En het donker was het licht; de nacht daagde van het Licht, dat straalde
alom. Stil straalde het, het Licht, als éene enkele zonnester, die
straalt met zachten glans van klaarheid, hel in een hemel van stil wit
zilver licht; hemel, waar zij liepen over melkwegen van licht en muziek;
het straalde en het klonk onder hunne voeten en in zeeën van ether
verhief het zich hoog boven hunne hoofden en straalde daar weêr en klonk
er weêr, hoog en zuiver. Zij waren er alleen, in hunnen hemel, in hunne
hemelwijdte, die was als de Ruimte, eindeloos onder hen en boven hen en
om hen rond, met eindelooze ruimten van licht en muziek; van licht, dat
muziek was. Eeuwigheden lang mat zich hun hemel uit, naar alle zijden
mat zich die uit, met zalige verschieten van witte zonneglansen, in
glans verschoten en weggeglansde landouwen, als oazen van bloemen en
planten aan wateren van licht, stil en klaar en geruischloos van vrede.
Want de vrede was er de lucht, waarin alle verlangen oplost en tot
kristallen transparantheid wordt en hun leven was er het limpide zijn in
verlangenloozen vrede; zij wandelden er voort, in goddelijke sympathie
van samenzijn, nauw aan elkaâr, als in éen engen ring omgeven, éen ring
van glans, die hen omgaf. Nauwlijks in hen was er herinnering aan de
wereld, die was afgestorven en afgeschitterd in het stralen van hunnen
hemel; niets was er in hen dan de extaze van hunne liefde, die hunne
ziel was geworden, alsof zij geene ziel meer hadden en slechts liefde
waren; en toen zij om zich heen zagen en zagen in het Licht, zagen zij,
dat hun hemel, waarin hun Geluk het Licht was, niets was dan hunne
liefde en zagen zij, dat de landouwen,--de bloemen en planten aan
wateren van licht,--niets waren dan hunne liefde, en dat de eindelooze
Ruimte, de eeuwigheden van glans en ruimte, van ruimten vol glans en
muziek, die zich uitmaten naar alle zijden, onder hen en boven hen en om
hen rond, niets waren dan hunne liefde, die geworden was tot hemel en
geluk.
En het Doel, dat Cecile eens had vóórgeraden, verscholen in de verte, in
de uitstraling van eigen goddelijkheid, traden zij nu middenin, in zijn
zonnekern; midden in het Doel traden zij en rondom hen schoot het zijne
eindelooze stralen naar alle eeuwigheden heen, alsof hunne Liefde werd
tot middenpunt des Heelals ...