de eenige Aap, die in Europa in ’t wild levend

aangetroffen wordt. Op grond van ’t ontbreken van den staart heeft men

hem als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd.

Bovendien is hij gekenmerkt door een schralen lichaamsbouw en de

slankheid van zijne lange ledematen, als ook door een vrij overvloedige

beharing, die aan de onderzijde van het lichaam minder dicht is, en

door een dichten wangbaard. Het gerimpelde gelaat is vleeschkleurig,

evenals de ooren, handen en voeten; de eeltplekken zijn lichtrood; de

vacht is roodachtig olijfkleurig. De ledematen hebben aan de onder- en

binnenzijde een lichtere, meer grijs-geelachtige of witachtige kleur.

Bij een lichaamslengte van omstreeks 75 cM. is de schouderhoogte 45 à

60 cM.

Zonder eenigen twijfel hebben reeds de oude Grieken dezen Aap gekend en

hem Pithecus genoemd; hij was de eerste Aap, die in Europa vertoond

werd. Plinius zegt van hem, dat hij alles nabootst, het bordspel leert,

een met was geschilderd beeld onderscheiden kan, graag heeft, dat men

zich met hem bemoeit, zich in de gevangenschap voortplant enz.

Het vaderland van den Magot is het noordwesten van Afrika, Marokko,

Algerië en Tunis. Voorzoover wij weten, leeft hij daar in groote

gezelschappen, die onder de leiding van een oud ervaren mannetje staan.

Hij is zeer verstandig, listig en schrander, vlug, behendig en

krachtig; in geval van nood weet hij zich met zijn voortreffelijk gebit

uitmuntend te verdedigen. Bij elke hartstochtelijke aandoening vertrekt

hij het gelaat erger dan eenige andere Aap, beweegt intusschen de

lippen in alle richtingen en klappert ook wel met de tanden. Slechts

wanneer hij bevreesd is, laat hij een luid, kort geschreeuw hooren.

Verlangen, vreugde, afschuw, ontevredenheid en toorn geeft hij door

grimassen en tandengeklapper te kennen. Als hij toornig is, beweegt hij

zijn met diepe rimpels doorploegde voorhoofdshuid schielijk op en neer,

steekt den snuit vooruit en trekt de lippen samen, zoodat de mond een

kleine, cirkelronde opening vormt. In vrijen toestand leeft hij in

bergachtige streken, op rotsen; hij weet zich echter ook op boomen te

redden. Naar men zegt, eet hij, evenals de Bavianen, vele Insecten en

Wormen; daarom wentelt hij gedurig steenen om, en laat ze wel eens van

de hellingen afrollen. Op steile rotswanden wordt hij hierdoor niet

zelden gevaarlijk. Men beweert, dat Scorpioenen zijn lievelingsvoedsel

vormen; hij weet hun den vergiftigen angel behendig uit te rukken, en

eet ze met grooten smaak op. Hij is echter ook tevreden met kleine

Insecten en Wormen; hoe kleiner zijn buit is, des te ijveriger moet hij

jagen, en des te gulziger verslindt hij de gevangene dieren. Het door

hem opgespoord Insect wordt zorgvuldig aangevat, voor de oogen

gehouden, met een gezichtsverdraaiing die tevredenheid verraadt,

verwelkomd en dadelijk opgevreten.

