Zij zwegen lang, zoo zittende. Zij herinnerde zich vele woorden gezegd
te hebben, ze wist niet meer welke. Om haar heen zag zij, dat het donker
was, met alleen dat geschemer van parelgrijs boven hunne hoofden, door
de zwarte takken door. Ze voelde, dat ze met haar hoofd op zijn schouder
lag; ze hoorde zijn adem. Iets als kilte liep haar langs de schouders,
niettegenstaande de warmte zijner omhelzing; ze trok de kant dichter om
haar hals en voelde, dat de bank, waarop zij zaten, wat vochtig van dauw
was.
--Ik dank je, ik heb je zoo lief, je maakt me zoo gelukkig, herhaalde
zij.
Hij zweeg, drukte zeer zacht, met enkel teederheid, haar tegen zich aan.
Heure laatste woorden klonken haar nog in de ooren nadat zij ze gezegd
had. Toen moest ze zich erkennen, dat ze niet spontaan waren geweest,
als alles wat zij hem te voren gezegd had, terwijl hij voor haar
geknield lag, met zijn hoofd aan hare borst. Zij had ze gezegd, om hun
stilzwijgen te vullen: vroeger had dit stilzwijgen haar nooit gehinderd,
waarom dan nu?
--Kom! sprak hij zacht en ze hoorde nog niet den weemoed zijner stem, in
dit enkele woord.
Zij stonden op en liepen verder. Hij dacht er aan, dat het laat was, dat
ze door dit pad naar huis zouden kunnen gaan: verder dacht hij aan veel
treurigs, dat hij niet had kunnen zeggen; het was alleen als schemering,
die om hem heen kwam na de verbinding van het Licht hunner hemelen van
zoo even. En hij moest voorzichtig zijn: het was hier zeer donker, en
maar heel bleek zag hij het pad schemeren voor hunne voeten; boomstammen
schuurden zij rakelings aan.
--Ik zie niets! sprak Cecile lachend. Ziet u den weg?
--Vertrouw maar op me: ik zie heel goed in het donker, antwoordde hij.
Ik heb de oogen van een lynx ...
Stap voor stap gingen zij voort en zij gevoelde eene zoete vreugde zich
te laten leiden door hem; zij klemde zich vaster aan zijn arm, zeide
lachend dat ze bang was en dat ze heel bang zoû zijn, als hij haar nu in
eens losliet.
--En als ik nu in eens wegliep en u liet staan? schertste Quaerts.
Zij lachte, zij smeekte lachend, dat hij het niet doen zoû. Toen zweeg
ze, boos op zichzelve, dat ze gelachen had; een last van weemoed
bezwaarde haar om haren scherts en gelach. Ze gevoelde iets, als was ze
dàt onwaardig, waarvan zij zoo even in glanzen lichts ontvangen was
geworden.
En ook in hem was weemoed: de weemoed, dat hij haar leiden moest door
duisternis, over onzichtbare paden, langs rijen van onzichtbare
boomstammen, die haar schrammen en kneuzen konden, dat hij haar leiden
moest door een donker bosch, door eene zee van zwart, door eene
inkt-duistere sfeer, terwijl zij terugkwamen van den hemel, waar alles
licht en alles geluk was geweest, zonder weemoed, en duister.
En zoo, in dien weemoed, zwegen zij, tot zij op den grooten weg waren,
den ouden Scheveningschen weg. Zij naderden de villa.
Er ging een tram voorbij; twee, drie wandelaars liepen daar: het was een
mooie avond. Hij bracht haar thuis en wachtte, tot, op zijn bel, geopend
zoû worden. De deur bleef lang dicht, hij drukte intusschen vast hare
hand en onwillekeurig deed hij haar een beetje pijn. Greta was zeker in
slaap gevallen, meende ze:
--Bel nog eens, wil u?
Hij belde weêr en luider; de deur werd nu na een oogenblik geopend. Zij
bood hem ten tweede male de hand, met een glimlach.
--Adieu, mevrouw! groette hij, terwijl hij nu heure vingers eerbiedig
aannam en zijn hoed oplichtte, en nu, nu hoorde zij den klank zijner
stem, den klank van weemoed ...
* * * * *