van den Gorilla. Sints lang is het bekend, dat het de kuststreken en
achterlanden van Opper- en Neder-Guinea omvat. (Cachao in Senegambië,
op 12° N.B., is waarschijnlijk het noordelijkste punt ervan.) Hij
bewoont er de bosschen langs de kustrivieren en in de gebergten. H. von
Koppenfels heeft in de Gabon- en Ogowe-landen jacht op hem gemaakt. De
leden van de Duitsche Loango-expeditie hebben hem in verder zuidwaarts
gelegen gewesten tot in de nabijheid van den Kongo waargenomen, in
sommige zelfs zeer overvloedig. Volgens R. Hartmann komt hij nog verder
zuidwaarts voor, tot aan de oevers van den Coanza (op 10° Z.B.). Ook is
het gebleken, dat een groot deel van het binnenland van Afrika den
Cimpanzee als woonplaats dient. Hij werd tot in de nabijheid van de
Groote Meren gevonden, ongeveer even ver als de oliepalm en de Grauwe
Papegaai verbreid zijn. Men vermoedt zelfs zijn aanwezigheid in
Oost-Afrika ten zuiden van Abessinië; volgens Nachtigall is hij ook in
Zuidoost-Afrika, n.l. in ’t achterland van Sofala, inheemsch.
Over hun aanwezigheid in ’t stroomgebied van den Boven-Nijl zegt
Heuglin: „Op de dichtbebladerde hooge boomen van het land der Niam-Niam
huist bij paren en familiën de Mbam (juister Baâm), een Aap van de
grootte van een man, die niet schroomt den hem vervolgenden jager aan
te vallen. Zijn nest is in de kroon van een boom gebouwd, en door een
dak tegen den regen beschut. Hij heeft een olijfkleurig zwartachtig,
niet dicht behaard vel, een onbehaard, vleeschkleurig gelaat en een
witachtig behaard zitvlak.”
De Engelsche zendeling Savage zegt van den in Neder-Guinea levenden
Chimpanzee: „Hoewel deze dieren gewoonlijk geen groote gezelschappen
vormen, en men er zelden meer dan vijf à tien bijeenziet, kan ik toch
op grond van betrouwbare getuigenissen mededeelen, dat zij zich van
tijd tot tijd in grooten getale verzamelen om te spelen. Een mijner
zegslieden verzekert, dat hij er eens een vijftigtal bijeengevonden
heeft, die zich met jubelen, schreeuwen en het trommelen op oude
boomstammen vermaakten.—Zij mijden zooveel mogelijk de woonplaatsen der
menschen. Hunne woningen, eer nesten dan hutten, zijn op boomen
gebouwd, in den regel niet hoog boven den grond. Zij buigen of knikken
groote en kleine takken, zoodat deze naar beneden hangen, leggen ze
kruiselings over elkander en plaatsen er tot steun een al of niet
gevorkten tak onder. Soms vindt men een nest dicht bij het einde van
een dikken, dicht bebladerden tak op 8 à 10 M. hoogte boven den grond;
eenmaal heb ik er een gezien, dat minstens 13 M. hoog was. De
Chimpanzees worden niet zelden door gebrek aan voedsel of dergelijke
redenen tot verandering van woonplaats gedwongen. Meestal zagen wij ze
op hoog gelegen gronden, waarschijnlijk omdat de lage landen, waar de
inboorlingen ten behoeve van den landbouw dikwijls boomen omhakken,
geen voldoende keuze aanbieden van plaatsen, die voor den nestbouw
geschikt zijn. De nesten zijn gewoonlijk op eenigen afstand van
elkander gelegen; zelden ziet men er twee of meer op denzelfden boom.
Toch heeft men er eens vijf bijeen gevonden.” Van nesten, die uit
kunstig saamgevlochten takken bestaan, zooals Du Chaillu ze beschrijft,
wordt door geen anderen reiziger melding gemaakt.
Waarschijnlijk is het voedsel van den Chimpanzee van soortgelijken
aard, als dat van den Gorilla. Vruchten, blad- en bloemknoppen,
misschien ook wortels, zullen wel de voornaamste bestanddeelen van zijn
maal uitmaken.
