Zij had dien avond lang geschreven in haar dagboek, en ze liep nu de
kamer op en neêr, hare handen gevouwen neêrhangende, haar hoofd een
weinig gebogen, met een blik, die staarde. Er was ernst om haren mond.
Vóór zich zag zij het vizioen; dat wat zij geraden had. Hij had haar
lief, met alleen zijne ziel, niet lief als eene vrouw die mooi is en
goed, maar hooger lief dan dat, lief met de fijnste zielezenuwtrillingen
van zijn mensch,--zijn eigenlijke--lief met de supreme Aandoening der
essence zijns wezens. Zóó voelde zij, dat hij haar liefhad, met
contemplatie en aanbidding, en zoo voelde zij het in waarheid door een
raadvermogen van sympathie dat hun elkanders in-wezen deed raden naar
waarheid. En dàt was zijn geluk--zijn eerste, zooals hij zeide,--haar
zóó lief te hebben en niet anders. O zij begreep hem! Ze begreep zijne
illuzie, die hij zag in haar en ze wist nu, dat zoo ze hem in waarheid
lief wilde hebben, om hèm en niet om zich, ze voor hèm niets anders
mocht zijn en blijven dan illuzie, dan eene vrouw, die geen vleesch was,
die niets verlangde van de aarde, welke hij vond in andere vrouwen, die
alleen ziel zoû wezen, zusterziel der zijne. En zooals ze het vizioen
zijner liefde voor zich zag, kalm en stralend, zoo zag ze ook voor zich
den eigen strijd, die haar wachtte: strijd met zichzelve, strijd met
haar eigen smart: smart, omdat hij zoo hoog van haar dacht en ze madonna
noemde, terwijl zij laag wilde zijn en slavin. Zij zoû moeten schijnen,
die hij zag in haar, om zijn geluk, en die rol zoû haar zwáar vallen,
want ze had hem lief met o zooveel eenvoud, met geheel haar vrouwewezen,
dat zich geheel wilde geven, zóo geven als eene vrouw zich slechts aan
éen in haar leven geeft, wat en wie ze ook geven mocht daarvoor, uit
onwetendheid van zichzelve, en geven moge daarna in bitterheid en leed.
De uiterlijkheid van dien rol en de innerlijkheid van haar zijn: het
conflict daartusschen zoû haar zwaar vallen, maar ze dacht aan die
zwaarte met een glimlach en met een geluk, stralende door haar hart,
want dien zwaren strijd zoû ze strijden voor hèm, ter wille van hem en
alleen voor hem. O, de weelde te lijden voor een, dien ze liefhad al ze
had hèm; in zich gefolterd te zullen worden van verlangen, dat hij niet
tot haar komen zoû met de omhelzing zijner armen en den zoen van zijn
mond, en te voelen, dat ze zoo gefolterd zoû worden om zijn geluk, het
zijne! Te voelen, dat ze genoeg hem liefhad om tot hem te gaan met open
armen en hem den aalmoes zijner liefkoozingen vragen, maar ook te
voelen, dat ze hem meer liefhad dan dat en hooger, en--niet uit fierheid
en kuischheid, die toch nog egoïsme zijn--maar alleen uit zelfopoffering
aan zijn geluk--niet vragen wilde en nooit vragen zoû.
Pijn, pijn om hem! Een zwaard door hare ziel voor hem! Martyre te zijn
voor haar god, die op aarde niet gelukkig kon zijn, dan alleen in hare
marteling! En ze was door het leven gegaan, jaren lang, zonder tot op
dezen dag gevoeld te hebben, dat zulke weelde bestaan kan, niet als
verbeelding in verzen, maar als realiteit in haar hart. Ze was jong
meisje geweest en ze had hare dichters gelezen en wat zij rijmden over
liefde en ze had gemeend dat alles te begrijpen, fijn te begrijpen en
toch: zonder ooit het minste voorgeraden te hebben van het Gevoel zelve.
En--jonge vrouw was ze geweest, ze was gehuwd geweest, kinderen had ze!
Door haren geest flitste heur huwelijksleven in een bliksem van
herinneringen en ze bleef staan voor het portret van haren overleden
man, dat daar op een ezel stond in een draperie van somber peluche. Het
was een masker van heerschzucht: een streng fijn gelaat met scherpe
trekken als gegraveerd in fijn staal; koud-verstandige oogen met een
strakken portretblik: dunne, baardelooze lippen, beslist op elkaâr
gesloten als een slot. Haar man! En ze woonde nog in het zelfde huis,
waar ze met hem gewoond had, waar ze hare vele gasten had moeten
ontvangen, toen hij minister was geweest van Buitenlandsche Zaken. Hare
recepties en diners schitterden als wereldsche tafereelen in haar geest
op en ze zag nog duidelijk het oog weêr van haren man, die in een korten
cirkelblik van goed- of afkeuring alles opnam: het arrangement harer
kamers, hare tafels en haar eigen toilet. Haar huwelijk was niet
ongelukkig geweest: haar man was wat koud en zonder expansie, geheel
opgenomen in zijne eerzucht, maar hij hield van haar op zijne wijze,
en dat zelfs met teederheid: ook zij, ze had van hem gehouden; zij had
gemeend hem uit liefde te trouwen: hare aanhankelijke vrouwelijkheid
beminde heerschers. Delicaat van gestel, ondermijnd misschien door de
te groote energie der gedachte, was hij na eene korte ziekte overleden;
Cecile herinnerde zich hare treurigheid, hare eenzaamheid met de twee
kinderen, van wie hij reeds gevreesd had, dat zij ze bederven zoû. En
hare eenzaamheid was haar zoet geweest, met het gewolk van haar
gedroom ...
Waarom had ze dit portret--eene mooie levensgroote fotografie; een
koolafdruk, donker van eene Rembrandtsche schaduw--nooit laten
naschilderen in olieverf, zooals ze eerst had willen doen? Het voornemen
was uit haar weggebleekt; ze had er in maanden niet meer aan gedacht; nù
eensklaps dacht zij er aan ... En er was geen zelfverwijt en wroeging in
haar. Ze zoû de schilderij niet laten maken. Het was goed, zoo. Zij
dacht zonder weemoed aan den doode. Zij had zich niet over hem te
beklagen gehad, hij had haar nooit iets kunnen verwijten. En nu, ze was
vrij; zij werd er zich bewust van met eene wijde blijdschap. Vrij, te
voelen wat ze wilde. Hare vrijheid welfde zich als boven haar uit met
blauwe uitspansels, waarin hare nieuwe liefde opsteeg in de immaculate
vlucht van een duif. Vrijheid, lucht, licht! Ze wendde zich met een
glimlach van verrukking af van het portret; heure armen sloegen zich
boven haar uit als wilde zij hare vrijheid, de wijdte van hare lucht,
meten, als wilde zij het licht tegemoet. Lief, ze had lief! Er was
alleen liefde; er was alleen de harmonie van zielen, de harmonie harer
ziel van dienares met die van heur, op aarde verbannen, god. O, wat een
gratie, dat die harmonie bestaan kon, tusschen zoo iets hoogs als hij en
laags als zij! Maar hij mocht het niet zien, dat ze laag was; madonna
moest ze blijven, om hem moest zij die blijven, om hem, in de marteling
van zijn eerbied, en de duizeling van het hooge punt, troon van
vergoding, waarop hij haar tot zich verhief. Om haar heen voelde zij die
duizeling draaien als met ringen van glans. En ze viel neêr op hare
bank, hare vingers vouwden zich, hare oogleden knipten; toen bleven hare
oogen zelve voor zich uit turen, heel ver weg ...