vaderland nagegaan. Maar, hoe vreemd dit ook schijne, juist daarom zijn
wij het laatst met hem bekend geworden. Men meende, dat zulk een
algemeen voorkomend dier wel dikwijls naar Europa gebracht zou zijn, en
verzuimde daarom, onzen Hoelman op te stoppen en het opgezette dier
naar Europa te zenden. Hier komt nog bij, dat er bezwaren of liever
gevaren aan verbonden zijn, het heilige dier te dooden; want alleen de
Maratten bewijzen hem geen achting, terwijl bijna alle overige Indiërs
hem verzorgen en een schuilplaats verleenen, beschermen en verdedigen,
zooveel zij maar kunnen. Een Europeaan, die het waagt, het onschendbare
dier aan te grijpen, stelt zijn leven op het spel, wanneer hij de
eenige blanke onder de licht opgewonden menigte is. De Aap wordt immers
heilig geacht. Een regeerend vorstenhuis beweert van hem af te stammen,
en de leden er van dragen den titel „Rama met den staart”, omdat hun
stamvader, naar zij beweren, gezegend was met het voor ons onnoodige
aanhangsel. Een Portugeesch onderkoning van Indië, Constantino de
Braganza, maakte een Apentand buit uit den schat van een Ceylonsch
vorst en ontving kort daarna een gezantschap van den koning van Pegu,
die hem 300.000 cruzaden liet aanbieden in ruil voor de kostbare
reliquie. Waarschijnlijk is er nog nooit zoo’n hooge som voor een tand
geboden; des te meer verwondering zal het wekken, dat het bedoelde bod
door de Europeanen afgeslagen werd. De onderkoning raadpleegde zijne
raadslieden; deze waren natuurlijk voor ’t meerendeel van oordeel, dat
het geld aangenomen moest worden; een hunner, een priester kwam hier
tegen op, omdat, naar hij beweerde, de heidensche begrippen over
tooverij en ander bijgeloof door zulk een handel veld zouden winnen;
het gelukte den ijveraar zijn meening ingang te doen vinden. Dat de
vorst van Pegu zijn wensch niet vervuld zag, laat ons koud; te
bejammeren is het echter dat het niet toestaan van zijn verzoek gevolgd
werd door het te loor gaan van een gedenkstuk, dat voor de geschiedenis
van de Indische godenleer, en ook voor de natuurlijke geschiedenis,
belangrijk geweest zou zijn. Naar dezen enkelen tand zou men zeer goed
hebben kunnen bepalen, van welken Aap dit kostbaar kleinood een
lichaamsdeel was.
In onzen tijd wordt aan het heilige dier dezelfde achting bewezen als
vroeger. De Indiërs laten den onbeschaamden gast rustig hunne tuinen
plunderen en hunne huizen leeg stelen, zonder er iets tegen te doen;
zij kijken ieder, die het waagt, den Aap kwaad te doen, met scheele
oogen aan. Toen een jonge Hollander, die eerst kort te voren uit Europa
was gekomen, van uit zijn venster een van deze Apen had doodgeschoten,
ontstond hierover, gelijk Tavenier verhaalt, zulk een groote
opschudding onder de inboorlingen, dat het bijna niet mogelijk was, er
een einde aan te maken. Allen zeiden onmiddellijk den Hollander den
dienst op in de vaste overtuiging dat de gepleegde heiligschennis voor
den vreemdeling, en misschien ook voor hen, vreeselijke gevolgen zou
hebben.—Duvaucel bericht, dat het hem in den eersten tijd onmogelijk
was, een van deze Apen te dooden, omdat de inboorlingen dit steeds
verhinderden.—Forbes verzekert, dat er in Duboy evenveel Apen als
menschen wonen. De Apen bewonen er de bovenste verdieping van de
huizen. De vreemdelingen hebben veel last van deze dieren. Als een
bewoner van genoemde stad zich wil wreken op zijn buurman, strooit hij
rijst of ander graan op diens dak, liefst kort voor den aanvang van het
regenseizoen, wanneer alle eigenaars van huizen zorgen moeten, dat het
dak in goeden toestand verkeert. Zoodra de Apen het voor hen bestemde
zien, maken zij zich meester van al wat zij er van machtig kunnen
worden; hunne begeerigheid gaat zoo ver, dat zij de dakbedekking
vernielen, om de korrels te kunnen vergaren, die in de spleten gevallen
zijn. Daar in den genoemden tijd alle werklieden het zeer volhandig
hebben, en er dus geen hulp te krijgen is voor het herstellen van het
dak, zal de bewoner veel last hebben van lekkage, en daardoor groote
schade lijden. Niet alleen voor de gezonde, ook voor de zieke Apen
wordt goed gezorgd. Tavernier vond in Ahmadabad een ziekenhuis, waarin
Apen, Runderen enz. verpleegd werden. Op alle platte daken worden van
tijd tot tijd rijst, gierst, dadels en andere vruchten en suikerriet
voor de Apen neergelegd. De Apen zijn zoo brutaal, dat zij niet slechts
de tuinen plunderen, maar ook omstreeks het etensuur het huis
binnendringen, en de spijzen onder de handen der menschen wegrooven. De
zendeling John verzekert, dat het hem groote moeite heeft gekost, zijne
kleederen en andere zaken voor deze dieren te beveiligen.—Zeer
waarschijnlijk hangt de eerbied, die aan de Apen betoond wordt, met het
geloof aan de zielsverhuizing samen. De Hindoes gelooven n.l., dat
hunne zielen zich na den dood het lichaam van deze Apen tot woonplaats
kiezen.