Van alle Anthropomorphe Apen komt de Chimpanzee tegenwoordig het
veelvuldigst in de Europeesche diergaarden voor; ongelukkig kan men hem
hier slechts bij uitzondering twee of drie jaar in ’t leven houden;
terwijl hij, naar men verhaalt, in West-Afrika soms wel twintig jaar in
gevangen staat geleefd heeft, en er groot en sterk geworden is. Tot
dusver heeft men steeds opgemerkt, dat de gevangenen zachtaardig,
verstandig en lieftallig waren. De Grandpré zag op een schip een wijfje
van deze soort, dat buitengewoon leerzaam was, en allerlei
werkzaamheden verrichtte. Buffon bezat in 1740 een Chimpanzee van
ongeveer twee jaar oud. Deze had een droefgeestige en ernstige
gelaatsuitdrukking; zijne bewegingen waren afgemeten en doordacht. Hij
toonde geen enkele van de leelijke eigenschappen der Bavianen, maar was
ook niet speelsch gelijk de Meerkatten. Hij gehoorzaamde dadelijk, als
hem door woorden of gebaren iets bevolen werd, bood den bezoekers een
arm aan, wandelde met hen rond, ging als een mensch aan tafel zitten,
vouwde zijn servet open, wischte zich er de lippen mede af, at met
lepel en vork, schonk zichzelf in, klonk met de dischgenooten, haalde
een kopje en schoteltje, deed suiker in het kopje, goot er thee op, en
liet dezen drank bekoelen, voordat hij er gebruik van maakte. Hij deed
niemand kwaad, maar ging op bescheiden wijze met allen om, en was zeer
blijde, als men hem liefkoosde.
Van het groot aantal berichten uit den lateren en allerlaatsten tijd
over de levenswijze van den Chimpanzee moge de volgende mededeeling van
den dierenschilder Friedrich Specht hier nog een plaats vinden: „De
Chimpanzee in Nill’s diergaarde te Stuttgart kon echt lachen als een
mensch. Dit komt mij zeer opmerkelijk voor, daar geen enkel ander dier
in staat is om zijne vreugde door luid gelach te kennen te geven. Als
ik dit aardige ventje onder de armen opnam, omhoog wierp en weder
opving, scheen zijn pret geen einde te nemen, wat hij door luid gelach
toonde. Hetzelfde gebeurde, als men hem onder de armen of aan de
voetzolen kietelde. Eens had ik een stuk wit krijt bij mij, toen ik in
zijn hok ging, en op zijn stoel ging zitten; dadelijk wipte hij op mijn
knie, om hier af te wachten, wat er gebeuren zou. Ik gaf hem nu het
krijt en teekende, terwijl ik zijn hand bestuurde, een Maraboe enz. op
den wand van zijn hok; hij liet mij rustig begaan en keek oplettend
naar ’t geen ik deed. Toen ik zijn hand losliet, sprong hij bliksemsnel
op den grond, ging bij den wand staan, en schaduwde de figuren, tot
groot vermaak van de toeschouwers, zoo snel, dat er weldra niets meer
van te zien was. Hij had mijne handeling dus dadelijk begrepen.
„In den Zoölogischen tuin te Stuttgart zijn thans twee Chimpanzees, die
zeer goed met elkander overweg kunnen; aan het wijfje, dat er reeds
vroeger was, werd n.l. een mannetje tot gezelschap toegevoegd. De kist,
waarin de pas aangekomen Aap zich bevond, werd gedurende den nacht
geborgen in het warme en ruime hok van het wijfje; den volgenden dag
zouden beiden aan elkander voorgesteld worden. Toen het mannetje uit
zijn met watten gevoerde slaapstede trad, stonden de beide dieren een
kort tijdje stom van verbazing op de achterpooten tegenover elkander,
waarop een hartelijke omarming en een verscheidene malen herhaald gekus
volgden. Nu haalde het wijfje haar deken, breidde deze op den bodem
uit, ging er op zitten, en noodigde door gebaren het mannetje uit, om
zijn gemak te nemen. Een aardig schouwspel leveren zij op, als zij
gedurende den maaltijd tegenover elkander aan tafel zitten. Beide eten
hunne brei met den lepel, en toonen niet den minsten broodnijd. Als de
drinkbekers op tafel gezet worden, heeft het wijfje de gewoonte, den
beker van het mannetje behoedzaam naar zich toe te halen, er uit te
drinken, en hem daarna rustig weer op zijn plaats te zetten:—„mijn man
moet zooveel niet drinken”, denkt zij misschien. Ook deze dieren geven,
als zij spelen, hunne vreugde door gelach te kennen.”
