Voor zoover er van een apentaal sprake kan zijn, mag men haa

HET LEVEN DER DIEREN

Door

A. E. Brehm.

Naar den tweeden druk der volksuitgaaf

voor Nederland bewerkt Door

S. P. Huizinga.

Tweede druk--met ongeveer 1200 fraaie afbeeldingen.

Eerste Deel.--De Zoogdieren.

Zutphen.--P. van Belkum Az.

EERSTE ORDE.

DE APEN (Pitheci).

Het menschachtig voorkomen van de Apen heeft te allen tijde in hooge

mate de aandacht getrokken, en aanleiding gegeven tot meeningen over

een andere en nauwere betrekking tusschen hen en de menschen, dan er

tusschen deze en de overige dieren bestaat. De aard dezer betrekking

werd vroeger geheel anders opgevat dan thans. Nog geen zeventig jaar

geleden verdedigde een bekend dierkundige, de Münchener professor

Wagler, de stelling, dat de Apen „ontaarde menschen” zijn. Dit

denkbeeld was niet nieuw. Bij nagenoeg alle volken, die met de Apen in

aanraking kwamen, of nog met hen verkeeren, komt het voor. Zoo zijn,

volgens een bij vele West-Afrikaansche negerstammen verbreide

overlevering (p. 12), de daar voorkomende, groote, staartelooze Apen—de

Chimpanzees—vroeger leden van deze stammen geweest. Wegens hunne

slechte gewoonten werden zij uit de menschelijke samenleving

verstooten; door voortdurend toegeven aan gemeene neigingen zijn zij op

hun tegenwoordig peil van verbastering gezonken.—Wel verre van de Apen

voor ontaarde menschen te houden, beschouwen de dierkundigen van onzen

tijd de menschen als hooger ontwikkelde nakomelingen van stamvormen,

waaruit ook de Apen voortgesproten zijn.—Naar het schijnt, waren de

Egyptenaars en de Indiërs de eenige volken der oudheid, die voor de

Apen een zekeren eerbied koesterden. Dat de oude bewoners van het

Nijldal ze onder de heilige dieren rekenden, kan men afleiden uit de

beeldhouwwerken, waarop goden in de gedaante van Apen of althans met

aapachtige lichaamsdeelen zijn voorgesteld. De Indiërs hebben reeds in

overouden tijd tempels en huizen voor Apen gebouwd; ook thans nog komt

deze vorm van dierenvereering bij de Hindoes voor. Andere volken der

oudheid stelden belang in de Apen, zonder ze evenwel hooger te achten

dan andere dieren. Zoo wordt van Salomo bericht, dat hij Apen uit Ophir

liet komen. Van de Romeinen weet men, dat zij zich met de potsen dezer

dieren vermaakten, of ze met gevangene wilde dieren lieten vechten,

maar ook, dat zij hun minder genegenheid betoonden, dan aan andere

huisdieren. Nog lager staan de Apen in de schatting der Arabieren, die

ze met Allah’s vloek beladen achten, en hen houden voor een wonderlijke

vermenging van het beeld des duivels met dat van den mensch.

Er is niet veel verschil tusschen het gevoelen, dat de Arabieren op

deze wijze uitspreken, en den indruk dien de Apen op ons maken. Noode

laten wij ons overtuigen, dat deze, op caricaturen van menschen

gelijkende wezens, onze naaste verwanten in het dierenrijk zijn; hun

naam wordt als scheldwoord gebruikt; aantrekkelijk vinden wij alleen

zulke Apen, die zeer weinig op den mensch gelijken, terwijl juist die

soorten, waarbij deze overeenkomst duidelijker in ’t oog valt, ons

minder behagen. De oorzaak van onzen afkeer is te vinden in de

eigenaardigheden van den lichaamsbouw, en niet minder in de handelingen

der Apen: in sommige opzichten gelijken deze te veel, in andere te

weinig op die van den mensch. In de menschelijke gestalte merken wij

een volkomen evenredige ontwikkeling van alle lichaamsdeelen op; in den

bouw van den Aap daarentegen zien wij dikwijls een gemis aan

evenredigheid, dat afkeer wekt. Toch zou men den Apen groot onrecht

aandoen, door ze, allen over één kam scherend, voor wanstaltige dieren

uit te maken, zooals dikwijls geschiedt; zonder overdrijving mag men

sommige Apen beeldschoon noemen, anders afschuwelijk leelijk

vinden.—Maar, is het bij de menschen niet evenzoo gesteld? Zouden wij

een Eskimo, een Bosjesman, een Nieuw-Hollander als model voor Apollo

kiezen?—De slotsom, waartoe wij komen, is derhalve dat ons ongunstig

oordeel over de Apen grootendeels voortvloeit uit de te hooge eischen,

die wij hun stellen, wegens hun menschachtig voorkomen. Daarom worden

verschijnselen, die men bij andere dieren zou dulden, bij hen

afkeerwekkend geacht. De hooge begaafdheden, die de Apen werkelijk

bezitten, worden minder gewaardeerd; omdat deze dieren in vele

opzichten niet voldoen aan ’t geen onbillijkerwijze van hen verwacht

wordt.

De grootte der Apen wisselt af binnen wijde grenzen: de Gorilla stemt,

wat dit betreft, met een flinken, volwassen man, het Zijdeaapje

daarentegen met een Eekhoorn overeen. Ook hun lichaamsbouw is zeer

verschillend, zooals uit de namen „Mensch-, Honds- en Eekhoornapen”

beter dan uit lange beschrijvingen blijkt. Er zijn zwaar gebouwde en

slanke, logge en sierlijke Apen; sommige hebben dikke, andere schrale

ledematen; de meeste bezitten een langen, eenige een korten, enkele in

’t geheel geen staart. Even ongelijk is de beharing: hier dun, daar

dicht; de kleur van huid en haar is meestal somber, bij sommige echter

vroolijker; eenige zijn ook in dit opzicht fraai. Ook bij de Apen vindt

men soms albinisme, d.i. het niet ontwikkeld zijn van de huidkleurstof.

