Het werd donker, laat, en zij zaten er nog, toen ze vroeg:
--Willen we wat wandelen?
Hij aarzelde, glimlachend, maar zij vroeg nog eens:
--Waarom niet, als je wilt?
En hij kòn niet meer weigeren.
Zij stonden op, zij gingen langs den achterkant van het huis, en Cecile
vroeg aan de meid, die ze bij de deur der keuken zag zitten naaien:
--Greta, haal even mijn kleinen zwarten hoed, mijn zwarte fichu en een
paar handschoenen.
De meid stond op en ging het huis in. Cecile merkte hoe een beetje
verlegenheid zich sterker uitteekende in Quaerts' geweifel terwijl zij
nu wat dralend wachteden tusschen de bloemenperken. Zij glimlachte,
plukte eene roos, die ze zich in den ceintuur stak.
--Zijn de jongens naar bed? vroeg hij.
--Ja, antwoordde ze, steeds glimlachend; al lang.
De meid kwam terug; zonder spiegel zette Cecile zich het zwarte tulle
hoedje op, sloeg de kant om haar hals, maar nu Greta de handschoenen
aanbood, sprak zij:
--Neen, niet deze; haal een paar grijze ...
De meid ging opnieuw en toen Cecile naar Quaerts zag, werd haar glimlach
grooter; ze lachte even.
--Wat is er toch? vroeg zij ondeugend, hoewel ze het wel wist.
--Niets, niets! sprak hij vaag en hij moest geduldig wachten, tot Greta
terug was gekomen.
Toen gingen zij door het achterhek van den tuin de Boschjes in. Zij
liepen langzaam, zonder woorden, Cecile wat spelende met de lange
handschoenen, die zij niet aanschoof.
--Heusch ... begon hij, aarzelend.
--Wat dan toch?
--U weet het wel; wat ik u verleden ook zei: het is niet goed ...
--Niet goed?
--Wat we doen. U risqueert te veel.
--Te veel, met u?
--Als iemand ons zag ...
--Nu wat dan?
Hij schudde zijn hoofd.
--U is ondeugend; u weet het heel goed.
Zij knipte met hare oogen; haar mond werd ernstig; ze deed alsof ze zich
een beetje boos maakte.
--Hoor eens, u mag niet zoo bang zijn, als _ik_ het niet ben. Ik doe
niets slechts. Onze wandelingen zijn geen geheim. Greta ten minste weet
er van. En dan: ik ben vrij, ik doe en laat wat ik wil.
--Het is mijn schuld: den eersten keer, dat we 's avonds wandelden, was
het op mijn verzoek ...
--Doe dan nu boete en ga zonder scrupules zoet met me meê op _mijn_
verzoek ... schertste zij.
Hij gaf zich over, te gelukkig als hij was om aan conventie, aan dat wat
op dit oogenblik afgestorven was, te offeren.
Zij gingen verder en zij zwegen. En zooals ze meestal hare gevoelens bij
schokken van verbazing ontving--zooals zij ze ontvangen had toen Jules
was boos geworden, en toen ze hare trap was opgegaan na hun gesprek aan
het diner, over cirkels van sympathie,--bij schokken van verbazing, zoo
ontving ze ook nu, met een schok, dit gevoel: dat ze toch niet zoo erg
leed, als ze eerst meende; dat hare smart, die wellust was, geene
marteling kon zijn, dat ze gelukkig was, dat het Geluk om haar heen kwam
als de fijne lucht zijner eigene atmosfeer, omdat zij samen waren,
samen ... O, waarom te wenschen, nog meer, en dingen, die niet zoo louter
waren? Had hij haar niet lief, en was zijne liefde niet een feit, en zoû
zijne liefde haar dan niet aardsch genoeg zijn, als ze toch feit was?
Had hij haar niet lief met teederheid, die vreesde voor wat haar
hinderen mocht in de wereld, zoo ze die wereld vergat en 's avonds met
hem dwaalde in het donker? Had hij haar lief met teederheid, maar ook
niet met glans, met den glans van het goddelijke zijner ziel, omdat hij
haar madonna noemde, dus--zich misschien onbewust in zijn eenvoud--haar
met dien naam gelijke maakte aan wat goddelijk in hem was. Had hij haar
niet lief? God, had hij haar dan niet lief? En wat wilde ze meer? Neen,
o neen, ze wilde niets meer; ze was gelukkig, ze had het Geluk met hem
samen; hij gaf het haar, zooals zij het hem gaf; het was een sfeer, die
met hen meêtrok, waar zij ook gingen, zoekende hunnen weg, langs de
weggedonkerde paden der Boschjes, zij nu aan zijn arm, hij haar leidende,
daar ze niets zag in het donker, dat toch louter licht was van hun Geluk.
En zoo was het of het niet avond was, maar dag. Middag, middag in den
nacht, ure van licht in het duister!