Voor de viervoetige Roofdieren zijn zij te vlug; hoogstens zal de
Luipaard nu en dan een onvoorzichtig aapje door list buit maken. Den
Roofvogel weerstaan zij met vereende krachten. Zeer bang zijn zij voor
Kruipende Dieren en Amphibiën, vooral voor Slangen, hetwelk vooral
blijkt, wanneer zij vogelnestjes uithalen. Zij doen dit dikwijls, omdat
zij niet alleen eieren, maar ook jonge Vogels als een buitengewone
lekkernij beschouwen. Als zij nu een vogelnest willen plunderen, dat in
een holte van een boom gebouwd is, nemen zij uit vrees voor de Slangen,
die graag in zulke nesten kruipen, allerlei voorzorgen in acht. Meer
dan eens heb ik gezien, hoe zorgvuldig zij een pas door hen gevonden
gat in een boom onderzochten, om te weten te komen, of daarin ook een
Slang verborgen lag. Eerst keek de Aap er zoo diep mogelijk in,
vervolgens hield hij het oor bij den ingang, en als ook dit zintuig hem
niets verdachts openbaarde, stak hij aarzelend een arm in de holte.
Nooit bepaalde hij zich tot een moedigen greep, steeds ging hij
schoksgewijs al dieper en dieper, en gluurde bovendien van tijd tot
tijd in de donkere opening, of luisterde er aan, om zeker te zijn, dat
het gevreesde kruipend gedierte zich daarin niet bevond.
De voortplanting van de in vrijheid levende Meerkatten schijnt aan geen
bepaald jaargetijde gebonden te zijn. Bij iedere kudde ziet men
zuigelingen, kinderen en halfwassen dieren, die de zorg van de moeder
niet meer noodig hebben. In de dierentuinen en menagerieën van Europa
planten de meeste soorten zich bij goede verzorging eveneens voort,
ofschoon dit zeldzamer wordt waargenomen bij hen, dan bij de Makaken en
Bavianen.
Gedurende mijn veeljarig verblijf in Afrika heb ik steeds vele Apen (en
hierbij waren geregeld ook Meerkatten) in gevangenschap gehouden. Ik
kan verzekeren, dat elk van deze merkwaardige dieren eigenaardigheden
had, die bij de andere niet, of niet in die mate, voorkwamen, en mij
voortdurend de gelegenheid gaf tot even aantrekkelijke, als
onderhoudende waarnemingen. De eene Aap was twistziek en bijtlustig, de
andere vreedzaam en mak, een derde brommig, een vierde altijd vroolijk,
deze rustig en eenvoudig, gene geslepen, sluw en aanhoudend bezig met
het beramen van booze plannen en streken; alle kwamen echter in dit
opzicht met elkander overeen, dat zij grootere dieren graag een poets
wilden spelen, kleinere echter beschermden, koesterden en verzorgden.
Zij wisten zich in iederen toestand te schikken en zich het leven
dragelijk te maken. Dagelijks leverden zij bewijzen van een helder
verstand, van wezenlijk berekenende sluwheid en echt schrander overleg;
bovendien zag men hen voortdurend aan andere dieren de grootste
hartelijkheid en offerwilligheid betoonen; wegens al deze eigenschappen
hield ik bijzonder veel van eenige dezer dieren.
Sommige soorten van Meerkatten hebben een zeer bevallig uiterlijk. Een
daarvan, en wel een der meest bekende, die van Abessinië tot aan de
westelijke bijrivieren van den Nijl veelvuldig voorkomt, is de Groene
Meerkat of Groene Aap, de Aboelandsj van de Arabieren (Cercopithecus
sabaeus), die een lengte van 1 M. bereikt, zonder den staart mede te
rekenen, die ongeveer half zoo lang is als het lichaam. Zijn haarkleed
is aan den rug grijsachtig groen, aan de buitenzijde van armen en
beenen en aan den staart aschkleurig; de kortharige wangbaard is
witachtig, zoo ook de onder- en binnenzijde der beenen; de neus, de bek
en de wenkbrauwen zijn zwart; het gelaat is overigens lichtbruin.
