„Den 4en Mei overmeesterden eenige negers, die op mijn last jaagden,

een jongen Gorilla. Ik kan geen woorden vinden, om de opgewondenheid te

beschrijven, die mij beving, toen zij het kleine monster in het dorp

brachten. De Aap was vermoedelijk 2 of 3 jaren oud en slechts 60 cM.

hoog, maar zoo woedend en koppig, dat dit bij een volwassen dier niet

erger had kunnen zijn. Mijne jagers vingen hem in het land tusschen den

Rembo en het voorgebergte St. Katharina. Volgens hun verhaal gingen zij

met hun vijven dicht bij een plaatsje aan de kust stil door het woud,

toen zij een geknor hoorden, waarin zij onmiddelijk het geluid

herkenden, waarmede de jonge Gorilla zijn moeder roept. Zonder

aarzeling besloten zij er op af te gaan. Met het geweer in de hand

slopen de dappere negers door de donkere wildernis. Zij wisten, dat de

moeder in de nabijheid zou zijn, en rekenden er op, ook het mannetje te

zullen ontmoeten; zij waren echter vast besloten alles op het spel te

zetten om het jong, zoo mogelijk levend, machtig te worden. Het

tafereel, dat zich weldra aan hen voordeed, was ook voor hen nog nieuw.

Het jong zat op den grond, en was bezig bessen te plukken. Eenige

schreden verder, zat een volwassen wijfje, dat zich aan dezelfde

vruchtensoort te goed deed. Oogenblikkelijk maakten mijne jagers zich

gereed om te vuren; dit was hun geluk, want de oude zag hen, juist toen

zij op haar aanlegden. Gelukkig behoefden zij slechts éénmaal te

schieten om haar te dooden. Door den knal der geweren verschrikt, liep

het jong schielijk naar zijn moeder, en omvatte haar lichaam, waartegen

het zijn gelaat aandrukte. Voor de snel naderbij komende jagers werd

het echter bang; het liep naar een dunnen boom, klom er zeer behendig

in, en keek, toen het zich in de kroon had neergezet, onder woedend

gebrul naar zijne beneden staande vervolgers, die, zonder zich te

bekommeren om het gevaar van door het woedende beest gebeten te worden,

den boom omhakten, en met hem den Aap ten val brachten, wien zij

onmiddellijk een doek over den kop wierpen, om hem gemakkelijker te

kunnen binden. Toch kostte dit moeite, daar het jonge dier een

wonderbaarlijke spierkracht bezat, en niets minder dan goedaardig was.

Het gelukte den jagers, het mede te voeren door gebruik te maken van

een werktuig, dat ook dient om slaven in bedwang te houden, en uit een

houten vork bestaat, welker beide takken door een dwarshout aaneen

verbonden worden, nadat de hals van den gevangene er in gedrukt is.

Toen de Gorilla uit de boot was getild, waarin hij gedurende een deel

van den weg vervoerd werd, gaf hij door woedend gebrul en geblaf en

door de woeste blikken, die hij op de ijlings toegesnelde, verschrikte

dorpelingen wierp, duidelijk te kennen, dat hij niet nalaten zou zich

te wreken, zoodra de gelegenheid hiervoor zich voordeed. Ik zag, dat

hij aan den hals gewond was door het slavenjuk, en liet daarom ten

spoedigste een hok voor hem maken. Twee uren later was een stevig

bamboeshuis voor dit doel gebouwd, en konden wij het dier tusschen de

palen door veilig bespieden. Het was een jong mannetje, ontwikkeld

genoeg om zich zelf te redden, en voor zijn leeftijd buitengewoon

krachtig. Het gelaat en de handen waren zwart, de oogen echter niet zoo

diep ingezonken als bij de oude dieren; de borst en de buik waren

weinig, de armen sterker behaard. Het haar van de wenkbrauwen en van de

armen, dat een roodachtig bruine kleur had, was pas begonnen te

groeien; de bovenlip was met korte haren bedekt; de onderlip droeg een

korten baard; de rug was bezet met grijsachtig haar, dat in de buurt

van de armen donkerder werd en dicht bij den aars volkomen wit scheen.

„Nooit zag ik een beest zoo woedend als deze Aap. Hij schoot toe op

ieder, die hem naderde, beet in de bamboes-stokken, keek boosaardig om

zich heen, en toonde bij elke gelegenheid, dat hij een door en door

grimmig en kwaadaardig gemoed had.”