In Siam, het land van den witten Olifant, waar albinos uit de

dierenwereld in de mode schijnen te zijn, stelt men hoogen prijs op

mooie, witte, tamme Apen. De Apen komen, wat inwendig maaksel betreft,

meer met elkander overeen, dan men op grond van hun uiterlijk zou

kunnen verwachten. Het geraamte bevat 12 à 16 rugwervels, 4 à 9

lendewervels, 2 à 5 heiligbeen- en 3 à 33 staartwervels; het

sleutelbeen is krachtig ontwikkeld; de voorarmbeenderen zijn onderling

niet vergroeid en ten opzichte van elkander zeer bewegelijk; de

handwortelbeenderen zijn langwerpig, sommige vingerkootjes echter zeer

kort; aan den voet valt de binnenteen in ’t oog, die den naam „duim”

verdient, daar hij tegen de toppen der overige teenen gedrukt kan

worden, of, zooals men het noemt, „tegenoverstelbaar” is. De vorm van

den schedel loopt zeer uiteen, al naar het aangezicht meer of minder

vooruitsteekt, en de schedelholte meer of minder ruim is. De oogen zijn

naar voren gericht, in holten gelegen, die door krachtige beenderen

begrensd zijn; de jukbogen staan niet ver van den schedel af. Het gebit

bevat alle 3 soorten van tanden; in elke kaakhelft 2 snijtanden, 1

hoektand, welke dikwijls aan dien der Roofdieren herinnert wegens zijn

buitengewoon sterke ontwikkeling, 2 of 3 kleine (of valsche) en 3 ware

(of groote) kiezen. Onder de spieren verdienen die van de hand onze

aandacht, omdat zij veel eenvoudiger zijn dan die van de menschelijke

hand. Het strottenhoofd is niet geschikt voor een spraak, welke te

vergelijken is met die van den mensch; bij velen echter wordt het

voortbrengen van gillende en huilende geluiden door zakvormige

verwijdingen van de luchtpijp bevorderd. Zeer opmerkelijk zijn verder

de wangzakken, die bij eenige groepen van Apen voorkomen. Dit zijn

uitstulpingen van den wand der mondholte, welke met de mondholte in

gemeenschap staan door een achter den mondhoek gelegen opening, en als

tijdelijke bergplaats voor voedsel dienen. Bij de Meerkatten, Makaken

en Bavianen bereiken zij de grootste ontwikkeling; bij de Mensch-apen

en de Apen van de Nieuwe Wereld ontbreken zij volkomen.

Men noemt de Apen dikwijls Vierhandigen, en plaatst tegenover hen de

Tweehandigen of Menschen op grond van verschillen in den bouw van hand

en voet. Hoewel deze verschillen duidelijk in ’t oog vallen, zijn zij

echter niet belangrijk genoeg, om een diepe scheiding tusschen deze

twee groepen te wettigen. Als de handen en voeten van de menschen met

de gelijknamige lichaamsdeelen van de Apen worden vergeleken, blijkt

het, dat zij bij beide groepen naar denzelfden oervorm gebouwd zijn.

Een aan de overige vingers tegenoverstelbare duim komt bij de menschen

alleen aan de handen, bij de Klauwapen alleen aan de voeten, bij de

overige Apen aan handen en voeten voor. Het onderscheid tusschen de

handen en voeten der Apen en die van den mensch is niet gering; het

wordt echter overschat, als daarin een reden wordt gezocht voor de

plaatsing dezer wezens in twee (zij het dan ook opeenvolgende) orden.

Zoodoende zou men de klove, die den mensch van de Apen scheidt, met een

anderen maatstaf meten, dan die, welke bij onderlinge vergelijking van

de andere Zoogdieren wordt gebruikt.

Met het oog op de rangschikking minder belangrijk, maar uitstekend

geschikt om het onderscheid tusschen de Apen ende menschen te doen

uitkomen, zijn de volgende zeer in ’t oog vallende eigenaardigheden:

schraal, behaard lichaam, lange armen, dunne beenen zonder kuiten,

onbehaarde eeltplekken aan het zitvlak bij vele soorten, een dikwijls

lange, zelden ontbrekende staart en vooral de vorm van den kop met zijn

kleinen, naar achteren verschoven schedel en dunne, opeengeknepen

lippen. Oken, de overeenkomst tusschen de Apen en den mensch

besprekend, zegt: „De Apen gelijken op den mensch, voor zoover deze

slechte gewoonten en onhebbelijkheden heeft. Zij zijn boosaardig,

valsch, listig, diefachtig en onwelvoeglijk; zij leeren een menigte

potsen maken; maar zijn ongehoorzaam, en bederven dikwijls de pret door

midden in het spel een onbeschofte kwajongensstreek uit te halen. De

Apen onderscheiden zich door geen enkele deugd; voor den mensch zijn

zij in geen enkel opzicht nuttig. Hunne diensten—op schildwacht staan,

bedienen, allerlei dingen halen—bewijzen zij slechts zoo lang, tot hun

een kuur aanwaait. Zoowel in lichamelijk als in zedelijk opzicht

vereenigen zij de slechte eigenschappen van den mensch in zich.”

Deze schildering is, wat de hoofdzaken betreft, niet onjuist. De

billijkheid gebiedt ons echter, om ook op eenige werkelijk goede zijden

van het apenkarakter de aandacht te vestigen. Het is niet gemakkelijk,

over hunne geestesgaven en gebreken een algemeen oordeel te vellen,

omdat de Apen onderling te dezen aanzien groote verschillen aanbieden.

Het valt niet te loochenen, dat de Apen boosaardig, listig, gluiperig,

opvliegend, wraakzuchtig, in alle opzichten zinnelijk, misnoegd,

twistziek en heerschzuchtig, prikkelbaar en ontevreden, in één woord

hartstochtelijk zijn; men mag echter niet vergeten, hoe verstandig en

vroolijk, zachtaardig en teeder, vriendelijk en vertrouwelijk ten

aanzien van den mensch zij zich dikwijls betoonen, hoeveel genoegen zij

hem verschaffen door hun gezelligheid en vermakelijken ernst, door

hunne vaak zeer onschuldige grappen en plagerijen,—hoeveel moed zij

laten blijken, waar het welzijn van anderen op het spel staat, hoe

dapper zij het gezelschap, waartoe zij behooren, verdedigen, zelfs

tegen vijanden, die machtiger zijn dan zij. In één opzicht munten alle

Apen uit, n.l. door de liefde, die zij aan hunne jongen bewijzen, door

hun medelijden met zwakken en hulpbehoevenden, dat niet beperkt blijft

tot dieren van hun eigen soort of eigen familie, maar zich ook

uitstrekt over wezens, die tot andere orden, ja zelfs tot andere

klassen van het dierenrijk behooren.