Een der schoonste en sierlijkste Meerkatten is de Diana-aap (C. diana);
bij de grootendeels leikleurige, aan den rug en het kruis in
purperbruin overgaande vacht steken de witte buikzijde en de eveneens
witte baard aan wangen en kin prachtig af. Deze soort bewoont
West-Afrika, evenals de Mooraap of Mangebe (C. fuliginosus).
Men vindt daar ook de Blauwkoppige Meerkat, de Moeïdo van de negers aan
de Loangokust (C. cephus), die in grootte met den Aboelandsj
overeenkomt; doch vroolijker en fraaier kleuren vertoont dan deze. De
rug, de bovenzijde van den hals en van den kop, alsmede de buitenzijden
van de ledematen zijn vuil olijfgroen, met een zeer aangenamen
goudachtigen weerschijn; de onderzijde van den romp en de binnenzijden
van de ledematen zijn blauwachtig grijs. Het fraai kobaltblauwe
aangezicht met een witte plek op de bovenlip is omlijst door een
schel-gelen bakkebaard, die door een zwarte streep gescheiden is van
het olijfkleurige kophaar; de staart is van de spits tot dicht bij den
wortel roest-rood. Volkomen gezonde en krachtige Apen van deze soort,
onverschillig of het mannetjes dan wel wijfjes zijn, vertoonen deze in
’t oog loopende samenvoeging van kleuren zoo duidelijk en volledig,
alsof zij beschilderd waren.
In Beneden-Guinea zijn zij gemeen; vooral in de landstreek tusschen den
Yumba en den Kongo zijn zij veel talrijker vertegenwoordigd dan andere
soorten. Bij voorkeur houden zij zich op in de prachtige bosschen, die
zich langs de rivieroevers tot aan zee uitstrekken, en meer
binnenslands in de wouden van het gebergte, die aan den regen het
noodige water ontleenen. Pechuel-Loesche, die de levenswijze van deze
en andere soorten van Apen, zoowel in de vrije natuur als in
gevangenschap heeft nagegaan, zegt, dat er waarschijnlijk geen
Meerkatten bestaan, die de gevangenschap beter verdragen en geschikter
zijn om getemd te worden, dan deze: „Een daarvan, een wijfje, dat naar
den inheemschen naam Moeïdo luisterde, en dat ik, toen het nog zeer
jong was, van den Kongo ontving, en met zorg groot bracht, heb ik bijna
vijf jaar lang als huisdier gehad. Hierdoor is het mij duidelijk
gebleken, dat een in de prilste jeugd beginnende, goed doordachte,
zorgvuldige behandeling een uitstekenden invloed op het gemoed van den
Aap heeft, en dat het daarentegen bedorven wordt door plagerijen, ruwe
grappen en uit onbedachtzaamheid gepleegd onrecht. Men zou werkelijk
veel minder te klagen hebben over de boosaardigheid, prikkelbaarheid en
valschheid van tamme Apen, indien deze dieren van hun kindsheid af
behandeld waren geworden volgens den regel, die bij iedere opvoeding op
den voorgrond staat, d.w.z., indien zij voor alle slechte invloeden
bewaard waren gebleven. Dat men in den regel niet veel pleizier beleeft
van Apen, die men op meer gevorderden leeftijd als huisgenooten
aanneemt, komt doordat zij reeds te veel hebben moeten verduren. Naar
alle waarschijnlijkheid is het een dwaling, dat de Apen een van nature
slecht karakter hebben, en moet men liever zeggen, dat de
onophoudelijke grappen en plagerijen, die deze dieren, meer dan alle
andere, van de menschen te verduren hebben, hun karakter bederven,
verkeerde neigingen doen ontstaan, en de goede te verstikken. Men moet
de Apen niet beoordeelen naar exemplaren, die reeds veel doorleefd,
reeds vele meesters gehad hebben, maar naar zulke, welke direct, nadat
zij uit de wildernis kwamen, verstandig behandeld werden; iedere andere
Aap althans zal blijken ongeschikt te zijn voor pogingen om hem tot een
huisdier op te voeden.