In lateren tijd heeft men den Gorilla anders en veel beter leeren

kennen. Tweemaal is het aan Duitsche onderzoekers, leden van de onder

Güszfeldt’s leiding ondernomen Loango-expeditie, gelukt, jonge

Gorilla’s in ’t leven te houden en naar Europa te vervoeren, waar zij

lang genoeg geleefd hebben om opheldering te geven van ’t geen in de

levenswijze dezer dieren onbekend of onzeker was gebleven (pp. 10 en

11). Veel hebben wij verder in dit opzicht te danken aan Hugo von

Koppenfels, een hartstochtelijk jachtliefhebber, die in het

laatstverloopen tiental jaren meermalen jachtreizen heeft gedaan in het

stroomgebied van den Gabon en dat van den Ogowe, waar de Gorillas vrij

veelvuldig voorkomen.

Koppenfels is tot nu toe de eenige Europeaan, van wien men met

zekerheid weet, dat hij Gorillas in de wildernis waargenomen en

eigenhandig gedood heeft. Hij bevestigt vele feiten, die andere

schrijvers van hooren zeggen kennen, en vult ze uit eigen waarnemingen

aan:

„Hoewel de bewoners van de boschrijke streken van Guinea veel van de

jacht houden, ben ik toch vast overtuigd, dat zij, die wel eens een

Gorilla in de wildernis te zien gekregen hebben, ternauwernood een

derde gedeelte van de geheele bevolking uitmaken. De Gorilla leeft in

engen familiekring, met uitzondering van de hypochondrische oude

mannetjes. Wegens de groote hoeveelheid voedsel, die dit dier noodig

heeft, zwerft het nomadisch rond, en brengt den nacht door daar, waar

de duisternis het verrast. Elken avond bouwt het een nieuw nest, 5 à 6

M. boven den grond, in rechtstammige boomen van niet veel meer dan 3

dM. dikte. Hiertoe worden de takken op de genoemde hoogte zoover naar

elkander gebogen, als noodig is, en met afgescheurde groene twijgen

bedekt. In dit nest brengen de jongen den nacht door; zoolang zij

verwarming noodig hebben, slaapt de moeder bij hen. De vader echter

leunt, ineengehurkt, met den rug tegen den voet van den stam, die tot

rustplaats dient aan zijn familie, en beschut haar tegen een

nachtelijken overval. Daar de Luipaarden veel van apenvleesch houden,

is deze voorzorg niet overbodig. In het droge jaargetijde, als het

water en het voedsel in het dichtst van het woud schaarsch beginnen te

worden, zoekt de Gorilla de door menschen bewoonde oorden op, en richt

daar volgens apengewoonte, groote verwoestingen aan.

„Zoolang hij niet lastig wordt gevallen, grijpt hij den mensch niet

aan; maar vermijdt liever een ontmoeting met hem. Als deze toch plaats

vindt, richt hij zich op, laat een onnavolgbaar, diep uit de borst

komend, kort afgebroken, rollend of knorrend gebrul hooren, en slaat

zich tandeknarsend met de reuzenvuisten op de buitengewoon breede

borst. De onbeschrijfelijk boosaardige uitdrukking van zijn gelaat

wordt nog verhoogd, doordat de haren van kop en nek zich trillend

oprichten. Een woedende oude Gorilla levert een vreeswekkend schouwspel

op. Toch geloof ik niet, dat hij een mensch zal aanvallen, als deze hem

niet vertoornt, of althans zich ter rechter tijd stilletjes uit de

voeten maakt, voordat de woede van het dier haar toppunt heeft bereikt.

Indien men echter het ongeluk heeft gehad, hem slechts licht te wonden,

zal hij (ik ben er vast van overtuigd, zonder het zelf ondervonden te

hebben) den jager te lijf gaan, en wee hem, die op dat oogenblik geen

tweede schot tot zijn beschikking heeft! Het is onmogelijk zulk een

vijand te ontvluchten, terwijl het een dwaasheid zou zijn zich tegen

hem met andere wapens dan met schietgeweer te willen verdedigen.”

