Maar zij zaten op eene bank, in het donker, niet wetende, dat het donker
was, daar hunne oogen vol waren van het Licht. Zij zaten er naast
elkander, eerst zwijgende, en toen hij zich herinnerde, dat hij eene
stem had en woorden kon zeggen sprak hij:
--Ik heb nooit zoo een oogenblik doorleefd als dit. Ik vergeet waar we
zijn en wie we zijn en dat we menschen zijn. We zijn dat geweest, niet
waar; ik herinner me, dat we dat geweest zijn?
--Ja, we zijn nu geen menschen! sprak zij glimlachend en hare vergroote
oogen zagen in het donker, dat Licht was.
--Eens, toen waren we menschen, menschen, die leden en verlangden op een
wereld, waar heel veel moois was maar ook heel veel leelijks.
--Waarom spreek je daar nu van? vroeg ze en hare stem klonk haarzelve
als komende van heel ver en laag onder haar.
--Ik herinnerde me dat ...
--Ik wilde het vergeten.
--Dan zal ik het ook doen. Maar ik mag u toch wel in menschenwoorden
danken, dat u mij maakte tot niet meer mensch?
--Deed ik dat?
--Ja; mag ik daarvoor danken, op mijn knieën?
Hij knielde neêr en nam eerbiedig hare handen. Hij zag slechts even den
omtrek harer gestalte, stil, onbewegelijk gezeten op de bank; er was
iets als het parelgrijze doorschemeren van een sterrenlucht boven hen,
tusschen de zwarte takken. Zij voelde hare handen in de zijne, en toen
zijn mond zijn zoen op hare hand. Heel zacht maakte zij zich los, en
daarna was het met een groote ziel van kuischheid, vol verlangenloos
geluk, dat zij hare armen heel zacht boog om zijn hals, zijn hoofd tegen
zich nam en hem kuste op het voorhoofd.
--En ik, ik dank je ook! fluisterde zij verrukt.
Hij bleef stil en zij hield hem zacht vast in hare omarming.
--Ik dank je, sprak ze, dat je me dit geleerd hebt en me geleerd hebt
zóo gelukkig te zijn als we zijn en niet anders. Zie je, toen ik nog
leefde, toen ik een mensch was, een vrouw, meende ik al geleefd te
hebben, vóór ik je ontmoette, want ik had een man gehad en ik had
kinderen van wie ik heel veel hield. Maar ik leerde pas het leven van
jou, het leven zonder egoïsme en zonder verlangen; ik leerde dat van je
dezen avond, of ... dezen dag, wat is het? O, je hebt me het leven
gegeven en het geluk, en alles! En ik dank je, ik dank je! Zie je, je
bent zoo groot en zoo sterk en zoo klaar en je hebt me gedragen naar je
eigen Geluk, dat ook het mijne moest zijn, maar dat zoo hoog boven me
was, dat ik het zonder je nooit bereikt zoû hebben! Want er was een
grens voor me, die er niet voor jou was. Zie je, toen ik nog mensch
was--en zij lachte, terwijl zij hem vaster nam--had ik een zuster en die
voelde òok, dat ze een grens had tusschen haar en haar geluk, en ze
voelde, dat ze dien grens niet kon overschrijden en was daar zoo
ongelukkig om, dat ze vreesde gek te zullen worden. Maar ik, ik weet het
niet: ik droomde, ik dacht, ik hoopte, ik wachtte, o ik wachtte en toen
ben je gekomen, en je hebt me dadelijk doen verstaan, dat je geen
mensch, geen man voor me mocht zijn, maar dat je méer voor me kon zijn:
mijn engel, o mijn heiland, die me in zijn arm nam en me over den grens
opdroeg naar zijn eigen hemel, waar hijzelve god was en mij madonna
maakte. O, ik dank je, ik dank je! Ik weet niet hoe ik je danken kan,
maar ik kan je alleen zeggen, dat ik van je hoû, dat ik je aanbid, dat
ik mijn ziel neêrleg aan je voeten. Blijf zoo en laat me je aanbidden,
terwijl je zoo knielt. Zoo mag ik je wel aanbidden, niet waar, terwijl
jezelve knielt? Zie je, ik moet je ook biechten, zooals je mij wel eens
deed,--ging zij voort, en zij kón nu niet anders dan biechten,--ik ben
niet altijd eerlijk tegenover je geweest, ik heb me wel eens moeten
voordoen àls een madonna, terwijl ik toen nog gewoon vrouw was, vrouw,
die eenvoudig-weg van je hield. Maar ik was oneerlijk voor je eigen
geluk, niet waar? Je wilde mij zoo hebben, je was gelukkig als ik zóo
was en niet anders. En nu, nu kan je mij het ook vergeven, omdat ik mij
nu niet meer behoef voor te doen, omdat dat het verleden is, omdat dat
is afgestorven, omdat ikzelve ben afgestorven van mezelve, omdat ik nu
geen vrouw en geen mensch meer ben voor mezelve, maar alleen dat wat je
me hebben wilt: madonna en schepsel van je, een atoom van je eigen
essence en goddelijkheid. Vergeef je me dus het verleden...? En mag ik
je danken voor mijn geluk, voor mijn hemel, mijn licht, o mijn God, voor
mijn geluk, mijn groot, onmetelijk groot geluk?
Hij was opgestaan, hij zette zich naast haar en nam haar zacht in zijn
armen.
--Is u gelukkig? vroeg hij.
--Ja, sprak zij, haar hoofd op zijn schouder leggende in eene zwijmeling
van glans. En jij?
--Ja, antwoordde ook hij en hij vroeg verder:
--En verlangt u nu ... niets anders?
--Neen, niets! stamelde zij. Ik wil niets dan dit, niets dan wat ik heb,
o niets, niets anders!
--Zweer me dat dan ... bij iets heiligs! vroeg hij.
--Ik zweer het je ... bij jezelven! zwoer zij.
Hij drukte haar hoofd weêr neêr op zijn schouder. Hij glimlachte en zij
zag niet, dat er weemoed was in zijn lach, want zij was verblind van
glans.