De Magot is de eenige Aap, die tegenwoordig nog wild in Europa gevonden

wordt. Ongelukkig kon ik gedurende mijn verblijf in het zuiden van

Spanje (in 1856) over de Apenbende, die de rotsen van Gibraltar

bewoont, geen nauwkeurige en uitvoerige berichten verkrijgen: Men

verhaalde mij, dat dit gezelschap nog altijd vrij talrijk is, maar niet

zeer vaak gezien wordt. Van de vesting keek men dikwijls met

verrekijkers naar de dieren; men zag ze, om voedsel te zoeken, steenen

omwentelen, zoodat deze van den berg afrolden. In de tuinen kwamen zij,

naar mij gezegd werd, zelden. Ook de Spanjaarden konden mij niet

mededeelen, of deze dieren werkelijk als Europeanen beschouwd moeten

worden, of uit Afrika overgebracht waren. Volgens A. G. Smith, die op

de plaats zelf gegevens verzamelde, werd het aanwezig zijn van deze

dieren in Europa dikwijls in twijfel getrokken, door sommigen zelfs als

een dwaas sprookje beschouwd, o.a. door een scheepskapitein, die

dikwijls te Gibraltar kwam. Smith verzekert dan ook, dat hij bijna alle

geloof er aan verloren had. Hij kwam echter tot andere denkbeelden,

toen hij den vlaggestok op den top van den berg bezocht, om zich te

verlustigen in het heerlijke uitzicht, dat men vandaar in alle

richtingen heeft. Toevallig vernam hij van den vlaggewachter, dat „de

Apen bezig waren rond te trekken”. Nu begon onze zegsman met zorg

berichten te verzamelen, en een verslag op te maken, waaraan het

volgende ontleend is:

„Op deze rots hebben de Apen sedert onheuglijke tijden post gevat;

wanneer, en hoe zij over de zee gekomen zijn, is echter niet

gemakkelijk uit te maken; de Moorsche sage, dat zij ook nu nog door een

onderaardschen gang, onder de zeeëngte door, heen en weergaan tusschen

Gibraltar en Marokko, luidt toch wel wat al te onwaarschijnlijk. Met

zekerheid kan men alleen dit zeggen, dat zij er zijn, hoewel hun aantal

aanmerkelijk verminderd is, zoodat gedurende eenige jaren het geheele

gezelschap uit vier exemplaren bestond. Men ziet ze zelden; zoodra

echter de wind omdraait, veranderen ook zij gewoonlijk van

verblijfplaats. Weekelijk en gevoelig als zij zijn, schuwen zij elke

plotselinge weersverandering, vooral het omslaan van den wind van het

westen naar het oosten, of omgekeerd; zij trachten zich daartegen te

beveiligen, door achter de rotsen weg te kruipen. Zij zijn zeer

bewegelijk, en kiezen tot woningen het liefst steile afgronden, waar

zij in ’t ongestoorde bezit zijn van vele holen en gaten in de losse

steenmassa. Het kost hun, naar ’t schijnt, niet veel moeite, voedsel te

vinden; want zij zien er zeer welgedaan uit. Men houdt ze gewoonlijk

voor buitengewoon schuw, en zegt, dat zij bij het geringste gedruisch

vluchten; mijn berichtgever ontkent dit echter, en toonde mij tot

bewijs voor zijn bewering eenige rotsen, van waar zij hem op

dienzelfden morgen hadden aangestaard, zonder vrees te toonen voor zijn

kleurigen Engelschen uniform of voor zijn onderofficiersblik. Vrij

langen tijd bleven zij staan op een afstand van 30 à 40 M. van de

borstwering, waartegen hij leunde, en trokken zich ten slotte dood op

hun gemak terug. Dat men ze zoo zelden ziet, bijna alleen gedurende hun

„omtocht” naar de tegenovergestelde zijde van de rots, schijnt te

wijzen op een zeer schuwen, ongezelligen aard: want niemand vervolgt

ze; veeleer behoedt men ze angstvallig voor alles wat hun lastig kan

zijn.”