Zijn eerste Gorilla doodde H. von Koppenfels op Kerstmis van 1874. Hij

had zich verscholen in de nabijheid van een iba of wilden mango—een

boom, van welks vruchten de Gorilla’s veel houden—, waaronder hij

eenige frisch aangebetene vruchten had gevonden. „Ik had daar misschien

al een uur tevergeefs gewacht, de schaduwen van den invallenden nacht

werden merkbaar, de muskieten begonnen mij op gevoelige wijze te

kwellen; ik wilde reeds mijn standplaats verlaten, toen ik in de buurt

van den iba een zwak gedruisch vernam, alsof iets afgebroken werd.

Loerend langs den stam, waarachter ik mij verborgen had, bespeurde ik

een Gorilla-familie, die zorgeloos bezig was vruchten te plukken. Zij

bestond uit de beide ouders en twee jongen van verschillenden leeftijd;

ze met menschenkinderen vergelijkend, schatte ik het oudste op 6, het

jongste op 1 jaar. Het was roerend te zien, hoe liefderijk en

zorgvuldig het wijfje voor het jongste kind was. De vader echter

bekommerde zich om niets dan om het stillen van zijn eigen honger.

Waarschijnlijk omdat de beste op den grond liggende vruchten door hem

opgegeten waren, klom het Gorilla-wijfje met buitengewone behendigheid

in den boom en schudde er de rijpe vruchten af.

„De mannelijke Gorilla begaf zich nu kauwend naar het naburige water om

te drinken. Hem had ik geen oogenblik uit het oog verloren. De

herinnering aan de verhalen van Du Chaillu en aan de zeer overdreven

berichten der inboorlingen maakte, dat ik mij bij de verschijning van

het dier niet zeer op mijn gemak gevoelde. Dit hield echter op, toen de

Gorilla, dicht bij den waterrand gekomen, plotseling onrust te kennen

gaf, en in gebukte houding naar den boom keek, die mij voor hem

verborg. Te laat echter bespeurde hij den nabijzijnden vijand; want,

gereed om te vuren, volgde ik reeds met mijn buks elke beweging van het

mij aanstarende dier. Eenige weinige oogenblikken waren voldoende om

het goed in het vizier te krijgen. Het schot ging af. Nog voordat de

kruitdamp opgetrokken was, had ik een nieuwe patroon in den loop

geschoven, en wachtte zoo een eventueelen aanval af. Mijn zwarte

jachtgezel stond sidderend achter mij met een tweede geweer in de hand.

Het kwam echter niet tot verderen strijd. De Gorilla was doodelijk

getroffen met het gelaat op den bodem neergestort. De jongen vluchtten,

terwijl zij een enkele maal een kort geschreeuw lieten hooren, het

bosch in; de moeder sprong van een aanzienlijke hoogte van den boom op

den grond, en liep hen na. In mijn opgewondenheid vergat ik haar te

schieten. Zoo had dus het jachtgeluk mij op het oogenblik, waarop bij

ons ’t huis de kerstboomlichtjes aangestoken worden, een prachtig

kerstgeschenk bezorgd.”

Niet lang daarna schoot Koppenfels den grootsten Gorilla, dien hij ooit

in handen kreeg, en dien hij toevallig ontmoette. Hij was, door zijne

dragers gevolgd, in ’t woud gegaan, langs een smal wildpad.