Hoewel de Apen, wat de verstandelijke ontwikkeling betreft, die zij

bereiken kunnen, niet duidelijk hooger staan dan de overige Zoogdieren

(met uitzondering van den mensch), staan zij toch ook niet zooveel

lager dan de mensch, als door sommigen beweerd, door anderen aangenomen

wordt. Het bezit van handen verschaft den Aap zulke groote voorrechten

boven vele dieren, dat het door hem verrichte werk niet zelden

merkwaardiger schijnt, dan het werkelijk, is. Hij is vatbaar voor

leering; de zucht tot nabootsing, die aan vele leden van zijn geslacht

eigen is, maakt hun het aanleeren van kunstjes en het verkrijgen van

handigheid gemakkelijk. Na korte oefening is de Aap in staat tot

allerlei verrichtingen, die een ander dier, b.v. een Hond, veel moeite

kosten. Hierbij valt echter op te merken, dat hij het door hem geleerde

kunstje altijd slechts met een zekeren tegenzin vertoont, en er nooit

vermaak in vindt, of er mede ingenomen is. Het is niet moeielijk een

Aap te gewennen aan het verrichten van allerlei werkzaamheden; hij zal

hierbij echter nooit zoo zorgvuldig en nauwgezet te werk gaan, als een

goed gedresseerde Hond. Verliezen wij hierbij echter niet uit het oog,

dat de Hond reeds gedurende duizenden van jaren door den mensch gefokt,

verzorgd, onderricht en ontwikkeld werd, en hierdoor een geheel ander

wezen is geworden, dan hij vroeger was; terwijl het den Aap ontbroken

heeft aan de gelegenheid om met den mensch in nadere aanraking te

komen. Wat Apen kunnen uitvoeren, zal blijken uit hetgeen wij van hun

levenswijze zullen mededeelen; deze levert het bewijs, dat zij terecht

tot de verstandigste van alle dieren zijn gerekend. Een hooge mate van

overleg kan men hun niet ontzeggen. Hun geheugen is uitmuntend; zij

weten een verstandig gebruik te maken van opgedane ervaringen, en met

echte sluwheid en list steeds hun voordeel te zoeken. Meesterlijk

verstaan zij de kunst van veinzen; dikwijls laten zij niet merken,

welke heillooze plannen hunne hersenen smeden. Behendig weten zij aan

gevaren te ontkomen, op voortreffelijke wijze beramen zij middelen, om

bij herhaling van de onderneming niet opnieuw aan dezelfde gevaren

bloot te staan. Hoe het met hun gemoed gesteld is, valt af te leiden

uit de liefde, genegenheid en dankbaarheid, die zij laten blijken, en

uit de welwillendheid, die zij toonen na een goede behandeling.

Opmerkelijk is het, dat alle Apen, hoe verstandig zij ook zijn, zich op

de onnoozelste wijze laten verschalken en bedotten. Dikwijls wordt hun

verstand volkomen beheerscht door hunne hartstochten. Als deze ontwaakt

zijn, zien zij zelfs de lompste val over ’t hoofd; het onbedwingbaar

verlangen naar bevrediging van hunne begeerten, doet hun de zorg voor

hun veiligheid geheel uit het oog verliezen. Zelfs de schranderste

Apen—en ook vele menschen, wien het niet aan verstand ontbreekt—laten

zich op deze wijze door hunne hartstochten beheerschen. Of men hierom

het recht heeft, het verstand der Apen gering te schatten, is te

betwijfelen.

De Apen waren in vroegere tijdperken van de ontwikkelingsgeschiedenis

onzer planeet over een grooter deel van den aardbodem verbreid dan

thans. Hun tegenwoordig vaderland is beperkt tot de warme gedeelten der

aarde. Een gelijkmatige warmte schijnt een levensvoorwaarde voor hen te

zijn. Hoewel eenige Bavianen in het gebergte tot op vrij groote hoogte

komen, en daar geringere warmtegraden verdragen dan men zou vermoeden,

zijn toch verreweg de meeste Apen hoogst gevoelig voor koude. Ieder

werelddeel bezit zijn eigen soorten; Azië en Afrika hebben er minstens

één gemeen. In Europa komt slechts één soort van Apen voor, en hiervan

slechts een enkele troep, die op de rotsen van Gibraltar onder

bescherming van de bezetting der vesting leeft (p. 30). In Australië

ontbreken zij geheel. Gibraltar (36° N.-B.) is niet de noordelijkste

plaats, waar Apen in ’t wild voorkomen, een Japansche Makake gaat nog

verder noordwaarts, ongeveer tot op 37° N.-B. In het Zuidelijk Halfrond

reikt het verbreidingsgebied der Apen tot 35° Z.-B., doch slechts in de

Oude Wereld. De woonplaatsen van de Apen der Nieuwe Wereld zijn gelegen

tusschen 28° N.- en 29° Z.-B.

De verbreidingskring van elke soort is nog al beperkt, hoewel er

voorbeelden van zijn, dat in ver uiteenliggende landen van een zelfde

werelddeel bepaalde, zeer veel op elkander gelijkende soorten elkander

vervangen.

De meeste Apen behooren in de bosschen thuis; in rotsachtige gebergten

vindt men de overige, weinig talrijke soorten. Daar hun lichaam voor

het klimmen ingericht is, vormen de boomen hun meest geliefde

verblijfplaats; de op rotsen thuis behoorende Apen klimmen slechts in

geval van nood in boomen.

Ongetwijfeld behooren de Apen tot de levendigste en bewegelijkste

zoogdieren. Terwijl zij bezig zijn voedsel te zoeken, zijn zij geen

oogenblik in rust. Voor een deel is de verklaring hiervan te vinden in

het feit, dat nagenoeg al wat gegeten kan worden, hun als voedsel

welkom is. Vruchten, bollen, knollen, wortels, zaden, noten, knoppen,

bladen en sappige stengels vormen den hoofdschotel van hun maal;

