"O, dat wat niet te zeggen is, omdat woorden zoo weinige zijn, altijd de
zelfde, combinaties van enkele letters en klanken; o, dat wat niet te
denken is in de enge grenzen van het verstand; dat wat alleen aan te
zweemen is met nauwlijks voelhorens van ziel: Essence der essences der
dingen van onszelve ..."
Maar ze schreef niet verder, zij wist niet meer: schreef ze, dat ze geen
woorden had en zocht zij ze toch?
Zij verwachtte hem en ze zag nu uit het open venster, of hij kwam. Lang
bleef zij daar; toen wist ze, dat hij dadelijk komen zoû en hij kwam
ook; ze zag hem naderen langs den Scheveningschen weg; hij duwde het
ijzeren hek der villa open, glimlachte haar toe en groette met den hoed.
--Wacht! riep ze. Wacht daar ...
Ze ging vlug de trap af, in den tuin, waar hij gebleven was. Hij zag
haar hem tegemoet komen, vreugdig van geluk, en zoo broos bevallig; haar
blonde hoofd zoo fijn in het jonge groen van Mei; als van een jong
meisje haar figuur in het heel licht grijze toilet met wat zwart fluweel
lint en iets van zilverkant hier en daar.
--Ik ben blij je te zien. Je bent in zoo lang niet bij me geweest! sprak
ze en gaf hem de hand.
Hij antwoordde nog niet, glimlachend.
--We zullen in den tuin gaan zitten, achter, het weêr is zoo mooi.
--Ja, sprak hij.
Zij wandelden den tuin in, langs de arabesken der paden; de jasmijnen
sterrelden wit langs hen heen. In een andere villa speelde men piano, de
klanken dwaalden over: het was Rubinsteins romance in es.
--Hoor! zeide Cecile, opschrikkend. Wat is dat?
--Wat? vroeg hij.
--Wat daar gespeeld wordt?
--Rubinstein, geloof ik! sprak hij.
--Rubinstein...? herhaalde zij vaag. Ja ...
En zij smolt weg in de weelde der herinnering van ... wat? Nog éens, zoo,
langs die zelfde paden had zij gewandeld, langs zulke jasmijnen, nog
eens, heel lang, zoo lang geleden, gewandeld met hem, hem ... Waarom?
Keerde dan het zelfde terug, na eeuwen ...
--Je bent in geen drie weken bij me geweest? sprak ze gewoon weg, zich
terugwinnende.
--Vergeef me, antwoordde hij.
--Wat was er?
Er kwam weifeling in zijn geheele wezen, het scheen als zocht hij iets.
--Ik weet het niet, sprak hij zacht. U moet het me vergeven, niet waar?
Den eenen dag was er dit, en den anderen dat. En dan ... ik weet het
niet. Veel redenen bij elkaâr. Het is niet goed, dat ik u veel zie. Niet
goed voor u en niet goed voor mij.
--Laten wij eens eerst over het eerste spreken. Waarom niet voor
jezelven?
--Laten wij liever over het tweede spreken: dat wat u aangaat. De
menschen ...
--De menschen?
--De menschen spreken over ons. Ik ben nu eenmaal een mauvais sujet. Ik
wil niet maken, dat uw naam op een profane wijze genoemd wordt met den
mijne.
--En gebeurt dat?
--Ja ...
Zij glimlachte.
--Dat kan mij niet schelen.
--Maar dat moet u kunnen schelen; al is het niet voor uzelve, dan
voor ...
Hij zweeg; zij begreep hem, hij bedoelde hare kinderen, zij haalde hare
schouders op.
--En waarom nu niet goed voor u?
--Omdat men niet zoo dikwijls gelukkig mag zijn.
--Wat een sofisme! Waarom niet?
--Ik weet niet: dat voel ik zoo. Het verwent te veel. Het is te veel.
--Is u dan hier gelukkig?
Hij glimlachte en maakte eene zachte beweging van ja met zijn hoofd.
Zij zwegen, heel lang. Zij waren gaan zitten achter in den tuin op eene
bank, die in eene halfrondte van bloeiende rhododendrons stond: de
bloemen, satijnig paars en zacht getijgerd in den kelk, omringden hen in
een hooge haag van dichte bouquetten, die opgingen van het pad tot boven
hunne hoofden; stamrozen wierookten voor hen geur. Stil zaten ze nu,
gelukkig bij elkaâr, gelukkig in de sympathie hunner atmosferen, die
zich mengden, en toch in dat geluk de onoverkomelijke weemoed, die is in
alles van het leven, zelfs in geluk.