„Plotseling,” verhaalt hij, „hoorde ik een luiden schreeuw van den

Galla-drager, die onmiddellijk achter mij aan kwam, waarop hij en de

andere flauwe kerels hun last van zich wierpen en wegliepen, mij

toeroepend: „Pas op, heer, een groote Gorilla!” Door deze waarschuwing

opgeschrikt, zag ik eerst, toen naast mij een dof gebrom weerklonk,

nauwelijks vijftien pas van mij af een donkere gedaante, die, zich

oprichtend, reusachtige afmetingen verkreeg. Het was de grootste

Gorilla, dien ik ooit heb gezien, en de eerste, die stand hield. Als

hij partij getrokken had van mijn ontsteltenis, zou ik verloren geweest

zijn. Ik had geen lust om te onderzoeken, hoe lang dit elkander

aankijken wel zou kunnen duren. Toen ik mijn dubbelloops buks ophief,

begon het rommelende gebral meer op blaffen te gelijken; het trommelen

op de borst werd sneller, de ruige haren op den kop richtten zich

trillend op, en het had er allen schijn van, dat mijn vreeselijke

vis-à-vis mij aanvallen zou. Toch ben ik overtuigd, dat de Gorilla, als

ik te rechter tijd voorzichtig weggegaan was, mij ongemoeid gelaten zou

hebben. Dit was echter volstrekt mijn bedoeling niet. Toen ik mijn

ontroering meester was geworden, mikte ik bedaard en zeker op het hart

van het dier. Nadat het schot gevallen was, deed de Gorilla een

luchtsprong, en viel, de armen zijwaarts strekkend en zich draaiend,

met het gelaat op den grond. Gedurende het vallen had hij een 5 cM

dikke liane gegrepen: zoo kolossaal was zijn lichaamskracht, dat hij

met deze slingerplant dorre en groene takken van den boom, waaraan zij

zich steunde, naar beneden trok. Zijn gewicht schatte ik op 200 KG.;

zijn lichaamslengte bedroeg 1.9 M.”

De onopgesmukte, op eigen aanschouwing gegronde beschrijvingen van Hugo

Koppenfels geven ons een juistere voorstelling van dezen zonderlingen

boschbewoner dan wij tot dusver hadden; hij verliest hierdoor een groot

deel van de hem toegedichte verschrikkelijkheid. „Hij is”, zooals R.

Burton terecht zegt, „een arme drommel van een Aap, en geen helsch

wangedrocht, half mensch, half beest.”

Dikwijls heeft men tevergeefs beproefd jonge Gorillas naar Europeesche

dierentuinen over te brengen en in ’t leven te houden. In 1860 gelukte

dit voor de eerste maal met een exemplaar, dat in Engeland zeven

maanden lang in ’t leven bleef. Door een gelukkig toeval kreeg

Falkenstein, de arts en zoöloog van de Duitsche Loango-expeditie, in

1875 den jongen Gorilla in zijn bezit, die later (in 1876) in het

Berlijnsch aquarium is opgenomen. De directeur van deze inrichting, Dr.

Hermes, heeft in 1877 aan de te Hamburg vergaderde Duitsche

natuuronderzoekers en artsen van de levenswijze en ontwikkeling van

zijn Gorilla een uitvoerig verslag gegeven, dat o.a. het volgende

bevat: „Reeds jaren lang heeft het Berlijnsch aquarium groote waarde

gehecht aan het bezit van Anthropomorphe Apen. Het is allengs verrijkt

geworden met alle vier vertegenwoordigers dezer diergroep, den Gibbon,

den Orang Oetan, den Chimpanzee en den Gorilla. Hierdoor was ik

uitmuntend in de gelegenheid om de levenswijze dezer dieren in de

gevangenschap nauwkeurig waar te nemen en ze te dezen aanzien met

elkander te vergelijken.

„De merkwaardigste van alle Anthropomorphen is de Gorilla. Het is alsof

dit dier brieven van adeldom met zich op de wereld heeft gebracht. Ons

exemplaar is ongeveer twee jaar oud, en heeft een hoogte van bijna 70

cM. bereikt. Zijn lichaam is bedekt met zijdeachtig zachte,

gedeeltelijk grauwe, op den kop roodachtige haren. Zijn stevige,

gedrongene gestalte, zijne gespierde armen, zijn glad, glanzig zwart

gelaat met de goed gevormde ooren, de groote, verstandige, schelmsche

oogen geven hem een frappant menschachtig voorkomen. Hij zou op een

negerjongen gelijken, als de neus een anderen vorm had. Deze indruk

neemt toe door de onbeholpenheid van zijn geheele wezen; ieder van

zijne bewegingen herinnert meer aan die van een loggen knaap, dan aan

die van een Aap. Als hij, op den grond zittend als een pagode, zijn

blik over het hem aangapend publiek laat zwerven, en dan met knikkend

hoofd plotseling in de handen klapt, heeft hij zich in eens aller

toegenegenheid veroverd. Hij bevindt zich graag te midden van een groot

gezelschap, onderscheidt jonge van oude, mannelijke van vrouwelijke

personen. Hij is zeer lief voor kinderen van 2 à 3 jaar; hij kust ze

graag, en verdraagt alles van hen, zonder ooit van zijne grootere

kracht gebruik te maken. Oudere kinderen behandelt hij reeds minder

goed; ook met hen wil hij graag spelen; hij houdt wedloopen met hen om

de tafel en de stoelen, die hij dikwijls omsmijt, en geeft intusschen

op een schelmsche wijze, nu eens den eenen, dan weer den anderen

medespeler een tik met de vlakke hand; hij schroomt echter volstrekt

niet, te midden van ’t spel een van de jongens bij ’t been te pakken en

daarop zijne tanden te probeeren. Als hij door een dame op den arm

wordt genomen, is hij zeer dankbaar; haar omhelzend en tegen haar

schouder leunend, blijft hij graag langen tijd op haar schoot zitten.