Een jaar later meldt Posselt van dezelfde Apen: „Gedurende de overvaart

van Cadiz naar Gibraltar, had een te Gibraltar wonende Engelschman mij

op mijne vragen naar de Apen geantwoord, dat er geen meer waren. In de

stad verzekerde men mij het tegendeel; hun aantal werd echter

verschillend aangegeven (3 à 15); de reden van deze onzekerheid is

waarschijnlijk te zoeken in de levenswijze dezer dieren; zij houden

zich in de steilste en ontoegankelijkste gedeelten van de rotsen op, en

zijn zeer schuw. Zonder gids begaf ik mij op weg, ging langzaam langs

het gemakkelijkste pad omhoog, doch week op ongeveer twee derde van de

hoogte naar links af van den hoofdweg, die naar het signaalstation

leidt, en begaf mij naar den hoogsten, noordelijken top van de rots.

Het heerlijke panorama, dat zich onder mij uitbreidde, boeide mij

zoozeer, dat ik de Apen reeds geheel vergeten had, toen plotseling bij

de laatste bocht van den weg mijn aandacht getrokken werd door een

eigenaardig schel geluid, dat ik in ’t eerst voor ’t blaffen van een

Hond in de verte hield. Op ongeveer 200 schreden afstand voor mij, lag

de eerste batterij met hare dreigend naar Spanje gerichte, ijzeren

kanonnen. Op de gemetselde borstwering van deze batterij liep een dier

van de grootte van een Schotschen Dashond, dat zich langzaam van mij

verwijderde, en van dit dier kwam het gehoorde geluid. Ik bleef staan,

en zag nu, dat het een van de Apen was, waarschijnlijk die, welke de

wacht moest houden. Aan het einde van den muur, nader bij de

Middellandsche zee, lagen twee andere Apen behaaglijk in den

zonneschijn uitgestrekt. Langzaam, voetje voor voetje, naderde ik het

merkwaardig gezelschap, welks leden nu dicht bij elkander waren gaan

staan, en mij opmerkzaam aanzagen. Op een afstand van ongeveer 100

schreden stond ik stil, en keek naar de dieren, die allengs hun

schroomvalligheid hadden laten varen. Op allerlei wijzen toonden zij

hun welgevallen in den warmen zonneschijn; nu eens omarmden zij

elkander, dan weder wentelden zij zich behaaglijk op den muur om.

Dikwijls sprong een van hen al spelend op een van de kanonnen, en kwam,

door de geschutpoorten sluipend, aan de andere zijde weer bij zijne hem

hier afwachtende kameraads terug; kortom, zij leefden op deze plaats

zeer huiselijk, en waren naar het scheen, voornemens, zoo lang mogelijk

te genieten van den prachtigen zonneschijn.

„Hun aantal, dat in vroegere jaren groot was, is thans tot op slechts

drie verminderd; het neemt niet meer toe, waarschijnlijk omdat zij van

één sekse, òf allen mannetjes, òf allen wijfjes zijn, zoodat de kleine

familie weldra geheel uitsterven zal. De eigenaars, van tuinen plachten

vroeger vallen te plaatsen, om hun kweekerij te beveiligen tegen de

strooptochten van deze gasten, die door hun vraatzucht groote

verwoestingen aanrichten. De bescherming van het machtige Engeland was

dus niet voldoende geweest om de vroegste bewoners van zijn sterkste

vesting voor den ondergang te behoeden; na weinige jaren zal de fauna

van Europa een dierengeslacht minder bevatten.”

Tot geruststelling van alle dierenvrienden kan ik mededeelen, dat

Posselt’s vrees niet bewaarheid is geworden, en dat daaraan integendeel

alle grond ontnomen is. Door tusschenkomst van mijn broeder, die zich

tot den bevelhebber van de vesting had gewend met een verzoek om

inlichtingen, ontving ik n.l. het volgende bericht:

„Het getal van de Apen, die tegenwoordig onze rotsen bewonen, bedraagt

elf. Daar het gebleken is, dat zij op de rotsen zonder moeite voldoende

voedsel vinden, worden zij niet gevoederd, maar geheel aan zich zelf

overgelaten. De signaalwachter en de politiebeambten waken over hun

veiligheid, en verhinderen, dat zij gejaagd, of op een andere wijze

verontrust worden. De eerstgenoemde houdt boek over hen, en is, daar

zij steeds bijeenblijven, altijd goed op de hoogte van de verandering

of vermeerdering van hun aantal.

