Ja, wat dan? Hoe dat evenwicht tusschen zijne twee polen te vinden! Hij
haalde zijne schouders op; hij wist, dat hij het niet vinden kon. Hij
miste een zeker element of een zekere kracht om dat te vinden. Hij kon
zich slechts laten slingeren. Goed dan: hij zóû zich laten slingeren:
er was niets aan te doen. Want nu, in die moêheid na zijn woest geweld,
begon hij weêr een hevig verlangen te voelen, als iemand, die na een
langen avond in een feestzaal vol bedorven lucht van gaslicht en
stoffige mufheid en benauwdheid van menschenadem te hebben doorgebracht,
haakt naar eenen hoogen hemel en wijdte van atmosfeer: een hevig
verlangen naar Cecile. En hij glimlachte, blij, dat hij haar kende, dat
hij tot haar kon gaan, dat het hem nu vergund was door te dringen in het
kuische heiligdom harer omgeving, als in een tempel; hij glimlachte,
blij, dat hij dit verlangen voelde, en trotsch daarom, zich verheffend
boven andere menschen ... Hij stelde zich reeds voor zijn genot haar
oprecht te biechten hoe hij geleefd had, die drie weken lang, en hij
hoorde al hare stem, ofschoon hij niet hare woorden verstond ...
Jules klom van de ladder af. Hij was treurig, dat Quaerts niet gevolgd
had zijn schikken van de wapens op het rek en zijn drapeeren van het
doek er om heen. Maar hij was stil door gegaan met zijn werk en nu het
klaar was, klom hij af en ging hij, stil, zitten op den grond, met zijn
hoofd tegen het voeteneind aan van de bank, waar zijn vriend lag te
denken. Jules sprak geen woord; zijne oogen zagen recht voor zich uit,
met iets van boudeeren, voelende, dat Quaerts nu naar hem keek.
--Jules! zei Quaerts.
Maar Jules antwoordde niet, starende.
--Zeg Jules! Waarom hoû je toch zooveel van me?
--Weet ik het! sprak Jules met dunne lippen.
--Weet je het niet?
--Neen. Hoe weet je nu, waarom je van iemand houdt.
--Je moet niet zooveel van me houden, Jules. Dat is niet goed.
--Goed dan. Dan zal ik het minder doen, sprak Jules.
Hij stond in eens op en nam zijn hoed. Hij gaf Quaerts eene hand, maar
Quaerts hield hem vast, met een glimlach.
--Zie je, bijna niemand houdt van me, alleen ... je papa en jij. Van je
papa weet ik het, maar van jou niet, waarom je van me houdt.
--Je wilt ook alles weten.
--En is het een ongeluk om dat te willen?
--Natuurlijk. Je zal zoo nooit tevreden zijn. Mama zegt altijd, dat men
niets weet.
--En jij?
--Ik ... niets ...
--Wat niets?
--Ik weet niets ... Laat me nu gaan.
--Ben je boos, Jules?
--Neen, maar ik heb een afspraak.
--Kan je wachten, tot ik me gekleed heb, dan gaan we samen. Ik ga naar
tante Cecile.
Jules streed.
--Goed dan. Maar haast je.
Quaerts stond op. Hij zag nu de wapens hangen, die hij geheel vergeten
had.
--Dat heb je netjes gedaan, Jules! sprak hij bewonderend. Dank je wel,
hoor.
Jules antwoordde niet en Quaerts ging zijne kleedkamer in. De jongen
zette zich op de bank, strakrecht, en zag naar het Paleis, tusschen de
dorre boomen door. Zijne oogen vulden zich met dikke ronde tranen, die
neêrvielen; onbewegelijk, strakrecht, weende hij.