In de algemeene apenkooi speelt hij graag; hier is hij de onbeperkte

heerscher; zelfs de Chimpanzee erkent zijn meerderheid zonder weerstand

te bieden. Hij behandelt dezen echter eenigermate als een gelijke in

rang, door bijna uitsluitend hem als speelnoot te kiezen, terwijl hij

met het gemeene apenplebs geen complimenten maakt. Hij is gewoon zijn

vriend te liefkozen, maar dit soms nog al onhandig. Eens pakte hij den

Chimpanzee aan en beiden rolden, elkander steeds vasthoudend, over den

grond. Een andere maal, toen de Chimpanzee hem ontweek, terwijl hij hem

wilde grijpen, viel hij als een onbeholpen knaap met vooruitgestoken

handen op den grond. Zijn gang heeft veel overeenkomst met dien van den

Chimpanzee; even als deze steunt hij op de buitenste oppervlakte van de

hand en op de zool van den voet, maar zet de voeten meer buitenwaarts.

Hij steekt den kop omhoog met een voornaam air, alsof hij zich bewust

is, tot een hoogeren stand te behooren. Zijn goede luim, die hem zelden

verlaat, openbaart hij onder andere door den top van zijn roode tong te

laten zien, die, scherp afstekend bij zijn glanzig zwart gelaat, den

negerjongen-achtigen indruk, dien hij maakt, nog verhoogt.

„Menschachtig als zijn geheele wezen, is ook de wijze waarop hij leeft.

Des morgens omstreeks 8 uur wordt hij wakker, gaat in zijn bed rechtop

zitten, gaapt, bekrabt enkele deelen van zijn lichaam, en blijft

slaapdronken en onverschillig, totdat hij zijne morgenmelk gekregen

heeft, die hij gewoon is uit een glas te drinken. Geheel opgevroolijkt

verlaat hij nu zijn bed, kijkt de kamer eens rond om te zien of er iets

te vernielen valt, gluurt door het venster, begint in de handen te

klappen, en, bij gebrek aan aangenamer gezelschap, met zijn oppasser te

spelen. Altijd moet deze bij hem zijn. Geen oogenblik wil hij alleen

gelaten worden. Met een schellen toon schreeuwt hij, als hij bemerkt,

dat zijn oppasser weggegaan is. Om 9 uur wordt hij gewasschen; door een

knorrend geluid geeft hij te kennen, dat dit hem goed bevalt. Daar hij

met zijn oppasser samenleeft, houdt hij zijne maaltijden als deze. Tot

ontbijt krijgt hij een paar Weener, Frankforter of Jauersche worsten of

een boterham belegd met Hamburger rookvleesch, Berlijnsche kaas of iets

anders. Daarbij drinkt hij bij voorkeur een glas wit bier; opmerkelijk

is het na te gaan, hoe hij het glas dat voor zijn korte, dikke vingers

te groot is, aanvat; het zou hem uit de handen vallen, als hij niet,

behalve deze, den voet gebruikte om het vast te houden. Om 1 uur brengt

de vrouw van den oppasser hem zijn middagmaal. Dit uur zag hij steeds

vol verlangen te gemoet, toen hij gedurende den heeten zomer in mijn

woning gehuisvest was. Als er gescheld werd, wenschte hij steeds de

gangdeur zelf te openen. Als de vrouw binnenkomt, onderzoekt hij de

spijzen, en snoept gaarne van die, waarvan hij het meest houdt. De

gewone straf voor zijn snoepzucht is een draai om de ooren. Als hij

dezen gekregen heeft, wacht hij, zonder zijne blikken van de spijzen af

te wenden, zoet het begin van den maaltijd af. Eerst krijgt hij een kop

bouillon. In een oogwenk is deze tot op den laatsten druppel geledigd.