Hun onbeschaamdheid daargelaten, is er alle reden om deze dieren
aantrekkelijk en bevallig te noemen. John zegt uitdrukkelijk, dat hij
nooit mooier Apen heeft gezien dan de Hoelmans. Iedereen wordt
getroffen door de vriendschappelijkheid, welke zij elkander betoonen,
en verbaast zich over hunne reusachtige sprongen.
Het geslacht der Slankapen bevat nog andere merkwaardige leden. Een
zeer sierlijke Aap is de Boedeng der Javanen (Semnopithecus maurus). In
volwassen staat is hij zwart; het aangezicht en de handen hebben den
glans van fluweel, de rug is zijdeachtig. Het kophaar vormt een
eigenaardige muts, die over het voorhoofd afhangt en aan weerszijden
van den kop langs de wangen vooruitsteekt. Pasgeboren jongen zijn
goudgeel van kleur, alleen aan het onderste gedeelte van den rug, aan
de bovenzijde van den staart en aan den staartkwast zijn de bovenste
gedeelten der haren donkerder. Weldra echter breidt de zwarte kleur
zich verder en verder uit, binnen eenige weinige maanden zijn de
handen, de bovenzijde van den kop en de staartkwast zwart geworden, en
van nu af wordt de vacht allengs gelijk aan die van het oude dier. De
lengte van dezen fraaien Aap bedraagt nagenoeg 1.5 M., waarvan meer dan
de helft op den staart komt.
„De Boedeng”, zegt Horsfield, „komt in de uitgestrekte bosschen van
Java zeer veelvuldig voor. In talrijke gezelschappen vindt men hem op
de toppen der boomen, niet zelden meer dan 50 exemplaren bijeen. Men
doet wel, zulke troepen op eenigen afstand te beschouwen. Bij de
nadering van menschen beginnen zij luid te schreeuwen, en springen
onder een oorverdoovend geraas zoo woedend in de boomkroon rond, dat er
dikwijls dikke stukken dood hout afbreken en op hunne vervolgers
vallen.”
De gevangene Boedeng heeft een stil, zachtaardig en lijdend voorkomen.
In Antwerpen was er een in gezelschap van kleine Meerkatten en Makaken,
die hem onophoudelijk plaagden en kwelden, zonder dat het in hem
opkwam, zich te verweren. Het maakte een comischen indruk, dezen
grooten Aap naar de pijpen te zien dansen van een nauwelijks één jaar
ouden Meerkat, die hem door stompen en oorvegen, door knijpen en aan ’t
haar trekken op de jammerlijkste wijze tyranniseerde. Het bleek
duidelijk, dat goedaardigheid den grondtrek van het karakter van den
Boedeng uitmaakt; hij mist geheel en al de laaghartigheid, die andere
leden der orde zoo zeer kenmerkt.—Ook de Boedeng heeft, naar het
schijnt, veel te lijden van ons klimaat. Het is hem aan te zien,
hoeveel goed het hem doet, als hij zich in het zonnetje mag koesteren,
hoe gelukkig hij is, wanneer een blik van de levenwekkende dagvorstin,
welker gloed aan zijn rijk gezegend vaderland alle pracht en
heerlijkheid der keerkringslanden verschaft, op hem valt.
