III.

En het donker was het licht; de nacht daagde van het Licht, dat straalde

alom. Stil straalde het, het Licht, als éene enkele zonnester, die

straalt met zachten glans van klaarheid, hel in een hemel van stil wit

zilver licht; hemel, waar zij liepen over melkwegen van licht en muziek;

het straalde en het klonk onder hunne voeten en in zeeën van ether

verhief het zich hoog boven hunne hoofden en straalde daar weêr en klonk

er weêr, hoog en zuiver. Zij waren er alleen, in hunnen hemel, in hunne

hemelwijdte, die was als de Ruimte, eindeloos onder hen en boven hen en

om hen rond, met eindelooze ruimten van licht en muziek; van licht, dat

muziek was. Eeuwigheden lang mat zich hun hemel uit, naar alle zijden

mat zich die uit, met zalige verschieten van witte zonneglansen, in

glans verschoten en weggeglansde landouwen, als oazen van bloemen en

planten aan wateren van licht, stil en klaar en geruischloos van vrede.

Want de vrede was er de lucht, waarin alle verlangen oplost en tot

kristallen transparantheid wordt en hun leven was er het limpide zijn in

verlangenloozen vrede; zij wandelden er voort, in goddelijke sympathie

van samenzijn, nauw aan elkaâr, als in éen engen ring omgeven, éen ring

van glans, die hen omgaf. Nauwlijks in hen was er herinnering aan de

wereld, die was afgestorven en afgeschitterd in het stralen van hunnen

hemel; niets was er in hen dan de extaze van hunne liefde, die hunne

ziel was geworden, alsof zij geene ziel meer hadden en slechts liefde

waren; en toen zij om zich heen zagen en zagen in het Licht, zagen zij,

dat hun hemel, waarin hun Geluk het Licht was, niets was dan hunne

liefde en zagen zij, dat de landouwen,--de bloemen en planten aan

wateren van licht,--niets waren dan hunne liefde, en dat de eindelooze

Ruimte, de eeuwigheden van glans en ruimte, van ruimten vol glans en

muziek, die zich uitmaten naar alle zijden, onder hen en boven hen en om

hen rond, niets waren dan hunne liefde, die geworden was tot hemel en

geluk.

En het Doel, dat Cecile eens had vóórgeraden, verscholen in de verte, in

de uitstraling van eigen goddelijkheid, traden zij nu middenin, in zijn

zonnekern; midden in het Doel traden zij en rondom hen schoot het zijne

eindelooze stralen naar alle eeuwigheden heen, alsof hunne Liefde werd

tot middenpunt des Heelals ...

Extaze: Een Boek van Geluk · 第 33 / 40 题