Dan komt er rijst, of groente, bij voorkeur aardappels, wortels of

koolrapen met vleesch gekookt. De vrouw ziet er op toe, dat hij zich

ordentelijk gedraagt, en werkelijk maakt hij reeds handig gebruik van

een lepel. Zoodra hij meent, dat men niet naar hem kijkt, steekt hij

zijn mond in den schotel. Na de genoemde gerechten heeft hij het liefst

een stuk van een gebraden hoen. Als het eten gedaan is, wil hij rusten.

Na een middagslaapje van een uur, soms anderhalf, is zijn lust om te

spelen opnieuw ontwaakt. Des namiddags krijgt hij vruchten, ’s avonds

melk of thee en een boterham. Om 9 uur gaat hij slapen. Hij ligt

gewikkeld in een wollen deken op een matras. De oppasser blijft bij hem

zitten, tot hij ingeslapen is, wat bij zijn groote behoefte aan slaap

niet al te lang duurt. Liever slaapt hij in één bed met den oppasser,

dien hij dan omvat houdt, en op wiens lichaam hij zijn kop laat rusten.

Hij slaapt vast, den geheelen nacht door; gewoonlijk wordt hij vóór 8

uur ’s morgens niet wakker.—Hij bewoont een opzettelijk voor hem

gebouwd glazen paleis, dat met een kleine palmenbroeikas in gemeenschap

staat. Hierdoor wordt hem het gemis van de vochtige atmospheer van zijn

tropisch vaderland zoo veel mogelijk vergoed.—Het krachtige gestel van

onzen Gorilla geeft mij grond voor de hoop, dat hij bij deze

behandeling nog lang het schoonste sieraad van ons aquarium zal

blijven.” Deze wensch is ongelukkig niet verwezenlijkt: het

hierbedoelde dier stierf den 13en November 1877 aan een vliegende

tering, nadat het 9 maanden in Afrika en 15 maanden te Berlijn in

gevangenschap had geleefd, en een langdurige kunstreis naar Engeland

met goed gevolg had doorgestaan.—Een tweede Gorilla werd in den aanvang

van het jaar 1883 door tusschenkomst van Pechuel-Loesche (die met

Falkenstein in het Kongo-gebied een onderzoekingsreis had gedaan, en

toen terugkeerde) levend naar Europa gebracht, en eveneens in het

Berlijnsch aquarium opgenomen. Hij is er onder de hoede van den

directeur Hermes 14 maanden in ’t leven gebleven: den 16en Maart

overleed hij aan een soortgelijke ziekte als de eerste

Mpoengoe.—Opmerkelijk is het, dat geen van beide dieren gedurende de

zeereis naar Europa last gehad heeft van zeeziekte.—Alle andere

pogingen om Gorillas levend naar Europa over te voeren, en hier in ’t

leven te houden, zijn tot dusver mislukt.

Wij gaan nu over tot het tweede geslacht van de Anthropoïden, tot den

reeds meermalen genoemden Chimpanzee (Simia troglodytes). Deze aap is

schraler en aanmerkelijk kleiner dan de Gorilla: oude mannetjes zijn

hoogstens 1.7 M., en wijfjes 1.3 M. lang. Het deel van den schedel, dat

de hersenen bevat, is langwerpiger, van boven en van achteren meer

afgerond, minder kantig dan bij den Gorilla, wiens schedel een

overlangschen, aan ’t achterhoofd ver achteruitstekenden, hoogen,

beenigen richel of kam draagt. Deze is bij den Chimpanzee veel minder

ontwikkeld, waaruit men kan afleiden, dat de slaapspieren, die voor ’t

sluiten van den bek dienen, bij hem minder krachtig zijn. Wegens de

minder sterk naar voren uitpuilende wenkbrauwbogen en den helderen blik

der oogen maakt het gelaat van den Chimpanzee een veel zachteren indruk

dan dat van den Gorilla. De neus is plat, de bovenlip lang, bol en

gerimpeld; de onderlip steekt ver vooruit. Beide lippen zijn

buitengewoon bewegelijk en kunnen samen een soort van snuit vormen. Het

oor is grooter en minder menschachtig van vorm dan dat van vele

Gorillas. De armen bezitten groote spierkracht, zijn lang, en reiken,

als het dier rechtop staat, tot even voorbij de knieën. Aan de handen

is de duim dun en kort, de vingers zijn lang, de middelvinger is de

langste. Aan de voeten is de groote teen door een diepe bocht van de

overige, teenen gescheiden. De zool is plat.