De Orang-Oetan (Boschmensch, Pithecus satyrus), op Borneo Meias of
Majas genoemd, is de merkwaardigste van de Aziatische Mensch-apen. Van
zijne Afrikaansche verwanten onderscheidt hij zich door de veel langere
armen, die tot aan de enkels reiken, en door den vorm van den kop,
welks schedel naar boven kegel- of piramide-vormig uitloopt, terwijl
het aangezicht in een sterk vooruitstekenden snuit eindigt. Hij heeft,
evenals wij, 12 ribbendragende wervels (rugwervels), terwijl de Gorilla
en de Chimpanzee er 13 hebben. De schedel van den jongen Orang-Oetan
gelijkt zeer veel op dien van een kind; naarmate hij ouder wordt,
treden bij hem de dierlijke eigenaardigheden hoe langer hoe meer op den
voorgrond, zoodat zijn schedel dan nog maar weinig op dien van den
jongen Aap gelijkt.
De groote mannelijke Orang-Oetan, die door Wallace gedood werd, had
rechtopstaand een hoogte van 1.35 M.; wanneer de armen zijwaarts
gestrekt werden, bedroeg de afstand tusschen de vingertoppen 2.4 M.;
het aangezicht was 35 cM. breed, de omvang van het lichaam bedroeg 1.35
M. De romp heeft een sterk vooruitstekenden buik, en is, over de heupen
gemeten, zeer breed. De hals is kort, en vertoont aan de voorzijde
breede plooien, omdat het dier een grooten keelzak heeft, die met het
strottenhoofd in gemeenschap staat en opgeblazen kan worden. De lange
ledematen hebben lange handen en vingers. De platte nagel ontbreekt
dikwijls aan den duim van de achterhand. De lippen zijn leelijk, daar
zij niet slechts gerimpeld, maar bovendien sterk gezwollen zijn, en bol
uitstaan. De neus is geheel plat gedrukt, en het neusmiddelschot steekt
voorbij de neusvleugels uit; de ooren zijn klein, maar gelijken in vorm
op die van den mensch. De hoektanden komen aan het gebit sterk uit; de
onderkaak is langer dan de bovenkaak. De rug is weinig, de borst zeer
dun behaard; des te langer en overvloediger is de beharing echter aan
de zijden van den romp, van waar zij ver afhangt. Aan de wangen en de
kin verlengen de haren zich dikwijls bij wijze van een baard. Aan de
voorarmen zijn de haren naar boven, overal elders naar onderen gericht.
Het gelaat en de handpalmen (voetzolen) zijn geheel, de borst en de
rugzijde van de vingers bijna geheel onbehaard. Gewoonlijk is de
beharing donker-roestrood, zeldzamer bruinachtig rood; de haren van rug
en borst zijn donkerder, die van den baard echter lichter van kleur. De
onbehaarde lichaamsdeelen zijn blauwachtig grijs, leikleurig of
zwartachtig. De oude mannetjes verschillen van de wijfjes door meerdere
grootte, dichtere beharing, langer haar en sterker ontwikkelden baard.
Bovendien hebben zij eigenaardige opzwellingen of huidplooien aan de
wangen, die zich halvemaanswijs van de oogen naar de ooren en naar de
bovenkaak uitstrekken, en het aangezicht in ’t oogloopend leelijk
maken. De jongere dieren zijn baardeloos, voor ’t overige echter
sterker behaard en donkerder van kleur.