„Wanneer en hoe zij op de rotsen gekomen zijn, weet niemand te zeggen;

men hoort hierover de meest verschillende meeningen. Voor ongeveer 6 of

7 jaren was hun aantal tot op drie stuks verminderd. Sir William

Codrington heeft, vreezend dat zij geheel zouden uitsterven, drie of

vier dieren van dezelfde soort van Tanger ingevoerd, en sedert dien

tijd hebben zij zich vermenigvuldigd tot het bovengenoemde getal.”

Uit een bericht van den allerlaatsten tijd blijkt, dat dit getal thans

meer dan verdubbeld is. Een op goed geluk aan een officier van de

Engelsche bezetting van Gibraltar gerichte brief werd door Kapitein C.

S. Shephard op de meest welwillende wijze beantwoord. „Het is

moeielijk”, schrijft Shephard den 12en Maart 1889, „het aantal

aanwezige Apen nauwkeurig te bepalen. Eergisteren nog zag ik er twaalf;

in den vorigen zomer heb ik er echter wel 25 bijeengezien, en ik denk,

dat men veilig aannemen kan, dat er in ’t geheel omstreeks 30 zijn. In

den tegenwoordigen tijd van het jaar ziet men ze niet zoo dikwijls,

omdat er op de hoogere gedeelten van de rots voedsel en water in

overvloed te vinden zijn. Maar gedurende den heeten zomertijd worden

zij door gebrek aan voedsel gedwongen, zich naar lager gelegen plaatsen

te begeven; dan richten zij een niet onbelangrijke schade in de tuinen

aan. Ongeveer in Juni of Juli van het vorige jaar hadden de Apen

minstens zes jongen. Het volwassene mannetje is van aanzienlijke

grootte, volle 3 voet hoog; de grootste, wijfjes zijn ook zeer goed

ontwikkeld, maar slanker en niet zoo krachtig en gedrongen van

gestalte. Het sterkste mannetje houdt zich gewoonlijk alleen, op

eenigen afstand van de bende op.”

Volgens deze nieuwste waarnemingen is het dus volstrekt niet te

vreezen, dat Europa’s laatste, in ’t wild levende Apen uitsterven

zullen.

„De Talapoin-Aap (Myiopithecus)”, zegt Wallace, „verschilt van de

overige Afrikaansche Apen door den bouw van de laatste kies, door de

groote ooren, het kort aangezicht en het breede neusmiddelschot. In dit

opzicht en ook door zijn lief uiterlijk en de gratie zijner bewegingen

gelijkt hij eenigszins op de Amerikaansche Apen.”—Dr. J. E. Rombouts

zegt in „Artis, Kijkjes in den Dierentuin” het volgende: „Deze lieve

diertjes zijn veel schuwer dan de andere in de apenkooi aanwezige Apen.

Bij het minste vreemde geluid zoeken ze bij elkaar hun troost, dan

zitten ze op een boomstam lijf aan lijf ineengehurkt, als om elkander

te beschermen, en hunne geestige kopjes zijn alleen naar den

toeschouwer gericht. De lange staarten hangen bij zulk een gelegenheid

lijnrecht naar beneden, wat een eigenaardig effect teweegbrengt. Deze

aapjes zijn afkomstig uit westelijk Afrika, waar ze gezellig leven; hun

kleur is geelachtig groen; de haren van den kop staan als een kuif

overeind, en, wat hun vooral een aardig voorkomen geeft, is de lange

knevelbaard, die bij den neus begint en over de wangen voortloopt tot

onder de ooren. De kleur van dezen baard is geelachtig, behalve op zij

van den neus, waar hij eenigszins zwart is en een soort van knevel

vormt. De neus is zwart en de lippen zijn vleeschkleurig.”