„Onze Aap, die van zijn kindsheid af zorgvuldig behoed was geworden
voor verkeerde invloeden, genoot in Europa een onbeperkte vrijheid,
bewoog zich ongehinderd door alle kamers, over tafels en stoelen; hij
deed dit echter zoo behendig en voorzichtig, dat hij bij ons nooit iets
gebroken heeft. Hij klauterde door het openstaande raam naar buiten,
gymnastiseerde op het balkon, liep langs de kroonlijst om het huis
heen, gleed bij de gootpijpen naar beneden en stoeide in hof en tuin.
Als een gehoorzaam hondje maakte hij met ons uren lange wandelingen
door bosch en veld, ving Spinnen, Vlinders, Sprinkhanen (zijn liefste
voedsel) en sprong naar hartelust rond. Hierdoor nam blijkbaar zijne
gezondheid zeer toe en werd zijn gestel zoo gehard, dat hij later zelfs
meermalen in de pas gevallen sneeuw kon rondbuitelen, zonder er eenig
nadeel van te ondervinden. Bij zulke gelegenheden bemoeide hij zich met
alle menschen, die wij tegen kwamen, hoewel met sommige liever dan met
andere; hij hield er van bedaarde landlieden verschrikt te maken, door
plotseling uit een schuilhoek te voorschijn te komen, vaak ook, door
bij hen op te springen; nooit deed hij echter iemand eenig leed. Graag
speelde hij met kleine Honden, groote ging hij uit den weg; als zij hem
echter bedreigden, ging hij hen zonder vrees te lijf, sprong hen op den
rug, sloeg ze om den kop, trok hen aan de ooren, beet en krabde met
zooveel behendigheid dat de aangevallene eindelijk, ten einde raad,
zich zoo schielijk mogelijk uit de voeten maakte. Voor Kikvorschen en
Hagedissen toonde hij geen vrees; hij mishandelde ze echter ook niet.
Als hij zijne handen vuil gemaakt had, trachtte hij ze vlug op de een
of andere wijze te reinigen; als hij hierin niet naar zijn zin slaagde,
wendde hij zich smeekend tot ons.
„In huis viel hij ons slechts door één onhebbelijkheid lastig, die hem
niet afgeleerd kon worden: hij bevuilde de vloer. In alle andere
opzichten deed hij, wat hem gezegd was, ging in zijn slaapkorf, in zijn
kooi, waarvan hij zelf het deurtje sloot; als hij kattekwaad uitvoerde,
was het voldoende „St!” te roepen, om hem te doen ophouden. Hij speelde
graag met zachte poppen, groote en kleine gomelastieke ballen, kurken,
houtjes enz.; één daarvan genoot gedurende eenigen tijd steeds de
voorkeur, en werd medegenomen in den slaapkorf; de overige werden
zorgvuldig geborgen en verstopt achter of onder kasten, gordijnplooien
enz.; altijd echter werden deze voorwerpen zoozeer als eigendom
beschouwd, dat het aanraken of wegnemen er van steeds als een
onrechtmatige inbreuk op verkregen rechten werd beschouwd. Hij was
gewoon in zijne ruime wangzakken alle mogelijke voorwerpen, die hij
hier en daar vond, op te bergen; deze waren hoogstens van de grootte
van een walnoot, in den regel echter kleiner. Mijn vrouw begon weldra
hem iederen avond de wangzakken te ledigen. In den beginne stribbelde
hij tegen, later kraamde hij uit eigen beweging zijne schatten uit, als
men hem op den schoot nam. Het ledigen van de wangzakken maakte hij
gemakkelijker, door met den rug van de hand er van buiten over te
strijken. Dan kwamen er steentjes, erwten, muntstukjes, boonen,
spijkers, kurken, vingerhoeden, glazen stoppen en vele andere zaken te
voorschijn; hij mocht behouden wat voor een ander doel niet meer
bruikbaar was; nooit verloor hij iets. Bijzonder graag bekeek hij
afbeeldingen, vooral gekleurde, in boeken, en lette zorgvuldig op het
omslaan der bladen. In den beginne greep hij bliksemsnel naar
afbeeldingen van Sprinkhanen en Spinnen, onverschillig of zij gekleurd
waren of ongekleurd; weldra echter had hij ontdekt, dat zij niet
eetbaar waren. Bij ’t zien van afbeeldingen van Slangen en Hagedissen
liet hij geen vrees blijken; hij begreep echter, wat zij voorstelden,
zooals uit de veranderde uitdrukking van zijn gelaat en uit zijn stem
viel af te leiden.