Van de eigenlijke Slankapen wordt tegenwoordig een soort afgescheiden,
die duidelijk kenbaar is aan zijn vreemdsoortigen neus; het is de op
Borneo levende Neusaap of Kahau (Nasalis larvatus). Over het geheel
heeft dit zonderlinge dier denzelfden lichaamsbouw als de Slankapen: de
vooruitstekende, misvormde menschenneus echter, die als een slurf
bewogen, uitgestoken en teruggetrokken kan worden, verleent hem een
hoogst eigenaardig voorkomen. Het lichaam is slank, de staart zeer
lang; de voorste en achterste ledematen zijn ongeveer van gelijke
lengte; wangzakken ontbreken. De neus hangt haakvormig over de bovenlip
heen, is in het midden tamelijk breed, aan den top toegespitst en langs
den rug met een ondiepe groeve voorzien; de neusgaten zijn zeer groot,
en kunnen nog zeer sterk uitgezet worden. Bij jonge dieren is het later
zoo merkwaardig ontwikkelde zintuig nog klein en stomp. Volgens C. Bock
bereikt het alleen bij de mannetjes op lateren leeftijd de
eigenaardige, aanzienlijke grootte, niet echter bij de wijfjes. De
beharing is dicht en zacht; aan de kruin zijn de haren kort en talrijk,
aan de zijden van het gelaat en aan het achterhoofd langer; aan den
hals vormen zij een soort van kraag. De kleur van dezen Aap is tamelijk
bont; de volwassen mannetjes zijn ongeveer 1.5 M. lang; de staart is
een weinig langer dan de kop met den romp te zamen genomen. De wijfjes
zijn kleiner.
De levenswijze van deze op boomen gezellig levende dieren is nog
slechts zeer onvolledig bekend. Volgens Wurmb verzamelen zij zich des
morgens en des avonds tot talrijke scharen, die een gehuil aanheffen,
waarvan hun naam een nabootsing is.
Ook de Afrikaansche verwanten van de Aziatische Slankapen, de
Kortduim-apen (Colobi), zijn zeer in ’t oog loopende dieren, die zich
door een eigenaardige kleur, zonderlinge, maar fraaie manen en andere
haarwoekeringen onderscheiden. Evenals Indië meer leven en rijkdom
vertoont dan het droge Afrika, zoo zijn ook de Slankapen helderder en
vroolijker van kleur dan de Kortduimapen, hoewel men niet zeggen kan,
dat deze minder schoon zijn, een minder aangenamen indruk maken op ons
oog dan gene. Over ’t geheel zijn de kenteekenen, waardoor deze beide
groepen van elkander verschillen van zeer geringe beteekenis. De
Kortduimapen onderscheiden zich van de Slankapen vooral hierdoor, dat
zij aan de voorhanden nevens de vier vingers slechts een kort stompje
hebben, ter plaatse waar de duim verwacht kon worden. De romp van de
Kortduimapen is nog steeds slank en sierlijk gebouwd, de snuit kort, de
staart zeer lang; de schrale ledematen evenaren elkander in lengte; de
wangzakken ontbreken.
De eereplaats in deze diergroep komt toe aan den Guereza (Colobus
guereza); ontegenzeggelijk is hij de schoonste van alle Apen. Zijn
kleur maakt een hoogst aangenamen indruk; zijn haarkleed is zoo
eigenaardig en tevens zoo sierlijk, dat misschien geen ander dier hem
in dit opzicht overtreft. De Duitsche reiziger Rüppell vond dit
wonderschoone wezen gedurende zijn reis in Abessinië in de provincie
Godscham; aan den naam dien het dier daar draagt, heeft hij den naam
ontleend, waarmede het in de wetenschappelijke werken wordt aangeduid.