Het geslacht der Bavianen (Cynocephalus), hoewel een der merkwaardigste

van de geheele orde, is echter volstrekt niet het aantrekkelijkste en

aangenaamste. Het omvat de leelijkste, goorste vlegelachtigste en

daarom afkeerwekkendste van alle Apen; deze zien wij hier op den

laagsten trap, waarop zij staan kunnen. Van edele vormen is hier niets

meer te bespeuren; alle meer verhevene begaafdheden van den geest zijn

in de bandeloosheid der hartstochten te gronde gegaan.

In navolging van Aristoteles, worden de Bavianen ook wel Hondskop-apen

genoemd, omdat de bouw van hun kop in eenige opzichten meer gelijkt op

dien van een groven, ruwen Hond dan op het hoofd van den mensch,

waaraan de overige Apen in de verte herinneren. Toch is de

overeenstemming, waaraan de bedoelde naam haar oorsprong ontleent,

slechts zeer oppervlakkig. De vergelijking waarop zij berust, bevredigt

ons niet, omdat de kop van den Baviaan evenzeer een misvorming is van

dien van den Hond, als de kop van den Gorilla dit is van het hoofd van

den mensch. Het Bavianengezicht verschilt echter door zijn

vooruitstekenden snoet zoozeer van dat van andere Apen, dat de door

Aristoteles gegeven naam behouden kan blijven.

Naast de Anthropomorphen zijn de Hondskop-apen de grootste

vertegenwoordigers van de orde der Apen. Hun lichaamsbouw is gedrongen,

hun spierkracht verbazend groot. De zware kop verlengt zich tot een

sterken en langen, van voren afgeknotten, dikwijls gezwollen of

gegroefden snuit met vooruitstekenden neus; het gebit ziet er

roofdierachtig uit door de sterke ontwikkeling der hoektanden, die aan

de achterzijde met een scherpen kant voorzien zijn. De lippen zijn zeer

beweeglijk, de ooren klein. De uitdrukking van de oogen, die door

vooruitstekende wenkbrauwbogen overschaduwd zijn, is een getrouwe

weerspiegeling van het gemoed van hun eigenaar—listig en valsch in de

hoogste mate. Alle ledematen zijn kort en sterk, de handen hebben vijf

teenen; de soms korte, soms lange staart is gelijkmatig behaard of aan

’t einde kwastvormig; de wangzakken zijn groot; de eeltplekken aan ’t

zitvlak bereiken een waarlijk afkeerwekkende grootte, en vertoonen

gewoonlijk merkwaardig sprekende kleuren. Bij eenige soorten verlengt

de lange en losse beharing zich aan kop, hals en schouders tot goed

gevulde manen; het haar heeft een moeielijk te omschrijven kleur, niet

zelden overeenkomende met die van den bodem of van de rotsen, waarop

zij leven, zooals grijs, grijs-groenachtig geel, bruinachtig groen.

Het verbreidingsgebied van de Bavianen strekt zich uit over Afrika,

Arabië en Indië. In eenige streken treft men soorten aan, die alleen

daar gevonden worden; de overige zijn verder verbreid en daarom aan

verscheidene landen gemeen.

Hoewel de Bavianen bij voorkeur rotsen bewonen, houden sommige soorten

zich toch ongetwijfeld ook in de bosschen op, en zijn bekwamer in ’t

beklimmen van de boomen, dan men op grond van waarnemingen aan verwante

dieren in boomlooze oorden wel eens beweerd heeft. In ’t gebergte komen

zij tot op een hoogte van 3000 à 4000 M. boven de oppervlakte der zee,

ja zelfs tot aan de sneeuwgrens; toch geven zij, naar het schijnt, de

voorkeur aan de landstreken van 1000 à 2000 M. hoogte boven het hoogere

bergland. Dat bergachtige gewesten hun eigenlijk vaderland zijn, wordt

reeds door de oudste reizigers vermeld.