„Hij at van alle spijzen, die op tafel gebracht werden; alleen brood
met boter en melk lustte hij in ’t geheel niet. Hij hield dol veel van
uien en van stukken brood, die dik besmeerd waren met mosterd; wel trok
hij dan onder ’t eten afschuwelijke gezichten en deed wanhopige
sprongen, maar toch ging hij er mede voort. Ook lustte hij inkt: hij
haalde de gouden pen van den inktpot, likte hem af, legde hem
zorgvuldig neer, en likte nu zoo vaak den telkens weer in den inktpot
gedoopten vinger af tot hij genoeg had. Aan tabaksrook had hij een
hekel. Rooden wijn en bier dronk hij zeer gaarne, ging zich er echter
niet aan te buiten; het liefst slurpte hij het schuim van ’t bier af.
Vruchten van allerlei soort waren eveneens van zijn gading, het meest
echter aalbessen, aardbeien en kruisbessen. Van eieren hield hij niet,
hij haalde nooit een nest uit, leefde zelfs op zeer vertrouwelijken
voet met een paar Vliegenvangertjes, die ieder op ons balkon hun nestje
bouwden, zoo ook met andere Vogels, vooral met Meezen en een Bonten
Specht, die wij gewoon waren aan het venster te voederen, en die,
sommige althans, onbezorgd de kamer binnenvlogen. Zijn dagwerk begon
aan de ontbijttafel. Zoodra hij uit de met warme dekkleeden voorziene
slaapmand opgerezen was, ijlde hij naar de tafel, om het zien aansteken
van het spirituslampje onder den koffieketel niet te verzuimen, en
tevens den hiervoor gebruikten lucifer, die hem nog brandend werd
overgegeven, door schudden en rollen in de handen uit te blusschen.
Daarna ging hij met opgeheven handen voor den koffieketel staan, warmde
zich, en keek oplettend naar de geheimzinnige spiritusvlam, die hij met
evenveel belangstelling hoorde knetteren en zag opflikkeren als het
sissen en borrelen van het water hem interesseerde. Vervolgens werd hij
door de vrouw des huizes van den kop tot aan het puntje van den staart
flink afgeborsteld; hij vond dit zoo prettig, dat hij ongevraagd alle
voor deze reiniging gewenschte houdingen aannam; het dagelijks wasschen
van het aangezicht beviel hem veel minder, en aan het baden en met zeep
afwasschen, dat geregeld eens in de week plaats vond, had hij een
innigen hekel.