Eigenlijk was deze aap al vroeger bekend; Hiob Ludolf vermeldt hem in
een zeer belangrijk werk over Ethiopië; Rüppell echter was de eerste
natuuronderzoeker, die den Guereza levend leerde kennen en op eigen
ervaringen gegronde mededeelingen over hem kon geven. Later waren ook
andere reizigers hiertoe in staat. Terwijl ik mij in de nabijheid van
den benedenloop van den Witten Nijl bevond, zag ik een als tabakszak
dienend vel van dit dier in de handen van een Hassanie, die mij
vertelde, dat het in verder zuidwaarts gelegen gewesten niet zeldzaam
is. Ook Heuglin heeft dezen Aap in Abessinië en bij den Witten Nijl
dikwijls ontmoet, en uit betrouwbare bron vernomen, dat hij ook in
andere Afrikaansche landen inheemsch is. Dat zijn verbreidingsgebied
veel uitgestrekter is, dan vroeger aangenomen werd, bleek, toen Thomson
hem in Massai-land vond, en Johnston en Hans Meijer berichtten, dat hij
niet alleen op den Kilima-Ndscharo op ongeveer 1000 M. hoogte, maar
ook, en zelfs vrij veelvuldig, verder zuidwaarts in het landschap Kahe
aangetroffen wordt. Van de bekoorlijkheid van den Guereza kunnen
afbeeldingen en beschrijvingen natuurlijk slechts een onvolkomen
denkbeeld geven: Op het fluweelachtig zwarte lichaam maken de wit
behaarde gedeelten van de huid (een dwarsstrook boven de oogen, de
slapen, de zijden van den hals, de kin, de keel, een strook langs de
zijden en om de naakte eeltplekken, het uiteinde van den staart) een
prachtig effect. Ieder wit haar is echter met een groot aantal bruine
ringetjes geteekend, waardoor het geheel den indruk maakt van
zilvergrijs te zijn. De manen (zoo zal ik de lange haren van de zijden
des lichaams maar noemen) hangen als een kostbare Bedoeïnen-mantel naar
beneden, en vormen een zeldzaam schoon sieraad van de vacht.
De jacht op den Guereza biedt groote bezwaren aan. Op de hooge kruinen
zijner lievelingsboomen is hij voor de listen der menschen tamelijk
veilig. Met een met hagel geladen geweer kan men het sterke, taaie dier
wel wonden, maar dan heeft men het nog niet in handen; met meer succes
gebruikt een geoefend jager de buks. Gelukkig kunnen de inboorlingen
met dit wapen niet goed omgaan; anders zouden de Abessiniërs het
schoone dier misschien uitgeroeid hebben. In vroegere tijden werd het
ijverig vervolgd. Het gold voor een bijzondere onderscheiding een
schild te bezitten, dat met een vel van dezen Aap versierd was. De
schilden der Abessiniërs en van andere volksstammen in Oost-Afrika zijn
langwerpig rond en van Antilopen-, soms ook wel van Nijlpaardenleer
vervaardigd; zij worden op zulk een wijze met het vel van den rug en
van de zijden van den Guereza bekleed, dat de manen er een gordel
omheen vormen.
In Gondar, de hoofdstad van Abessinië, werd vroeger voor zulk een vel
een speciedaalder betaald, een som waarvoor men 5 of 6 vette Schapen
kon bekomen. Tegenwoordig is de prijs van dit sieraad belangrijk lager;
de hierboven beschreven schilden worden gelukkig niet meer
gebruikt;—gelukkig, zeg ik, omdat hierdoor, naar ik hoop, de zoo
bekoorlijke Guereza, voorloopig althans, het lot ontgaan zal, waarmede
de vernielingswoede van den mensch overal „zijne eerst-geboren
broeders” bedreigt.
Slechts tweemaal zijn, voor zoover mij bekend is, Guereza’s levend naar
Europa gebracht.
Andere leden van hetzelfde geslacht zijn de Beerachtige Kortduimaap
(Colobus ursinus) en de Duivelsaap (Colobus satanas). De eerstgenoemde
verschilt van den Guereza door het gemis van de witte manen, door de
langere beharing van het lichaam en door den bijna pluimloozen staart.
Hij bewoont Opper-Guinea en Fernando-Po. De Duivelsaap is eenkleurig
zwart, en wordt hoofdzakelijk op Fernando-Po gevonden.