Het voedsel van de Bavianen bestaat hoofdzakelijk uit bollen, knollen,

grassen, kruiden, vruchten van laaggroeiende planten, eieren en kleine

dieren van allerlei soorten. Waarschijnlijk echter zijn deze goed

gewapende en vlugge wezens niet altijd tevreden met een kleine prooi,

hun verlangen naar dierlijk voedsel zal hen ook wel nopen, om als echte

roovers grootere dieren te overvallen. Volgens de mededeelingen van

Fischer maken de Oost-Afrikaansche Bavianen niet slechts op Hoenderen

jacht, maar trachten zij ook Dwerg-Antilopen en zelfs de vrij groote

Bosch-Bokken te overmeesteren. In de aanplantingen, vooral in de

wijngaarden, richten de Bavianen buitengewoon groote verwoestingen aan;

men beweert zelfs, dat zij hunne rooftochten op een geregelde wijze

naar een vooraf beraamd plan ondernemen.

Meer dan de overige Apen toonen de Bavianen door hun houding, dat zij

eigenlijk op den grond thuis behooren. Hun geheele lichaamsbouw bindt

hen aan den bodem. Hun gang gelijkt op dien van een plompen Hond; ook

wanneer zij zich oprichten, steunen zij het lichaam liefst met een van

de handen. Zoolang zij zich kalm gedragen en den tijd hebben, zijn

hunne schreden langzaam en log: zoodra zij zien, dat zij vervolgd

worden, gaat deze gang in een merkwaardigen galop over, die met de

allerzonderlingste bewegingen gepaard gaat. Hun gang onderscheidt zich

door een zekere lichtzinnige onbeschaamdheid, die men gezien moet

hebben om er een voorstelling van te verkrijgen.

De eigenschappen van hun geest zijn volstrekt niet in strijd met hun

uitwendig voorkomen. Om ze te beschrijven beginnen wij met een

aanhaling van Scheitlin’s woorden:

„Alle Bavianen zijn in meerdere of mindere mate slecht van aard, altijd

wild, toornig, onbeschaamd, haatdragend; hun snuit is gevormd naar het

grofste hondenmodel, hun gelaat misvormd. Sluw is hun blik, boosaardig

hun gemoed. Daarentegen zijn zij leerzamer dan de kleine Apen, en

toonen nog meer verstand, dat zich echter altijd in den vorm van list

openbaart. Vooral bij hen treedt een der merkwaardigste eigenschappen

van de Apen, de zucht tot nabootsing, duidelijk te voorschijn, waardoor

het schijnt, dat zij geheel menschachtig kunnen worden, hoewel zij

altijd aapachtig blijven. Valstrikken en gevaren merken zij gemakkelijk

op, en tegen vijanden verdedigen zij zich moedig en hardnekkig. Hoe

boos van aard zij ook zijn, toch kan men ze in hun jeugd veranderen,

temmen, gehoorzaam maken; op lateren leeftijd, als hun aanleg verzwakt,

hun gevoel verstompt is, komt de oude Adam, hun ware, booze aard weer

boven. Zij houden op gehoorzaam te zijn, grijnzen, krabben en bijten

weder. De opvoeding was niet diep genoeg doorgedrongen. Men zegt, dat

zij in vrijen toestand schranderder en verstandelijk hooger ontwikkeld

zijn, in de gevangenschap daarentegen zachtaardiger en geleerder

worden. Hun familienaam is immers „Hondskop”. Hadden zij, behalve den

kop, ook maar de ziel van den Hond!”

