III.

Cecile leefde deze drie weken in eene onwetendheid, die haar pijnlijk

aandeed. Door Dolf had zij wel gehoord, dat Quaerts jaagde, maar verder

niets. Een schok van blijdschap electrizeerde haar, toen nu de deur

achter den paravent openging en zij hem voelde binnenkomen. Hij stond

voor haar, eer zij zich herwinnen kon en daar zij wat beefde, rees zij

niet op en reikte zij, zittende, hem hare hand, met eene onzichtbare

trilling der vingeren.

--Ik ben uit de stad geweest, begon hij.

--Dat hoorde ik ...

--Heeft u het goed gemaakt, al dien tijd?

--Dank u, heel goed.

Hij vond haar wat bleek, met een zweem van lichtblauw onder hare oogen

en eene matheid in hare bewegingen. Maar hij besloot, dat het misschien

niets bizonders was of dat zij bleek schéen in de melkblankheid dier

zacht-witte stof, als zijdige wol, zooals haar middel nog tengerder was

in het getrek der écharpe om hare leest, met eene lange, witte franje,

die voor hare voeten viel. Zij zat alleen met Christie, op zijn bankje,

zijn hoofdje in haar japon, een prentenboek op zijne knietjes.

--U is net een madonna met een Kindje! zei Quaerts.

--Mijn kleine Dolf is gaan wandelen met zijn peetoom, sprak zij,

stralend ziende op haar kind en het lichtjes wenkend ...

Het stond op en, verlegen, ging het naar Quaerts en bood, met zijn

schuin hoofd, een handje. Quaerts tilde hem op en zette hem op zijn

knie.

--Wat is hij licht, ce petit Jésus!

--Hij is niet sterk, sprak Cecile.

--U verwent hem te veel.

Zij lachte weêr.

--Paedagoog! schertste zij. Waarom verwen ik hem?

--Ik vind hem altijd in uw rokken. Hij moest maar eens met me meêkomen:

ik zoû hem gymnastiek laten doen.

--Jules paardrijden, en Christie gymnastiek! lachte zij door.

--Ja ... sport, u weet het! schertste hij terug met een blik van

beteekenis.

Zij zag hem terug aan en sympathie lachte uit de diepte harer goudgrijze

oogen. Hij voelde zich gelukkig, en, met het kind op zijne knie:

--Ik kom u biechten ... madonna!

Toen, schrikkende, zette hij het kind in eens van zich af.

--Biechten?

--Ja ... Christie, ga terug naar mama. Ik mag je niet bij mij houden.

--Jawel! riep Christie met verwonderd groote oogen en greep het koordje

van zijn lorgnet.

--Le petit Jésus vergeeft te vroeg! sprak Quaerts.

--En ik, heb ik iets te vergeven? vroeg zij.

--Ik zoû gelukkig zijn, als u het zoo beschouwde.

--Biecht dan.

Le petit Jésus ... aarzelde hij.

Cecile stond op; zij nam het kind, kuste het en deed het zitten op een

stoel bij het raam, met zijn prentenboek. Toen kwam zij terug naar de

chaise-longue:

--Hij zal niet hooren ...

En Quaerts begon zijn verhaal, kiezende zijne woorden; hij sprak van de

jacht, van de rospartijen en de boerin, en van Brussel. Zij luisterde

vol aandacht, in hare oogen een angst voor dat levensgeweld, waarvan de

echo zijne woorden doorbruiste, ware het dan ook eene echo door eerbied

getemperd.

--En was dat alles zonde, die vergeven moet worden? vroeg zij nu.

--Niet?

--Ik ben geen madonna, maar ... een vrouw met nog al geëmancipeerde

denkbeelden. Als u gelukkig is geweest met dat leven, was het geen

zonde, want geluk is goed ... Is u dus gelukkig geweest, dan was dat

leven ... goed.

--Gelukkig!? vroeg hij.

--Ja?

--Neen ... Ik heb dus zonde gepleegd, zonde aan mijzelven, niet waar?

Vergeef me ... madonna.