insecten worden echter niet versmaadt, eieren en jonge vogeltjes, als

lekkernijen beschouwd. Daarom vinden zij overal wat te bekijken, te

grijpen of af te plukken, te besnuffelen of te proeven; het beste wordt

opgegeten, het overige weggeworpen. Dieren, die op deze wijze voedsel

zoeken, maken veel beweging. Daarom komt de apenbende geen oogenblik

tot rust. Van eigendomsrechten hebben deze schelmen een uiterst beperkt

begrip. „Wij zaaien, maar de Apen oogsten,” zeggen de Arabieren van

Oostelijk-Soedan. Akkers en tuinen worden als allerbekoorlijkste

plekjes beschouwd, en zooveel mogelijk geplunderd. Iedere Aap vernielt,

als de gelegenheid schoon is, tienmaal meer dan hij opeet. Tegen zulke

spitsboeven baten geen sloten of grendels, geen heggen of muren; zij

maken de sloten open, klimmen over de muren, en wat zij niet opeten

kunnen, nemen zij mede, goud en edelgesteente incluis. Men moet met

eigen oogen een troep Apen hebben gezien, die op roof uitgaat, om zich

goed te kunnen voorstellen, dat een boer zich over deze dieven halfdood

kan ergeren. Voor wie er geen schade door lijdt, levert echter de Aap,

die, aan een rooftocht deelnemend, al zijn kracht en vlugheid

ontwikkelt, een hoogst interessant schouwspel op. Hij toont zijn

bekwaamheid in ’t loopen, springen, klauteren, potsen maken en desnoods

ook in ’t zwemmen. De kunstjes, die hij in de boomen verricht, grenzen

aan het ongeloofelijke. Alleen sommige Menschapen en Bavianen zijn log

in hunne bewegingen, de overige Apen zijn volleerde acrobaten; ’t is

alsof zij kunnen vliegen. Sprongen van 6 à 8 meter zijn voor hen

kleinigheden. Van den top van een boom springen zij 10 M. diep naar

beneden op het einde van een tak, zoodat deze door den schok ver naar

beneden buigt. Terwijl de tak terugveert, nemen zij een grooten zwaai,

strekken den staart of de achterpooten als een roer lijnrecht naar

achteren, en schieten als een pijl door de lucht vooruit. Als het doel

van den sprong bereikt is, gaan zij dadelijk verder; zelfs over

struiken met dreigend naar alle zijden gerichte doornen gaan zij als

over een parketvloer. Een slingerplant is voor den Aap een hoogst

gemakkelijke trap, een boomstam een gebaande weg. Zij klimmen voor- en

achteruit, op den tak liggend of er onderaan hangend. Als men er een

omhoog werpt in de kroon van een boom, grijpt hij met de eene hand een

takje, hangt er geduldig aan, totdat de tak ophoudt zich te bewegen,

klautert er dan bij omhoog, en gaat even onbeschroomd verder, alsof hij

zich op den vlakken bodem bevond. Als de eerste tak breekt, grijpt hij

gedurende den val een tweeden; als ook deze bezwijkt, zal een derde hem

toch wel kunnen dragen; desnoods laat hij zich onbezorgd vallen. Wat

hij met de voorhand niet grijpen kan, pakt hij met de achterhand. Bij

vele Apen met breed neusmiddelschot is de staart een grijporgaan. Alle

Apen gebruiken dit lichaamsdeel als roer of balanceerstok bij ’t maken

van groote sprongen; bovendien dient het echter nog voor allerlei

andere doeleinden, zelfs als ladder voor den eerstvolgenden Aap. Bij de

Breedneuzige Apen wordt de staart een vijfde,—neen, een eerste hand.

Het geheele dier hangt er aan, wiegelend of schommelend, naar

welgevallen; het haalt er voedsel mede uit spleten en reten, bedient er

zich soms van als van een ladder, en wanneer de Aap een middagslaapje

wil houden, werkt de staart mede tot het vormen van een hangmat.

Gemakkelijk en sierlijk zijn de bewegingen dezer dieren echter alleen

bij ’t klimmen. Zelfs de Menschapen, zijn zeer bedreven in deze kunst,

hoewel zij, althans de hoogst ontwikkelde, meer op de wijze van den

mensch, dan op die van de overige leden hunner orde klimmen. De gang

der Apen is altijd eenigszins log en plomp. Het best nog is de gang van

de Meerkatten, Makaken, Rolapen en Klauwapen. Gedurende korten tijd

kunnen de Meerkatten zelfs zoo vlug loopen, dat gewone Honden

ternauwernood in staat zijn ze in te halen; reeds de Bavianen echter

hebben een grappig hompelenden gang. Zeer gebrekkig is deze

bewegingswijze bij de Mensch-apen, zoodat zij ternauwernood den naam

van gang verdient. Terwijl hun geheele zool op den grond rust, steunen

zij tevens op de knokkels van de naar de handpalm gekromde vingers, en

slingeren daarna het lichaam op logge wijze voorwaarts, zoodat de

voeten tusschen de handen komen te staan.

Eenige Apen kunnen uitmuntend zwemmen, anderen zakken als een steen in

de diepte weg. Het eerste geval doet zich voor bij de Meerkatten; ik

zag eenige van deze dieren met groote snelheid den Blauwen Nijl

overzwemmen. Tot de minst bekwame zwemmers behooren waarschijnlijk de

Bavianen en misschien ook de Brulapen. Deze schuwen het water in hooge

mate; men heeft een bijna verhongerde familie van Brulapen gevonden op

een boom, welks voet na een overstrooming door het water omgeven was;

de Apen hadden zich niet door het water heen naar de op ’t droge

staande boomen durven begeven, ofschoon deze nauwelijks 60 schreden van

hen verwijderd waren. Ulloa, die over Braziliaansche dieren schreef,

heeft een aardige brug uitgevonden, die aan de arme, in ’t zwemmen

onbedrevene Brulapen stellig goede diensten zou bewijzen, indien zij er

slechts gebruik van wilden maken. Hij verhaalt, dat elke Brulaap zich

met de handen aan den staart van zijn buurman vasthoudt, en dat het

geheele gezelschap op deze wijze een keten vormt, waarvan de schalmen

Apen zijn; deze keten hangt aan den om een boomtak geslingerden staart

van den eersten Aap, en wordt door de vereenigde krachten van alle

leden aan ’t slingeren gebracht, totdat de onderste Aap een tak van een

op den anderen oever staanden boom heeft gegrepen. Over de op deze

wijze geslagen brug wandelen eerst de jonge en zwakkere Apen naar den

anderen oever, terwijl daarna de eerste Aap zich loslaat, en de geheele

keten door den laatsten naar zich toe getrokken wordt. De prins Von

Wied, een zeer nauwgezet onderzoeker noemt dit verhaal bij zijn rechten

naam: „een grappige fabel.”

