Zij bleven toen lang met elkander praten en er kwam niemand, die hen
stoorde. Het kind was weêr gaan zitten bij het raam. De schemering begon
hare asch naar binnen te strooien. Zacht wit zag hij Cecile daar zitten,
in de melodie harer woorden van halve stem, die weldadig tot hem
aanklonken. Zij spraken over veel; over Emerson; over een gedicht van
Van Eeden, in den Nieuwen Gids; over hunne levensopvattingen. Hij had
een kop thee willen aannemen, alleen om haar zich te zien bewegen met de
weeke lijnen harer bevalligheid, staande voor het theetafeltje in den
hoek. In haar wit toilet, had zij iets van marmer, dat week zoû zijn van
bezieling en leven. En onbewegelijk bleef hij zitten, luisterend met
eerbied, opgenomen in eene teedere verrukking van geluk. Het was eene
stemming, niet te analyzeeren, zonder zichtbaren oorzaak, alleen
wordende uit hun sympathetisch samenzijn, zooals eene bloem wordt uit
een onzichtbaar zaad, na een regendrop en wat zonneschijn. Ook zij, ze
was gelukkig; ze voelde niet hare pijn om zijn eerbied. Ze was wel een
beetje weemoedig, dat hij zoo geleefd had, maar toch was ze gelukkig om
het geluk van die stip van het heden. Ze zag nu ook niet haren donkeren
stroom, hare inktlucht, haar nalatenschap; ze zag nu alles licht, in
kalmte. En het geluk ademde om hen heen, tastbaar, als met eene
liefkoozing. Soms zwegen zij, en zagen beiden naar het kind, dat las, of
het vroeg hun iets en zij antwoordden. Dan glimlachten zij elkander toe,
omdat het zoo zoet was en niet hinderde.
--Ik wilde, dat dit nu altijd zoo bleef! dorst hij te zeggen, toch nog
vreezende; dat zulk een woord de kristallen transparantheid van hun
geluk zoû breken. Als u nu in me zien kon, hoe goed ik me voel. Ik weet
niet waarom, maar ik voel me zoo. Misschien om uw vergeving. Het Roomsche
geloof is toch heerlijk met zijn absolutie. Wat een troost voor zwakke
menschen.
--Maar u mag u niet zwak vinden. U is dat ook niet. U zegt me, dat u
zich soms boven het gewone leven kan stellen, dat u kan neêrzien op de
smart van het leven als op een comedie, die maar eventjes droef doet
glimlachen, maar niet de waarheid is. Ik geloof ook, dat het leven,
zooals wij het zien, alleen maar symbool is van een leven van waarheid,
dat er onder schuilt en dat we niet zien. Maar ik kan me niet boven het
symbool stellen en u wel. Daarom is u heel sterk en voelt u heel groot.
--Hoe zonderling! en ik voel juist mijzelven zwak en u groot en krachtig.
U durft te zijn, die u is, in al uw harmonie en ik verberg me altijd en
ben bang voor de menschen, persoonlijk, ook al stel ik me soms boven het
leven, als massa. Maar dat zijn raadsels, die ik toch niet kan oplossen,
en al mis ik de macht ze op te lossen, ik voel op dit oogenblik niets dan
geluk. Ik mag dat wel eens hoorbaar zeggen, nietwaar hóorbaar?
Zij glimlachte hem toe, zalig, dat zij hem het geluk gaf.
--Het is de eerste maal, dat ik zóo het geluk voel, ging hij voort.
Eigenlijk is het de eerste maal, dat ik het voel ...
--Analyzeer het dan niet.
--Ik hoef het niet te analyzeeren: ik zie het in al zijn eenvoud voor
mij staan. Weet u waarom ik gelukkig ben?
--Analyzeer niet ... herhaalde zij bang.
--Neen, sprak hij, maar mag ik het zeggen zonder analyze?
--Doe dat niet, stamelde zij, want ... want ik weet het ...
Zij smeekte het, zeer bleek, met gevouwen vingers, die trilden. Het kind
sloeg acht op hen; het had zijn boek gesloten, het kwam naar zijne
moeder en zette zich op zijn plaatsje, met een blik van prille wijsheid
in zijne bleekblauwe oogjes.
--Dan gehoorzaam ik! sprak Quaerts met eenige moeite.
En zij zwegen beiden, hunne oogen vergroot als door den glans van een
vizioen. Om hen heen scheen het zacht te stralen, door de asch der
schemering heen.