Zij ontroerde zeer om den klank zijner stem, die, zacht gebroken, haar

als in bekoring omwikkelde; zij ontroerde van hem daar te zien zitten,

vullende met hemzelven, met zijn lichaam, zijn wezen, zijn bestaan, eene

ruimte in hare kamer, vlak in hare nabijheid. In éene seconde doorleefde

zij uren, voelde zij hare stille liefde zwaar in haar als een zoet

gewicht, voelde zij lust hare armen om zijn borst te slaan en hem te

zeggen, dat zij hem aanbad, en voelde zij een innig leed, om wat hij

haar bekende: dat hij weêr zich niet gelukkig had gevoeld. En zij kon

zich nauwelijks bedwingen in haar medelijden, stond op, trad op hem toe

en legde hem eene hand op zijn schouder.

--Zeg me, meent u dat alles? Is dit alles waarheid? Is het waarheid, dat

u zoo geleefd heeft en u toch niet gelukkig heeft gevoeld?

--Volle waarheid, op het woord van mijn ziel.

--Maar waarom heeft u het dan gedaan?

--Ik kon niet anders.

--U kon u niet tot maat dwingen?

--Nooit ...

--Dan zoû ik u dat gaarne willen leeren.

--Ik niet, van _u_. Want het geluk is voor mij, en zal altijd voor mij

zijn, onmatig te zijn ook bij u, onmatig in het leven van mijn

eigenlijken mensch, mijn zielemensch, zooals ik nu pas onmatig ben

geweest in het leven van mijn schijnmensch.

Hare oogen werden vochtig; ze schudde haar hoofd, steeds met die hand op

zijn schouder.

--Dat is niet goed! sprak ze, diep weemoedig.

--Het is genot ... voor beide die menschen. Ik moèt zoo zijn ... onmatig

voor beiden.

--Maar dat is niet goed! drong zij door. Louter genot ...

--Het laagste, maar ook het hoogste ...

Eene huivering overviel haar, eene doodelijke angst voor hem.

--Neen, neen, drong ze aan. Denk zoo niet. Doe zoo niet. Noch het een,

noch het ander. Heusch, dat alles is niet goed. Louter genot en onmatig

genot, ook het hoogste, is niet goed.

Zoo forceert u het leven. Zoo ... ben ik bang voor u. Zoek maat te

krijgen. U heeft zooveel elementen om gelukkig te zijn.

--O, ja ...

--Ja, maar ik meen: dwéep niet. En ... en hol ook zoo woest niet door,

om Godswil!

Hij zag tot haar op; hij zag het haar smeeken, met hare oogen, met de

uitdrukking van haar gelaat, met geheel haar, even voorover buigend,

staan. Hij zàg het haar smeeken, zooals hij het haar hòorde doen, en

toen zag hij, dat zij hem liefhad. Eene lichte verrukking kwam over hem,

als daalde iets hoogs tot hem neêr om hem te leiden. Hij verroerde zich

niet,--hij voelde hare hand trillen op zijn schouder--bang, die

verrukking bij de minste beweging te zullen doen vervliegen. Het kwam

geen oogenblik in hem op, haar te zeggen een woord van teederheid, of

haar te nemen in zijn armen en te drukken tegen zich aan: zij

verheerlijkte zich zóó voor zijn oog, dat zulk profaan verlangen ver van

hem af bleef. En toch voelde hij op dit oogenblik, dat hij haar liefhad,

maar zóó, als hij nog nooit had liefgehad, zoo geheel en alleen met het

edelste, dat in eene ziel, vaak voor zichzelve zelfs onzichtbaar,

verscholen is: voelde hij, dat hij haar liefhad met allernieuwste

gevoelens van reine jeugd en nieuwe frischheid en klare belangeloosheid.

En het werd hem, alsof dat alles een droom was, die niet wàs, een droom

van lichtgeweef om hem heen als met mazen van zonneschijn.

--Madonna! fluisterde hij. Vergeef me ...

--Beloof me dan ...

--Ik wil wel beloven, maar ik zal niet kunnen houden. Ik ben zwak ...

--Neen.

--O ja. Maar ik beloof en beloof mijn belofte te zullen pògen te houden.

Vergeeft u dan?

Zij knikte hem toe; zij wierp haar glimlach op hem neêr als een straal.

Toen ging zij naar het kind, nam het in hare armen en bracht het tot

hem:

--Christie omhels hem en geef hem een zoen.

Hij nam het kind van haar over en het kuste hem op zijn voorhoofd, en

sloeg de armpjes om zijn hals.

--Le petit Jésus! fluisterde hij.

Extaze: Een Boek van Geluk · 第 26 / 40 题