„Voor bezoekers vatte hij dadelijk genegenheid of afkeer op; nooit
veranderde hij in ’t vervolg zijn gedrag tegenover hen; hij herkende ze
allen dadelijk weder. Die, welke hij wel mocht lijden, werden, doordat
hij ze aan de kleederen trok, terwijl hij allerlei bewegingen en
geluiden maakte, uitgenoodigd om met hem te spelen; hij sprong hen op
den schoot, liet zich krauwen en streelen, en was zoo aanhalig en
grappig, dat hij zich vele vrienden maakte. Op lieden, die hij niet
lijden mocht, sloeg hij in ’t geheel geen acht; als zij zich toch met
hem bemoeien wilden, ontweek hij hen, of ging op zijne achterpooten
staan, en gaf door voortdurend wenken te kennen, dat zij ophouden
moesten; volhardden zij ook dan nog in hunne pogingen om een
toenadering te bewerken, of lachten zij luid, dan „speelde hij voor
basilisk”, d.w.z. hij ging met alle vier ledematen uitgestrekt op den
grond liggen, deed den bek wijd open, bewoog de tong heen en weer,
knorde en maakte dreigende bewegingen. Dan was het voor ons tijd om
tusschenbeide te komen anders ging hij zonder nadere uitdaging tot den
aanval over. Het bleek ons, dat zijn oordeel over personen op sommige
uitwendige eigenaardigheden gegrond was: een vriendelijk gezicht, een
welluidende stem, voorname bedaardheid in de bewegingen stemde hem
dadelijk gunstig; haastige bewegingen, hard of koel blikkende oogen,
een schelle, luide stem boezemden hem afkeer in. Met alle kinderen
zonder eenige uitzondering speelde hij graag; hij werd niet boos,
wanneer zij hem al te wild behandelden, maar stoeide en vocht met hen,
of liep eindelijk weg, als zij het hem te bont maakten. Nooit heeft hij
een kind bedreigd, gekrabd of gebeten; alle kinderen beschouwde hij als
goede vrienden.
„Roerend was zijn gehechtheid aan mijn vrouw. Hij beschouwde zich als
haar rechtmatigen beschermer, en wie haar aanraken, of zelfs maar de
hand geven wilde, vond dadelijk het diertje tot den sprong bereid aan
hare zijde, op haren schouder, op haren schoot. Toen zijn meesteres
door een zware ziekte werd aangetast, werd de Aap droefgeestig en
lusteloos; uren lang zat hij voor de deur van de ziekenkamer en bedelde
om binnengelaten te worden. Toen dit hem eindelijk na eenige weken werd
toegestaan, sprong hij dadelijk op de herstellende toe, vleide zich
zacht klagend tegen haar aan, legde de armen om haar hals, en was niet
weer weg te krijgen.
„Deze Aap beschikte over een zeer buigzame stem. Wij konden er dertien
afzonderlijke klanken of klankverbindingen in onderscheiden. Het geluid
dat wij aan het eene eind dezer reeks plaatsten, was zacht en tamelijk
welluidend; het bestond uit een op vele wijzen gevarieerd gepiep,
gesjirp of gespin, dat welgevallen, een verzoek of vergenoegdheid te
kennen gaf. Aan het andere einde van de lijst stond het gillend gekraai
en gekrijsch, dat woede beduidde. Andere tegenstellingen waren het
nauwhoorbare „toek, toek,” dat men vernam, als hij, wat dikwijls
geschiedde, zich niet op zijn gemak gevoelde in het niet verlicht
vertrek naast het onze, en het schelle, zeer luide „tek” bij plotseling
opkomenden schrik, benevens het hoog gestemde gekef en gebrul, dat,
evenals het uit lage tonen bestaande grommen, gorgelen en knorren,
verschillende graden van opgewondenheid verraadde. Hoogst merkwaardig
waren zijne geluiden en gebaren, als hij „de zon begroette”, zooals wij
het noemden. ’s Morgens als de zonnestralen in de kamer vielen, zocht
hij in het venster, op de tafel of op den grond een sterk verlichte
plek op, ging overeind staan, keerde zich naar de zon, hief de armen
zacht wiegelend omhoog, stak de lippen vooruit, en liet nu 5 à 6 maal
achtereen een reeks van geluiden hooren, die van een zeer diepen
borsttoon tot een bizonder hoogen toon opklommen, en ongeveer de helft
van een chromatische toonladder omvatten. Het geheel werd besloten door
een diep, langgerekt „Eu”-geroep. Deze hoogst zonderlinge geluiden heb
ik nooit van andere Apen gehoord.”