--Ik weet niet hoe ik het u zeggen kan! sprak hij. Maar stel eens, dat
ik u iederen dag zag, ieder oogenblik, dat ik aan u dacht ... Dat zoû
niet gaan. Ik zoû dan zoo verfijnd, zoo subtiel worden, dat ik van
louter geluk niet leven kon, want mijn andere mensch zoû niets
ontvangen, zooals een dier, dat honger lijdt. Ik ben slecht, ik ben
egoïst, dat ik zoo spreken kan, maar ik moet u de waarheid zeggen, opdat
u niet te goed van mij denkt. En zoo zoek ik uw gezelschap alleen als
iets heel moois, dat ik me een enkele maal vergun te genieten.
Zij zweeg.
--Soms ... dan denk ik, dat ik ook zoo niet goed doe, voor u. Dat ik op
de eene of andere manier u beleedig en pijn doe. Dan zit ik altijd
daarover te denken en dan geloof ik, dat het goed zoû zijn voor altijd
afscheid van u te nemen.
Zij zweeg nog; roerloos zat ze, hare handen slap in den schoot, haar
hoofd lichtjes neigend, een glimlach om haren mond.
--Zeg me iets ... vroeg hij.
--Je beleedigt me niet en pijn doe je me ook niet, sprak zij. Kom bij
me, wanneer je er behoefte toe voelt. Doe dat alles zoo als je wilt. Zoo
vind ik het ook goed en daar moet je niet aan twijfelen.
--Ik zoû zoo gaarne weten hoè u van me hield ...
--Hoe? Zooals een madonna houdt van een zondaar, die berouw heeft en
haar zijn ziel geeft, sprak zij schalk. Ik ben immers een madonna?
--Wil u dat gaarne zijn?
--Kent u zoo weinig de vrouwen, dat u niet weet, hoe er in elk van ons
iets als een verlangen is te troosten, weldadig te zijn en madonna te
spelen?
--Spreek zoo niet, vroeg hij met iets als pijn.
--Ik spreek in ernst ...
Hij zag haar aan; twijfel rees in hem op, maar ze glimlachte hem toe;
een kalme glans was om haar; in de bouquetten der rhododendrons zat zij
daar als in de bloesemteederheid van éene groote mystieke bloem. Zijn
twijfel werd toen als eene wond, die gebalsemd wordt. Hij gaf zich
geheel over aan het geluk; het weefde eene atmosfeer om hem heen van
zachte levens-kalmte, eene atmosfeer, waarin het leven kalm en
hartstochteloos en rustig glimlachend wordt, als de lucht, die fijn is
om goden. Het begon te donkeren: een violet geduister viel uit den hemel
neêr als floers, dat viel op floers; stil lichtteden de sterren op. De
schaduwen in den tuin, tusschen de heesters, waar zij zaten, vloeiden
samen; de piano in de andere villa was stil geworden. En het Geluk trok
als een sluier tusschen zijne ziel en de wereld daarbuiten: den tuin met
zijn aanleg van paden en perken; de villa met gordijnen aan vensters en
ijzeren hek; den weg daarachter met geknars van rijtuigen en van trams.
Vèr trok zich dat alles terug, het geheele leven der gewoonheid trok
zich ver van hem terug, het waasde weg achter den sluier, het stierf af.
En het was hem geen gedroom of verzinsel; de werkelijkheid was hem het
Geluk, dat gekomen was, terwijl de wereld afstierf; het Geluk, dat ijl
was, niet te zien en niet aan te raken, gekomen als het was uit de
Liefde, die alleen is sympathie, in kalmte en zonder hartstocht, de
Liefde, die loùter is en slechts is om zichzelve, zonder bijgedachte van
iets te nemen, zelfs niet van iets te geven, de liefde der goden, die is
de ziel der Liefde zelve. Hoog voelde hij zich: de gelijke der illuzie,
die hij zag in haar, die ze wezen wilde om hem, die hij nu óok zien
bleef in haar, zonder twijfel. Want hij kon niet weten, dat wat hem zóo
het Geluk gaf--zijne illuzie,--zoo volkomen en zóo kristalhelder, iets
van leed zoû zijn voor haar; hij kon op dit oogenblik zonder zonde niet
doordringen in de waarheid der wet, die wil het evenwicht, die wegneemt
aan de eene wat zij den andere biedt en die het Geluk geeft met het Leed
samen; hij kon niet weten, dat zoo het Geluk was aan hem, aan haar was
de smart, de smart, dat ze zich moest voordoen en hem bedriegen om hèm;
de smart, dat zij het aardsche wilde, dat zij het aardsche miste, dat
zij smachtte naar het aardsche...! En nog minder kon hij weten, dat
niettegenstaande dit alles, toch deze wellust was in hare smart: te
lijden door hem, te lijden voor hem, kon hij weten, dat geheel hare
smart wellust was.