Het gezelschapsleven van de Apen is voor den waarnemer zeer

aantrekkelijk. Slechts weinige soorten leven eenzaam; de meeste

vereenigen zich tot benden. Ieder van deze kiest zich een vast

woongebied uit, dat meer of minder uitgestrekt kan zijn. Geregeld valt

de keuze op een streek, die hun in alle opzichten gunstig gelegen

voorkomt. Er moet daar iets te kraken of te kauwen zijn, anders

verhuist de bende naar een ander oord. Bosschen in de nabijheid van

door den mensch ontgonnen velden zijn in arme streken voor hen een hof

van Eden; om den verboden boom van dit paradijs bekommeren zij zich

niet, als de appels maar goed smaken. De voorkeur geven zij aan maïs-

en suikerrietvelden, aanplantingen van bolgewassen, ooftboomen meloenen

en bananen. Dorpen, waar ieder die deze onbeschaamde spitsboeven

straft, den bijgeloovigen toorn van de bewoners heeft te vreezen,

hebben bij de Apen een streepje voor. Zoodra de leden van de bende het

met elkander eens geworden zijn over de keuze van een woonplaats,

begint het ware apenleven met al zijn vermaak en vroolijkheid, zijn

moeite en strijd, zijn nood en zorgen. Het sterkste of oudste, en dus

bekwaamste, mannelijke lid van de horde werpt zich op als aanvoerder of

apenhoofdman. Het bezit van deze waardigheid is niet op het algemeen

stemrecht gegrond, maar wordt eerst verworven na zeer hevige twisten en

gevechten met andere liefhebbers, d.i. met alle overige mannetjes. Van

de langste handen en de krachtigste armen hangt de beslissing af. Wie

niet goed willig gehoorzamen wil, wordt zoolang op beten en stompen

getracteerd, tot hij in zijn noodlot berust. De kroon komt aan den

sterksten toe: in zijne tanden ligt zijne wijsheid.

Voor zoover er van een apentaal sprake kan zijn, mag men haar rijk

noemen: iedere Aap heeft althans zeer afwisselende geluiden voor

verschillende aandoeningen tot zijne beschikking. Ook de mensch leert

weldra de beteekenis van deze geluiden kennen. Vooral het geschreeuw

dat ontsteltenis beteekent, en altijd een aansporing tot vluchten

inhoudt, is zeer eigenaardig. Hoewel het zeer moeilijk te beschrijven,

en nog minder gemakkelijk na te bootsen is, kan men er toch dit van

zeggen: het bestaat uit een aantal opeenvolgende, kort afgebrokene, als

’t ware trillende en wanluidende klanken, welker waarde de Aap door

gezichtsverdraaiingen nog sterker doet uitkomen. Zoodra dit

waarschuwend signaal gehoord wordt, slaat de bende zoo schielijk

mogelijk op de vlucht. De moeders roepen hare kinderen tot zich, die in

een oogwenk aan haar lichaam hangen, en begeven zich met deze dierbare

vracht ten spoedigste naar den naastbijgelegen boom of rots. Eerst als

de apenhoofdman tot bedaren is gekomen, voegen de leden van de bende

zich weer bijeen, om na korten tijd van beraad naar het zoo even

verlaten oord terug te keeren, en de gestoorde plundering te hervatten.

Het valt niet te ontkennen, dat de Apen moedig zijn. De sterkste Apen

bieden zelfs aan vreeselijke Roofdieren en aan den nog gevaarlijker

mensch onverschrokken weerstand, en vangen een strijd aan, welks

uitslag voor menigen aanvaller op zijn minst genomen twijfelachtig is.

Zelfs de slank gebouwde Meerkatten grijpen hunne tegenstanders aan,

wanneer zij getergd worden, of in ’t nauw gebracht zijn. De groote

Menschapen en de Bavianen bezitten in hunne tanden vreeselijke

verdedigingsmiddelen: zonder vuurwapen durft geen inboorling een

Baviaan bevechten. In den strijd met den Gorilla is de neger, zelfs

wanneer hij met een geweer gewapend is, niet altijd zeker van de zege.

Steeds zijn de Apen door de onvergelijkelijke woede die hen bezielt,

als zij zich verdedigen, en die hunne krachten zeer doet toenemen,

hoogst gevaarlijke tegenstanders; terwijl de behendigheid, die aan al

deze dieren eigen is, den vijand maar al te vaak de gelegenheid

beneemt, hun een wonde toe te brengen die den strijd beslist.

Zij vechten met handen en tanden: zij slaan, krabben en bijten.

Algemeen verbreide verhalen over andere wijzen van verdediging zijn

door zorgvuldige waarnemingen uit lateren tijd niet bevestigd. „Men

verhaalt,” zegt Pechuel-Loesche, „dat de Apen zich met afgebroken

takken verweren; vrij algemeen neemt men aan, dat zij steenen,

vruchten, stukken hout en andere voorwerpen van boven af op hunne

tegenstanders werpen. Deze meening berust waarschijnlijk op onjuiste

gevolgtrekkingen. Zij die haar voorstaan en verbreiden, zagen misschien

alleen dat, wat zij op grond van vroegere berichten meenden te zullen

zien, niet dat, wat werkelijk gebeurde. De in boomen levende Apen

breken bij hun dartel spel, bij ’t springen, schommelen en rondtasten,

allicht dorre takken af; zij smijten er echter niet mede naar iemand,

die zich toevallig onder hen bevindt; evenmin doen zij dit met vruchten

en andere voorwerpen, die zij misschien in de handen hebben, en

natuurlijk laten vallen, als zij verschrikt worden en vluchten. Ook de

Bavianen denken er niet aan, van hunne standplaatsen op de rotsen

steenen op hunne vervolgers te werpen. Wel vallen en rollen van daar

rotsblokken en gruis naar beneden; dit geschiedt echter steeds bij

toeval, n.l. ook dan, als er geen vijand te zien is. Vooral komt dit,

doordat deze sterke Apen voortdurend ijverig bezig zijn, los liggende

steenen om te keeren, om de hieronder verborgen dieren meester te

worden.”

In den gevangen staat leven bijna alle soorten van Apen in vriendschap

met elkander; ook dan echter merkt men bij hen weldra betrekkingen van

heerschappij en onderhoorigheid op, soortgelijk aan die, welke tusschen

de leden van een in vrijheid levende bende bestaan. De sterkste maakt

zich meester van de opperheerschappij; hij onderdrukt en pijnigt zijne

zwakkere metgezellen zoo lang, totdat deze zich in hun lot voegen. Het

ligt niet in den aard van de Apen fijngevoelig te zijn; gedurig toonen

zij hun overmoed zelfs tegenover innig geliefde pleegkinderen. Steeds

zal men echter opmerken, dat groote soorten, zoowel mannetjes als

wijfjes, zorg dragen voor kleinere, meer hulp behoevende Apen; sterke

apinnen zijn zelfs begeerig naar kleine menschenkinderen en allerlei

jonge dieren, die zich laten dragen. Zoo afschuwelijk de Apen zich

overigens tegenover dieren gedragen, zoo lief zijn zij voor jongen van

dieren of voor kinderen; de grootste liefde betoonen zij natuurlijk aan

hun eigen jongen; daarom is de „apenliefde” spreekwoordelijk geworden.