Afrika is het vaderland zoowel van de grootste, de schranderste en de
leelijkste Apen van de Oude Wereld, als ook van de schoonste, de
sierlijkste en de gezelligste leden van deze diergroep. Tot dezen
behooren ongetwijfeld de Apen, die bij ons onder den naam „Meerkatten”
bekend zijn, en die het geslacht Cercopithecus vormen. Sommige leden
van dit geslacht komen ons in iederen dierentuin of in ieder
beestenspel vaak genoeg onder de oogen; ook treft men ze niet zelden
aan als vroolijke huisgenooten van dierenvrienden. De benaming
„Meerkat”, die reeds in de 16e eeuw voorkomt, is door zoogenoemde
volks-etymologie uit het Indische woord markata ontstaan, dat ook thans
nog gebezigd wordt tot aanduiding van den Bonder. Natuurlijk staat onze
Aap zoo min tot het „meer” als tot de „kat” in eenige betrekking. Hij
bewoont de tropische gewesten van Afrika, wordt echter alleen op het
vastland, niet op de eilanden aangetroffen. Waar ongerepte wouden zijn,
komen ook de Meerkatten in grooten getale voor. Verscheidene soorten
krijgen wij zoowel uit het oostelijke, als uit het westelijke en uit
het centrale gedeelte van het donkere werelddeel; de meesten echter
komen uit West-Afrika; tamelijk vele ook uit Abessinië en uit de
landen, die tot het stroomgebied van den Boven-Nijl behooren.
Zij onderscheiden zich door een vlugge en sierlijke gestalte, slanke
ledematen, fijne, korte handen met langen duim, bovendien door een
langen staart zonder kwast aan de spits; zij hebben wijde wangzakken en
groote eeltplekken aan het zitvlak. Hunne kleuren zijn meestal tamelijk
levendig, bij enkele soorten zelfs bont en dikwijls recht aangenaam.
Men kent er ongeveer 20 soorten van. In de Nijllanden vindt men ze
eerst op lagere breedtegraden dan 16° N.-B.; in het westen en oosten
verbreiden zij zich tot aan de zeekust. Vochtige of althans door
rivieren besproeide bosschen worden door hen steeds verkozen boven
droge bergstreken; in de nabijheid van bebouwde velden vestigen zij
bijzonder graag hun woonplaats. Men kan er stellig op rekenen daar,
waar men in Afrika Papegaaien vindt, ook Meerkatten te zullen
ontmoeten; omgekeerd treft men waarschijnlijk Papegaaien aan daar, waar
Meerkatten inheemsch zijn.
De Meerkatten behooren tot de gezelligste, vlugste, vroolijkste Apen.
Bijna altijd vindt men ze in vrij groote troepen bijeen; afzonderlijk
levende familiën komen bijna niet voor. Vermakelijk is het, een bende
van deze dieren in ’t bosch waar te nemen. Er komt geen einde aan ’t
leven maken, schreeuwen en vechten, aan ’t boos worden en zich weder
verzoenen, aan ’t klimmen en loopen, aan ’t rooven en plunderen, aan de
grimassenmakerij en aan de lichaamsverdraaiingen. Zij vormen een staat
op zichzelf, en erkennen geen anderen heer boven zich dan de sterkste
hunner soortgenooten; zij weten van geen recht, dan dat, hetwelk door
de scherpe tanden en de krachtige handen van den ouden Apenpatriarch
geoefend wordt; zij achten geen gevaar mogelijk, waaraan zij niet
zouden kunnen ontkomen; zij schikken zich in alle omstandigheden,
vreezen geen gebrek of nood, en slijten zoo hun leven in voortdurende
opgewondenheid en vroolijkheid. Zij zijn gekenmerkt door een
grenzelooze lichtzinnigheid, gepaard aan een potsierlijken ernst; met
beiden beginnen en voleindigen zij al hunne ondernemingen. Voor hen is
geen doel te veraf, geen top te hoog, geen schat veilig genoeg, geen
eigendomsrecht heilig. Het behoeft ons derhalve niet te verwonderen,
dat de inboorlingen met grenzelooze verachting en met toorn over hen
spreken; evenmin kan het ons bevreemden, dat de toeschouwer, die geen
schade lijdt, ze als hoogst vermakelijke wezens aanmerkt.