Met den naam Makak of Makako (Macacus) duidt men in Afrika een groep
van zeer verschillende Apen aan, die tot een geslacht behooren, dat
niet veel soorten omvat—volgens de beteekenis, die door de wetenschap
aan dit woord wordt gehecht. De uiterste grens van het
verbreidingsgebied dezer Apen is het Zuid-Oosten van Azië. Zij
onderscheiden zich allen te zamen door de volgende kenmerken: Hun
lichaamsbouw is ineengedrongen, de ledematen zijn sterk en tamelijk
lang; de snuit steekt ongeveer even vooruit, als bij de Meerkatten; de
korte duim van de voorhand en de aanmerkelijk langere duim van de
achterhand dragen platte, de overige vingers en teenen bolle nagels. De
staart is verschillend: bij enkele heeft hij een lengte, welke die van
het lichaam nabijkomt, bij andere is hij bijna geheel verdwenen. De
wangzakken en eeltplekken aan het zitvlak zijn groot. Bovendien moet
nog als een eigenaardigheid van deze dieren opgemerkt worden, dat het
kophaar bij eenige in ’t midden een scheiding vertoont, bij andere als
een pruik bij den overigens kalen schedel naar beneden hangt, en dat de
bij enkele ontbrekende wangbaard bij andere een waarlijk
voorbeeldelooze ontwikkeling vertoont.
In een vroegere periode van de ontwikkelingsgeschiedenis onzer planeet
waren de Makaken over een groot deel van Europa verbreid; ook thans nog
begeven zij zich verder noordwaarts dan alle andere Apen. Die, welke
een kort staartstompje hebben, bewonen Noord-Afrika, China en Japan; de
langstaartige het vastland en de eilanden van Oost-Indië. Zij vervangen
hier als ’t ware de Meerkatten, maar gelijken in vele opzichten op de
Bavianen; zij leven soms, evenals gene, in de bosschen, dan weer,
gelijk deze, meer op rotsen. Zij zijn, naar het schijnt, even
onbeschaamd als beide groepen van Apen te zamen genomen: gedurende
hunne jeugd zijn zij grappig en vroolijk als de Meerkatten, op
gevorderden leeftijd boosaardig en gemeen als de Bavianen.
Tot de bekendste soorten van het geslacht behoort de Makako of
Javaanaap, de Monjet van de bewoners van Java (Macacus cynomolgus). Hij
bereikt een hoogte van 1.15 M., waarvan 50 à 58 c.M. op den staart
komen. Het kophaar van het mannetje is plat neergedrukt, dat van het
wijfje staat bij wijze van een kam overeind. De kleur is van boven
bruinachtig groen, van onderen witachtig grijs, aan de handen, de
voeten en den staart zwartachtig. Dit dier bewoont Oost-Azië, vooral de
Soenda-eilanden (van Java tot Timor), waar hij zeer menigvuldig is;
bijna ieder uit Indië komend schip heeft een aantal van deze Apen aan
boord, die voor lagen prijs van de inboorlingen gekocht kunnen worden.
Zij maken daarom een belangrijk deel van de bevolking van onze
dierentuinen en beestenspellen uit; door gedrag en gestalte gelijken
zij op de Meerkatten. In de gevangenschap kunnen zij gemakkelijk in ’t
leven gehouden worden, en planten zij zich geregeld voort. Wegens zijn
opgewektheid en leerzaamheid wordt de Javaan-aap dikwijls in
apentheaters gebruikt; gewoonlijk heeft hij er de rol van bediende te
vervullen.
