II.

Het werd donker, laat, en zij zaten er nog, toen ze vroeg:

--Willen we wat wandelen?

Hij aarzelde, glimlachend, maar zij vroeg nog eens:

--Waarom niet, als je wilt?

En hij kòn niet meer weigeren.

Zij stonden op, zij gingen langs den achterkant van het huis, en Cecile

vroeg aan de meid, die ze bij de deur der keuken zag zitten naaien:

--Greta, haal even mijn kleinen zwarten hoed, mijn zwarte fichu en een

paar handschoenen.

De meid stond op en ging het huis in. Cecile merkte hoe een beetje

verlegenheid zich sterker uitteekende in Quaerts' geweifel terwijl zij

nu wat dralend wachteden tusschen de bloemenperken. Zij glimlachte,

plukte eene roos, die ze zich in den ceintuur stak.

--Zijn de jongens naar bed? vroeg hij.

--Ja, antwoordde ze, steeds glimlachend; al lang.

De meid kwam terug; zonder spiegel zette Cecile zich het zwarte tulle

hoedje op, sloeg de kant om haar hals, maar nu Greta de handschoenen

aanbood, sprak zij:

--Neen, niet deze; haal een paar grijze ...

De meid ging opnieuw en toen Cecile naar Quaerts zag, werd haar glimlach

grooter; ze lachte even.

--Wat is er toch? vroeg zij ondeugend, hoewel ze het wel wist.

--Niets, niets! sprak hij vaag en hij moest geduldig wachten, tot Greta

terug was gekomen.

Toen gingen zij door het achterhek van den tuin de Boschjes in. Zij

liepen langzaam, zonder woorden, Cecile wat spelende met de lange

handschoenen, die zij niet aanschoof.

--Heusch ... begon hij, aarzelend.

--Wat dan toch?

--U weet het wel; wat ik u verleden ook zei: het is niet goed ...

--Niet goed?

--Wat we doen. U risqueert te veel.

--Te veel, met u?

--Als iemand ons zag ...

--Nu wat dan?

Hij schudde zijn hoofd.

--U is ondeugend; u weet het heel goed.

Zij knipte met hare oogen; haar mond werd ernstig; ze deed alsof ze zich

een beetje boos maakte.

--Hoor eens, u mag niet zoo bang zijn, als _ik_ het niet ben. Ik doe

niets slechts. Onze wandelingen zijn geen geheim. Greta ten minste weet

er van. En dan: ik ben vrij, ik doe en laat wat ik wil.

--Het is mijn schuld: den eersten keer, dat we 's avonds wandelden, was

het op mijn verzoek ...

--Doe dan nu boete en ga zonder scrupules zoet met me meê op _mijn_

verzoek ... schertste zij.

Hij gaf zich over, te gelukkig als hij was om aan conventie, aan dat wat

op dit oogenblik afgestorven was, te offeren.

Zij gingen verder en zij zwegen. En zooals ze meestal hare gevoelens bij

schokken van verbazing ontving--zooals zij ze ontvangen had toen Jules

was boos geworden, en toen ze hare trap was opgegaan na hun gesprek aan

het diner, over cirkels van sympathie,--bij schokken van verbazing, zoo

ontving ze ook nu, met een schok, dit gevoel: dat ze toch niet zoo erg

leed, als ze eerst meende; dat hare smart, die wellust was, geene

marteling kon zijn, dat ze gelukkig was, dat het Geluk om haar heen kwam

als de fijne lucht zijner eigene atmosfeer, omdat zij samen waren,

samen ... O, waarom te wenschen, nog meer, en dingen, die niet zoo louter

waren? Had hij haar niet lief, en was zijne liefde niet een feit, en zoû

zijne liefde haar dan niet aardsch genoeg zijn, als ze toch feit was?

Had hij haar niet lief met teederheid, die vreesde voor wat haar

hinderen mocht in de wereld, zoo ze die wereld vergat en 's avonds met

hem dwaalde in het donker? Had hij haar lief met teederheid, maar ook

niet met glans, met den glans van het goddelijke zijner ziel, omdat hij

haar madonna noemde, dus--zich misschien onbewust in zijn eenvoud--haar

met dien naam gelijke maakte aan wat goddelijk in hem was. Had hij haar

niet lief? God, had hij haar dan niet lief? En wat wilde ze meer? Neen,

o neen, ze wilde niets meer; ze was gelukkig, ze had het Geluk met hem

samen; hij gaf het haar, zooals zij het hem gaf; het was een sfeer, die

met hen meêtrok, waar zij ook gingen, zoekende hunnen weg, langs de

weggedonkerde paden der Boschjes, zij nu aan zijn arm, hij haar leidende,

daar ze niets zag in het donker, dat toch louter licht was van hun Geluk.

En zoo was het of het niet avond was, maar dag. Middag, middag in den

nacht, ure van licht in het duister!

Extaze: Een Boek van Geluk · 第 32 / 40 题