De Orang-Oetan is sedert overouden tijd bekend. Reeds bij Plinius kan
men lezen, dat er op de Indische bergen „saters” zijn, „zeer
boosaardige dieren met een menschengezicht, die soms rechtop, soms op
alle vier gaan, en die, wegens hun vlugheid, alleen als zij oud of ziek
zijn, gevangen kunnen worden.” Eeuwen achtereen werd de mededeeling van
Plinius oververteld en telkens weer met bijvoegsels voorzien, die er
allengs de beteekenis, van veranderden. In dit geval, en in vele
andere, werd de kern van waarheid, die het oorspronkelijke bericht
bevat, door tal van overdrijvingen nagenoeg onkenbaar. De naschrijvers
verloren uit het oog, dat er van dieren sprake was; zij maakten er
wilde menschen van. Hun invloed is nog duidelijk merkbaar in de,
gedeeltelijk op eigen ervaringen berustende, mededeelingen van Bontius,
die omstreeks het midden der 17e eeuw op Java als arts werkzaam was.
Hij zegt, dat hij eenige malen „boschmenschen” gezien heeft, zoowel
mannetjes, als wijfjes; dat zij dikwijls rechtop loopen, en geheel
dezelfde bewegingen maken als andere menschen. Van een der wijfjes
verhaalt hij, dat zij zich schaamde, toen onbekende menschen haar
aankeken; dat zij haar gelaat met de handen bedekte, zuchtte, weende,
kortom allerlei menschelijke handelingen zoo verrichtte, dat haar
alleen de spraak ontbrak, om geheel een mensch te zijn. De Javanen
zeggen trouwens, dat de Apen wel degelijk spreken kunnen, maar zich
houden, alsof zij stom zijn, omdat zij vreezen, dat men hen zal laten
werken. Het spreekt wel van zelf, dat de Orang-Oetans in al deze
verhalen rechtop gaan, hoewel er bijgevoegd wordt, „dat zij ook op vier
pooten kunnen loopen.” Blijkbaar zijn de overdrijvingen, die in deze
beschrijvingen voorkomen, een gevolg van de lichtgeloovigheid der
reizigers, die alles navertellen, wat zij van de inboorlingen hooren.
Door de voortreffelijke onderzoekingen van Wallace is de levenswijze
van den Orang-Oetan in den natuurstaat thans beter bekend, dan die van
eenigen anderen Anthropoïden Aap.
„Men weet,” zegt hij, „dat de Orang-Oetan Sumatra en Borneo bewoont, en
heeft goede redenen om te gelooven, dat hij tot deze beide groote
eilanden beperkt is. Evenwel is hij, naar het schijnt, veel zeldzamer
op het eerste, dan op het laatstgenoemde eiland. Op Borneo is hij zeer
verbreid. Hij bewoont hier uitgestrekte landstreken van de Zuidwest-,
Zuidoost-, Noordoost- en Noordwestlanden, maar houdt zich uitsluitend
in laag gelegene en moerassige bosschen op. In Sadong vindt men hem
niet anders dan in vlakke, waterrijke, met hoog-opgaand oerwoud bedekte
gewesten. Uit deze moerassen rijzen vele op zich zelf staande bergen
omhoog. Sommige daarvan, die door Dajaks bewoond en met plantsoenen van
vruchtboomen bedekt zijn, hebben voor de Meias groote
aantrekkelijkheid. Zij bezoeken ze, wegens de vruchten, die zij daar
vinden, maar keeren des nachts naar hunne moerassige wouden terug. In
de gewesten waar de bodem zich meer algemeen verheft en droog is, wordt
de Orang-Oetan niet gevonden. Een groote uitgestrektheid van
aaneengeschakeld en gelijkmatig hoog oerwoud is voor het wel gedijen
van dezen Aap volstrekt noodig. Zulke wouden zijn voor hem als ’t ware
een open land, waarin hij in alle richtingen ronddolen kan, met
hetzelfde gemak als de Indiaan in de prairie en de Arabier in de
woestijn. Hij gaat van boomtop tot boomtop, zonder ooit in de
noodzakelijkheid te verkeeren op den bodem af te dalen. De hooge en
droge gewesten, waar meer boomlooze en met laag houtgewas van jongeren
oorsprong bedekte plekken gevonden worden, zijn wel voor menschen
geschikt, maar niet voor de eigenaardige wijze waarop de Majas zich
voortbeweegt, die hier bovendien aan meer gevaren blootgesteld zou
zijn.