Verwant aan deze soort is de Kroonaap (Macacus sinicus), de Malbroek
der inboorlingen van Voor-Indië, die hem voor heilig houden, evenals
den Bonder (Macacus rhesus), de Markat der Indiërs. „Een geloofwaardig
man,” zegt kapitein Johnson, „verhaalde mij, dat de eerbied van de
inboorlingen voor den Markat bijna even groot is, als die voor den
Hanoeman (p. 20). De inboorlingen van Baka laten op den akker tienden
van den oogst achter voor deze Apen, die dan ook spoedig van de bergen
afdalen, om de hun aangeboden belasting te halen.”
Bereidwillig betaalt iedere Hindoe deze bijdrage, en geeft hierdoor een
bewijs van milddadigheid en barmhartigheid, dat ons bijna belachelijk
voorkomt, maar hem toch tot eer verstrekt, en ons in vele opzichten ten
voorbeeld zou kunnen zijn. Ook de bescherming, die zij aan de door hen
verzorgde dieren verleenen, vind ik in ’t geheel niet belachelijk of
ongepast; integendeel het komt mij hoogst prijzenswaardig voor, dat de
menschen daarginds de dieren tegen iedere mishandeling in bescherming
nemen. Ik stem echter toe, dat zij hierin te ver gaan. Voor een
vreemdeling is het moeilijk, met dezen Aap samen te leven, zonder met
hem in vijandschap te geraken. Iedere tuin of aanplanting wordt door
deze gauwdieven, die onder de bescherming staan, spoedig vernield of
althans op de jammerlijkste wijze geplunderd. Door schildwachten te
plaatsen om ze te verjagen bereikt men zijn doel niet, want de brutale
gasten, die aan de eene zijde uit den tuin verdreven worden, komen er
aan de andere zijde weer in. Om brandende vuren, Apenverschrikkers en
dergelijke verweermiddelen bekommeren zij zich in ’t geheel niet, en
door tegenover hen geweld te gebruiken brengt men zijn eigen leven in
gevaar.
Dat het welslagen van een feest in Indië nog van geheel andere
omstandigheden afhankelijk is dan in Europa, blijkt duidelijk uit de
geschiedenis van Lady Barker’s eerste groote diner te Simla. Lady
Barker had in haar huis alles in orde laten maken voor het ontvangen
van een groot gezelschap; eigenhandig had zij de tafel met bloemen
versierd en met de uitgezochtste Europeesche en Indische lekkernijen
voorzien. Toen het uur, waarop de gasten zouden verschijnen, naderde,
ging zij heen, om zich aan te kleeden. De bedienden, in plaats van de
wacht te houden in de eetzaal, vermaakten zich elders. Toen de
gastvrouw terugkeerde, om hare gasten te ontvangen, en nog een laatsten
onderzoekenden blik op haar kunstwerk wilde werpen, vond zij haar
feestzaal vol met gasten, maar niet die, welke zij verwachtte. Een
groote troep Apen uit de naastbijgelegene boomen was over het balkon in
het vertrek doorgedrongen, en banketteerde nu aan en op de kostelijk
aangerechte tafel. Men stelle zich de gewaarwordingen van de gastvrouw
voor, toen zij hare juist binnentredende gasten niets anders kon
aanbieden dan het schouwspel van bevuilde en vernielde
heerlijkheden.—Misschien waren het wel dezelfde Apen, die aan Lady
Barker een andere leelijke poets speelden. Haar schoothondje „Fury”
leefde in voortdurenden oorlog met de Apen, en verzuimde geen enkele
gelegenheid om ze weg te jagen. Op een goeden dag echter pakte een der
ongenoode gasten den onverzoenlijken vijand van zijn geslacht bij de
lurven, en nam hem met zich mede naar den top van een boom. Daar ging
het jammerlijk huilende hondje van hand tot hand, en werd onder veel
geschreeuw heen en weer geschud en geplaagd door zijne ontvoerders, die
hem eindelijk lieten vallen, zoodat hij van een overhangenden tak in
een afgrond stortte. Zoo vond de arme „Fury” door de wraak der Apen een
vroegtijdigen dood.