Het is onmogelijk, een bende Meerkatten in ’t bosch voorbij te gaan,
zonder ze op te merken. Gesteld zelfs, dat uw aandacht niet getrokken
wordt door de zoo wisselende roepstem van den Apenhoofdman, dan zal
toch vermoedelijk het gedruisch, veroorzaakt door het loopen en
springen van het gezelschap in de boomen uw opmerkzaamheid gaande
maken. Indien ook dit niet gehoord wordt, ziet men de dieren loopen,
spelen, rustig zitten, zich in de zon koesteren, en elkander
liefdediensten bewijzen, die wegens de aanwezigheid van sommige
parasieten noodig zijn; nooit denken zij er aan, zich voor iemand, wie
het ook zij, te verbergen. Op den bodem ontmoet men ze alleen daar,
waar iets te bikken valt; overigens leven zij in de toppen der boomen,
en gaan van den eenen tak op den anderen over. En daarbij is het hun
volkomen onverschillig, of hun weg over doornen leidt of niet.
Een zeer merkwaardig schouwspel levert een op roof uitgaande bende
Meerkatten op. De brutaliteit, die zij daarbij toonen, heeft mij altijd
evenzeer vermaakt, als zij den inboorlingen verdroot. Onder de leiding
van den ouden patriarch, wiens rijpe ervaring hem reeds aan menig
gevaar heeft doen ontkomen, begeven de roovers zich naar het korenveld;
de apinnen, die kinderen hebben, dragen deze, onder den buik hangend,
mede; ten overvloede houden de kleintjes mama’s staart met hun staartje
haakvormig omvat. In ’t eerst nadert de bende met groote
voorzichtigheid; het liefst neemt zij haar weg over de toppen der
boomen. De oude heer gaat steeds vooruit, de overigen gaan hem stap
voor stap na; zij betreden niet alleen dezelfde boomen, maar zelfs
dezelfde takken als hij. Nu en dan klautert de voorzichtige leidsman
tot in den top van een boom, en kijkt van daar zorgvuldig rond; als de
uitkomst van zijn onderzoek gunstig is, geeft hij dit door
geruststellende keelklanken aan zijne onderdanen te kennen, zoo niet,
dan verneemt men zijn waarschuwende stem. Van een boom, die dicht bij
het korenveld gelegen is, daalt de bende op den bodem af, en nadert nu
met flinke sprongen het beoogde paradijs. Hier ontwikkelt zij een
waarlijk voorbeeldelooze bedrijvigheid. In de eerste plaats zorgen de
Apen er voor, dat zij niet platzak den terugtocht moeten aanvaarden,
ingeval zij spoedig verdreven worden. Schielijk rukken zij eenige
maïs-kolven of doerrha-aren af, maken de korrels los en stoppen
hiermede de wangzakken zoo vol, als mogelijk is; eerst nadat deze
voorraadschuren gevuld zijn, vatten de roovers hun taak wat
gemakkelijker op, maar worden tevens voortdurend keuriger en moeilijker
te bevredigen bij ’t uitzoeken van ’t voedsel. De afgebroken aren en
kolven worden zorgvuldig beroken, en onmiddellijk weggeworpen, als zij,
wat zeer dikwijls geschiedt, aan de gestelde eischen niet voldoen; de
spilzucht, die aan alle Apen eigen is, openbaart zich nu in de hoogste
mate. Men kan er op rekenen, dat zij van de tien afgeplukte kolven er
slechts één werkelijk opeten; in den regel nemen de fijnproevers
slechts een paar korrels uit iedere aar, en werpen het overige weg.
Juist hierop grondt zich de grenzelooze haat, dien de inboorlingen hun
toedragen.