Het haar van den Chimpanzee is sluik, aan ’t voorste deel van den kop

meestal gescheiden; lange haren bedekten het achterhoofd, de wangen, de

schouders, den rug, de armen en de beenen; de overige lichaamsdeelen

zijn korter behaard. Meestal is het haar donker zwart van kleur; dof

roodachtig bruin getinte exemplaren zijn echter niet zeldzaam. Het

onderste gedeelte van het gelaat en de kin zijn met korte, witachtige

haren begroeid. De huid zelf heeft een eigenaardige lichte kleur;

vooral bij jonge dieren kan men haar vleeschkleurig noemen, later wordt

zij vuiler, meer bruinachtig.

De Chimpanzee, nog meer dan de Gorilla voor het leven in de boomen

ingericht, is zeer ervaren in het klimmen. Al spelend zwaait hij zich

over groote afstanden heen van den eenen boom op den anderen; zijne

sprongen zijn verbazingwekkend. Wanneer men hem verrast, terwijl hij op

de achterste ledematen gaat of staat, laat hij zich dadelijk op alle

vier neervallen om te vluchten. Van de voorste ledematen komt in den

regel alleen de vereelte rugzijde van de vingers, die naar de handpalm

gekromd zijn, met den grond in aanraking; soms hebben ook de teenen van

den voet, die overigens op de geheele zool rust, dezen stand, die den

echten boombewoner karakteriseert.

De groote individueele verschillen, die bij deze Apen voorkomen, hebben

aanleiding gegeven tot het onderscheiden van eenige soorten. Een er van

werd „Tschego” genoemd, naar een naam (Ndjeko of Ndsjiëgo), die dit

dier in ’t Gabon-gebied draagt. Volgens de onderzoekingen van den

Berlijnschen hoogleeraar Robert Hartmann mag men echter aannemen, dat

de Chimpanzees alle tot één diersoort behooren.

De meening, dat de ouden den Chimpanzee gekend hebben, is gegrond op

het beroemde mozaïek-werk, dat eertijds den bodem van den

Fortuna-tempel te Praeneste (het tegenwoordige Palestrina) versierde,

en thans deel uitmaakt van het museum-Barberini te Rome. Nevens vele

andere dieren, die in ’t stroomgebied van den Nijl leven, was er ook

een staartlooze Aap op afgebeeld, die voor onzen Anthropoïde wordt

gehouden.

De uit Angola afkomstige, en vandaar over Engeland naar Nederland

vervoerde, jonge Chimpanzee, die omstreek het jaar 1640 aan Prins

Frederik Hendrik werd vertoond, was misschien het eerste dier van deze

soort, dat levend Europa bereikte. De Amsterdamsche burgemeester en

anatoom Nicolaas Tulp heeft het ontleed en beschreven. Later zijn

herhaaldelijk levende Chimpanzees naar Europa gebracht; sedert eenigen

tijd komt deze Aap zelfs vrij geregeld op de wildedierenmarkten

voor.—Over het levende dier komt het volgende bericht voor in de

„Beschryvinge der Afrikaensche Gewesten” (1668) van den Hollandschen

arts O. Dapper. „Daer is ook een zeker dier by d’ inwoonders

Quojas-Morrou of Worrou en bij de Portugeezen Salvage geheeten, dat

Satyr of Bosch-Mensch gezeit is. Het heeft een groot hooft, is zwaer

van lyf, vlezig van armen, sterk in ’t worstelen, geheel en al zonder

steert, gaet zomwyl recht op zyn lyf, en zomtyts gelyk d’ apen met de

handen op d’ aerde. Het is volgens verhael der zwarten, afkomstigh van

menschen, maer zou door de verandering van ’t bosch en de woestheit

half beest geworden zyn. Deze dieren erneeren zich in de bosschen met

fruiten en wilden honigh, dien zij uit de boomen halen, en smyten

geduurigh tegen elkandre. De zwarten verhalen wonderlyke dingen van dit

dier, en bevestigen, dat het niet alleen weerlooze vrouwen en

onhuuwbare dochters aanvalt en verkraght, maer ook gewapende mannen

derft aentasten.” Op de bijgevoegde kaart zijn Apen afgebeeld in het

koninkrijk Beenin.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 01: De Apen · 第 2 / 13 段