Bij de meeste apensoorten brengt het wijfje slechts één jong ter

wereld, bij weinige soorten komen tweelingen voor. Altijd is het jonge

dier een klein, leelijk mormel, wiens ledematen dubbel zoo lang

schijnen te zijn als die van zijne ouders, en wiens gezichtje veel meer

gelijkt op dat van een grijsaard, dan op dat van een kind, zoo rimpelig

en vol plooien is het. Dit monstertje is echter in nog veel hoogere

mate de lieveling van de moeder, dan het bij de menschen in dergelijke

gevallen pleegt te zijn. De moeder vertroetelt en verzorgt het op een

roerende of—belachelijke wijze, al naar men het nemen wil: „les

extrêmes se touchent” (de uitersten grenzen aan elkander); moederliefde

is verheven of—belachelijk. Kort na zijne geboorte omvat het apekind

met de beide voorhanden den hals van de moeder, terwijl het met de

beide achterhanden zich aan hare liezen vasthoudt; op deze wijze

hangend, heeft het de geschiktste houding om de moeder gedurende het

loopen niet te hinderen en ongestoord te zuigen. Grooter geworden,

springen de apenkinderen bij dreigend gevaar ook wel op de schouders en

den rug hunner ouders.

In den beginne geeft het aapje natuurlijk nog geene bewijzen van liefde

en genegenheid; de teederheid van de moeder is er des te grooter om.

Altijd door heeft zij wat aan haar lieveling te verrichten; nu eens

belikt zij hem, dan weer reinigt zij hem van ongedierte; nu eens drukt

zij hem tegen zich aan, dan weer houdt zij hem met beide handen omhoog,

alsof zij zich aan zijn aanblik wilde verlustigen; nu eens legt zij het

kindje aan haar borst, dan weer schommelt zij het heen en weer, alsof

zij het in slaap wilde wiegen. (Plinius beweert in vollen ernst, dat de

apinnen hare jongen uit louter liefde dikwijls dood drukken; dit is

echter in den nieuwen tijd nooit waargenomen.) Eenigen tijd later

begint de jonge Aap allengs meer zelfstandig te worden; vooral verlangt

hij af en toe eenige vrijheid. Deze wordt hem toegestaan. De moeder

laat haar schootkind op den grond loopen; het mag met andere

apenkinderen gekheid maken en spelen; zij wendt echter geen blik van

haar jong af, en blijft voortdurend toezicht houden; gewillig gaat zij

zijne schreden na, en veroorlooft het alles, wat zij toestaan kan. Bij

het geringste gevaar snelt zij op haar kind toe, laat een zeer

eigenaardig geluid hooren, en noodigt het hierdoor uit, aan haar borst

een schuilplaats te zoeken. Ongehoorzaamheid bestraft zij met knepen en

stompen, dikwijls met echte oorvijgen. Dit komt echter zelden voor,

want het apenkind is zoo gehoorzaam, dat menig menschenkind er een

voorbeeld aan zou kunnen nemen; gewoonlijk is het eerste bevel van de

moeder voldoende. In de gevangenschap deelt deze, zooals ik meermalen

opgemerkt, heb, elke bete brood trouw met haar voedsterling, en betoont

dikwijls een werkelijk roerende deelneming in zijn lot. Bij gevangen

Apen heeft de dood van een kind steeds het sterven van de moeder ten

gevolge; zij bezwijkt van verdriet. Als de apin echter vóór haar jong

sterft, neemt het eerste beste medelid van de bende het weesje als kind

aan, en dit doen mannetjes zoowel als wijfjes. De liefde, die aan een

pleegkind wordt bewezen, is nauwelijks geringer dan die, welke aan een

eigen kind ten deel valt; bij voedsterlingen, die tot andere

diersoorten behooren, is dit echter anders; hier toont de Aap zich

dikwijls een onverklaarbaar raadsel. Hij past zijn aangenomen kind zoo

goed mogelijk op, drukt het tegen zich aan, bevordert zijn welzijn door

het te vlooien of op een andere wijze te reinigen, houdt het steeds in

’t oog enz., maar—geeft het gewoonlijk niets te eten, eet het voedsel,

dat voor ’t pleegkind bestemd is, zonder gewetensbezwaar zelf op, en

houdt, terwijl hij zelf eet, het hongerige kleintje zorgvuldig van den

etensbak verwijderd.

Men heeft nog niet kunnen uitmaken, hoeveel jaren de Aap gemiddeld voor

zijn groei noodig heeft. Dat de jeugd bij de groote soorten langer

duurt, dan bij de kleine, spreekt vanzelf. De Meerkatten en de

Amerikaansche Apen zijn waarschijnlijk in 3 of 4 jaar geheel volwassen;

de Mensch-apen en de Bavianen hebben vermoedelijk 8 à 12 jaar voor het

bereiken van hun vollen wasdom noodig.—In de vrije natuur zijn de Apen,

naar het schijnt, aan weinig ziekten blootgesteld; epidemieën heeft men

althans onder hen niet waargenomen. Hoe oud zij kunnen worden, is niet

uit te maken; men mag echter wel aannemen, dat de vertegenwoordigers

van de grootste soorten om en bij de 40 jaar oud kunnen worden. Hier te

lande hebben alle Apen zeer veel te lijden van het ongunstige klimaat.

De koude hindert hen zeer: zij ontstemt hen, doet hen stil en treurig

worden. Gewoonlijk beginnen zij ook spoedig aan longtering te lijden,

en deze maakt in den regel schielijk een einde aan hun leven. Een zieke

Aap levert een schouwspel op, dat ieder mensch moet treffen. Het arme

dier, dat vroeger zoo vroolijk ronddartelde, en nu treurig en lijdend

stil zit, werpt den medelijdenden bezoeker een erbarmelijk smeekenden

blik toe, ja ziet hem aan met een echt menschelijke uitdrukking op ’t

gelaat. Hoe meer het einde van den Aap nadert, des te zachtzinniger

wordt hij; het dierlijke gaat verloren, en de edelere eigenschappen van

den geest treden duidelijker aan ’t licht. Elk hulpbetoon wordt met

groote dankbaarheid aanvaard, hij leert in den arts zijn weldoener

kennen, neemt de hem aangeboden geneesmiddelen gewillig in, en

ondergaat zelfs heelkundige kunstbewerkingen zonder tegen te spartelen.

Zelfs bij overigens gezonde Apen neemt men in den regel weldra een

ziekte waar aan den staart, bestaande in het zeer worden en etteren van

de spits, die weldra door het koud vuur wordt aangetast, waarna het

eene stuk na het andere er afvalt.