Op Scheitlin’s woorden valt niets af te dingen: het door hem geteekende

beeld is juist. De geest van de Bavianen is als ’t ware de apengeest op

zijn hoogsten trap van volkomenheid; evenwel is hij dit meer in den

slechten dan in den goeden zin. Eenige voortreffelijke eigenschappen

kan men hun niet ontzeggen. Zij hebben een merkwaardige genegenheid

voor elkander en voor hunne kinderen; zij houden ook van den mensch,

die hen verzorgd en opgevoed heeft, en worden hem zelfs op allerlei

wijzen nuttig. Maar al deze goede zijden wegen in de verste verte niet

op tegen hunne onhebbelijkheden en booze hartstochten. List en

valschheid zijn algemeen voorkomende eigenschappen bij de

Hondskop-apen; vooral onderscheiden zij zich door een vreeselijke

woede. Hun toorn is als een opvlammend stroovuur, zoo schielijk bereikt

hij een grooten omvang; hij blijft echter aanhouden en is niet zoo

gemakkelijk weder te bedaren. Een enkel woord, een spottend gelach, een

schuinsche blik kunnen een Baviaan razend maken, en in zijn woede

vergeet hij alles, zelfs zijne genegenheid voor den persoon, dien hij

zooeven liefkoosde. Daarom blijven deze dieren in alle omstandigheden

gevaarlijk; hun ruwe inborst treedt af en toe naar buiten, al

openbaarden zij haar gedurende geruimen tijd in ’t geheel niet. Hunne

vijanden behandelen zij op een waarlijk afschuwelijke wijze.

Hoewel de Bavianen voor den mensch vluchten, aanvaarden zij toch in

geval van nood den strijd met hem en ook met Roofdieren, en deze strijd

wordt dikwijls recht gevaarlijk. De Luipaard is, naar het schijnt, hun

voornaamste vijand; hij belaagt echter de jonge dieren meer dan de

oude, omdat hij alle reden heeft om vooraf eens te overwegen, of zijne

hoektanden en klauwen wel opgewassen zijn tegen het gebit en de handen

van de Bavianen, ’t Is volstrekt geen zeldzaamheid, dat Honden in een

strijd met den Baviaan het onderspit delven, en toch kennen deze edele

dieren geen grooter vermaak dan de jacht op zulke Apen. Behalve de

Hond, de Luipaard en de Leeuw hebben de Bavianen nagenoeg geen

vijanden, die voor hen bijzonder gevaarlijk zijn. Men mag echter wel

aannemen, dat de Apen leelijke ervaringen hebben opgedaan van den

vreeselijken giftand der Slangen. Geen Baviaan licht een steen op, of

doorzoekt een struik, zonder zich vooraf te vergewissen, dat hieronder

of hierin geen Slang verborgen is. Voor Scorpioenen zijn deze looze

dieren niet bang; integendeel zij weten ze met groote behendigheid te

vangen en van hun gifklauw te berooven, zonder zich er aan te wonden.

Daarna verslinden zij den Scorpioen met hetzelfde genoegen als andere

Spinnen of als Insecten.

Het nut van de Bavianen is gering. Wegens hunne leerzaamheid worden zij

tot allerlei kunststukjes afgericht. In Zuid-Afrika dienen zij, naar

men zegt, nog tot het opzoeken van water in de woestijn. Getemde

Bavianen worden voor dit doel meegenomen naar de waterarme gewesten,

waar zelfs de Bosjesmannen het onontbeerlijke vocht slechts in uiterst

kleine hoeveelheid kunnen vinden. Als de watervoorraad ten einde loopt,

krijgt de Baviaan iets hartigs te eten. Na eenige uren neemt men hem

dan aan een lijn en laat hem loopen. Het door dorst gekwelde dier wendt

zich nu eens naar rechts, dan weer naar links, loopt vooruit en

achteruit, snuffelt in de lucht, rukt planten uit, om ze te proeven, en

wijst eindelijk door in den grond te graven, het verborgene, of door in

één richting vooruit te ijlen, het aan de oppervlakte aanwezige water

aan.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 01: De Apen · 第 7 / 13 段