„Het is een vreemd en belangwekkend gezicht, den Majas gade te slaan,
terwijl hij op zijn gemak door de bosschen voortschrijdt. Hij wandelt
gerust op een dikken, tak in de half opgerichte houding, die hij,
wegens de groote lengte zijner armen en de kortheid zijner beenen,
genoodzaakt is aan te nemen; evenals de reeds genoemde Antropoïden,
loopt hij op de knokkels en niet op de zool, zooals wij. Hij kiest,
naar het schijnt, altijd die boomen uit, welker takken zich uitstrekken
tot aan die van de naastbij staande boomen. Als hij het punt bereikt
heeft, dat voor den overgang het meest geschikt is, strekt hij zijne
lange armen uit, grijpt met beide handen de twijgen die hij voor zich
ziet, beproeft, naar het schijnt, hunne stevigheid, en gaat nu met een
behoedzamen zwaai op een tak van den anderen boom over, waarlangs hij
als op den vorigen voortschrijdt. Nooit doet hij hierbij een sprong;
het schijnt, dat hij zich nooit haast, en toch weet hij zich bijna even
snel voort te bewegen, als een mensch op den grond beneden hem loopen
kan.”—Op een andere plaats van Wallace’s werk vindt men de verzekering,
dat een Orang-Oetan in den tijd van een uur gemakkelijk 8 à 10 KM. kan
afleggen.—„De lange, krachtige armen zijn voor het dier van ’t grootste
nut, daar zij het in staat stellen, de hoogste boomen met gemak te
beklimmen, vruchten en jonge bladen af te plukken van jonge twijgen,
die zijn gewicht niet zouden kunnen dragen, en takken en gebladerte te
verzamelen voor de vervaardiging van zijn nest.” Een door Wallace
gewonde Orang-Oetan toonde aan zijn vervolger, op welke wijze het nest
gebouwd wordt. „Toen ik geschoten had,” verhaalt Wallace, „klom de
Majas hooger den boom op, en had weldra den hoogsten top bereikt. Hier
begon hij dadelijk rondom zich de takken af te breken en ze in allerlei
richtingen over elkander te leggen, ten einde zich een nest te bouwen.
De plaats was hiervoor uitnemend geschikt. Merkwaardig snel strekte hij
zijn eenigen, nog niet gewonden arm in alle richtingen uit, brak met
het grootste gemak dikke takken af, en legde ze achter zich kruiselings
over elkander, zoodat hij in weinige minuten een dichte massa van
bladen en takken had bijeengebracht, die hem geheel aan mijne blikken
onttrok. Een dergelijk nest gebruikt de Majas bijna iederen nacht om er
in te slapen; dit wordt echter meestal lager op een kleinen boom
gebouwd, in den regel niet hooger dan 8 à 15 M. boven den grond,
waarschijnlijk omdat hij hier minder aan de werking van den wind is
blootgesteld, dan boven in een hoogen boom. Men zegt, dat elke Majas
iederen nacht een nieuw nest voor zich vervaardigt; dit komt mij echter
zeer onwaarschijnlijk voor, daar dan de overblijfselen van die nesten
veelvuldiger te vinden zouden zijn, dan werkelijk het geval is. De
Dajaks beweren, dat de Aap zich, als het zeer nat weer is, met
pandanus-bladen of zeer groote varens bedekt. Misschien heeft dit
verhaal aanleiding gegeven tot het sprookje, dat hij in de boomen een
hut bouwt.
„De Orang-Oetan verlaat zijn leger eerst, als de zon vrij hoog aan den
hemel staat en den dauw op de bladen geheel heeft opgedroogd. Hij
besteedt het geheele middeldeel van den dag aan zijn maaltijd, maar
bezoekt zelden twee dagen achtereen denzelfden boom. Voor zoover mijn
ervaring reikt, voedt hij zich bijna uitsluitend met vruchten, soms
echter eet hij ook knoppen, bladen en jonge loten. Uiterst zelden daalt
hij naar den grond af, waarschijnlijk alleen dan, als hij, door den
honger gedreven, sappige loten zoekt bij den oever der rivier, of, bij
zeer droog weder, water opspoort om zijn dorst te lesschen, dat hij in
gewone omstandigheden, in voldoende hoeveelheid in de holten der bladen
vindt. Slechts éénmaal zag ik twee halfvolwassen Orangs op den bodem,
in een drogen kuil. Zij speelden met elkander, stonden rechtop en
vatten elkander bij de armen aan. Nooit gaat deze Aap rechtop, tenzij
wanneer hij zijne voorhanden gebruikt om zich aan hooger geplaatste
takken vast te houden, of wanneer hij aangevallen wordt. Voorstellingen
van Orangs, die steunend op een stok wandelen, zijn geheel denkbeeldig.