Ik weet niet, of ik eenigen Aap als huisgenoot mag aanbevelen. Het zijn

lastige klanten, die veel genoegen kunnen geven, maar nog veel meer

ergernis wekken. Allerlei kwajongensstreken heeft men van hen te

wachten, en van deze krijgt men weldra overvloedig zijn bekomst, voor

zoover men geen studie maakt van de verstandelijke vermogens der Apen.

De grootste soorten worden bovendien soms gevaarlijk, doordat zij

vreeselijk bijten en krabben. Als vrij rondloopend huisdier is de Aap

niet te dulden, omdat zijn altijd opgewekte geest voortdurend bezigheid

verlangt. Als zijn meester hem deze niet verschaft, zal hij haar zelf

zoeken, en haar vinden in handelingen, die ons hinderlijk of nadeelig

zijn. Eenige soorten zijn door hun onwelvoeglijk gedrag onuitstaanbaar.

De handel en wandel van de tamme, bijna als huisdieren levende Apen van

het station der Loango-expeditie, waar, behalve Gorillas en

Chimpanzees, ook nog verscheidene soerten van Meerkatten, Mandrillen en

een Mooraap (p. 27) aanwezig waren, wordt door Pechuel-Loesche op de

volgende wijze beschreven. „Het was een zeer merkwaardige karaktertrek

van onze Apen, dat zij ieder het een of ander wezen of voorwerp kozen,

waaraan zij hunne bijzondere genegenheid schonken, of althans veel zorg

wijdden. Hieruit ontsproten de zonderlingste vriendschappelijke

verhoudingen. Het is waarschijnlijk algemeen bekend, dat Apen dikwijls

zonder dat hiervoor een bepaalde reden bestaat, de jongen van andere

dieren, ook wanneer zij tot andere soorten behooren, opnemen, op de

zorgvuldigste wijze beschermen, en zelfs van hunne lijken geen afstand

willen doen. Toen onze Herdershond Trine jongen had gekregen, en deze

vol vlooien zaten, brachten wij ze bij de Meerkatten in het apenhuis.

Daar werden zij vol vreugde aangenomen, even vlijtig als zorgvuldig

gezuiverd en geliefkoosd, terwijl de oude Hond van buiten met

welgevallen het spel aankeek. Een groot kabaal ontstond er echter, toen

wij de pleegkinderen weer weghaalden; zij waren reeds onder de bewoners

van het apenhuis verdeeld, en deze waren blijkbaar voornemens, ze

voortdurend te behouden.

„De dartele Mooraap was een onafscheidelijke metgezel van den Gorilla

en van den beheerscher van het erf, den prachtigen, gladharigen hamel

Mfoeka. De Baviaan Jack had vriendschap gesloten met een welgedane big,

en beproefde op diens rug dikwijls de curieuste ruiterskunsten; later

werd de plaats van het vroolijke varkentje ingenomen door een

halfvolwassen Hond, waarmede Jack dikwijls op de potsierlijkste wijze

speelde. De slecht gehumeurde Isabella had een grauwen Papegaai

uitverkoren; toen ze hem echter op een goeden keer de fraaie, roode

staartvederen een voor een begon uit te rukken, kwam er een einde aan

dezen merkwaardigen vriendschapsbond.”

In vergelijking met de ondeugden, die den Aap eigen zijn, de dwaasheden

die hij begaat, is het voordeel dat hij oplevert, onbeduidend. Het is

zeer gemakkelijk hem allerlei kunstjes te leeren verrichten. De gewone

methode is: hem duidelijk voor te doen, wat men van hem verlangt, en

hem daarna zoo lang te ranselen, tot hij het kunstje nadoet; hierop

berust de geheele paedagogiek, die bij de Apen gevolgd wordt en moet

worden! In den regel leert het te dresseeren dier binnen 1 of 2 uur een

kunstje; men moet het hem echter van tijd tot tijd laten herhalen, daar

hij het spoedig weer vergeet.—De voeding levert geen bezwaar op; al wat

voor den mensch bruikbaar is, gebruikt hij ook.

In hun vaderland, voor zoover het een niet zeer door de natuur

begunstigde, maar toch door menschen bewoonde streek is, doen de Apen

veel meer kwaad dan zij nut geven. Het vleesch van eenige soorten wordt

gegeten, van andere wordt het vel voor pelswerk, zakjes, enz. gebruikt;

dit geringe voordeel komt echter in geen vergelijking met de

buitengewoon groote schade, die de Apen in bosch, veld en tuin

aanrichten; het is werkelijk onbegrijpelijk, dat de Indiërs ook thans

nog de Apen als heilige dieren beschouwen, en ze beschermen, alsof zij

half-goden zijn.

Wij verdeelen de orde der Apen in drie familiën: de Smalneuzen

(Catarrhini), de Breedneuzen (Platyrrhini) en de Klauwapen

(Ardopitheci). De beide eerstgenoemde hebben aan alle vingers en teenen

platte nagels; de Klauwapen hebben alleen aan den duim der achterste

ledematen een platten nagel, terwijl de overige vingers en teenen met

klauwen voorzien zijn. De Smalneuzen en Breedneuzen verschillen

onderling, vooral ten aanzien van het neusmiddelschot en van het gebit.

Het neusmiddelschot is bij de eene groep breed, bij de andere smal; de

neusgaten zijn hierdoor bij de Smalneuzen meer naar voren, bij de

Breedneuzen zijwaarts gericht. De Smalneuzen komen alleen op het

Oostelijk Halfrond voor: het zijn „Apen van de Oude Wereld”; de

Breedneuzen en Klauwapen daarentegen—de „Apen van de Nieuwe

Wereld”—zijn tot Amerika beperkt.

De Smalneuzen gelijken op den Mensch, wat neusmiddelschot en gebit

betreft. Zij verschillen er echter van, doordat in de bovenkaak,

tusschen hoektand en snijtand, een ruimte voorkomt, waarin bij gesloten

bek de spits van den grooten onderkaakshoektand past. Geen enkele

Smalneus heeft een grijpstaart. De familie wordt gesplitst in twee

onder-familiën: de Menschapen (Anthropomorpha) en de Honds-apen

(Cynopithecini). Deze laten bij ’t gaan alleen den buitenrand van den

voet op den bodem rusten, terwijl bij gene de geheele zool op den grond

komt. Steeds missen de Mensch-apen den staart en de wangzakken; de

meesten hebben geen eeltplekken op ’t zitvlak; deze komen daarentegen

algemeen voor bij de Honds-apen, die dikwijls ook wangzakken en een

staart hebben.

