V.

Zij zwegen lang, zoo zittende. Zij herinnerde zich vele woorden gezegd

te hebben, ze wist niet meer welke. Om haar heen zag zij, dat het donker

was, met alleen dat geschemer van parelgrijs boven hunne hoofden, door

de zwarte takken door. Ze voelde, dat ze met haar hoofd op zijn schouder

lag; ze hoorde zijn adem. Iets als kilte liep haar langs de schouders,

niettegenstaande de warmte zijner omhelzing; ze trok de kant dichter om

haar hals en voelde, dat de bank, waarop zij zaten, wat vochtig van dauw

was.

--Ik dank je, ik heb je zoo lief, je maakt me zoo gelukkig, herhaalde

zij.

Hij zweeg, drukte zeer zacht, met enkel teederheid, haar tegen zich aan.

Heure laatste woorden klonken haar nog in de ooren nadat zij ze gezegd

had. Toen moest ze zich erkennen, dat ze niet spontaan waren geweest,

als alles wat zij hem te voren gezegd had, terwijl hij voor haar

geknield lag, met zijn hoofd aan hare borst. Zij had ze gezegd, om hun

stilzwijgen te vullen: vroeger had dit stilzwijgen haar nooit gehinderd,

waarom dan nu?

--Kom! sprak hij zacht en ze hoorde nog niet den weemoed zijner stem, in

dit enkele woord.

Zij stonden op en liepen verder. Hij dacht er aan, dat het laat was, dat

ze door dit pad naar huis zouden kunnen gaan: verder dacht hij aan veel

treurigs, dat hij niet had kunnen zeggen; het was alleen als schemering,

die om hem heen kwam na de verbinding van het Licht hunner hemelen van

zoo even. En hij moest voorzichtig zijn: het was hier zeer donker, en

maar heel bleek zag hij het pad schemeren voor hunne voeten; boomstammen

schuurden zij rakelings aan.

--Ik zie niets! sprak Cecile lachend. Ziet u den weg?

--Vertrouw maar op me: ik zie heel goed in het donker, antwoordde hij.

Ik heb de oogen van een lynx ...

Stap voor stap gingen zij voort en zij gevoelde eene zoete vreugde zich

te laten leiden door hem; zij klemde zich vaster aan zijn arm, zeide

lachend dat ze bang was en dat ze heel bang zoû zijn, als hij haar nu in

eens losliet.

--En als ik nu in eens wegliep en u liet staan? schertste Quaerts.

Zij lachte, zij smeekte lachend, dat hij het niet doen zoû. Toen zweeg

ze, boos op zichzelve, dat ze gelachen had; een last van weemoed

bezwaarde haar om haren scherts en gelach. Ze gevoelde iets, als was ze

dàt onwaardig, waarvan zij zoo even in glanzen lichts ontvangen was

geworden.

En ook in hem was weemoed: de weemoed, dat hij haar leiden moest door

duisternis, over onzichtbare paden, langs rijen van onzichtbare

boomstammen, die haar schrammen en kneuzen konden, dat hij haar leiden

moest door een donker bosch, door eene zee van zwart, door eene

inkt-duistere sfeer, terwijl zij terugkwamen van den hemel, waar alles

licht en alles geluk was geweest, zonder weemoed, en duister.

En zoo, in dien weemoed, zwegen zij, tot zij op den grooten weg waren,

den ouden Scheveningschen weg. Zij naderden de villa.

Er ging een tram voorbij; twee, drie wandelaars liepen daar: het was een

mooie avond. Hij bracht haar thuis en wachtte, tot, op zijn bel, geopend

zoû worden. De deur bleef lang dicht, hij drukte intusschen vast hare

hand en onwillekeurig deed hij haar een beetje pijn. Greta was zeker in

slaap gevallen, meende ze:

--Bel nog eens, wil u?

Hij belde weêr en luider; de deur werd nu na een oogenblik geopend. Zij

bood hem ten tweede male de hand, met een glimlach.

--Adieu, mevrouw! groette hij, terwijl hij nu heure vingers eerbiedig

aannam en zijn hoed oplichtte, en nu, nu hoorde zij den klank zijner

stem, den klank van weemoed ...

* * * * *

Extaze: Een Boek van Geluk · 第 35 / 40 题