„Voor den mensch schijnen de Majas niet zeer bevreesd te zijn. Die,
welke ik te zien kreeg, keken mij dikwijls eenige minuten lang aan, en
schreden dan langzaam voort naar een naburigen boom. Menigmaal gebeurde
het, dat ik, na er een gezien te hebben, duizend schreden of nog wel
verder te loopen had om mijn geweer te halen; toch vond ik bijna altijd
bij mijn terugkomst het dier op denzelfden boom of hoogstens honderd
meter er van af. Ik zag nooit twee volwassen Orangs bij elkander, maar
zoowel mannetjes als wijfjes worden soms vergezeld door half-volwassen
jongen.
„De Dajaks zeggen, dat de Majas nooit door eenig dier in het woud wordt
aangevallen. Zij maken echter melding van twee zelden voorkomende
uitzonderingen op dezen regel. Een Dajaksch hoofd, die zijn geheele
leven had doorgebracht in streken waar de Majas veelvuldig voorkomt,
zeide mij: „Geen dier is sterk genoeg om den Majas kwaad te doen, het
eenige, waarmede hij ooit in strijd geraakt, is de Krokodil. Als er
geen vruchten zijn in het bosch, gaat hij voedsel zoeken op den oever
der rivier, waar hij een menigte jonge loten vindt, waarvan hij houdt,
en vruchten die aan den waterkant groeien. Dan beproeft soms een
Krokodil hem beet te pakken, maar de Majas weet op zijn rug te komen,
beukt hem met handen en voeten, scheurt hem vaneen en doodt hem.” Een
ander opperhoofd vertelde mij: „De Majas heeft geen vijanden; geen dier
durft hem aanvallen, behalve de Krokodil en de Python. De Krokodil
bezwijkt altijd in dezen strijd. Als een Python een Majas aanvalt,
grijpt deze hem met zijne handen, bijt hem en maakt hem spoedig van
kant.”
„Bij uitzondering gebeurt het wel eens, dat een Orang-Oetan met
menschen strijdt. Eens kwamen eenige Dajaks mij vertellen, dat een
Majas den vorigen dag een van hunne kameraads bijna gedood had. Eenige
mijlen stroomafwaarts staat aan den oever het huis van een Dajak; de
bewoners zagen een grooten Orang-Oetan, die zich aan de jonge spruiten
van een palm aan den waterkant te goed deed. Toen hij opgeschrikt werd,
keerde hij naar het lage houtgewas terug; een aantal met speren en
bijlen gewapende mannen beijverden zich hem den terugweg af te snijden.
De voorste van hen beproefde het dier met zijn speer te doorboren, maar
werd door de handen van den Majas gegrepen, die in ’t zelfde oogenblik
den arm van dezen man in den bek nam en de tanden in de spieren boven
den elleboog sloeg, deze op vreeselijke wijze verwondend en
verscheurend. Indien de andere mannen hem niet te hulp gekomen waren,
zou hij nog veel ernstiger gekwetst en misschien wel gedood zijn. Het
moedige dier werd echter weldra met speren en bijlen afgemaakt. De
gewonde bleef nog lang ziek en kon zijn arm nooit meer goed
gebruiken.”—Van de waarheid van dit verhaal kon Wallace zich
persoonlijk overtuigen, daar hij den volgenden dag de plaats waar het
gevecht voorviel, bezocht, en den gedooden Orang-Oetan den kop afsneed,
om dezen aan zijn verzameling toe te voegen.