Als de Apenbende zich in ’t korenveld volkomen veilig acht, veroorloven
de moeders hare kinderen haar te verlaten en met de andere Apenjongen
te spelen. Het strenge toezicht, waaronder alle kleinen door hunne
verpleegsters gehouden worden, blijft daarom niet achterwege; elke apin
houdt een waakzaam oog op haar lieveling gevestigd; niemand hunner
bekommert zich echter om de veiligheid van het geheele gezelschap, maar
verlaat zich, evenals ieder ander lid van de bende, geheel op de
zorgvuldigheid van den aanvoerder. Deze gaat, zelfs gedurende het
nuttigen van ’t smakelijkste maal, af en toe op de achterpooten staan,
en kijkt, als een mensch, in opgerichte houding om zich heen. Na ieder
onderzoek hoort men een geruststellend gegorgel, voor zoover hij
namelijk niets verdachts heeft opgemerkt: in ’t tegenovergestelde geval
waarschuwt hij zijne onderhoorigen door een onnavolgbaar, trillend of
blatend geschreeuw. Oogenblikkelijk maakt de geheele schaar zich tot
den aftocht gereed, iedere moeder roept haar kind tot zich, en in een
oogwenk zijn allen bereid om te vluchten, hoewel zij in der haast nog
zooveel voedsel oprapen, als zij meenen te kunnen meedragen. Meermalen
heb ik gezien, dat een Aap vijf groote maïskolven meevoerde. Daarvan
omvatte hij er twee met den rechter voorpoot, de overige hield hij in
de handen en de voeten, zoodat hij bij ’t gaan met de kolven den grond
aanraakte. Bij dreigend gevaar worden alle geroofde schatten, die de
vlucht vertragen, achtereenvolgens met onwillige gebaren weggeworpen,
de laatste kolf echter eerst dan, als de vervolgers den dief zeer na op
de hielen zijn, en hij werkelijk handen en voeten voor ’t klimmen
noodig heeft. Altijd nemen de Meerkatten de wijk naar den eersten den
besten boom. Ik heb opgemerkt, dat zij ook in een geheel afgezonderd
staanden boom klauterden, waaruit zij, om verder te kunnen vluchten,
als ik ze van daar verjoeg, weer afdalen moesten: zoodra zij echter het
bosch bereikt hebben, en werkelijk vluchten willen, zijn zij geborgen;
want hun bekwaamheid in ’t klimmen is bijna even groot, als die der
Langarmige Apen. ’t Is alsof er geen hindernissen voor hen bestaan: de
vreeselijkste doornen, de dichtste heggen, ver uiteenstaande
boomen—niets stuit hun vaart. Elke sprong geschiedt met een
zelfvertrouwen, dat ons verbazen moet, omdat geen enkel klimmend dier,
dat bij ons thuis behoort in de verste verte in dit opzicht met den Aap
wedijveren kan. Ook nu gaat de Apenleidsman steeds vooraan, en spoort
de kudde door een veel beteekenend gegorgel nu eens tot snellere, dan
weer tot langzamere beweging aan. Angst of moedeloosheid zijn bij
vluchtende Apen niet waar te nemen; bewonderenswaardig is hun
tegenwoordigheid van geest, die zij nooit verliezen. Zonder
overdrijving mag men zeggen, dat er voor hen, als zij willen, geen
gevaar bestaat. Alleen de listige mensch met zijne verreikende wapens
kan ze overmeesteren.
In Oostelijk Soedan maakt men geen eigenlijke jacht op de Meerkatten;
wel vangt men ze, en dan gewoonlijk in netten, waaronder lekkernijen
voor hen zijn neergelegd. De Apen, die het lokaas wegnemen willen,
komen onder ’t net, en geraken er zoozeer in verward, dat zij niet in
staat zijn, zich te bevrijden, hoe woedend zij ook te keer gaan. Wij
Europeanen schoten deze dieren zonder eenige moeite, omdat zij eerst
dan de vlucht nemen, wanneer eenigen hunner den dood gevonden hebben.
Voor menschen gevoelen zij weinig of geen vrees. Dikwijls heb ik
waargenomen, dat zij voetgangers of ruiters, muildieren en Kameelen
onder zich door laten trekken, zonder te kikken; terwijl zij
daarentegen bij ’t zien van een Hond, onmiddellijk hun angstgeschreeuw
laten hooren.
Bij de Apenjacht is het mij gegaan, als tal van andere jagers vóór mij:
ik kreeg er op eens een onweerstaanbaren afkeer van. Ik vuurde op een
Meerkat, die mij juist het gelaat toewendde; zij werd getroffen en viel
van den boom naar beneden, bleef rustig zitten, en wischte zich, zonder
een klaagtoon te laten hooren, met de eene hand op zulk een
menschachtige wijze, zoo verheven bedaard, het bloed af, dat uit vele
wonden van ’t aangezicht vloeide, dat ik ten hoogste ontroerd
toesnelde, en, daar beide loopen van mijn geweer afgeschoten waren,
mijn jachtmes herhaaldelijk door de borst van het dier stiet, om een
einde te maken aan zijn lijden. Ik heb sinds dien dag nooit weer op
kleine Apen gevuurd, en ik raad dit iedereen af, die niet in het belang
van zijne wetenschappelijke onderzoekingen op de Apenjacht moet gaan.
Het was mij te moede, alsof ik een mensch vermoord had, en het beeld
van den stervenden Aap heeft mij in den letterlijken zin van ’t woord
nog lang daarna vervolgd.