De Mensch-apen (Anthropomorpha) vormen de hoogst ontwikkelde groep van

Apen; door hun lichamelijk maaksel, meer bepaaldelijk door den bouw en

de plaatsing der oogen en ooren, komen zij het meest met den Mensch

overeen. De voorste ledematen zijn langer, de achterste korter dan bij

den Mensch. Zij hebben geen staart. De glad neerhangende beharing

ontbreekt op het gelaat en de teenen. Van de vier bekende geslachten

zijn twee—Gorilla en Chimpanzee—bewoners van Afrika; de Orang-Oetan en

de Gibbon komen in Zuid-Azië voor.

Meer dan 2000 jaar geleden rustten de Carthagers een vloot uit met het

doel om volkplantingen te stichten op de westkust van Afrika. Duizenden

mannen en vrouwen, die met leeftocht en alle voor kolonisatie noodige

hulpmiddelen voorzien waren, vertrokken op 60 groote schepen uit

Carthago. De bevelhebber van deze vloot was Hanno, die zijne reis in

een welbekend werk (Periplus Hannonis) beschreef. Gedurende de reis

stichtte de bemanning van deze schepen zeven koloniën; door gebrek aan

levensmiddelen werd zij genoopt vroeger terug te keeren dan

aanvankelijk haar plan was. De koene zeevaarders waren trouwens de

Sierra-Leone-kust reeds voorbij, toen dit geschiedde. De genoemde Hanno

nu doet in zijn reisverslag een mededeeling, die ook voor ons onderwerp

belangrijk is. Deze luidt aldus: „Den derden dag, nadat wij van daar

weggezeild waren en de vuurstroomen hadden doorkruist, kwamen wij aan

een zeeboezem, de Zuiderhoorn geheeten. Op den achtergrond was een

eiland met een meer, en hierin weer een eiland, waarop zich wilde

menschen bevonden. De meesten van deze waren vrouwen met een behaard

lichaam; de tolken noemden ze Gorillas. De mannetjes konden wij niet

inhalen, toen wij ze vervolgden; zij konden gemakkelijk ontsnappen,

daar zij door afgronden heen klommen en zich met rotsklompen

verdedigden. Wij maakten ons meester van drie wijfjes, maar konden ze

niet medenemen, omdat zij beten en krabden. Wij moesten ze daarom

dooden, trokken haar echter het vel af, en zonden het naar

Carthago.”—De huiden werden daar, naar Plinius bericht, in den tempel

van Juno bewaard.

Het lijdt geen twijfel, dat Hanno met de wilde, behaarde menschen

slechts een Mensch-aap kan hebben bedoeld. Ofschoon hij misschien

Chimpanzees voor oogen heeft gehad, is zijn verhaal de aanleiding

geweest, dat de reusachtigste van alle Apen „Gorilla” wordt genoemd.

De Gorilla—de Ndschina of Mpoengoe van de inboorlingen—(Gorilla gina),

de eenige vertegenwoordiger van het geslacht Gorilla, is nagenoeg even

groot als, daarentegen veel breeder geschouderd dan een stevige man. De

hoogte bedraagt bij het mannetje van de zool tot de kruin gemeten, 165

à 190 cM, de schouderbreedte 95 cM. De wijfjes zijn kleiner. De lengte

en sterkte van den romp en van de voorste ledematen, de ongeëvenredigd

groote handen en voeten, welker middelste vingers en teenen van onderen

door een vel vereenigd zijn, vormen de meest karakteristieke kenmerken

van dit dier. De groote, stevige kop schijnt, tengevolge van de

kortheid van den hals en de kolossale ontwikkeling der nekspieren,

bijna onmiddellijk met den romp verbonden te zijn. Aan ’t gelaat vallen

het meest in ’t oog: de vooruitstekende wenkbrauwbogen, de diep

liggende oogen, de platte, breede neus en de door dikke lippen omlijste

mondspleet, die geopend zijnde, een vreeselijk gebit laat zien. De

tamelijk lange, ruige beharing vertoont donkere kleuren: grauw, bruin,

ros. Onbehaard zijn het aangezicht tot aan de wenkbrauwen, het oor en

ook de zijdelingsche en onderste gedeelten van hand en voet.

Nog is het niet mogelijk, het verbreidingsgebied van den Gorilla

nauwkeurig te omschrijven. Naar het schijnt, is hij slechts in een

betrekkelijk klein gedeelte van West-Afrika, en wel van Neder-Guinea,

inheemsch. Tot dusver is hij gevonden in de kustlanden tusschen den

evenaar en 5° Z.B., bij de rivieren Gabon, Ogowe en Danger, Ook bewoont

hij, naar men zegt, de westelijke gedeelten van den Serro do Cristal,

een bergketen, die op 200 Engelsche mijlen afstand van de kust tusschen

Angola en de Kameroen-rivier ligt. Daar hij woudbewoner is, zal hij

waarschijnlijk niet gevonden worden ten zuiden van den Kongo en ook

niet ten oosten van den Serro do Cristal; vermoedelijk zal hij

voorkomen, zoover de regenrijke en daarom met bosschen begroeide zone

zich uitstrekt, dus ook ten noorden van den Ogowe en den Gabon,

minstens tot in het Kameroen-gebied, misschien ook in sommige gewesten

van Opper-Guinea, voor zoover zij op gelijke wijze door de natuur

begunstigd zijn.

In vele oude en nieuwe berichten over den Gorilla zijn de overdreven

voorstellingen en de sagen van de inboorlingen dooreengemengd met

waarnemingen van den verslaggever zelf; dit geldt o.a. van de

beschrijving, die de Amerikaan Du Chaillu van den Gorilla gaf, en

waarmede hij indertijd veel opgang maakte. Evenals alle reizigers, die

de gewesten bezochten, welke door Du Chaillu bezocht zijn, en met de

hier levende menschen verkeerden, ben ik van oordeel, dat in zijn

verhaal waarheid en verdichting op zonderlinge wijze met elkander

afwisselen. Du Chaillu schrijft, evenals zijne voorgangers, wat hij

heeft hooren vertellen, maar geeft aan zijne berichten, welke met die

van latere onderzoekers in vele opzichten niet overeenstemmen, den

aangenameren vorm van persoonlijke ervaringen. Hier worde alleen een

plaats ingeruimd aan hetgeen Du Chaillu zegt van een in zijn bezit

geraakten jongen Gorilla:

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 01: De Apen · 第 1 / 13 段