Aan de bovenstaande beschrijving van het leven van den Orang-Oetan in
vrijen toestand zullen wij nog eenige berichten toevoegen over het
leven van dit dier in gevangenschap: De eerste nauwkeurige waarnemingen
hierover zijn gedaan door Arnout Vosmaer, die (van 1766 tot 1786) eene
uitvoerige beschrijving heeft gegeven van de dieren voorkomende in de
diergaarde van het aan den stadhouder toebehoorende Kleine Loo bij den
Haag. Deze aan Vosmaer’s zorg toevertrouwde verzameling werd in Juli
1776 verrijkt met een van Banjermassing op Borneo afkomstigen, 78 cM.
langen, jongen Orang-Oetan, misschien wel de eerste, die levend naar
Europa werd gebracht. Dit dier, een wijfje, was zeer goedaardig. Men
kon haar zonder schroom de hand in den bek steken. Haar uiterlijk had
iets droevigs, dat zich echter in hare handelingen niet openbaarde; zij
hield van het gezelschap van menschen zonder onderscheid van geslacht,
gaf echter de voorkeur aan hen, die haar dagelijks verzorgden en goed
behandelden. Wanneer deze haar verlieten, en zij alleen achterbleef,
geraakte zij soms in vertwijfeling, ging op den grond liggen,
schreeuwde erbarmelijk, en verscheurde al hare doeken. Om haar oppasser
te bewegen, bij haar op den grond te gaan zitten, wat hij soms deed,
nam zij een deel van het hooi, waarop zij zat, spreidde dit naast zich
uit, en gaf door gebaren te kennen, met welk doel zij dit deed. Zij
woonde op een zolder onder een zeer hoog dak, en lag aan een vrij
langen ijzeren ketting, vastgehecht aan een met een hangslot gesloten
lederen halsband. Eens had zij zich dezen over den kop geschoven, en
was bij het schuinsche dak opgeklauterd. Zij bewoog zich zoo vlug, dat
vier mannen meer dan een uur werk hadden om haar te vangen. Haar
spierkracht was zoo groot, dat drie mannen haar ternauwernood in
bedwang konden houden, terwijl de vierde haar den halsband omdeed. Van
haar vrijheid had zij gebruik gemaakt om een ten deele met Malagawijn
gevulde flesch te ontkurken en leeg te drinken. Haar gewone voedsel
bestond uit brood, wortels, allerlei vruchten, liefst aardbeien; zeer
verlekkerd was zij op aromatische planten, zooals peterselie. Met smaak
at zij gekookt of gebraden vleesch en visch. Van rauw vleesch hield zij
niet. Men zag haar geen jacht maken op insecten, waarnaar andere
soorten van Apen zoo begeerig zijn. Eens kreeg zij van Vosmaer een
dikke Spin en een groote Vlieg; beiden werden doodgebeten, als ’t ware
geproefd, maar dadelijk weer uitgespuwd. Men gaf haar een Musch met een
touwtje aan den poot. Zij nam het touwtje in de hand, maar werd
verschrikt, toen de Vogel begon te vliegen; haar schrik vermeerderde,
toen de Musch, die zij ruw had aangepakt, haar in den arm pikte.
Eindelijk kneep zij den vogel dood, plukte hem eenige vederen uit, maar
wierp het lichaam weg, na het vleesch geproefd te hebben door er in te
bijten. Als zij een rauw ei kreeg, maakte zij met de tanden een gat in
de schaal en zoog den inhoud gretig op.
Men had haar geleerd bij het eten een lepel en een vork te gebruiken.
Aardig was het te zien, hoe zij met de vork de aardbeien een voor een
opprikte en naar den mond bracht, terwijl zij met de andere hand het
bordje met vruchten vasthield. Haar gewone drank was water; zij dronk
echter graag allerlei soorten van wijn, liefst Malaga. Als zij een
flesch wijn kreeg, ontkurkte zij deze met de hand, en dronk er uit
zonder veel te morsen, evenzoo uit een bierglas. Na het drinken veegde
zij zich met de hand of met een doekje de lippen af. Als men haar na
den maaltijd een tandenstoker gaf, gebruikte zij dien naar behooren.
Zeer handig haalde zij den bezoeker brood en andere zaken uit den zak.