II.

Ja, wat dan? Hoe dat evenwicht tusschen zijne twee polen te vinden! Hij

haalde zijne schouders op; hij wist, dat hij het niet vinden kon. Hij

miste een zeker element of een zekere kracht om dat te vinden. Hij kon

zich slechts laten slingeren. Goed dan: hij zóû zich laten slingeren:

er was niets aan te doen. Want nu, in die moêheid na zijn woest geweld,

begon hij weêr een hevig verlangen te voelen, als iemand, die na een

langen avond in een feestzaal vol bedorven lucht van gaslicht en

stoffige mufheid en benauwdheid van menschenadem te hebben doorgebracht,

haakt naar eenen hoogen hemel en wijdte van atmosfeer: een hevig

verlangen naar Cecile. En hij glimlachte, blij, dat hij haar kende, dat

hij tot haar kon gaan, dat het hem nu vergund was door te dringen in het

kuische heiligdom harer omgeving, als in een tempel; hij glimlachte,

blij, dat hij dit verlangen voelde, en trotsch daarom, zich verheffend

boven andere menschen ... Hij stelde zich reeds voor zijn genot haar

oprecht te biechten hoe hij geleefd had, die drie weken lang, en hij

hoorde al hare stem, ofschoon hij niet hare woorden verstond ...

Jules klom van de ladder af. Hij was treurig, dat Quaerts niet gevolgd

had zijn schikken van de wapens op het rek en zijn drapeeren van het

doek er om heen. Maar hij was stil door gegaan met zijn werk en nu het

klaar was, klom hij af en ging hij, stil, zitten op den grond, met zijn

hoofd tegen het voeteneind aan van de bank, waar zijn vriend lag te

denken. Jules sprak geen woord; zijne oogen zagen recht voor zich uit,

met iets van boudeeren, voelende, dat Quaerts nu naar hem keek.

--Jules! zei Quaerts.

Maar Jules antwoordde niet, starende.

--Zeg Jules! Waarom hoû je toch zooveel van me?

--Weet ik het! sprak Jules met dunne lippen.

--Weet je het niet?

--Neen. Hoe weet je nu, waarom je van iemand houdt.

--Je moet niet zooveel van me houden, Jules. Dat is niet goed.

--Goed dan. Dan zal ik het minder doen, sprak Jules.

Hij stond in eens op en nam zijn hoed. Hij gaf Quaerts eene hand, maar

Quaerts hield hem vast, met een glimlach.

--Zie je, bijna niemand houdt van me, alleen ... je papa en jij. Van je

papa weet ik het, maar van jou niet, waarom je van me houdt.

--Je wilt ook alles weten.

--En is het een ongeluk om dat te willen?

--Natuurlijk. Je zal zoo nooit tevreden zijn. Mama zegt altijd, dat men

niets weet.

--En jij?

--Ik ... niets ...

--Wat niets?

--Ik weet niets ... Laat me nu gaan.

--Ben je boos, Jules?

--Neen, maar ik heb een afspraak.

--Kan je wachten, tot ik me gekleed heb, dan gaan we samen. Ik ga naar

tante Cecile.

Jules streed.

--Goed dan. Maar haast je.

Quaerts stond op. Hij zag nu de wapens hangen, die hij geheel vergeten

had.

--Dat heb je netjes gedaan, Jules! sprak hij bewonderend. Dank je wel,

hoor.

Jules antwoordde niet en Quaerts ging zijne kleedkamer in. De jongen

zette zich op de bank, strakrecht, en zag naar het Paleis, tusschen de

dorre boomen door. Zijne oogen vulden zich met dikke ronde tranen, die

neêrvielen; onbewegelijk, strakrecht, weende hij.

Extaze: Een Boek van Geluk · 第 25 / 40 题